Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:626

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
18.830013-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Oplegging van een gevangenisstraf van 3 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk wegens

- de voortgezette handeling van diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Opiumwet 3
Opiumwet 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830013-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

15 februari 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

1 februari 2016. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.C. Keuning, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.F. Hoekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 4 januari 2015 tot en met 5 januari 2015,

in de gemeente(n) Loppersum en/of Bedum en/of Delfzijl en/of Groningen, in

ieder geval in het arrondissement Noord-Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen enig

geldbedrag en/of (onder meer) speakers, bankpas, tv, postzegelboeken, I-pad,

laptop, telefoons, zonnebrillen, fototoestel, cd's en/of een auto (merk Audi,

type: Coupe GT), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen tot de

afgifte van (onder meer) 90.000 euro en/of andere geldbedragen en/of (onder

meer) speakers, bankpas, tv, postzegelboeken, I-pad, laptop, telefoons,

zonnebrillen, fototoestel, cd's en/of een auto (merk Audi, type: Coupe GT), in

elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader die [slachtoffer]

- heeft/hebben opgezocht in diens woning, en/of

- dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd:

"ik heb je al een tijdje op de korrel" en/of "Ik ook wel weer vrij kom. Voor

een bedreiging staat vier jaar" en/of "weet je wat ze met pedo's doen? Die

steken ze het liefst in de brand" en/of "ik heb een pistool thuis" en/of "Jij

gaat alles verliezen, geloof me" en/of "Jij doet gewoon wat wij zeggen en de

andere weg is gewoon, dat jij dat niet wil, maar dan sla ik je hier de

pleuris in. En ik steek je kapot ik snij je strot af." en/of "ik ben ook heel

goed in mensen mishandelen..Geloof me, want ik breek iets van je..ik plak je

bek af met tape, niemand hoort wat" en/of "Doe de computer even aan, laat

even zien hoeveel geld je hebt op bank" en/of "ik haal jou onderuit en ik

steek je" en/of "ik heb een paar mensen om me heen, die o god o god, als ik

de rem er niet op had gezet, dan waren ze hier al veel eerder geweest" en/of

"als jij daarheen gaat staan er vanavond of volgende maand of wanneer je ook

weer thuiskomt..Staan hier mensen bij de deur en die snijden je de strot

door.." en/of "Wij gaan zo meteen naar de bank. Dan ga je geld voor mij

pinnen" en/of "we gaan hier weg met een hele vracht geld. En een hele hoop

spullen. En dan heb je geluk, nogmaals!" en/of "je mag blij zijn dat ik je

niet verkracht", althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking,

en/of

- medegedeeld dat één van hen TBS had gehad en dat men nergens voor

terugdeinsde, en/of

- een mes heeft/hebben getoond en/of daarmee een dreigende houding

heeft/hebben aangenomen en/of

- ( aldus) heeft/hebben geintimideerd;

2.

hij op of omstreeks 10 januari 2015 te [pleegplaats] , gemeente De Marne,

opzettelijk (in een woning aan de [adres] ) aanwezig heeft gehad

ongeveer 430,555 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram

hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie op grond van de bewijsmiddelen in het dossier gerekwireerd tot bewezenverklaring van zowel de diefstal in vereniging voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld, als de afpersing in vereniging. De officier van justitie heeft tevens gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot de ten laste gelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

Feit 1

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 11 januari 2015, opgenomen op pagina 19 e.v. van dossier nr. PL0100-2015009803 d.d. 3 maart 2015, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ;

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 februari 2015, opgenomen op pagina 161 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de relatering van [persoon 1] .

Feit 2

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2015, opgenomen op pagina 211 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de relatering van [persoon 2] :

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2015, opgenomen op pagina 189 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de relatering van [persoon 3] ;

Een proces-verbaal verdovende middelen d.d. 6 februari 2015, opgenomen op pagina 35 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de relatering van [persoon 4] en [persoon 5] .

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 4 januari 2015 tot en met 5 januari 2015 in de gemeenten Loppersum en/of Bedum en/of Delfzijl en/of Groningen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen enig geldbedrag, speakers, tv, postzegelboeken, iPad, laptop, telefoons, zonnebrillen, fototoestel, cd's en een auto, merk Audi, type: Coupe GT, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

en

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van 90.000 euro, andere geldbedragen en een bankpas toebehorende aan die [slachtoffer] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader die [slachtoffer]

- hebben opgezocht in diens woning en

- dreigend de woorden hebben toegevoegd:

"Ik heb je al een tijdje op de korrel" en "Ik ook wel weer vrij kom. Voor een bedreiging staat vier jaar" en "Weet je wat ze met pedo's doen? Die steken ze het liefst in de brand" en "Ik heb een pistool thuis" en "Jij gaat alles verliezen, geloof me" en "Jij doet gewoon wat wij zeggen en de andere weg is gewoon, dat jij dat niet wil, maar dan sla ik je hier de pleuris in. En ik steek je kapot ik snij je strot af" en "Ik ben ook heel goed in mensen mishandelen. Geloof me, want ik breek iets van je. Ik plak je bek af met tape, niemand hoort wat" en "Doe de computer even aan, laat even zien hoeveel geld je hebt op bank" en "Ik haal jou onderuit en ik steek je" en "Ik heb een paar mensen om me heen, die o god o god, als ik de rem er niet op had gezet, dan waren ze hier al veel eerder geweest" en "Als jij daarheen gaat staan er vanavond of volgende maand of wanneer je ook weer thuiskomt staan hier mensen bij de deur en die snijden je de strot door" en "Wij gaan zo meteen naar de bank. Dan ga je geld voor mij pinnen" en "We gaan hier weg met een hele vracht geld. En een hele hoop spullen. En dan heb je geluk, nogmaals!" en "Je mag blij zijn dat ik je niet verkracht", en

- hebben medegedeeld dat één van hen TBS had gehad en dat men nergens voor terugdeinsde en

- een mes hebben getoond en daarmee een dreigende houding hebben aangenomen en

- aldus hebben geïntimideerd.

2.

hij op 10 januari 2015 te [pleegplaats] , gemeente De Marne, opzettelijk (in een woning aan de [adres] ) aanwezig heeft gehad ongeveer 430,555 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

1. De voortgezette handeling van diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 10 augustus 2015, opgemaakt door

drs. J. Buschman, gz-psycholoog.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan ziekelijke stoornissen van de geestvermogens, te weten ADHD overwegend hyperactief-impulsief, een stoornis in alcoholgebruik en een stoornis in cannabisgebruik, alsmede aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline kenmerken en zwakbegaafdheid. De ziekelijke stoornissen van de geestvermogens en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waren aanwezig ten tijde van het onder 1 ten laste gelegde. De gedragsdeskundige komt tot de conclusie dat de ziekelijke stoornissen en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens wel een in algemene zin verstoord verlopen levensroute hebben beïnvloed, waardoor verdachte vermoedelijk eerder tot de door hem gemaakte gedragskeuzes kon komen, maar dat de totstandkoming van het onder 1 ten laste gelegde zelf echter niet kan worden verklaard door deze ziekelijke stoornissen of gebrekkige ontwikkeling. Het motief om tot het onder 1 ten laste gelegde over te gaan, is ontstaan vanuit een opportunistisch handelen waar naartoe is geredeneerd nadat een praktische wijziging in de levenssituatie was ontstaan. Om die reden wordt niet geadviseerd het onder 1 ten laste gelegde op basis van de ziekelijke stoornissen of de gebrekkige ontwikkeling verminderd toe te rekenen aan verdachte.

Voor zover de raadsman heeft gesteld dat er wel een verband bestaat tussen het onder 1 bewezen verklaarde en de bij verdachte geconstateerde stoornissen acht de rechtbank dit standpunt onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan zich met de conclusie van

drs. J. Buschman verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het onder 1 bewezen verklaarde volledig aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een contactverbod met aangever en een locatieverbod met betrekking tot de gemeente Loppersum.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat er geen aanleiding is om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het recidivegevaar is niet dusdanig hoog dat er vrijheidsontneming dient te volgen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Tevens heeft de raadsman oplegging van een taakstraf bepleit.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezen- en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is met zijn medeverdachte naar aangever gegaan met de bedoeling om 'schadevergoeding' van aangever te eisen omdat verdachte in het verleden seksueel zou zijn misbruikt door aangever. Zowel verdachte als zijn medeverdachte heeft aangever ernstig bedreigd, waarbij zij naast een flink aantal goederen ook de auto van aangever hebben weggenomen. Tevens heeft aangever de volgende dag onder bedreiging van geweld een bedrag van € 90.000,- moeten overmaken aan verdachte.
Deze vorm van eigenrichting heeft voor aangever een zeer angstige en bedreigende situatie geschapen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring is de rechtbank gebleken dat aangever nog lange tijd de nadelige, vooral psychische, gevolgen heeft ondervonden van hetgeen heeft plaatsgevonden. Hij heeft in de greep van de angst voor verdachte en diens mededader verkeerd en heeft allerlei maatregelen getroffen om zich weer enigszins veilig te kunnen voelen. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

Tevens heeft verdachte 430,55 gram hennep in zijn woning aanwezig gehad. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat drugs ernstige schade kunnen berokkenen aan de gebruikers daarvan en kunnen leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien gaat het gebruik van en de handel in drugs vaak gepaard met andere vormen van (gewelds- en vermogens-) criminaliteit.

De rechtbank heeft gelet op een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 januari 2016, waaruit is gebleken dat verdachte eerder wegens andersoortige delicten met politie en justitie in aanraking is geweest

Tevens heeft de rechtbank gelet op het rapport van de reclassering d.d. 9 april 2015 waarin de reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden waaronder het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de voorlopige hechtenis van verdachte op 7 april 2015 heeft geschorst en een werkstraf.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de door verdachte gepleegde feiten oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, die in duur de lengte van het (reeds ondergane) voorarrest overstijgt. De rechtbank zal tevens een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, nu de rechtbank het van belang acht dat verdachte, indien dit na nadere diagnostiek geïndiceerd is, behandeling ondergaat voor zijn persoonlijke problematiek en geen contact zoekt met de aangever. Het gebiedsverbod zal daarbij beperkt blijven tot de woonplaats van aangever.

Vordering van de benadeelde partij

(feit 1) [slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 23.689,39 aan materiële schade en € 1.900,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van [slachtoffer] zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de materiële schade voor toewijzing vatbaar is.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte (onder 1) gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2015.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Verdachte is niet tot vergoeding van bovengenoemde bedragen gehouden voorzover deze bedragen al door verdachtes mededader zijn voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 56, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich zal gedragen naar de aanwijzingen die door of namens Reclassering Nederland aan hem worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zal meewerken aan nadere diagnostiek op het gebied van psychisch functioneren en zijn middelengebruik door de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke instelling en, indien dit geïndiceerd is, behandeling ondergaat.

- zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van alcohol en drugs en verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod meewerkt aan bloedonderzoek en urineonderzoek;

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de heer [slachtoffer] wonende te [plaats] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich niet in [plaats] zal bevinden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

(feit 1) Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt de veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 25.589,39 (zegge: vijfentwintig duizend vijfhonderd negenentachtig euro en negenendertig

eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2015, in dier voege dat

indien dit bedrag door de mededader van de veroordeelde geheel of gedeeltelijk is of wordt

betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de veroordeelde in de kosten van het geding, door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden

begroot op nihil.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 25.589,39 (zegge: vijfentwintig duizend vijfhonderd negenentachtig euro en negenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2015, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 162 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege dat, indien dit bedrag door de mededader van de veroordeelde geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 23.689,39 aan materiële schade en
€ 1.900,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van de veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien de veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, M. Haisma en

A. Jongsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Fennema als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 februari 2016.