Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5847

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
4828332 /16-33 en 4845459/16-39
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

WWZ. Ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsrelatie. Het verzoek van de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3869
AR-Updates.nl 2017-0936
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummers: 4828332 /16-33 en 4845459/16-39

Beschikking van de kantonrechter d.d. 10 maart 2016 inzake

de vennootschap onder firma Griekse Traiterie “De Olijfboom”, gevestigd te Groningen aan de [adres] ,

verzoekster in conventie, tevens verweerster in reconventie, hierna te noemen De Olijfboom,

gemachtigde mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen,

tegen

[naam] ,

wonende te [woonplaats] aan de [adres] ,

verweerster in conventie, tevens verzoekster in reconventie, hierna [werkneemster] te noemen,

gemachtigde mr. T.J. Hidding, advocaat te Groningen.

PROCESGANG

De Olijfboom heeft bij verzoekschrift met bijlagen, ter griffie binnengekomen op 16 februari 2016, verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaak-/rolnummer 4828332/16-33.

Bij verweerschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 23 februari 2016, heeft [werkneemster] zich tegen het verzoek verzet. Voor het geval de kantonrechter mocht overgaan tot ontbinding van het verzoek maakt [werkneemster] aanspraak op een billijke vergoeding groot € 10.000,00 bruto (onder overlegging van een bruto/netto specificatie. Dit als zelfstandig tegenverzoek aangemerkt verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaak-/rolnummer 4845459/16-39.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 februari 2016, gelijktijdig met het door [werkneemster] geëntameerde kort geding. De Olijfboom (vertegenwoordigd door haar vennoot [A] ) en [werkneemster] zijn samen met hun gemachtigden ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet, mede aan de hand van de door hun gemachtigden opgestelde pleitaantekeningen. Tevens was op de zitting ten behoeve van [werkneemster] een tolk aanwezig. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft De Olijfboom nog stukken in het geding gebracht.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.1.

De Olijfboom is een jonge onderneming die zich bezig houdt met de verkoop van Griekse gerechten alsmede het serveren daarvan. Vennoten van De Olijfboom zijn [A] en [B] (hierna [A] en [B] te noemen).

1.2.

[werkneemster] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 september 2015 krachtens arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar bij De Olijfboom in dienst getreden. Blijkens de arbeidsovereenkomst betreft het een oproepcontract en is er geen vast aantal uren overeengekomen. Overeengekomen is een bruto loon van € 9,16 per uur.

1.3.

Tijdens de bespreking over het aangaan van een arbeidsovereenkomst is onder meer aan de orde gekomen dat [werkneemster] voornemens was om in Groningen een opleiding te gaan volgen aan de Academie Minerva. [werkneemster] heeft daarbij aangegeven dat zij bij De Olijfboom zou kunnen werken op tijden dat zij niet naar college moest.

1.4.

De samenwerking tussen partijen verliep aanvankelijk probleemloos en [werkneemster] heeft in de maanden september, oktober en november 2015 gemiddeld 110,25 uren per maand gewerkt.

1.5.

Van de zijde van De Olijfboom is op 8 december 2015 aan [werkneemster] meegedeeld dat zij werd ontslagen c.q. niet meer zou worden opgeroepen. Aanleiding daarvoor was de mishandeling van [werkneemster] door haar ex-vriend. Bij brief van haar gemachtigde van 24 december 2015 heeft [werkneemster] tegen het ontslag op staande voet geprotesteerd. [werkneemster] heeft zich daarbij beschikbaar gesteld voor het verrichten van haar werkzaamheden.

1.6.

Naar aanleiding van deze brief heeft [A] op 31 december 2015 aan de gemachtigde van [werkneemster] laten weten dat het ontslag wordt ingetrokken en dat [werkneemster] de week daarna zal worden opgeroepen voor een gesprek.

1.7.

Dat gesprek - tussen [werkneemster] enerzijds en [A] en [B] anderzijds - heeft plaatsgevonden op 6 januari 2016. Blijkens het gespreksverslag is onder meer besproken dat door De Olijfboom is aangegeven dat [werkneemster] - onder meer gezien de afgenomen drukte en het niveau van het Nederlands van [werkneemster] - vooralsnog in de middag- en enkele avonduren zal worden inpland, dat [werkneemster] te kennen heeft gegeven dat zij gezien haar studie behalve op dinsdag en het weekend niet in de middaguren ingepland kan worden en dat De Olijfboom heeft benadrukt dat zij om eerder genoemde redenen [werkneemster] niet alleen in de avonduren kan inplannen.

1.8.

Bij e-mail van 6 januari 2016 heeft De Olijfboom [werkneemster] vervolgens opgeroepen om te komen werken op donderdag 7 januari 2016 en vrijdag 8 januari 2016 van 09.00 uur tot 12.00 uur ’s ochtends. [werkneemster] heeft daar geen gehoor aan gegeven. Wel heeft haar gemachtigde op 7 januari 2016 per (om 07.50 uur verzonden) e-mail laten weten dat De Olijfboom haar cliënt andere werkzaamheden laat verrichten en haar voor te weinig uren inzet.

1.9.

De Olijfboom heeft [werkneemster] vervolgens opgeroepen om te werken op:

 dinsdag 12 januari 2016 van 11.00 tot 15.00 uur

 woensdag 13 januari 2016 van 11.00 tot 15.00 uur

 donderdag 14 januari 2016 van 11.00 tot 16.00 uur

 vrijdag 15 januari 2016 van 11.00 tot 16.00 uur

 zaterdag 16 januari 2016 van 20.00 tot 23.00 uur.

1.10.

[werkneemster] heeft per e-mail aangegeven dat zij gezien de tijden van haar opleiding niet aan die oproeping kan voldoen.

1.11.

Voor de week daarna, dinsdag 19 januari tot en met zaterdag 23 januari 2016, heeft De Olijfboom [werkneemster] ingeroosterd op dezelfde dagen en tijden als hiervoor in 1.9 genoemd.

1.12.

[werkneemster] heeft vervolgens aangegeven dat zij niet op het werk zal verschijnen.

1.13.

Na november 2015 heeft [werkneemster] van De Olijfboom geen loon meer ontvangen.

Het geschil

2. De Olijfboom verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdelen e, g en h BW. Aan dit verzoek legt De Olijfboom - kort gezegd - ten grondslag dat sprake is van verwijtbaar handelen van [werkneemster] doordat zij niet op het werk is verschenen terwijl zij was ingeroosterd. Bovendien is de arbeidsrelatie verstoord geraakt. In ieder geval is er sprake van zodanige omstandigheden dat van haar redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De Olijfboom is van mening dat er geen grond is voor toekenning van enige vergoeding.

3. [werkneemster] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt zij om toekenning van een billijke vergoeding van € 10.000,00 bruto.

4. Waar nodig zal de kantonrechter bij de beoordeling nader op de standpunten van partijen ingaan.

De beoordeling

5. Nu niet anders is gesteld of gebleken, moet ervan worden uitgegaan dat er geen sprake is van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of een naar aard en strekking daarmee vergelijkbaar opzegverbod in een ander wettelijk voorschrift.

6. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [werkneemster] een billijke vergoeding dient te worden toegekend. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.

7. De Olijfboom verwijt [werkneemster] naar het oordeel van de kantonrechter om de volgende redenen ten onrechte dat zij niet op het werk is verschenen terwijl zij was ingeroosterd.

8. Genoegzaam staat vast dat [werkneemster] , voordat zij bij De Olijfboom in dienst trad, heeft aangegeven dat zij zou kunnen werken op tijden dat zij niet naar college moest. Mede op basis van die mededeling is de arbeidsovereenkomst tot stand gekomen en De Olijfboom had als goed werkgever in beginsel rekening moeten houden met de studietijden van [werkneemster] . Niettemin heeft De Olijfboom [werkneemster] vanaf 7 januari 2016 ingeroosterd op tijden waarvan zij wist dat [werkneemster] in veel gevallen door haar studie niet beschikbaar was. Op 6 januari 2016 heeft [werkneemster] immers nog uitdrukkelijk gezegd dat zij door de week alleen op de dinsdagen ‘s middags inzetbaar was. De Olijfboom verklaart haar wijze van inroostering onder meer met het argument dat er onvoldoende werk voor [werkneemster] was op de uren waarop zij voor 8 december 2015 werkte, maar niet alleen is dat door [werkneemster] gemotiveerd betwist, bovendien heeft [A] tijdens de zitting verklaard dat zij en [B] de moeder van laatstgenoemde hebben ingeschakeld zodat zij ( [A] ) “het gat dat [werkneemster] achterliet” kon opvullen. Aldus heeft De Olijfboom naar het oordeel van de kantonrechter haar stelling dat er op de gebruikelijke uren voor [werkneemster] onvoldoende werk was zelf zodanig ondermijnd, dat daaraan voorbij dient te worden gegaan.

9. Dat het, zoals De Olijfboom voorts heeft gesteld, gezien de eerdere gebeurtenissen bovendien een te groot risico zou zijn om [werkneemster] in de avonduren in te zetten is, gezien de betwisting door [werkneemster] en de onvoldoende onderbouwing door De Olijfboom, eveneens onvoldoende aannemelijk geworden. Ook aan die stelling zal daarom voorbij worden gegaan.

10. Dat [werkneemster] de overeengekomen arbeid niet heeft verricht ondanks dat zij daartoe was opgeroepen, moet dan ook worden gezien als een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van De Olijfboom behoort te komen (art. 7:628 lid 1 BW).

11. Wel is de kantonrechter uit de standpunten van partijen en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de arbeidsverhouding tussen partijen verstoord is geraakt. [werkneemster] betwist dat weliswaar en zij acht voortzetting van het dienstverband mogelijk, maar op grond van de door De Olijfboom in het geding gebrachte (schriftelijke) verklaringen van twee medewerkers en de (aanvullende) verklaringen van de op de zitting aanwezige medewerkers staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat er binnen het team van De Olijfboom onvoldoende draagvlak aanwezig is voor samenwerking met [werkneemster] en dat de arbeidsrelatie zodanig verstoord is dat herstel daarvan niet tot de mogelijkheden behoort.

12. Daarmee ligt het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsrelatie voor inwilliging gereed.

13. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [werkneemster] een billijke vergoeding toe te kennen, zoals zij heeft verzocht. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding namelijk alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van De Olijfboom. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier evenwel niet voor. Daartoe wordt het volgende overwogen.

14. Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting is genoegzaam gebleken dat de problemen tussen [werkneemster] en haar ex-partner de bron vormden voor de steeds stroever worden arbeidsrelatie tussen partijen. De Olijfboom werd namelijk rechtstreeks geconfronteerd met genoemde problemen in de privésfeer van [werkneemster] . Weliswaar heeft De Olijfboom gezien voorgaande overwegingen daar niet steeds goed op gereageerd (ten onrechte ontslag op staande voet en onjuiste inroostering van [werkneemster] ) maar dat neemt niet weg dat [werkneemster] hoe dan ook heeft bijgedragen aan de thans ontstane situatie van een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie. Van het bewust creëren door De Olijfboom van deze onwerkbare situatie is de kantonrechter niet gebleken. In het licht van de hoge drempel die de wetgever heeft aangelegd voor het toekennen van een billijke vergoeding, kan dan ook niet worden geconcludeerd dat er sprake is van zodanig ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door De Olijfboom dat dit toekenning van een billijke vergoeding rechtvaardigt.

15. Gezien de grond voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ligt herplaatsing niet in de rede.

16. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van De Olijfboom zal toewijzen zonder toekenning van een billijke vergoeding aan [werkneemster] .

17. De arbeidsovereenkomst zal met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW worden ontbonden met ingang van 1 mei 2016.

18. De kantonrechter acht termen aanwezig om te bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

BESLISSING

De kantonrechter:

in de zaak met zaak-rolnummer 4828322/16-33

1. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2016 op grond van een verstoorde arbeidsrelatie;

in de zaak met zaak-rolnummer 4845459/16-39

2. wijst het verzoek van [werkneemster] af;

in beide zaken

3. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. B. van den Bosch, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

MH