Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5845

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
18-830410-14 ontn
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Noordelijke Fraudekamer. Verduistering. Beroepsverbod. Vorderingen benadeelde partij en maatregel van artikel 36f Sr in relatie tot een faillissement. Verdachte, eigenaar van een bureau voor schuldhulpverlening en budgetbeheer, heeft jarenlang de gelden die zijn cliënten bij hem in beheer hadden gegeven gebruikt om de kosten van zijn bedrijfsvoering te kunnen blijven voldoen. Na het uiteindelijke faillissement in 2014 zijn tientallen cliënten gedupeerd achtergebleven. De financiële schade voor de gedupeerden bedraagt in totaal ruim € 200.000,--. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij op deze wijze misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat zijn cliënten, die zich vaak in een zeer kwetsbare financiële positie bevonden, in hem hadden gesteld. Op zichzelf rechtvaardigt een fraude van deze aard en omvang een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Vanwege het tijdsverloop, de financiële gevolgen voor verdachte zelf en het feit dat niet is gebleken dat verdachte met de verduisterde gelden zichzelf heeft verrijkt, ziet de rechtbank in dit bijzondere geval aanleiding om te volstaan met het opleggen van de maximale werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Ook wordt aan verdachte het verbod opgelegd om gedurende vijf jaar het beroep van financieel dienstverlener uit te oefenen. Daarnaast is bij afzonderlijke beslissing het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel afgenomen. Hoewel duidelijk is dat de benadeelde partijen aanzienlijke schade hebben geleden, verklaart de rechtbank de vorderingen niet-ontvankelijk nu verdachte in staat van faillissement is verklaard en deze vorderingen derhalve op grond van artikel 26 en 110 Faillissementswet uitsluitend bij de curator kunnen worden ingediend. De rechtbank ziet tevens af van (afzonderlijke) toepassing van de maatregel tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 36f Sr. Verdachte mag tijdens de looptijd van zijn faillissement geen betalingen verrichten, terwijl het niet-nakomen van een op grond van artikel 36f Sr opgelegde betalingsverplichting met vervangende hechtenis wordt bedreigd. Bovendien zou oplegging van deze maatregel leiden tot oneigenlijke bevoordeling van enkele schuldeisers in het faillissement ten opzichte van de anderen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e, geldigheid: 2015-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830410-14

beslissing van de meervoudige kamer, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 19 juli 2017 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 3 februari 2017 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 98.315,00 ter ontneming van het uit de zaak met parketnummer 18/830410-14 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

De behandeling heeft plaatsgevonden op de terechtzittingen van 2 maart 2017 en 5 juli 2017. Op deze zittingen is veroordeelde verschenen, bijgestaan door mr. E.T. van Dalen, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

De officier van justitie heeft op de zitting van 5 juli 2017 zijn vordering verlaagd naar een bedrag van € 56.440,92.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:

1. een overzichtslijst van cliënten van [naam bedrijf] en de per cliënt geldende benadelingsbedragen, opgenomen op pagina 55 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2014134306 d.d. 14 december 2014;

2. de door veroordeelde op de zitting van 5 juli 2017 afgelegde verklaring, inhoudende dat de juiste bedragen die cliënten van hem tegoed hebben, staan vermeld op de overzichtslijst op pagina 55 van het dossier.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 19 juli 2017 in de zaak met parketnummer 18/830410-14 veroordeeld ter zake van het meermalen plegen van verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft.

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door hem gepleegde voormelde strafbare feiten.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat de hiervoor aangehaalde overzichtslijst. Van deze lijst betrekt de rechtbank bij onderhavige schatting de bedragen die veroordeelde erkend heeft aan de respectievelijke cliënt/aangever verschuldigd te zijn. Aldus schat de rechtbank het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel op de optelsom van de volgende bedragen:

- € 1.292,46 ten aanzien van [slachtoffer 1] ;

- € 12.264,86 ten aanzien van [slachtoffer 2] ;

- € 939,95 ten aanzien van [slachtoffer 3] ;

- € 463,51 ten aanzien van [slachtoffer 4] ;

- € 934,10 ten aanzien van [slachtoffer 5] ;

- € 2.072,79 ten aanzien van [slachtoffer 6] ;

- € 1.370,00 ten aanzien van [slachtoffer 7] ;

- € 3.412,41 ten aanzien van [slachtoffer 8] ;

- € 2.716,42 ten aanzien van [slachtoffer 9] ;

- € 2.132,92 ten aanzien van [slachtoffer 10] ;

- € 2.913,81 ten aanzien van [slachtoffer 11] ;

- € 1.259,14 ten aanzien van [slachtoffer 12] ;

- € 1.283,68 ten aanzien van [slachtoffer 13] ;

- € 1.626,96 ten aanzien van [slachtoffer 14] ;

- € 887,47 ten aanzien van [slachtoffer 15] ;

- € 680,40 ten aanzien van [slachtoffer 16] ;

- € 1.517,90 ten aanzien van [slachtoffer 17] ;

- € 2.106,91 ten aanzien van [slachtoffer 18] ;

- € 1.829,68 ten aanzien van [slachtoffer 19] ;

- € 1.125,17 ten aanzien van [slachtoffer 20] ;

- € 3.297,03 ten aanzien van [slachtoffer 21] ;

- € 864,14 ten aanzien van [slachtoffer 22] ;

- € 1.550,04 ten aanzien van [slachtoffer 23] ;

- € 2.710,96 ten aanzien van [slachtoffer 24] ;

- € 1.810,91 ten aanzien van [slachtoffer 25] ;

- € 1.970,39 ten aanzien van [slachtoffer 26] ;

- € 276,58 ten aanzien van [slachtoffer 27] .

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde (afgerond) € 55.311,00 voordeel heeft genoten.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 55.311,00.

Legt [verdachte] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van

€ 55.311,00 (zegge: vijfenvijftigduizend driehonderdelf euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Deze uitspraak is gegeven door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. C.M.M. Oostdam en
mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 juli 2017.