Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5844

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-10-2016
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
C/17/150760 / KG ZA 16-260
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

vordering van stichting tot nakoming door gemeente van raamovereenkomst afgewezen; de gemeente heeft de raamovereenkomst rechtsgeldig tussentijds opgezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/150760 / KG ZA 16-260

Vonnis in kort geding van 3 oktober 2016

in de zaak van

de stichting

[eiser] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.J. Achterveld, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

[gedaagde] ,

zetelend te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaten mr. J.G. Sijmons en mr. O.A. Meijer, kantoorhoudende te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de mondelinge behandeling en de daartoe op voorhand overgelegde producties;

  • -

    de pleitnota van zijde van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. Ter zitting van 3 oktober 2016 is meegedeeld dat diezelfde dag verkort vonnis zal worden gewezen en dat de uitwerking daarvan een week later zal volgen. Vonnis is gevolgd op 3 oktober 2016. Het onderstaande vormt de uitwerking van dat vonnis.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is een stichting die zich bezighoudt met het verlenen van hulp aan meerderjarige jongeren.

2.2.

Op 17 december 2014 heeft [gedaagde] met [eiser] een overeenkomst gesloten inzake Thuisondersteuning in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).

2.3.

Op 4 mei 2015 heeft [B] (hierna: [B] ), de voorzitter van het bestuur van [eiser] , aangifte van chantage en afpersing gedaan tegen een vrouw (hierna: de vrouw). Volgens [B] had de vrouw gedreigd hem 'kapot te maken' en hem aan te geven bij de tuchtraad wegens seks met een minderjarige als hij niet vóór 8 mei 2015 € 10.000,- aan haar en € 5.000,- aan haar moeder zou betalen. In het proces-verbaal van aangifte staat - voor zover van belang - de volgende verklaring van [B] vermeld:

"In februari 2014 heb ik een kortstondige affaire gehad met [de vrouw]. Deze affaire heeft circa zes maanden geduurd. Dit is begonnen in februari 2014 tot en met augustus /september 2014. Ik ben algemeen directeur van [eiser] (…) [de vrouw] is onlangs meerdere malen bij [eiser] geweest. Een medewerker (…) heeft haar geholpen. [de vrouw] blijkt namelijk recht te hebben op PGB. De medewerker wist niets van de affaire tussen hen beide. De relatie ging puur en alleen om de sex. Ik had zeker geen intentie om een relatie met [de vrouw] aan te gaan. Ik heb direct verteld dat ik geen relatie wilde of kon hebben, omdat ik getrouwd ben. (…) De affaire was beëindigd in augustus/september 2014 hebben wij geen contact meer met elkaar gehad. [de vrouw] heeft mij nog wel gevraagd om met haar het bed te delen. Dit was na september. Dit heeft ze meerdere keren gevraagd. Ze wilde dan gewoon wat afspreken voor de leuk. We wisten beide dat dit zou uitdraaien op seks. Ik heb dit alle keren na september geweigerd. De keren dat we met elkaar naar bed gingen zijn we niet naar een hotel geweest. We zijn naar een lege woning gegaan. De woning had ik opgezegd en stond leeg."

(…)

Ik denk dat het niet alleen draait om de seks. Ze heeft me een paar keer voorgesteld haar PGB begeleider te zijn, zodat we samen geld zouden kunnen opstrijken. Ze wilde haar graag een eigen huisje en nieuwe meubels. We zouden alles fiftyfifty doen. Ze had die dag een gesprek gehad met een van de medewerkers. Ze had wel recht op een bepaald geldbedrag met betrekking tot PGB. Ze wilde dat we dit samen zouden gaan doen. Ik heb dit direct geweigerd.

2.4.

De vrouw is naar aanleiding van deze aangifte op 17 augustus 2015 verhoord. In het proces-verbaal van dit verhoor staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

A= [B] [ [B] ; toevoeging voorzieningenrechter] is de eigenaar van de [eiser] . (…) Ik ken [B] sinds vorig jaar in de maand mei. Daarvoor had ik hem wel eens bij kennissen gezien.

V=Heb je een relatie met hem gehad en hoe verliep dit?

A=Ik heb geen relatie met hem gehad. Ik was dakloos en samen met een vriendin, Dat is de

reden dat ik mij aanmeldde bij [eiser] . Ik wilde niet alleen onderdak maar ook hulp. Ik raakte dus zo in contact niet [B] . (…) Vorig jaar mei door vriendin aangemeld bij [eiser] . De eigenaar [B] zei toen tegen mij: “Eindelijk heb ik jou hier." [B] sjanste al gelijk met mij. Ik ben niet verlegen en deed dit toen ook terug, hoewel ik daar verder geen bijbedoelingen bij had. Ik had hard hulp nodig en had geen eigen huis. Dus zocht ook echt hulp. Door de positieve geluiden van mijn vriendin dacht ik dit hier dan ook te krijgen. (…) Hij was heel welwillend in het begin hij had in ieder geval gauw woonplek geregeld. Ik woonde daar samen met andere van zijn jongeren. We hebben meerdere keren seks gehad. Een keer in het huis van zijn vriendin, die was op vakantie. En een keer in aan leegstaand huis waarvan hij de sleutel nog had. (…) Op een gegeven moment probeerde ik hem af te houden. Dit heeft hij niet gewaardeerd waarschijnlijk want zijn gedrag naar mij toe werd steeds grimmiger. Niks kon meer opeens. Geen hulp, geen woord, geen bezoekje.(…)

Ik heb nooit geprobeerd geld van [B] af te persen. Ik heb hem om 15000 euro gevraagd voor een verloren jaar, maar hij is daar nooit op ingegaan.

2.5.

Op 17 november 2015 hebben partijen na een aanbestedingsprocedure in het kader van de Wmo, een 'Raamovereenkomst Thuisondersteuning' (hierna ook te noemen: de Raamovereenkomst) gesloten. Op grond van deze Raamovereenkomst kan [eiser] jegens [gedaagde] aanspraak maken op vergoeding van aan haar cliënten geleverde zorg op het gebied van "(praktische) thuisondersteuning". Deze zorg behelst de praktische ondersteuning aan personen die ouder zijn dan 18 jaar en zich nog niet goed zelfstandig kunnen redden in het dagelijks leven.

2.6.

In de Raamovereenkomst is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

5.1

Deze overeenkomst treedt in werking op 1 januari 2016 en eindigt, zonder dat opzegging is vereist, van rechtswege op 31 december 2016 waarbij er een optie tot verlenging van de Dienstverlening bestaat van 1 jaar.

(…)

Artikel 6 Opzeggen van de overeenkomst

6.1

Opdrachtgever en Opdrachtnemer kunnen deze Overeenkomst gemotiveerd tussentijds eenzijdig opzeggen bij aangetekend schrijven naar de wederpartij. Voor de opzegging geldt een termijn van drie (3) maanden gerekend vanaf de datum van verzenden van de aangetekende brief.

(…)

Artikel 7 Ontbinden van de Overeenkomst

7.1

Opdrachtgever heeft het recht de overeenkomst geheel of gedeeltelijk per direct te ontbinden, zonder tot schadevergoeding tot Opdrachtnemer verschuldigd te zijn, door middel van het versturen van een aangetekend schrijven indien

(…)

3) zich ontwikkelingen met betrekking tot de Dienst voordoen die (zouden kunnen) leiden tot een ernstig negatief effect op de goede naam van Opdrachtgever (…);

(…)

7.2

Onverminderd het overige in de Overeenkomst bepaalde hebben Partijen het recht om, zonder nadere ingebrekestelling en zonder voorafgaande rechtelijke tussenkomst, de

Overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen, door:

1) grove nalatigheid van één der Partijen; (…)

(…)

10.5

Meldingsplicht bij calamiteiten

(…)

10.5.2

Opdrachtnemer meldt iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

10.5.3

Opdrachtnemer dient volgens artikel 10.5.1 de calamiteiten te rapporteren aan

Opdrachtgever.

(…)

Artikel 19 Niet nakoming en geschillen

(…)

19.1.4

Onverminderd het bepaalde in 19.1.1 heeft Opdrachtgever de mogelijkheid om, indien in redelijkheid is vast komen te staan dat Opdrachtnemer de afspraken in deze overeenkomst niet nakomt, de volgende maatregelen te nemen:

1) in overleg met Opdrachtnemer worden verbeterafspraken gemaakt; (…)

2) een boete volgens artikel 11.4

3) de Overeenkomst wordt opgezegd

2.7.

Op [datum] heeft in [plaats] een steek- en schietincident plaatsgevonden (hierna: het steek- en schietincident). Naar aanleiding van dit incident is [B] samen met drie andere verdachten aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen. De voorlopige hechtenis van [B] is na enkele maanden geschorst.

2.8.

Op 1 februari 2016 heeft [eiser] het HKZ-Kwaliteitsmanagementsysteemcertificaat Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening verkregen.

2.9.

Op 25 maart 2016 heeft het Openbaar Ministerie naar aanleiding van voormeld steek- en schietincident een bestuurlijke rapportage aan de burgemeester van [gedaagde] gezonden. In deze bestuurlijke rapportage staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Op [datum] vond er in en voor een kapsalon [adres] een steek- en schietincident plaats. Bij dit incident waren vier verdachten betrokken en raakte één slachtoffer gewond. De confrontatie met slachtoffer [C] vond plaats in de kapsalon waar hij voorafgaand aan het steekincident een woordenwisseling met [D] had. Deze [D] verliet na behandeling de kapsalon en kwam kort daarna in het bijzijn van [B] en zijn broer [E] in de kapsalon terug. Het slachtoffer [C] werd vervolgens in de kappersstoel met een mes en tondeuse gestoken en met een stok van een veger geslagen. Het slachtoffer zag uiteindelijk kans de drie aanvallers van zich af te weren en naar buiten te werken. Voor de kapsalon kregen de aanvallers hulp van de hen bekende [F] . Deze [F] schiet vervolgens meerdere malen op slachtoffer [C] , die daarbij gewond raakt. De aanleiding is een langlopend conflict tussen de families [B,D en E] enerzijds en de familie [C] , allen wonende te Leeuwarden.

Volgens [C] zou zijn minderjarige zus door de [eiser] (...) worden begeleid. Tijdens één van de gesprekken zou zij door verdachte [B] sexueel zijn misbruikt. Deze [B] is één van de bestuurders van de [eiser] . Het slachtoffer [C] wilde vervolgens geld van [B] . Vervolgens worden over en weer bedreigingen geuit wat escaleerde in het steek- en schietincident [adres]

Verklaringen betrokkene(n):

De verdachten verklaren dat zij met slachtoffer in de kapsalon wilden praten maar dat zij door slachtoffer werden aangevallen met een mes. En dat uit noodweer werd geschoten.

Bestuurlijke relevante aandachtspunten

De vier verdachten zijn aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen. Ze zitten thans nog gedetineerd. De verdachte [D] bleek GBA ingeschreven te staan op [adres] . Deze woonruimte maakt deel uit van woonruimte in beheer bij de [eiser] (voornoemd). (...)

Informatie met betrekking tot dit incident is afkomstig uit op ambtseed of -belofte opgemaakte processen-verbaal.

2.10.

Bij brief van 13 juni 2016 heeft [gedaagde] - voor zover van belang - het volgende aan [B] , in hoedanigheid van voorzitter van het bestuur van [eiser] , bericht:

Bij overeenkomst getekend op 17 november 2015 is een raamovereenkomst Thuisondersteuning voor het jaar 2016 met u ondertekend. Vanaf april 2015 is enkele malen met u gesproken over de kwaliteit van uw dienstverlening en in een later stadium tevens over signalen die wij over uw organisatie hebben ontvangen. (…) Na de start van de nieuwe overeenkomst in 2016 hebben wij opnieuw signalen over uw stichting ontvangen. De aard en omvang van de signalen zijn van dien aard, dat ernstige twijfels ontstonden ten aanzien van de kwaliteit van de door u geleverde dienstverlening, maar ook ten aanzien van de kwantiteit. Bovendien zijn er signalen die erop duiden dat de veiligheid van uw cliënten in het geding is, als gevolg van uw dienstverlening. Wij hebben deze signalen onderzocht. Tijdens het onderzoek ontvingen wij op 25 maart een bestuursrapportage vanuit het Openbaar Ministerie, waaruit blijkt dat u als voorzitter en tevens hulpverlener als verdachte bent aangemerkt in verband met een ernstig geweldsdelict. Bij dit incident was tevens een van uw cliënten betrokken. Op grond van artikel 10.5 van de overeenkomst bent u verplicht een dergelijk incident per omgaande aan ons te melden. Door dit na te laten heeft u gehandeld in strijd met de contractuele voorwaarden. Er is naar ons oordeel sprake van een grove nalatigheid als bedoeld in artikel 7.2 van de overeenkomst. Gelet op dit gegeven en gelezen in samenhang met alle andere aanwezige signalen hebben wij besloten de overeenkomst op grond van artikel 7.2 per direct te ontbinden.

2.11.

Bij brief van 17 juni 2016 heeft mr. Achterveld voornoemd namens [eiser] aan [gedaagde] bericht niet akkoord te gaan met de ontbinding.

2.12.

[G] , de toenmalige gemachtigde van [gedaagde] , heeft bij aangetekende brief van 4 juli 2016 - voor zover van belang - het volgende aan [eiser] bericht:

Bij schrijven d.d. 13 juni jl. heeft cliënte de met u gesloten overeenkomst inzake Wmo thuisondersteuning (“de Overeenkomst”) per direct ontbonden. Aan deze ontbinding lagen,

zoals u wel bekend, meerdere aanleidingen en (rechts)gronden ten grondslag.

Door cliënte is in voornoemd schrijven al expliciet aangegeven dat er aan uw zijde (meerdere

malen) sprake is geweest van grove nalatigheid als bedoeld in artikel 7.2 van de Overeenkomst. Daarnaast rechtvaardigen de door cliënte reeds genoemde feiten en omstandigheden eveneens een (directe) ontbinding van de Overeenkomst op grond van artikel 7.1, met name lid 3. Het staat immers buiten kijf dat de betrokkenheid van uw bestuurder, tevens zorgverlener, bij het door het Openbaar Ministerie onderzochte geweldsdelict heeft geleid (en in ieder geval heeft kunnen leiden) tot een ernstig negatief effect op de goede naam van cliënte. Voor zover u deze ontbindingsgrond niet reeds heeft kunnen c.q. moeten lezen in voornoemd schrijven van cliënte, doet cliënte daarop hierbij (alsnog) een beroep,

Cliënte is ervan overtuigd dat zij gerechtigd is (geweest) om de Overeenkomst per direct te ontbinden, Echter, voor het geval op enig moment vast mocht komen te staan dat er toch iets valt af te dingen, op de door cliënte reeds (en thans opnieuw) ingeroepen ontbinding, heeft te gelden dat cliënte middels dit schrijven de Overeenkomst eveneens opzegt met een beroep op artikel 6.1. De Overeenkomst zal derhalve in alle gevallen geëindigd zijn op 4 oktober 2016.

2.13.

Bij vonnis in kort geding van 20 juli 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats op vordering van [eiser] [gedaagde] - kort gezegd - veroordeeld tot nakoming van de afspraken, neergelegd in de tussen partijen tot stand gekomen Raamovereenkomst. In dit vonnis heeft de voorzieningenrechter - voor zover van belang - het volgende overwogen:

Aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat het geheel van signalen reden geeft tot zorg, zeker bezien in samenhang met het feit dat [B] enkele maanden in voorlopige hechtenis heeft gezeten als verdachte van een steek- en schietincident en nog altijd verdachte is in die zaak en het feit dat hij een affaire heeft gehad met een jonge vrouw, die claimt dat de affaire is begonnen toen zij zich voor hulp aanmeldde bij [eiser] . Echter, waar [gedaagde] deze omstandigheden niet zodanig ernstig heeft geoordeeld dat zij in maart 2016 de Raamovereenkomst onmiddellijk heeft ontbonden en veel van de signalen niet worden gestaafd met feiten of kenbare bronnen is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [gedaagde] te voorbarig heeft gehandeld door op grond van deze signalen en het steek- en schietincident te concluderen dat sprake was van grove nalatigheid aan de zijde van [eiser] en de Raamovereenkomst om die reden in juni 2016 per direct te ontbinden zonder [eiser] in de gelegenheid te stellen haar visie te geven op deze omstandigheden. De voorzieningenrechter acht daarom aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de Raamovereenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden."

2.14.

Naar aanleiding van dit vonnis heeft [gedaagde] bij brief van 21 juli 2016 aan [eiser] bericht dat zij gezien het vonnis de Raamovereenkomst gedurende de looptijd zou nakomen en dat deze overeenkomst, nu deze eveneens per brief van 4 juli 2016 was opgezegd, alsnog per 4 oktober 2016 zou eindigen.

2.15.

Op 16 augustus 2016 heeft overleg plaatsgevonden tussen partijen. In dat gesprek heeft [gedaagde] aangegeven dat het doel van de bespreking was om afspraken te maken over een "warme overdracht" van de cliënten van [eiser] . [eiser] heeft in reactie hierop aangegeven dat de opzegging van de Raamovereenkomst niet in stand kon blijven, zodat van een overdracht van cliënten geen sprake kon zijn.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot

1. nakoming van de afspraken, neergelegd in de tussen partijen tot stand gekomen “raamovereenkomst Thuisondersteuning”, ook over de periode vanaf 4 oktober 2016;

2. betaling van € 250,- per dag c.q. dagdeel, gedurende welke [gedaagde] nalaat gevolg te geven aan het in deze te wijzen vonnis, gerekend vanaf de derde dag na de dag van betekening van het in deze te wijzen vonnis;

3. betaling van € 1.000,- exclusief BTW ten titel van buitengerechtelijke incassokosten;

4. betaling van de proceskosten, waaronder een salaris voor de gemachtigde van [eiser] .

3.2.

[gedaagde] voert verweer met conclusie tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op het feit dat [gedaagde] de Raamovereenkomst per 4 oktober 2016 heeft opgezegd en de overeenkomst zonder deze opzegging van rechtswege zou eindigen op 31 december 2016, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van [eiser] bij haar vordering tot nakoming van deze overeenkomst gegeven. Van [eiser] kan in redelijkheid niet verwacht worden de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten, nu een beslissing hierin niet voor 1 januari 2017 zal volgen.

4.2.

Wat partijen verdeeld houdt, is de vraag of [gedaagde] de Raamovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure deze vraag bevestigend zal beantwoorden. Hiertoe is het volgende redengevend.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij beantwoording van voormelde vraag een ander toetsingskader geldt dan bij de vraag die in het vorige kort geding tussen partijen voor lag, te weten de vraag of [gedaagde] de overeenkomst rechtsgeldig per direct had ontbonden. Die laatste vraag diende beantwoord te worden aan de hand van het bepaalde in artikel 7 van de Raamovereenkomst, op grond van welke bepaling een partij de overeenkomst onder meer per direct kan ontbinden ingeval van grove nalatigheid van de wederpartij. De thans voorliggende vraag of de Raamovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd dient echter beoordeeld te worden aan de hand van het bepaalde in artikel 6.1 van de Raamovereenkomst. Op grond van artikel 6.1 kan één der partijen de Raamovereenkomst gemotiveerd tussentijds eenzijdig opzeggen bij aangetekend schrijven naar de wederpartij, waarbij een opzegtermijn geldt van drie maanden. Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze bepaling niet zo kan worden uitgelegd dat het daarin opgenomen motiveringsvereiste slechts een formeel vereiste betreft, in die zin dat elke motivering volstaat. De bepaling zou daarmee tot een zinledige verworden. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het motiveringsvereiste zo moet worden uitgelegd dat een deugdelijke motivering gegeven dient te worden. In zoverre hebben partijen afgeweken van artikel 7:408 lid 1 BW, waarin is bepaald dat de opdrachtgever te allen tijde de overeenkomst kan opzeggen.

4.4.

De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in haar standpunt dat bij de uitleg van het motiveringsvereiste artikel 19.1.4 van de Raamovereenkomst een rol speelt. In artikel 19.1.4 is bepaald welke maatregelen [gedaagde] kan nemen indien in redelijkheid is vast komen te staan dat [eiser] de afspraken in de Raamovereenkomst niet nakomt. Eén van de daarin genoemde maatregelen is het opzeggen van de overeenkomst. Deze bepaling ziet enkel op de maatregelen die [gedaagde] kan treffen bij niet-nakoming door [eiser] , zodat het reeds daarom geen rol kan spelen bij de uitleg van het begrip motivering in artikel 6.1, nu deze bepaling betrekking heeft de opzeggingsbevoegdheid van beide partijen. Bovendien had het in de rede gelegen dat als partijen de opzeggingsbevoegdheid hadden willen beperken tot de gevallen van niet-nakoming, zij dit in artikel 6.1 tot uitdrukking hadden gebracht, wat niet is gebeurd. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat beide partijen de Raamovereenkomst ook kunnen opzeggen om andere redenen dan niet-nakoming van de overeenkomst door de wederpartij.

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt dat de ontbinding met onmiddellijke ingang op grond van artikel 7 van de Raamovereenkomst een veel zwaardere maatregel is dan de opzegging op grond van artikel 6 van de Raamovereenkomst, alleen al vanwege het feit dat bij de opzegging een opzegtermijn van drie maanden gehanteerd dient te worden. Dit rechtvaardigt de conclusie dat voor een rechtsgeldige opzegging ook minder zwaarwegende gronden vereist zijn dan de in artikel 7 genoemde gronden voor ontbinding met onmiddellijke ingang. Blijkens de opzeggingsbrief van 4 juli 2016 zijn aan de opzegging dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd als aan de buitengerechtelijke ontbinding met onmiddellijke ingang. Uit het feit dat voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de opzegging een ander, minder zwaar, toetsingskader geldt dan voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de ontbinding volgt dat het enkele feit dat de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 20 juli 2016 heeft geoordeeld dat [gedaagde] te voorbarig heeft gehandeld door op grond van vorenbedoelde feiten en omstandigheden de overeenkomst per direct te ontbinden zonder [eiser] in de gelegenheid te stellen haar visie te geven op deze feiten en omstandigheden, niet betekent dat deze feiten en omstandigheden ook geen opzegging van de overeenkomst rechtvaardigen. De stellingen van [eiser] die dit miskennen stuiten daarop af.

4.6.

De voorzieningenrechter begrijpt de opzeggingsbrief, mede bezien in het licht van hetgeen ter zitting is aangevoerd, aldus dat door [gedaagde] aan de opzegging een veelheid aan omstandigheden ten grondslag is gelegd, waaronder de betrokkenheid van [B] bij het steek- en schietincident, de affaire van [B] met een jonge vrouw en de negatieve signalen over [eiser] die [gedaagde] heeft ontvangen van onder andere het Veiligheidshuis Fryslân en Coöperatie Amaryllis.

4.7.

Ten aanzien van de gestelde affaire heeft [B] ter zitting verklaard dat hij geen seks met de betreffende vrouw heeft gehad. Volgens hem heeft hij in de aangifte in strijd met de waarheid verklaard dat hij seks met haar heeft gehad, omdat hem dit door de politie was geadviseerd. Dit komt de voorzieningenrechter ongeloofwaardig voor. Niet valt in te zien waarom de politie, een organisatie die zich bezighoudt met de handhaving van de wet, hem zou adviseren om - in strijd met de wet - valse verklaringen op te nemen in zijn aangifte. [B] heeft ook geen enkele onderbouwing gegeven voor deze zware beschuldiging aan het adres van de politie. Daar komt nog bij dat hij in zijn aangifte gedetailleerd heeft beschreven welke seksuele handelingen zijn verricht, hoe vaak ze zijn verricht en op welk locatie, welke verklaringen steun vinden in de verklaringen van de vrouw in haar verhoor. De voorzieningenrechter gaat er daarom voorshands vanuit dat er wel sprake was van een seksuele affaire. Gezien de betwisting door [eiser] heeft [gedaagde] echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze affaire is begonnen toen de vrouw zich voor hulp bij [eiser] heeft gemeld en dat de vrouw een cliënte van [eiser] was of is geworden. Hierbij laat de voorzieningenrechter wegen dat de aangifte van [B] en de verklaring van de vrouw, zoals die onder meer naar voren komt uit haar verhoor, elkaar op dit punt tegenspreken en [gedaagde] geen andere stukken heeft overgelegd ter staving van haar stelling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vormt de affaire reeds daarom geen grond voor opzegging van de overeenkomst. Dit oordeel kan [eiser] echter niet baten, gelet op het navolgende.

4.8.

Met betrekking tot één van de verdachten van het steek- en schietincident, de heer [F] (hierna: [F] ), heeft [gedaagde] een overzicht van zorgdeclaraties, zorgfacturen en toekenningsbeschikkingen van het jaar 2015 overgelegd, waarin staat vermeld dat [eiser] de zorgverlener van [F] is, waar de facturen en declaraties op zien en dat bij beschikkingen van 31 januari 2015 en 17 juni 2015 hem een persoonlijk budget is toegekend over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015. Voor zover [eiser] betwist dat [F] ten tijde van het steek- en schietincident cliënt van [eiser] was, heeft zij dit in het licht van dit overzicht onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft voorts onweersproken aangevoerd dat één van de andere verdachten, de heer [D] , tot een dag voor het incident cliënt van [eiser] was. Mede gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit incident en het vervolgens niet melden daarvan bij [gedaagde] voldoende grond biedt voor opzegging van de overeenkomst. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat [eiser] een stichting is aan wie [gedaagde] de zorg voor kwetsbare jongeren heeft uitbesteed en dat [B] , als voorzitter van een dergelijke stichting, een voorbeeldfunctie voor deze jongeren vervult en naar buiten toe het gezicht van de stichting is. Met deze rol valt niet te rijmen dat hij tezamen met één van die kwetsbare cliënten en een kwetsbare jongere die een dag daarvoor nog aan de zorg van [eiser] was toevertrouwd enkele maanden in voorlopige hechtenis wordt genomen als verdachte van een ernstig gewelddelict. Waar het hier gaat om de voorzitter van [eiser] , het boegbeeld van de stichting, die - zoals [gedaagde] onbestreden heeft aangevoerd - tevens zorgverlener is bij [eiser] en hij tezamen met onder andere een cliënt en een ex-cliënt van [eiser] bij het incident betrokken was, is dit incident zo nauw verbonden met [eiser] dat [gedaagde] op grond van dit zeer ernstige incident en het niet melden daarvan heeft kunnen besluiten dat zij niet langer zaken met [eiser] wil doen. De omstandigheid dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat [B] slechts heeft willen bemiddelen bij het conflict in de kapsalon en voorts dat hij nog niet veroordeeld is maar slechts verdachte is, leidt niet tot een ander oordeel. [gedaagde] heeft kunnen oordelen dat zijn positie door dit incident zeer omstreden is geworden en dat dit, tezamen met het feit dat dit incident door [eiser] niet bij haar is gemeld - wat zonder meer als onzorgvuldig moet worden bestempeld, zoals de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 20 juli 2016 ook heeft geoordeeld -, voldoende grond biedt voor opzegging van de Raamovereenkomst.

4.9.

Ten aanzien van de stelling van [eiser] dat [gedaagde] bij het nemen van het besluit tot opzegging van de overeenkomst heeft nagelaten hoor en wederhoor toe te passen overweegt de voorzieningenrechter dat, voor zover dit beroep op schending van de hoorplicht in een bodemprocedure slaagt, dit zich (mogelijk) vertaalt in schadevergoeding. Nu [gedaagde] namelijk op grond van de wet en de Raamovereenkomst het recht heeft om de overeenkomst tussentijds op te zeggen en er een deugdelijke grond voor opzegging bestaat, die gebaseerd is op informatie uit betrouwbare bron, te weten ambtsedig opgemaakte processen-verbaal, gaat de sanctie op schending van de hoorplicht niet zover dat de opzegging ongeldig wordt verklaard. Het beroep van [eiser] op schending van de hoorplicht kan reeds daarom niet leiden tot toewijzing van haar vordering tot nakoming van de Raamovereenkomst.

4.10.

Gelet op het vorenstaande kunnen de overige aan de opzegging ten grondslag gelegde omstandigheden onbesproken blijven. De slotsom is dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden vastgesteld op

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.435,00

4.11.

Voorts zal de door [gedaagde] verzochte veroordeling tot betaling van de nakosten als onbestreden worden toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld.

4.12.

De voorzieningenrechter heeft na de zitting geconstateerd dat in de conclusie van [gedaagde] , die in de pleitnota van mr. Sijmons apart staat vermeld op de laatste pagina, naast het verzoek om de vordering af te wijzen en [eiser] te veroordelen in de proces- en nakosten ook het verzoek is opgenomen om [eiser] te veroordelen haar medewerking te verlenen aan het bepaalde in de exit-bepalingen van de overeenkomst. De voorzieningenrechter overweegt dat noch zij noch de griffier zich kan herinneren dat de pleitnota, waar het dit verzoek betreft, is voorgedragen. De voorzieningenrechter houdt het er daarom voor dat dit verzoek niet is ingediend. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in het feit dat zij op grond van § 7.5 van het toepasselijke 'Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie' ter terechtzitting dient te beslissen over de toelaatbaarheid van een dergelijk verzoek, dat neerkomt op een eis in reconventie, en mr. Sijmons ter zitting geen gewag heeft gemaakt van het feit dat de voorzieningenrechter niet besliste over de toelaatbaarheid van het verzoek. Als hij het verzoek daadwerkelijk had ingediend, had het in de rede gelegen dat hij dit wel had gedaan. Evenmin zijn de gronden voor deze eis in reconventie te berde gebracht, hetgeen eveneens een aanwijzing vormt dat geen sprake is geweest van het indienen van een eis in reconventie. Tot slot is in strijd met § 7.2 van voormeld procesreglement de eis in reconventie niet uiterlijk 24 uur vóór de terechtzitting schriftelijk aan de wederpartij en de voorzieningenrechter meegedeeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden vastgesteld op € 1.435,00;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

fn: 445