Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5827

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
16-05-2017
Zaaknummer
18/730133-16, 18/720063-16, 18/720025-16, 18/175346-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 17 juni 2016 een verdachte veroordeeld voor belaging. Verdachte heeft zich gedurende een periode van twee maanden schuldig gemaakt aan belaging. Hij heeft daarbij mensen in de omgeving van het slachtoffer benaderd met vragen over het slachtoffer. Voorts heeft hij herhaaldelijk in zijn auto het slachtoffer achtervolgd en contact gezocht met haar, zulks terwijl hij een gebieds- en contactverbod had. Opvallend daarbij is dat verdachte vaak de grens van het gebiedsverbod opzocht en aldus het slachtoffer als het ware steeds opwachtte. Door zo te handelen heeft verdachte ernstig en herhaald inbreuk gemaakt op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Zijn gedrag is niet alleen zeer vervelend, maar ook beangstigend geweest voor zowel het slachtoffer als voor haar ouders.

Aan verdachte is een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank voorwaarden opgelegd, waaronder de bijzondere voorwaarde van elektronisch toezicht. Voorts dient verdachte het slachtoffer een schadevergoeding te betalen. Tot slot heeft de rechtbank de proeftijd van een andere voorwaardelijke veroordeling met een jaar verlengd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 285b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730133-16

ter berechting gevoegde parketnummers 18/720063-16 en 18/720025-16

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/175346-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 juni 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 03 juni 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Albayrak, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 730133/16, 720063/16 en 720025/16

hij in of omstreeks de periode van 24 december 2015 tot en met 23 februari

2016, te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden, en/of (elders) in

Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op

de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen

iets te doen (contact met hem te hebben), niet te doen, te dulden (dat hij,

verdachte, aanwezig is in haar omgeving) en/of vrees aan te jagen, immers

heeft/is verdachte in voornoemde periode, toen aldaar,

(op of omstreeks 24 december 2015)

- als bestuurder van een (personen)auto gaan en blijven rijden in de

[straatnaam] (te weten een straat in de wijk/omgeving waar die [slachtoffer]

werkzaam en woonachtige is) en toen aldaar die [slachtoffer] (in een door haar

bestuurde auto) tegemoet gereden (zulks terwijl verdachte zijn gezicht door

middel van bedekking met keukenrolpapier of een servet (deels) onherkenbaar

had gemaakt, althans een poging daartoe had gedaan) en/of toen aldaar naar

die [slachtoffer] en de tevens in die auto gezeten moeder van die [slachtoffer] ( [naam]

) gezwaaid en/of oogcontact gemaakt met die [slachtoffer] en/of haar

moeder en/of

(in de periode van 11 januari 2016 tot en met 19 februari 2016)

- een door verdachte bestuurde auto geparkeerd naast de auto van die [slachtoffer]

en/of (vervolgens) naar binnengegaan bij [afhaalcentrum] , alwaar die

zich bevond en/of (vervolgens) daar binnen die [slachtoffer] aangekeken

en/of aangesproken (onder meer met het woord: "Contactverbod") en/of

(vervolgens)

- in verdachtes auto die [slachtoffer] opgewacht tot deze naar buiten kwam en/of

(vervolgens, nadat die [slachtoffer] was vertrokken) navraag gedaan bij een

medewerker van dat afhaalcentrum over die [slachtoffer] en over hoe vaak ze daar

kwam en nog meerder andere vragen gesteld met betrekking tot die [slachtoffer]

aan die medewerker en/of

(in de eerder (in de aanhef) genoemde periode)

- meermalen zittende in verdachtes (personen)auto bij [afhaalcentrum]

en/of in de directe omgeving daarvan gestaan en aldaar die [slachtoffer]

opgewacht en/of geobserveerd en/of dat afhaalcentrum geobserveerd en/of

(op of omstreeks 5 februari 2016)

- een neefje van die [slachtoffer] ( [naam] ) geobserveerd vanuit een

(personen)auto en/of (vervolgens) als bestuurder van een (personen)auto

in/door meerdere straten te Leeuwarden dat neefje achtervolgd tot aan de

woning waar de vader van dat neefje woont (in de [straatnaam] ) en/of

(op of omstreeks 6 februari 2016)

- met een door verdachte bestuurde (personen)auto die [slachtoffer] (terwijl zij

met haar moeder was gezeten in een door haar vader bestuurde auto)

achtervolgd in/door meerdere straten te Leeuwarden en/of

(op of omstreeks 9 februari 2016)

- een vriend van het neefje ( [naam] ) van die [slachtoffer] benaderd en deze

gevraagd naar die [slachtoffer] en of hij die kende en daarbij in de richting van

de woning van die [slachtoffer] gewezen, in elk geval geïnformeerd naar die

[slachtoffer] , en/of

(op of omstreeks 12 februari 2016)

- als bestuurder van een (personen)auto die [slachtoffer] en/of haar vader en/of

haar moeder, die gezamenlijk in een door haar vader bestuurde (personen)auto

zaten, achtervolgd over (onder meer) de wegen de [straatnaam] en/of het

[straatnaam] en/of de [straatnaam] en/of de [straatnaam] en/of de

[straatnaam] en/of een of meerdere ander(e) weg(en) en/of

(in of omstreeks de eerder (in de aanhef) genoemde periode)

- zich meermalen (anderszins) opgehouden in de buurt van die [slachtoffer] en/of

familieleden en/of kennissen van die [slachtoffer] en/of die familieleden en/of

kennissen vragen gesteld over die [slachtoffer] en/of geïnformeerd naar die

[slachtoffer] , en/of

- die [slachtoffer] en/of een of meerdere familieleden van die [slachtoffer] (als

bestuurder(s) of inzittende(n) van een auto) achtervolgd als bestuurder van

een auto en/of

- zich meermalen opgehouden in de buurt van de woning van die [slachtoffer] en/of

de woningen van familieleden van die [slachtoffer] en/of

- in de wijk/omgeving waar die [slachtoffer] woont op zoek gegaan naar die

[slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte op verschillende tijdstippen het slachtoffer heeft gedwongen te dulden dat stelselmatig contact met haar werd gezocht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte ontkent dat hij het slachtoffer heeft belaagd. Verdachte is het slachtoffer niet gevolgd; hij kwam op het [straatnaam] om te winkelen. Bovendien is zijn huisarts aan het [straatnaam] gevestigd. Voorts heeft verdachte aangegeven dat zijn zus in de [straatnaam] woont.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat met betrekking tot het eerste gedachtestreepje het feit in strafrechtelijke zin al is afgedaan, nu verdachte hiervoor al twee weken gedetineerd heeft gezeten. Na de gebeurtenis op 9 februari 2016 heeft verdachte vier dagen ten onrechte op het politiebureau doorgebracht en ook daar moet rekening mee worden gehouden. De laatste vier gedachtestreepjes zijn te algemeen en onvoldoende geconcretiseerd en dienen daarom buiten beschouwing te worden gelaten. De raadsman acht hooguit de periode van 5 februari 2016 tot 20 februari 2016 wettig en overtuigend bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

Van belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht is sprake als iemand wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen.

De wetsgeschiedenis van deze bepaling houdt met betrekking tot de 'persoonlijke levenssfeer' onder meer het volgende in.

Memorie van Toelichting, (Kamerstukken II 1997-1998, 25 768, nr. 5, p.2): "Bij belaging wordt iemand opzettelijk door een ander herhaaldelijk lastig gevallen en wordt daardoor een inbreuk gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer. (…) De gedragingen behoeven zich niet louter tot het slachtoffer uit te strekken, ook familieleden, de werkgever, collega's, vrienden en kennissen kunnen door de belager worden geterroriseerd. Als gevolg van de diepgaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt het slachtoffer vaak bang of onzeker. Een normaal functioneren is in veel gevallen onmogelijk. Het slachtoffer kan zich genoodzaakt voelen een geheim telefoonnummer te nemen, zich niet onbeschermd op straat te begeven, op het werk voorzieningen te treffen, buren en anderen in te schakelen om alert te zijn etc."

Uit de memorie van antwoord aan de eerste kamer (kamerstukken I 1999-2000, 25 278, nr. 67a, p.6): "Uitspraken van het Europese Hof voor de rechten van de mens en ook van de Hoge Raad op het gebied van de persoonlijke levenssfeer geven relevante afbakeningen. In die uitspraken komt naar voren dat men niet te pas en te onpas de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan inroepen, maar dat men een redelijke verwachting van die bescherming moet hebben. Daaruit volgt dat die verwachting in de omgeving van het eigen huis sterker is dan op de openbare weg. Toch dient men onbevangen zichzelf te kunnen zijn in het openbare leven. Dus al te indringende inbreuken op de persoonlijke levenssfeer zijn ook daar niet toegestaan."

De Hoge Raad heeft aangegeven dat bij de beoordeling relevant zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers (Hoge Raad 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3495).

Op grond van na te noemen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, kan naar het oordeel van de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte heeft het slachtoffer, al dan niet vergezeld van haar ouders, herhaaldelijk gevolgd in zijn auto. Wanneer het slachtoffer vervolgens de wijk inging waar verdachte gelet op zijn gebiedsverbod niet mocht komen, stond hij haar aan de grens van het gebiedsgebod in zijn auto op te wachten en reed vervolgens weer achter haar (en/of haar ouders) aan. Ook heeft hij contact met het slachtoffer gezocht door oogcontact met haar te maken, naar haar te zwaaien en haar in een afhaalcentrum toe te voegen 'contactverbod'. Door verdachte zijn vragen over het slachtoffer gesteld aan een medewerker van voormeld afhaalcentrum. Op meerdere tijdstippen is verdachte in zijn auto voor het afhaalcentrum gesignaleerd, zulks nadat hij de medewerker had gevraagd hoe vaak en op welke dagen het slachtoffer bij het afhaalcentrum kwam. Ook heeft verdachte een neef van het slachtoffer op hinderlijke wijze gevolgd. Een vriend van de neef werd door verdachte vanuit de bosjes benaderd en vervolgens bevraagd over het slachtoffer. Voornoemde gedragingen, in onderlinge samenhang en verband bezien, waren naar het oordeel van de rechtbank met inachtneming van vorenstaand toetsingskader voor wat betreft de aard, duur, frequentie en intensiteit zodanig dat verdachte hiermee wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Het primaire verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ook het subsidiaire verweer van de raadsman wordt verworpen. Met de tenuitvoerlegging van twee weken vervangende hechtenis wegens overtreding van het bij vonnis van 11 november 2015 opgelegde straat- en contactverbod gaf de rechter-commissaris uitvoering aan de bij genoemd vonnis opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. Hiermee werd niet de nieuwe strafzaak afgedaan.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 03 juni 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 24 december 2015 ben ik aangeefster tegengekomen in de [straatnaam] . Ik reed in mijn auto. Ik had mijn mond afgeplakt met keukenrol.

In de periode 11 januari 2016 tot en met 19 februari 2016 ben ik aangeefster tegengekomen in de toko [afhaalcentrum] . Ik ben de toko uitgegaan en ben in mijn auto gaan zitten. Mijn auto stond naast haar auto. Ik heb de medewerker van de toko gevraagd op welke dag aangeefster daar altijd kwam.

Ik kwam één of twee keer per week in de omgeving van de toko.

Op 5 februari 2016 ben ik een stukje achter een jongen aangereden. De jongen kwam me bekend voor; het kan zijn dat ik hem met aangeefster heb gezien. Als de jongen stopte met lopen, stopte ik met de auto.

Op 9 februari 2016 heb ik een jongen aangesproken. Ik heb hem gevraagd of hij [naam] kende. Ik had hem een paar keer zien lopen bij de flat die naast de flat van aangeefster staat.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 17 februari 2016, opgenomen op pagina 17 van het dossier met nummer 2016047898 d.d. 24 februari 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Ik word sinds januari 2015 gestalkt door een man genaamd [verdachte] .

[verdachte] heeft op 11 november 2015 van de rechter een verbod opgelegd gekregen om contact met mij te zoeken.

[verdachte] heeft tevens een straatverbod opgelegd gekregen voor de Leeuwarder wijken [naam] en [naam] en voor de [straatnaam] te Leeuwarden waar mijn ouders wonen.

Op 5 februari 2016 omstreeks 14.30 uur bevond mijn neefje [naam] zich met zijn hond bij het [parkje] bij de [straatnaam] te Leeuwarden. [naam] zag toen de auto van [verdachte] staan nabij het [parkje] . [naam] besloot om naar de woning van zijn vader te lopen in de [straatnaam] . Terwijl [naam] naar de woning van zijn vader liep, reed [verdachte] langzaam achter [naam] aan. De vader van [naam] is naar buiten gegaan en de straat op en gebaarde naar [verdachte] die achter [naam] was aangereden. Hierop heeft [verdachte] de auto in de achteruit gezet en is weggereden. In de dagen daarna is [verdachte] meermalen door de vader van [naam] gezien in de [straatnaam] te Leeuwarden.

Op 6 februari 2016 bevond ik mij met mijn ouders in hun auto op weg naar een supermarkt op het [straatnaam] te Leeuwarden. Wij reden in de [straatnaam] toen mijn ouders en ikzelf de auto van [verdachte] aan zagen komen rijden. [verdachte] rijdt in een groene [automerk] voorzien van het kenteken [kenteken] . De auto van [verdachte] kwam ons tegemoet rijden. Ik zag dat [verdachte] oogcontact met ons had tijdens het voorbij rijden. Ik draaide mij om en zag dat [verdachte] de richtingaanwijzer van zijn auto aan deed, de auto keerde en achter ons aan kwam. Wij reden vervolgens over het [straatnaam] , de [straatnaam] , de [straatnaam] en de [straatnaam] naar de wijk [naam] , omdat deze wijk verboden gebied is voor [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] niet de wijk [naam] binnenreed. Mijn vader heeft vervolgens korte tijd wat gaan rond rijden in de wijk [naam] , waarna wij dezelfde weg terug zijn gaan rijden om te proberen boodschappen te gaan doen. Wij zagen toen dat de auto van [verdachte] achter de hekken van het [naam] stond met de voorkant in de richting van de [straatnaam] . Dit is op enkele meters afstand van de [straatnaam] . Wij reden voorbij het [naam] en ik zag dat [verdachte] met een flinke snelheid weer achter ons aan kwam. Bij de rotonde op de [straatnaam] zijn we de auto van [verdachte] gelukkig weer kwijtgeraakt.

Op 9 februari 2016 omstreeks 14.30 uur werd ik gebeld door mijn neefje [naam] . Ik hoorde dat [naam] mij vertelde dat hij iets eerder die middag was gebeld door een kennis genaamd [naam] . [naam] bleek die middag omstreeks 13.00 uur aangesproken te zijn door een hem onbekende man. Dit was op de parkeerplaats aan het [straatnaam] te Leeuwarden, niet ver van mijn woning. Deze hem onbekende man reed in een groene [automerk] en vroeg aan [naam] of hij [naam] kende.

[naam] antwoordde: "Welke [naam] ?"

Hierop zei de onbekende man in de [automerk] : " [naam] ".

Hierop vroeg [naam] : "Heb je problemen met hem?"

Hierop antwoorde de onbekende man: "Nee".

[naam] zei hierop: "Gelukkig, want anders heb je ook problemen met mij."

Hierop hoorde [naam] dat de onbekende man vroeg: "Maar dan ken je [slachtoffer] ook wel .. die woont daar .. " De onbekende man had toen in de richting van mijn woning gewezen. Mijn woning is niet ver van [straatnaam] .

De onbekende man zei toen tegen Anthony: "jij woont in de eerste tien-hoog flat daar he, 4 hoog .. " of woorden van ongeveer deze betekenis.

Hierop is Anthony gaan bellen met [naam] , om te vertellen wat hem zojuist was overkomen. [naam] heeft vervolgens mij hiervan op de hoogte gebracht. Ik heb toen meteen de politie gebeld, maar [verdachte] bleek toen al weg te zijn.

Verder wil ik het volgende nog vertellen:

In week 3 van 2016, de exacte datum weet ik niet meer. bevond ik mij in de toko [afhaalcentrum] gevestigd op de [straatnaam] te Leeuwarden. Ik hoorde dat toko-medewerker [naam] tegen mij zei: "Hij komt er aan!"

[naam] is namelijk op de hoogte van het feit dat ik word gestalkt. Ik zag toen inderdaad dat [verdachte] binnen kwam. Ik zag dat [verdachte] mij recht aan keek. Ik hoorde dat [verdachte] meteen daarop zei: "Contactverbod . . ". Ik zag dat [verdachte] zich meteen omdraaide en in zijn auto stapte. Ik zag dat [verdachte] in zijn auto bleef zitten. Ik zag dat [verdachte] naast mijn auto geparkeerd stond. Toen mijn bestelling klaar was, ben ik snel naar mijn auto gelopen en heb geprobeerd niet naar [verdachte] te kijken.

Ik ben vervolgens zo snel mogelijk naar huis gereden.

Een week later, eind januari 2016, was ik wederom bij de toko [afhaalcentrum] op de [straatnaam] te Leeuwarden. Ik hoorde toen dat [naam] mij vertelde dat [verdachte] de week daarvoor toen ik was weggereden in de toko was gekomen en vragen over mij aan [naam] had gesteld. Ik hoorde dat [naam] zei dat [verdachte] de volgende vragen had gesteld: "Hoe vaak komt [slachtoffer] hier?" "Weet je ook welke dag?" "Heb je ook iets anders aan haar gezicht gezien?"

"Ik was een keer bij [slachtoffer] in de buurt, want ik ben op zoek naar een andere woning daar. Ik hoorde toen muziek en dat bleek bij [slachtoffer] vandaan te komen". Dit vroeg en vertelde [verdachte] dus aan [naam] van [afhaalcentrum] . Ik hoorde van [naam] dat [verdachte] sindsdien dagelijks bij [afhaalcentrum] in zijn auto staat te wachten.

2.1.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van ontvangst van een klacht van Politie Nederland d.d. 17 februari 2016, opgenomen op pagina 20 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [naam] :

Op woensdag 17 februari 2016 te 17:03 uur, heb ik, als hulpofficier van justitie van Eenheid Noord-Nederland te Leeuwarden een mondelinge klacht ontvangen terzake van voortdurende stalking.

De klacht werd gedaan door:

Achternaam [slachtoffer]

Voornamen [naam]

Geboren [geboortedatum]

Adres [woonadres]

Postcode plaats [woonplaats]

De klaagster verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over te gaan. De klaagster verklaarde tegenover mij het volgende:

Ik doe wederom aangifte van voortdurende stalking door [verdachte] . Ik verwijs naar het PV van aangifte voor mijn verklaring.

2.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 17 februari 2016, opgenomen op pagina 22 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Op 6 februari 2016, omstreeks 12.00 uur, bevond ik mij als bestuurder van een personenauto, merk [automerk] , voorzien van het kenteken [kenteken] , op de openbare weg de [straatnaam] te Leeuwarden. Ik kwam bij mijn dochter, [slachtoffer] , vandaan die op de [straatnaam] woont. Ik had haar opgehaald ten einde boodschappen te doen. We reden vanuit de [straatnaam] in de richting van [straatnaam] . Op dat moment zag ik een mij zeer bekende personenauto, merk [automerk] , kleur groen, voorzien van het kenteken [kenteken] , uit tegenovergestelde richting aan komen rijden. Ik ken de eigenaar als een persoon genaamd [verdachte] . Dit is een man die mijn dochter al meer dan een jaar stalkt. Ik zag dat de mij bekende [verdachte] achter het stuur zat.

Ik zag dat op het moment dat hij mij net voorbij gereden was, hij het voertuig keerde en achter mij aan kwam. Ik ben niet [straatnaam] op gereden, doch ik reed verder over de rijbaan van het [straatnaam] in de richting van de [straatnaam] .

Ik ben rechtsaf de [straatnaam] op gereden. Ik zag dat [verdachte] nog steeds achter mij reed. Ik zag dat mijn dochter erg bang werd.

Ik ben hierna rechtsaf geslagen de [straatnaam] op met [verdachte] nog steeds achter mij aan. Ik word daar eigenlijk heel boos en machteloos van.

Ik ben via de rotonde van [straatnaam] naar de [straatnaam] gereden. Tot daar aan toe heeft [verdachte] ons achtervolgd.

Hij weet dat hij een verbod heeft om in de [straatnaam] te komen. Hij is ons dus ook niet gevolgd de [straatnaam] in. We zijn daarna naar de woning van mijn dochter in de [straatnaam] gereden en hebben daar een uurtje gewacht. Hierop zijn we via de [straatnaam] opnieuw naar [straatnaam] gereden. Voor dat ik [straatnaam] op reed, zag ik dat [verdachte] in zijn auto stond te wachten achter de hekken van het [naam] . Wij zijn toen weer doorgereden zonder [straatnaam] op te rijden. Ik zag dat [verdachte] ons in de auto opnieuw achtervolgde. Ik ben via de rotonde [straatnaam] de [straatnaam] op gereden naar de [straatnaam] toe. Daar zijn we de woning van mijn dochter weer in gegaan. We hebben hierna niks meer ondernomen.

2.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 17 februari 2016, opgenomen op pagina 24 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Op 6 februari 2016 omstreeks 15.30 uur liep ik met mijn hond vanaf mijn woonadres in de richting van mijn vader. Ik woon op de [straatnaam] te Leeuwarden. Mijn vader woont [straatnaam] te Leeuwarden.

Het was inmiddels een uur of 4 toen ik mij op de [straatnaam] bevond. Ik liep in de richting van de [straatnaam] . Op dat moment zag ik een automobilist rijden over de [straatnaam] , komende uit de richting van de [straatnaam] en gaande in de richting van de [straatnaam] . Ik had in eerste instantie niet door wie de bestuurder van de auto was. Kort daarna had ik in de gaten dat de bestuurder van de auto de stalker van mijn tante was. Mijn tante heet [slachtoffer] . Ik zag dat hij in een groene [automerk] voorzien van kenteken [kenteken] . Ik weet dat de stalker [verdachte] heet.

Ik liep vervolgens door in de richting van de [straatnaam] en zag ondertussen dat [verdachte] zijn voertuig keerde en weer in mijn richting reed. Ik zag dat de mij bekende [verdachte] de groene [automerk] bestuurde. Ik hoorde en zag dat hij achter mij aan bleef rijden. Ik ben vervolgens de [straatnaam] opgelopen in de richting van de [straatnaam] . Ik ben ondertussen een aantal keren stil gaan staan om te zien wat [verdachte] deed. Ik hoorde en zag dat hij zijn voertuig stil zette op de momenten dat ik eveneens stil stond. Ik ben daarna doorgelopen in de richting van de [straatnaam] . Ik hoorde en zag dat Frederiks nog steeds achter mij aan reed. Ik ben daarop naar de [straatnaam] gelopen in de richting van het

speeltuintje. Ik liep daar met opzet heen, zodat ik via een weggedeelte waar paaltjes staan kon ontkomen aan [verdachte] . Toen ik deze paaltjes gepasseerd was, zag ik dat [verdachte] mij niet meer kon volgen. Ik zag dat hij een andere route nam om de paaltjes te ontwijken. Ik zag dat [verdachte] vervolgens op de [straatnaam] rechtsaf sloeg om de paaltjes te ontwijken. Op die manier kom je bij mijn vader in de straat. Ik liep daar ook heen.

Op het moment dat ik bij mijn vader in de tuin stond, zag ik dat [verdachte] op het kruispunt met de [straatnaam] stond. Ik klopte vervolgens bij mijn vader op het raam en hij zag aan mijn gezicht al dat er wat aan de hand was. Ik zag dat mijn vader vervolgens naar buiten kwam. Op dat moment zag ik ook dat [verdachte] achteruit reed en vertrok. Ik vermoed dat hij weggereden is om dat hij mijn vader zag.

2.4.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 20 februari 2016, opgenomen op pagina 26 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Op 9 februari 2016, omstreeks een uurtje of half een (12.30) liep ik bij de sporthal van [straatnaam] . Ik hoorde in de bosjes naast mij gekraak. Mijn hond reageerde hier ook op. Opeens hoorde ik iemand "hee" "hee" roepen. Ik draaide me om en zag een lichtgetinte man staan. Ik wilde doorlopen omdat ik de man niet kende. Ik hoorde de man weer roepen. Ik draaide me weer om en hoorde de man zeggen dat hij het tegen mij had.

Ik ben op de man afgelopen. Ik hoorde de man het volgende vragen: "Loop jij soms met

[naam] ?" Ik vroeg aan hem welke [naam] . Ik hoorde de man zeggen [naam] .

Ik vroeg aan de man waarom hij dat wilde weten en of hij problemen met hem had. Hij zei hierop "gewoon". Hij vroeg aan mij of ik in de tien hoog flat woonde. Ik zei dat dat klopte. Opeens hoorde ik de man aan mij vragen of ik [slachtoffer] kende. Ik antwoordde daarop bevestigend en zei dat dit mijn buurvrouw was. De man vroeg mij ook of ik gezien had dat hij klappen had gekregen bij de flat. Ik zei hem dat ik me nergens mee bemoeide en hier al twee jaar woonde en nog nooit problemen met iemand had gehad. Ik hoorde de man zeggen dat hij vast gezeten had. Ik vroeg hem waarom? Dat wilde de man mij niet vertellen en ik hoorde hem zeggen dat hij onschuldig was. Ik keek de man aan en zag een rare blik in zijn ogen. Hij had rare glazige ogen. Hij knipperde niet eens terwijl ik met hem aan het praten was. Terwijl ik met de man in gesprek was, moest ik mijn hond heel kort houden. Mijn hond is normaal een heel lief beest maar nu was hij heel beschermend naar mij. Net alsof hij voelde dat er iets niet klopte met die man.

Ik vond het allemaal maar raar dus na het gesprek ben ik weggelopen bij de man. Nadat ik bij de man was weggelopen was, keek ik om en zag ik dat hij naar een groene [automerk] liep die op de parkeerplaats stond. Ik vond het raar dat die man uit de bosjes kwam en mij riep.

Toen ik naar huis liep begon ik me vragen te stellen omdat ik het allemaal heel raar vond. Ik ben naar [slachtoffer] gelopen maar ze was niet thuis. Ik heb vervolgens [naam] gebeld. Hij vertelde mij dat [slachtoffer] , dat is [naam] zijn tante, lastig gevallen wordt door een man. Ik hoorde [naam] mij vragen, nadat ik verteld had wat die man allemaal aan mij vroeg, of die man in een groene [automerk] reed. Ik bevestigde dit.

2.5.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 22 februari 2016, opgenomen op pagina 28 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Op 6 februari 2016, omstreeks 12.30 uur, was ik aan het werk in mijn zaak, [naam] , gelegen aan de [straatnaam] te Leeuwarden. Op dit moment was [slachtoffer] in de winkel. Zij had een bestelling gedaan. Ik ken [slachtoffer] al jaren. Ik wist al ongeveer drie maanden af van het feit dat [slachtoffer] gestalkt wordt door [verdachte] . [slachtoffer] en ik hadden op dat moment toevallig een gesprek over de desbetreffende stalker. De klanten in de winkel zitten op stoelen met de rug naar het raam toe. [slachtoffer] zat op een van die stoelen en ik sprak met haar. Ik zag op dat moment [verdachte] voor het raam langs lopen. Ik zei tegen [slachtoffer] : "Daar zul je hem hebben." Ik zag dat [slachtoffer] schrok en rood werd. Ik hoorde haar zeggen: "Oh nee, weet je dat ik mijn hart in mijn keel zitten." Ik heb [slachtoffer] aangeboden om ergens anders te zitten. Ik zag dat [slachtoffer] verstijfd op haar stoel bleef zitten. Vervolgens deed [verdachte] de deur van de winkel open en bleef in de deuropening staan. Ik zag dat hij de winkel in keek en oogcontact zocht met [slachtoffer] . Ik hoorde hem zeggen: "Oh, contactverbod." Hierna ging hij direct de winkel uit en liep terug naar zijn auto. Ik zag dat hij zijn auto naast die van [slachtoffer] geparkeerd had. Ik zag dat [verdachte] in een groene combo auto zat. Volgens mij rijd hij in een [automerk] of [automerk] . [slachtoffer] heeft een grijze auto. Ik

hoorde [slachtoffer] zeggen dat [verdachte] naast haar auto geparkeerd stond.

Toen [slachtoffer] haar bestelling klaar was is zij naar haar auto gelopen. Ik zag dat zij in haar auto stapte en direct weg reed. [verdachte] is toen niet uit de auto gekomen. Twee á drie minuten later zag ik dat [verdachte] opnieuw in de winkel kwam lopen. Ik hoorde dat hij allemaal vragen begon te stellen. Voorheen kwam [verdachte] 1 keer in de maand. Nu hij [slachtoffer] heeft gezien komt hij vaker. Ik zie hem af en toe met de auto komen en dan parkeert hij voor de winkel. Dan wacht hij een tijd en komt zelfs niet altijd de winkel binnen. Soms rijdt hij ook weg en komt hij weer terug. Sinds zaterdag 6 februari 2016 komt hij dus vaker. Hij is een week later aangehouden geweest. Dat heb ik ook gezien.

De dinsdag of woensdag nadat [verdachte] weer vrij was zag ik hem weer in zijn auto posten voor mijn winkel.

Op 17 februari 2016 omstreeks 12.30 uur werd ik gebeld om een afspraak te maken om deze verklaring af te leggen. Op dat moment zag ik toevallig ook dat [verdachte] weer in zijn geparkeerde auto zat voor mijn winkel.

Op 19 februari 2016, na 13.00 uur, zag ik dat [verdachte] geparkeerd stond in de [straatnaam] te Leeuwarden.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 12 februari 2016, opgenomen op pagina 9 van het dossier met nummer 2016043191 d.d. 12 februari 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Vandaag, 12 februari 2016, omstreeks 15.20 uur zat ik achterin de auto bij mijn ouders genaamd [naam] en [naam] . Wij reden op de [straatnaam] te

Leeuwarden toen ik aan de rechterkant bij de kruising [straatnaam] een groene

[automerk] zag staan voorzien van kenteken [kenteken] . Het is mij bekend dat

dit de auto is van [verdachte] . Ik zag hem ook in de auto zitten op de bestuurdersstoel. Ik heb [verdachte] al vaker gezien in deze auto.

Wij reden verder in de richting van [straatnaam] . Ik weet dat [verdachte] ook weet welke auto van mijn ouders is. Ik zag dat [verdachte] direct na ons passeren rechtsaf de [straatnaam] op reed achter ons aan.

Wij reden verder via [straatnaam] , linksaf de [straatnaam] op, vervolgens rechtsaf de [straatnaam] op en rechtsaf de [straatnaam] op. Al die tijd zag ik dat [verdachte] achter ons aan bleef rijden. Af en toe zat er een auto tussen zijn auto en die van mijn ouders in, soms zat hij direct achter ons.

Wij stopten op de [straatnaam] ter hoogte van perceel 168, zeg maar tussen de afslag [straatnaam] en [straatnaam] in. Ik zag dat [verdachte] met zijn auto stil bleef staan op de hoek [straatnaam] / [straatnaam] . Ik stond hier ongeveer 2 a 3 minuten stil met mijn ouders. Ondertussen had ik telefonisch contact met de centralist van de Meldkamer van de Politie. Ik zag op een gegeven moment dat [verdachte] in zijn groene [automerk] de [straatnaam] overstak de [straatnaam] in. Even hierna zag ik dat hij vanuit de [straatnaam] de [straatnaam] weer overstak de [straatnaam] in. Ik zag toen een motorrijder van de politie aan komen rijden. Kennelijk was deze op zoek naar [verdachte] . Wij zijn toen verder gereden.

Even later reden wij weer richting [straatnaam] . Op de [straatnaam] zag ik tot mijn

verbazing dat vanaf de andere zijde [verdachte] weer aan kwam rijden vanuit de richting

[straatnaam] . Wij passeerden elkaar dus in tegengestelde richting. Ik zag in het

voorbijgaan dat [verdachte] achter het stuur zat en dus de auto bestuurde. Mijn vader keerde vervolgens de auto en reden terug. Ik zag dat de auto van [verdachte] geparkeerd stond op de [straatnaam] tegenover de " [naam] " Ik zag dat [verdachte] in zijn auto zat.

Mijn vader heeft vervolgens zijn auto voor de auto van [verdachte] geparkeerd. Ik ben toen uitgestapt. Ik zag dat [verdachte] aanstalten maakte om tegen de auto van mijn vader aan te rijden.

Ik ben toen voor de auto van [verdachte] gaan staan en zag dat er omstanders bij mij kwamen staan. Ik zag dat er inmiddels een motorrijder van de politie ter plaatse was gekomen. Uiteindelijk is [verdachte] toen aangehouden door de politie.

Tot op de dag van vandaag beheerst [verdachte] mijn leven. Ik ben doodsbang dat het vandaag of morgen escaleert en uit de hand loopt. Ik loop al maanden op mijn tenen.

3.1.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 12 februari 2016, opgenomen op pagina 14 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Mijn dochter [slachtoffer] ,geboren [geboortedatum] wordt sedert januari 2015 lastig

gevallen door [verdachte] .

Vandaag, vrijdag 12 februari 2016 aan het begin van de middag, heb ik mijn dochter opgehaald vanaf haar woonadres aan de [straatnaam] te Leeuwarden. We wilden winkelen aan [straatnaam] te Leeuwarden. Mijn vrouw was ook mee. We reden in mijn auto, een witte [automerk] , via de [straatnaam] door de [straatnaam] . Ik zag bij de rotonde [straatnaam] met de [straatnaam] , ter hoogte van de [straatnaam] , de auto staan van [verdachte] . Dat is een groene [automerk] voorzien van het kenteken [kenteken] . Het voertuig stond met de voorzijde gericht naar supermarkt Poiesz. Ik zag [verdachte] in het voertuig zitten. Ik reed vervolgens genoemde rotonde voorbij de [straatnaam] in richting het [straatnaam] . Ik zag in de spiegel dat [verdachte] achter ons aan reed. Hij volgde ons door de [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] naar de

[straatnaam] te Leeuwarden. Daar zijn wij vervolgens gestopt. Mijn dochter had

ondertussen de politie gebeld. [verdachte] reed vervolgens de [straatnaam] in, keerde daar en reed vervolgens de [straatnaam] in. Toen kwam de politie er ook aan. Ik zag dat, voordat de politie er was, dat [verdachte] ons een tijdje observeerde. Toen de politie kwam was hij verdwenen.

Ongeveer een uur later waren wij op zoek naar de politie. Ik reed wat door de buurtjes in de omgeving van het [straatnaam] . Wij waren nog steeds met zijn drieën. Ik reed door de [straatnaam] . Ik zag [verdachte] rijden op de [straatnaam] te Leeuwarden. Ik reed vervolgens op de [straatnaam] rechtsaf het [straatnaam] op. [verdachte] reed voor mij. Ik zag dat hij kort daarop ons tegemoet kwam rijden. Toen was ik het zat. Ik ben vervolgens gekeerd. Ik zag [verdachte] op de [straatnaam] in een parkeervak. Ik heb mijn auto voor zijn auto gezet en ik heb de politie gebeld. Kort daarop kwam de politie.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 24 december 2015, opgenomen op pagina 12 van het dossier met nummer 2015377730 d.d. 26 december 2015, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

[verdachte] is sinds vandaag weer vrij, hij is veroordeeld geweest voor de eerder stalking en heeft 2 weken vast gezeten. En direct gaat het weer mis, en komt hij mij opzoeken. Ik reed samen met mijn moeder in mijn eigen auto een grijze [automerk] in de [straatnaam] te Leeuwarden. Ik kwam bij mijn zus vandaan uit de [straatnaam] . Ik reed samen met mijn moeder richting de [straatnaam] . Toen wij op de [straatnaam] reden zag ik dat [verdachte] ons tegemoet kwam rijden. Hij reed in zijn eigen auto een groene [automerk] met het kenteken [kenteken] . Toen wij elkaar passeerden zwaaide hij in mijn richting. Hij keek naar mij, en wij hebben kort oog contact gehad. Hij reed richting de [straatnaam] . Ik heb [verdachte] voor de volle 100% herkend. Hij heeft een verbod voor de [straatnaam] , hij mag hier niet komen. Ik kan u niet met zekerheid zeggen of hij daar vandaag ook is geweest . Hij was wel heel dicht in de buurt. Ik zag toen [verdachte] mij passeerde dat hij zijn mond had afgeplakt met tape. Ik vind dat [verdachte] vandaag weer contact met mij gezocht heeft, hij was bij mij in de wijk en toen hij mij voorbij reed zwaaide hij naar mij.

4.1.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 24 december 2015, opgenomen op pagina 16 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Op 24 december 2014 vertrokken ik en mijn dochter [slachtoffer] , in mijn dochter haar auto, een donkere [automerk] , vanaf de [straatnaam] richting de [straatnaam] . Dit was omstreeks 12:00 uur. Omstreeks 12:05 uur, dit weet ik omdat het maar een klein stukje rijden is, kwamen wij aan in de [straatnaam] . Ik zag dat mijn dochter [slachtoffer] de auto parkeerde bij mijn dochter [naam] voor haar woning.

Ik heb mijn dochter [naam] de rollade gegeven en ben weer in de auto gestapt bij mijn dochter [slachtoffer] . Ik zag dat wij vanaf de [straatnaam] richting de [straatnaam] reden. Ik zag dat wij daarna in de [straatnaam] reden. Op dat moment zag ik dat er een voor mij bekende groene auto, met kenteken [kenteken] , op ons af kwam rijden vanaf de [straatnaam] de [straatnaam] in. Ik zag dat wij elkaar tegemoet reden. Ik herken deze auto omdat de eigenaar van deze auto mijn dochter al een dikke 12 maanden stalkt. Dit loopt al vanaf januari dit jaar. Het gaat om de heer [verdachte] .

Op het moment dat onze auto's elkaar voorbij reden zag ik in de auto de voor mij bekende heer [verdachte] zitten. Ik zag dat hij iets voor mond hield. Ik zag dat dit leek op een stuk wit papier. Ik zag dat er ongeveer 1 of 2 meter afstand tussen onze auto's zat toen wij elkaar

kruisten. Ik zag dat de heer [verdachte] ons aan keek, we hadden oogcontact. Ik zag dat [verdachte] zwaaide in onze richting.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

parketnummers 730133/16, 720063/16 en 720025/16

hij in de periode van 24 december 2015 tot en met 23 februari 2016, te Leeuwarden, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen te dulden dat hij, verdachte, aanwezig is in haar omgeving, immers heeft/is verdachte in voornoemde periode, toen aldaar,

op 24 december 2015

- als bestuurder van een personenauto gaan en blijven rijden in de [straatnaam] (te weten een straat in de wijk waar die [slachtoffer] werkzaam en woonachtig is) en toen aldaar die [slachtoffer] in een door haar bestuurde auto tegemoet gereden, zulks terwijl verdachte zijn gezicht door middel van bedekking met keukenrolpapier deels onherkenbaar had gemaakt, althans een poging daartoe had gedaan en toen aldaar naar die [slachtoffer] en de tevens in die auto gezeten moeder van die [slachtoffer] , [naam] gezwaaid en oogcontact gemaakt met die [slachtoffer] en haar moeder en

in de periode van 11 januari 2016 tot en met 19 februari 2016

- een door verdachte bestuurde auto geparkeerd naast de auto van die [slachtoffer] en vervolgens naar binnengegaan bij [afhaalcentrum] , alwaar die [slachtoffer] zich bevond en vervolgens daar binnen die [slachtoffer] aangekeken en aangesproken, onder meer met het woord: "Contactverbod", en vervolgens

- in verdachtes auto die [slachtoffer] opgewacht tot deze naar buiten kwam en vervolgens, nadat die [slachtoffer] was vertrokken, navraag gedaan bij een medewerker van dat afhaalcentrum over die [slachtoffer] en over hoe vaak ze daar kwam en nog meerder andere vragen gesteld met betrekking tot die [slachtoffer] aan die medewerker en

in de eerder in de aanhef genoemde periode

- meermalen zittende in verdachtes personenauto bij [afhaalcentrum] en in de directe omgeving daarvan gestaan en aldaar dat afhaalcentrum geobserveerd en

op 5 februari 2016

- een neefje van die [slachtoffer] , [naam] , geobserveerd vanuit een personenauto en vervolgens als bestuurder van een personenauto door meerdere straten te Leeuwarden dat neefje achtervolgd tot aan de woning waar de vader van dat neefje woont in de [straatnaam] en

op 6 februari 2016

- met een door verdachte bestuurde personenauto die [slachtoffer] , terwijl zij met haar moeder was gezeten in een door haar vader bestuurde auto, achtervolgd door meerdere straten te Leeuwarden en

op 9 februari 2016

- een vriend van het neefje [naam] van die [slachtoffer] benaderd en deze gevraagd naar die [slachtoffer] en of hij die kende en daarbij in de richting van de woning van die [slachtoffer] gewezen, en

op 12 februari 2016

- als bestuurder van een personenauto die [slachtoffer] en haar vader en haar moeder, die gezamenlijk in een door haar vader bestuurde personenauto zaten, achtervolgd over de wegen de [straatnaam] en het [straatnaam] en de [straatnaam] en de [straatnaam] en de [straatnaam] .

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Belaging.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de officier van justitie ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging verlenging van de proeftijd met een jaar gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair gepleit voor vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, voor zover de rechtbank wel tot een bewezenverklaring zou komen, een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest voldoende is. De raadsman heeft daarbij aangegeven dat verdachte een kwetsbare persoon is en dat hij al vier dagen op het politiebureau heeft doorgebracht.

Verdachte heeft de nodige gevolgen al ondervonden nu op Facebook bedreigingen zijn geplaatst en op 14 mei 2016 een steen door zijn raam is gegooid. Tot slot heeft de raadsman voor de bepaling van de strafmaat verwezen naar een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:806.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van twee maanden schuldig gemaakt aan belaging. Hij heeft daarbij mensen in de omgeving van het slachtoffer benaderd met vragen over het slachtoffer. Voorts heeft hij herhaaldelijk in zijn auto het slachtoffer achtervolgd en contact gezocht met haar, zulks terwijl hij een gebieds- en contactverbod had. Opvallend daarbij is dat verdachte vaak de grens van het gebiedsverbod opzocht en aldus het slachtoffer als het ware steeds opwachtte. Door zo te handelen heeft verdachte ernstig en herhaald inbreuk gemaakt op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Zijn gedrag is niet alleen zeer vervelend, maar ook beangstigend geweest voor zowel het slachtoffer als voor haar ouders.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, tweemaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor belaging, van onder meer hetzelfde slachtoffer.

Volgens mevrouw [naam] , maatschappelijk werker bij Zienn, is het lastig om afspraken met verdachte te maken. Verdachte belooft dingen niet te doen en doet ze vervolgens toch. Op dit moment is er eens per twee weken een bijeenkomst met onder meer de GGZ, de reclassering en het gebiedsteam om te bespreken hoe het met verdachte gaat. Iedere werkdag wordt verdachte bezocht door iemand van de GGZ of een andere hulpverlener. Verdachte komt zijn afspraken met de hulpverleners na. Voor wat het contact- en gebiedsverbod betreft zoekt verdachte steeds de grenzen op. Het is in dat verband goed dat verdachte onder elektronisch toezicht staat.

Op 23 februari 2016 heeft de reclassering in het kader van een eventuele schorsing gerapporteerd. Uit voornoemd rapport blijkt dat volgens de Forensische Polikliniek verdachtes gedrag ten opzichte van het slachtoffer waarschijnlijk verklaard dient te worden vanuit een pervasieve ontwikkelingsstoornis (PDD-NOS), een aan autisme verwante stoornis. Het is volgens de Forensische Polikliniek mogelijk dat daarnaast sprake is van aanvullende problematiek, maar dat moet nog nader worden onderzocht.

De reclassering schat het recidiverisico als hoog in omdat meerdere pogingen om verdachte te bewegen te stoppen met het belagen van het slachtoffer tot dusver onvoldoende effect hebben gesorteerd.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen verklaarde feit, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. De rechtbank acht het van belang dat ter voorkoming van herhaling, het Elektronisch Toezicht dat thans in het kader van de geschorste voorlopige hechtenis aan verdachte is opgelegd wordt gecontinueerd. De rechtbank zal daarom aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarde van Elektronisch Toezicht gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd verbinden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, zulks vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde partij deels voor toewijzing vatbaar is, nu de bewezenverklaring slechts een periode van twee weken bedraagt en de uitspraak waarnaar verwezen wordt, betrekking had op een periode van zes maanden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Uitgaande van een langere tenlastegelegde periode dan door de raadsman is betoogd en in aanmerking nemend de intensiteit van de belaging acht de rechtbank de vordering gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 11 november 2015, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een taakstraf voor de duur van 80 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 26 november 2015.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 4 mei 2016 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Het hiervoor bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd de proeftijd te verlengen met een jaar, onder handhaving van de in dat vonnis vermelde voorwaarden.

De raadsman heeft zich niet verzet tegen een verlenging van de proeftijd.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, in beginsel tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf. Gelet op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, waarbij met name belang wordt gehecht aan het handhaven van de in voornoemd vonnis opgelegde bijzondere voorwaarden, acht de rechtbank termen aanwezig thans te volstaan met verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14f, 22c, 22d, 36f, 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

1. dat de veroordeelde zich gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd onder elektronisch toezicht zal stellen op de wijze zoals dat thans in het kader van de voorlopige hechtenis is geregeld.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.119,89 (zegge: elfhonderd negentien euro en negenentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 1.119,89 (zegge: elfhonderd negentien euro en negenentachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 21 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 19,89 aan materiële schade en

€ 1.100,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/175346-15:

Verlengt de in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, d.d. 11 november 2015 vastgestelde proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. I.M. Dölle en mr. K. Bunk, rechters, bijgestaan door D. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juni 2016.

Mr. Dölle is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Lootsma-Oude Nijeweme

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Bunk

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Postma-Westerhof

locatie Leeuwarden,