Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5820

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-09-2016
Datum publicatie
19-04-2017
Zaaknummer
4877453
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) volgt dat de collectieve vordering ook stuitende werking heeft gehad ten aanzien van de verjaring van de vernietigingsmogelijkheid door middel van een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring. Het bij het gerechtshof Amsterdam op 18 november 2005 ingediende verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst kan niet los worden gezien van de daaraan voorafgaand ingestelde collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW. Dit verzoek was gericht op het bereiken van een definitief resultaat van de onderhandelingen tussen de partijen bij die collectieve actie. Dat betekent dat pas door de beschikking van het hof Amsterdam van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) definitief is komen vast te staan wat de uitkomst is geweest van de hiervoor bedoelde collectieve actie en dat een belanghebbende pas op dat moment wist waar hij aan toe was. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, indien een eerdere datum dan die van laatstbedoelde beschikking in aanmerking wordt genomen als aanvangsmoment van de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW, de door de Hoge Raad in het hiervoor vermelde arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018, r.o. 3.4.2) bedoelde effectieve en efficiënte rechtsbescherming van de belanghebbende geweld wordt aangedaan. Uit het voorgaande volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 4877453 \ CV EXPL 16-2610

vonnis van de kantonrechter d.d. 20 september 2016

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,

tegen

de besloten vennootschap

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel, USG Juristen B.V.,

Partijen zullen hierna [eiseres] en Dexia worden genoemd.

Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie

- de conclusie van repliek tevens conclusie van antwoord in reconventie

- de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2. In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

Tussen (de rechtsvoorgangster van) Dexia en [eiseres] zijn de volgende effectenleaseovereenkomsten (hierna te noemen de overeenkomsten) gesloten:

1. een Allround Effect Maandbetaling overeenkomst met contractnummer 39784223, gedateerd 14 juni 2000;

2. een Allround Effect Maandbetaling overeenkomst met contractnummer 39784224, gedateerd 14 juni 2000.

2.2.

[eiseres] is (sinds 3 juli 1998) gehuwd met [echtgenoot] .

2.3.

Naar aanleiding van de op 13 maart 2003 uitgebrachte dagvaarding heeft de kantonrechter te Amsterdam bij vonnis van 25 augustus 2004 (ECLI:NL:RBAMS: 2004:AQ7412), voor zover hier van belang, de vordering van Stichting Eegalease, de Consumentenbond en een drietal individuele afnemers, tot verklaring voor recht dat op de door Dexia aangeboden leaseovereenkomsten het bepaalde in de art. 1:88 en 1:89 BW van toepassing is (vordering A) toegewezen en de vordering tot verklaring voor recht dat de leaseovereenkomsten die in de periode 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder toestemming van de echtgenoot of geregistreerd partner met Dexia zijn gesloten, vernietigd zijn, althans vernietigbaar zijn op grond van art. 1:89 BW (vordering B) afgewezen.

2.4.

Dexia heeft van het vonnis van de kantonrechter te Amsterdam hoger beroep ingesteld en hangende het hoger beroep is tussen Dexia en de betrokken belangenorganisaties - waaronder de Stichting Eegalease en de Consumentenbond - een schikking tot stand gekomen, neergelegd in een Hoofdovereenkomst van 23 juni 2005, waarbij de belangenorganisaties hebben verklaard hun medewerking te zullen verlenen aan beëindiging en royement van alle onderwerpelijke procedures, waaronder de met de dagvaarding van 13 maart 2003 ingeleide procedure, en afstand te doen van alle in de betrokken procedures gepretendeerde rechten en/of vorderingen, waaronder de vorderingen A) en B). Partijen hebben vervolgens - zoals voorzien in de Hoofdovereenkomst - een overeenkomst gesloten zoals bedoeld in art. 7:907 lid 1 BW (de WCAM-overeenkomst), die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) algemeen verbindend is verklaard. Het geheel van de hier bedoelde afspraken wordt ook wel aangeduid als de Duisenberg-regeling.

2.5.

De echtgenoot van [eiseres] heeft bij brief van 30 december 2005 de vernietiging van de in rechtsoverweging 2.1. genoemde overeenkomsten ingeroepen.

2.6.

[eiseres] heeft op 28 februari 2007 door middel van een 'opt-out'-verklaring aangegeven niet aan de Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn.

2.7.

Bij arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft de Hoge Raad op de

daarover gestelde prejudiciële vragen geantwoord dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring op die collectieve actie aansluitende individuele vorderingen tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW, hetgeen ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad geantwoord dat een dergelijke buitengerechtelijke vernietigingsverklaring, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.

De vordering in conventie

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis voor zover rechtens toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat de onderhavige overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia te veroordelen om al hetgeen door [eiseres] krachtens die overeenkomsten aan Dexia is betaald, aan [eiseres] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag der door [eiseres] gedane betalingen althans vanaf de door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening;

2. Dexia te veroordelen tot betaling van de door [eiseres] aan Leaseproces verschuldigde buitengerechtelijke kosten op basis van de offerte van Leaseproces, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

3. Dexia te veroordelen in de kosten van het geding, waarvan het salaris gemachtigde voorwaardelijk wordt gevorderd, namelijk voor het geval Dexia niet veroordeeld zou worden om de volledige sub 2 genoemde kosten van Leaseproces aan [eiseres] te voldoen.

3.2.

Dexia concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] in haar vordering, althans haar die vordering te ontzeggen, met veroordeling van [eiseres] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in conventie.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De vordering in reconventie

4.1.

Dexia vordert in reconventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten, te verklaren voor recht dat de overeenkomsten met nummers 39784223 en 39784224 rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet bloot staan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [eiseres] een beroep kan worden gedaan, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding in reconventie.

4.2.

[eiseres] concludeert tot niet ontvankelijkheid van Dexia in haar vorderingen, althans haar deze te ontzeggen, kosten rechtens.

4.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

5.1.

De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen in conventie en in reconventie zich lenen voor een gezamenlijke beoordeling.

5.2.

Als onbetwist staat vast dat de echtgenoot van [eiseres] bij brief van 30 december 2005 de vernietiging van de overeenkomsten heeft ingeroepen. [eiseres] stelt dat de overeenkomsten daardoor zijn vernietigd en dat Dexia gehouden is alles terug te betalen hetgeen zij uit hoofde van deze overeenkomsten aan Dexia betaald heeft, te vermeerderen met de wettelijke rente. [eiseres] betwist, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) waarin de Hoge Raad de prejudiciële vragen over de stuitende werking van de op 13 maart 2003 door de Stichting Eegalease uitgebrachte collectieve dagvaarding in de zogenaamde Eegalease-procedure heeft beantwoord, dat het beroep op vernietiging op 30 december 2005 was verjaard.

5.3.

Met betrekking tot het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) stelt Dexia dat het geschil dat onderwerp was van de Eegalease-procedure is geëindigd met een minnelijke regeling van 23 juni 2005, waarbij de Stichting Eegalease en de Consumentenbond uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van alle in die procedure gepretendeerde rechten en daarmee ook van de stuiting van de verjaring die het uitbrengen van de dagvaarding in die procedure meebracht.

5.4.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Op 13 maart 2003, het moment van uitbrengen van de dagvaarding in de Eegalease-procedure, was de mogelijkheid om de vernietiging van de door [eiseres] met Dexia gesloten overeenkomsten in te roepen op grond van artikel 1:89 BW nog niet verjaard.

5.5.

Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat de collectieve vordering ook stuitende werking heeft gehad ten aanzien van de verjaring van de vernietigingsmogelijkheid door middel van een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring. Dat de echtgenoot van [eiseres] met het uitbrengen van de vernietigingsverklaring niet heeft gewacht op de afloop van de Eegalease-procedure maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet, zoals Dexia heeft betoogd, dat de [eiseres] en haar echtgenoot geen beroep zou toekomen op de stuitende werking van die procedure.

5.6.

Ten aanzien van het betoog van Dexia dat de echtgenoot van [eiseres] zich niet meer op de stuitende werking van de dagvaarding uit de Eegalease-procedure kan beroepen omdat de Stichting Eegalease en de Consumentenbond in het kader van de minnelijke regeling afstand van dat recht hebben gedaan overweegt de kantonrechter als volgt.
In zijn arrest van 9 oktober 2015 overweegt de Hoge Raad:

3.4.3.

In een geval als dit, waarin de collectieve actie heeft geleid tot een WCAM-overeenkomst,
heeft het uitbrengen van een 'opt-out'-verklaring als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW niet tot gevolg dat de belanghebbende zich niet meer op de stuitende werking van die actie kan beroepen. De collectieve actie was immers mede ten behoeve van deze belanghebbende ingesteld en deze kan pas na het tot stand komen van een schikking beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Daarmee strookt niet om aan degenen die zich uiteindelijk niet aan de collectieve schikking willen binden achteraf de stuitende werking van de collectieve actie te ontzeggen.

Dat brengt mee dat de getroffen schikking zelf, ook al hebben de belangenverenigingen daarin afstand gedaan van rechten, niet tot gevolg kan hebben dat een belanghebbende zich niet meer kan beroepen op de stuitende werking van de collectieve actie. Juist de omstandigheid dat de belanghebbende de onderhandelingen mag afwachten, brengt mee dat hij de mogelijkheid moet hebben om ook nog nadien zijn belangen veilig te stellen. Zou de opvatting van Dexia juist zijn, dan zou dat immers betekenen dat iedere belanghebbende toch tijdig zelf de verjaring zou moeten stuiten, omdat hij niet van te voren kan weten of hij gebonden wenst te zijn aan het uiteindelijk te behalen onderhandelingsresultaat en de in dat kader door de belangenverenigingen aanvaarde compromissen en prijsgegeven rechten. Dit is het tegenovergestelde van hetgeen de Hoge Raad heeft beslist, en kan daarom niet voor juist worden gehouden. (zie: gerechtshof Arnhem-Assen d.d. 12 juli 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:5730).

5.7.

Ten aanzien van het betoog van Dexia dat het in deze procedure niet om een op de vordering van de Stichting Eegalease aansluitende vernietigingsverklaring gaat, overweegt de kantonrechter als volgt. De toelichting van Dexia op dit standpunt komt op het volgende neer. De door de Stichting Eegalease ingestelde vordering had betrekking op 98 bij dagvaarding bij naam genoemde effectenleaseproducten. De door [eiseres] afgesloten 'Allround Effect Maandbetaling' komt in de opsomming van de 98 effectenleaseproducten niet voor. Nu de leaseovereenkomst 'Allround Effect Maandbetaling' niet voorkwam in de dagvaarding van Stichting Eegalease, is er van een aansluitende vernietigingsverklaring geen sprake, aldus Dexia.

5.8.

De kantonrechter is met [eiseres] van oordeel dat dit standpunt van Dexia niet opgaat. Ingevolge artikel 3:305a BW geldt als vereiste voor het instellen van een collectieve actie dat het moet gaan om bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen. Hieruit volgt dat dit inhoudelijk criterium ook dient te worden aangelegd bij de beoordeling van de stuitende werking op voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een op een collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW. De door [eiseres] afgesloten 'Allround Effect Maandbetaling' dient naar het oordeel van de kantonrechter niet alleen te worden begrepen onder de in de lijst voorkomende effectenlease-overeenkomst 'Allround Effect' (zonder de aanduiding 'Maandbetaling'), maar sluit voor wat betreft de 'bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen' in ieder geval onmiskenbaar aan op de 98 effectenleaseproducten uit de Eegalease-procedure. Er is aldus sprake van ‘aansluiting’ zoals door de Hoge Raad genoemd in rechtsoverweging 3.4.1 van de prejudiciële beslissing van 9 oktober 2015. Voor het standpunt van Dexia (dat Dexia kennelijk ook niet langer handhaaft, nu Dexia bij conclusie van dupliek in conventie niet meer heeft gereageerd op het verweer van [eiseres] op dit punt) is naar het oordeel van de kantonrechter geen plaats.

5.9.

Vervolgens rijst de vraag op welk moment de hiervoor bedoelde collectieve actie is geëindigd en op welk moment de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW is aangevangen. De uitkomst van de collectieve actie is het gevolg geweest van een proces van onderhandelen en procederen, waarbij mede de in de WCAM voorgeschreven procedure is gevolgd. Relevante data zijn 23 juni 2005 (tot stand komen WCAM-overeenkomst in hoofdlijnen onder leiding van dr. W.F. Duisenberg), 18 november 2005 (indienen verzoek tot verbindend verklaren WCAM-overeenkomst bij hof Amsterdam), 8 mei 2006 (wijziging WCAM-overeenkomst) en 25 januari 2007 (verbindendverklaring door hof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033). Opgemerkt wordt dat door het indienen van het bovenbedoelde verzoek tot verbindendverklaring (hierna: het verzoek) de verjaring van de onderhavige vordering tot vernietiging en ongedaanmaking niet werd gestuit op de voet van artikel 7:907 lid 5 BW, omdat die stuiting slechts ziet op de verjaring van vorderingen tot schadevergoeding. Wel kan het indienen van dit verzoek niet los worden gezien van de daaraan voorafgaand ingestelde collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW, en was dit verzoek gericht op het bereiken van een definitief resultaat van de onderhandelingen tussen de partijen bij die collectieve actie.

5.10.

Voor zover in de periode dat het verzoek in behandeling was reeds individuele procedures aanhangig waren of aanhangig werden gemaakt, werden deze (na een daartoe strekkende akte van Dexia) geschorst krachtens artikel 1015 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Deze wetsbepaling vloeit voort uit het uitgangspunt dat, indien eenmaal een overeenkomst als bedoeld in de WCAM is gesloten, de afwikkeling zoveel mogelijk op basis daarvan dient plaats te vinden, behoudens de gevallen waarin na verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst een opt-out verklaring wordt ingediend. Het instellen dan wel behandelen van een individuele vordering in de periode dat het verzoek in behandeling was strookte derhalve niet met de bedoeling van de wetgever.

5.11.

Voorts is van belang dat de rechter, alvorens op het verzoek te beslissen, met instemming van partijen die de overeenkomst hebben gesloten de overeenkomst kan aanvullen of wijzigen, dan wel die partijen in de gelegenheid kan stellen dat te doen (artikel 7:907 lid 4 BW). Dat betekent dat pas door de beschikking van het hof Amsterdam van
25 januari 2007 definitief is komen vast te staan wat de uitkomst is geweest van de hiervoor bedoelde collectieve actie, en dat een belanghebbende pas op dat moment wist waar hij aan toe was.

5.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, indien een eerdere datum dan die van laatstbedoelde beschikking in aanmerking wordt genomen als aanvangsmoment van de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW, de door de Hoge Raad in het hiervoor vermelde arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018, r.o. 3.4.2) bedoelde effectieve en efficiënte rechtsbescherming van de belanghebbende geweld wordt aangedaan.

5.13.

Uit het voorgaande volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven. Geconcludeerd wordt dat, tenzij de bevoegdheid daartoe reeds op 13 maart 2003 (het moment van dagvaarding door (onder meer) Stichting Eegalease) was verjaard, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring die is uitgebracht voor 25 juli 2007 tot rechtsgevolg heeft gehad dat de overeenkomst waarop zij betrekking heeft is vernietigd.

5.14.

Geconcludeerd wordt dat, nu de bevoegdheid daartoe niet reeds op 13 maart 2003 was verjaard, de buitengerechtelijke vernietigingsverklaring die is uitgebracht op 30 december 2005 tot rechtsgevolg heeft gehad dat de overeenkomsten waarop zij betrekking heeft zijn vernietigd. Rechtsgeldige vernietiging van de overeenkomsten heeft tot gevolg dat hetgeen uit hoofde van die overeenkomsten aan Dexia is voldaan, onverschuldigd is betaald en door Dexia dient te worden terugbetaald, verminderd met hetgeen [eiseres] op grond van de overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen.

5.15.

[eiseres] vordert wettelijke rente over hetgeen terugbetaald moet worden, vanaf de door haar gedane betalingen, op grond van de artikelen 6: 205 BW en 6: 206 BW. De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende. De overeenkomsten zijn buitengerechtelijk door de echtgenoot van [eiseres] vernietigd ex art. 1: 89 BW. Hetgeen door [eiseres] aan Dexia is betaald, is onverschuldigd betaald in de zin van 6: 203 BW. Voor de verschuldigdheid van wettelijke rente, als schadevergoeding bij het uitblijven van terugbetaling, is verzuim vereist. Artikel 6: 205 BW, waarop [eiseres] een beroep doet, bepaalt dat de ontvanger, in casu Dexia, zonder ingebrekestelling in verzuim is, als de ontvanger de betalingen te kwader trouw heeft aangenomen. [eiseres] onderbouwt de kwade trouw bij Dexia met de stelling dat Dexia wist dat de overeenkomsten zonder schriftelijke toestemming van de echtgenoot waren afgesloten en derhalve vernietigbaar waren. De kantonrechter is echter met Dexia van mening dat van kwade trouw geen sprake is geweest. Voor zover Dexia al wist dat [eiseres] een echtgenoot had en dat de overeenkomsten de toestemming van de echtgenoot behoefden (pas veel later dan het afsluiten van de overeenkomsten is definitief uitgemaakt dat dergelijke overeenkomsten huurkoopovereenkomsten waren) betreft het geen nietige maar slechts vernietigbare overeenkomsten. Dat Dexia er tijdens het sluiten van de overeenkomsten al vanuit moest gaan dat deze zouden leiden tot onverschuldigde betalingen is dus niet juist. De kantonrechter zal de wettelijke rente dan ook toewijzen zoals [eiseres] (subsidiair) onweersproken heeft aangevoerd, vanaf 14 dagen na de sommatiebrief van 30 december 2005, derhalve vanaf 14 januari 2006.

5.16.

[eiseres] heeft aangevoerd dat nog aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten door Dexia, hetgeen Dexia gemotiveerd heeft betwist. De offerte van Leaseproces ziet op het voeren van een procedure en dient daarom in dit kader buiten beschouwing te worden gelaten. [eiseres] heeft een beschrijving gegeven van de werkzaamheden die haar gemachtigde voorafgaand aan deze procedure heeft verricht. Uit die beschrijving blijkt dat het ten dele gaat om werkzaamheden ter instructie van de zaak, waarvoor in geval van een procedure de in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde (proces)kosten reeds een vergoeding plegen in te sluiten. Dit zijn derhalve geen buitengerechtelijke verrichtingen die voor een afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. De beschrijving ziet voor het overige op gestandaardiseerde buitengerechtelijke verrichtingen van de gemachtigde van [eiseres] , tevens gemachtigde van een zeer groot aantal andere opponenten van Dexia. Een opgave en specificatie van aan deze gestandaardiseerde verrichtingen verbonden kosten ontbreekt en evenmin is onderbouwd of en zo ja in hoeverre deze kosten aan [eiseres] zullen worden toegerekend. Er is derhalve niet komen vast te staan dat [eiseres] ter zake van buitengerechtelijke kosten nog een vordering op Dexia geldend zal kunnen maken.

5.17.

Toewijzing van de vordering in conventie leidt in het onderhavige geval tot afwijzing van de vordering in reconventie.

5.18.

Dexia zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten van zowel het geding in conventie als het geding in reconventie, tot op heden aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 623,08 (inclusief € 450,- (2 punten à € 225,-) wegens salaris gemachtigde) voor het geding in conventie en op € 225,- (0,5 x 2 punten à € 225,-) wegens salaris gemachtigde voor het geding in reconventie.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

verklaart voor recht verklaart voor recht dat overeenkomsten van effectenlease met nummers 39784223 en 39784224 rechtsgeldig zijn vernietigd en veroordeelt Dexia om de daarvoor door [eiseres] betaalde (maand)termijnen en het negatieve saldo van de eindafrekeningen, te verminderen met al hetgeen [eiseres] uit hoofde van voormelde overeenkomsten heeft ontvangen, aan [eiseres] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 januari 2006;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in conventie, tot op heden aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 623,08;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

wijst de vorderingen van Dexia af;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in reconventie, tot op heden aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 225,-.

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

c GL