Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5807

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-06-2016
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
18/930257-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Drugshandel, bekennende verdachte, de bijkomende straf van verbeurdverklaring ter ontneming van crimineel vermogen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Opiumwet 2
Opiumwet 3
Opiumwet 10
Opiumwet 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/930257-15

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/135267-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 juni 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

27 mei 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I.M. Weijers, advocaat te Emmen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Akkerman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 29 september 2015 te Emmen en/of Nieuw-Amsterdam en/of Klazienaveen, in elk geval in Nederland, (meermalen) (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA en/of MDA

en/of (4-)hydroxyboterzuur, zijnde amfetamine (speed) en/of MDMA en/of MDA (XTC) en/of (4-)hydroxyboterzuur (GHB) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks 1 mei 2015 tot en met 29 september 2015 te Emmen en/of Nieuw-Amsterdam en/of Klazienaveen, in elk geval in Nederland, (meermalen) (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,

(een) hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd over zowel de hard- als de softdrugs. Uit de overige bewijsmiddelen blijkt ook dat alle in de tenlastelegging genoemde middelen in de auto van verdachte zijn aangetroffen. Verdachte heeft zelf verklaard de drugs te hebben gekocht om te verkopen, kortom om er geld mee te verdienen. De tenlastegelegde periode kan worden bewezen, aangezien getuige [getuige 1] heeft verklaard bij verdachte te hebben gekocht vanaf het moment dat hij vrij kwam uit de gevangenis op 8 mei 2015.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen, met uitzondering van de ten laste gelegde perioden. Verdachte heeft open en eerlijk over de feiten verklaard en daarbij consistent aangegeven dat hij is gestart vanaf de bouwvakvakantie in 2015, oftewel half juli 2015. Verdachte kan zich nog goed herinneren wanneer hij is begonnen met de verkoop van drugs, omdat dat vlak na de diefstal van zijn portemonnee was. In die portemonnee zat zijn ID-kaart. Zijn nieuwe ID-kaart is afgegeven op 13 juli 2015. Bovendien heeft getuige [getuige 2] ook verklaard in die periode bij verdachte te hebben gekocht.

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om de startdatum van de ten laste gelegde periode te kunnen bewijzen. Verdachte heeft in zijn bekennende verklaring telkens aangegeven dat hij is gestart vanaf de bouwvakvakantie in 2015, welke vakantie in dat jaar grotendeels in de maand juli viel. De verklaring van getuige [getuige 2] sluit daarbij aan, nu hij heeft verklaard dat hij zo'n 8 tot 10 weken bij verdachte heeft gekocht tot het moment dat verdachte is aangehouden op 29 september 2015. Enkel getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij vanaf 8 mei 2015 bij verdachte heeft gekocht, maar de rechtbank acht dat onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde periode te komen. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde zal een periode van 1 juli 2015 tot en met 29 september 2015 worden bewezenverklaard.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde handelingen, met uitzondering van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep. Verdachte heeft verklaard dat hij op het moment dat hij werd aangehouden op 29 september 2015 voor de eerste keer hennep bij zich had. Hij wilde proberen ook softdrugs te gaan verkopen, maar had dat nog niet eerder gedaan. Nu uit de overige bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte de andere ten laste gelegde handelingen heeft verricht, zal hij daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 mei 2016;

2. een proces-verbaal van bevindingen van politie Noord-Nederland met nummer PL0100 - 2015285208-2 d.d. 29 september 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar en opgenomen op p. 139 e.v. van voormeld dossier inhoudende de relatering van de verbalisant;

3. een proces-verbaal van bevindingen van politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2015285208-23 d.d. 30 september 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en opgenomen op p. 240 e.v. van voormeld dossier inhoudende de relatering van de verbalisanten;

4. een proces-verbaal verdovende middelen van politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2015285208-33 d.d. 22 oktober 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en opgenomen op p. 241 e.v. van voormeld dossier inhoudende de relatering van de verbalisanten;

5. een proces-verbaal verdovende middelen van politie Noord-Nederland met nummer PL0100 - 2015285208-34 d.d. 20 oktober 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en opgenomen op p. 244 e.v. van voormeld dossier inhoudende de relatering van de verbalisanten;

6. een proces-verbaal van bevindingen van politie Noord-Nederland met nummer PL0100 - 2015285208-35 d.d. 9 oktober 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar en opgenomen op p. 283 e.v. van voormeld dossier inhoudende de relatering van de verbalisant;

7. een proces-verbaal van bevindingen van politie Noord-Nederland met nummer PL0100 - 2015285208-43 d.d. 25 oktober 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar en opgenomen op p. 344 e.v. van voormeld dossier inhoudende de relatering van de verbalisant;

8. een proces-verbaal van bevindingen van politie Noord-Nederland met nummer PL0100 - 2015285208-44 d.d. 26 oktober 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar en opgenomen op p. 361 e.v. van voormeld dossier inhoudende de relatering van de verbalisant;

9. een proces-verbaal van verhoor getuige van politie Noord-Nederland met nummer PL0100 - 2015285208-36 d.d. 9 oktober 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en opgenomen op p. 371 e.v. van voormeld dossier inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij omstreeks de periode van 1 juli 2015 tot en met 29 september 2015 te Emmen en/of Nieuw-Amsterdam en/of Klazienaveen, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA en/of MDA en/of (4-)hydroxyboterzuur, zijnde amfetamine (speed) en/of MDMA en/of MDA (XTC) en/of (4-)hydroxyboterzuur (GHB) telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 29 september 2015 te Emmen opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1. meermalen opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen met aftrek van de tijd die is doorgebracht in voorlopige hechtenis, een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met de algemene en de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering, te weten meewerken aan

reclasseringstoezicht, meldplicht, gedragsinterventie COVA en gedragsinterventie leefstijltraining, alsmede een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor het volgen van de strafeis van de officier van justitie. De voorlopige hechtenis heeft grote indruk op verdachte gemaakt. Hierdoor is hij gaan inzien dat drugshandel geen oplossing is voor zijn geldprobleem. Momenteel heeft verdachte alles op de rit. Hij heeft een vaste baan en een goede werkgever. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan geëist zou alleen maar schade toebrengen. Verdachte is bereid te voldoen aan de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden, waaronder het volgen van de trainingen. Hij vraagt zich echter wel af of deze de beoogde toegevoegde waarde zullen hebben, omdat hij naar zijn mening reeds beschikt over de aan te leren vaardigheden. Voorts zullen het reclasseringstoezicht en de trainingen naast de werkstraf veel tijd in beslag nemen en zal dit ten koste gaan van zijn werk.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft ongeveer drie maanden gedeald in harddrugs. Omdat verdachte te maken had gehad met een aantal financiële tegenslagen besloot hij in drugs te gaan handelen. Hij kocht de drugs met de bedoeling deze, naast eigen gebruik, te verkopen om er geld mee te verdienen. Hij had regelmatig contact met drugsgebruikers en had inmiddels een netwerk opgebouwd. Korte tijd voor zijn aanhouding had hij bovendien besloten zijn handel uit te breiden met softdrugs.

Door het dealen van harddrugs heeft verdachte bijgedragen aan het ontstaan en het in stand

blijven van drugsafhankelijkheid bij derden, waardoor hun gezondheid in gevaar wordt

gebracht. Het gebruik van harddrugs brengt immers ernstige schade toe aan de

volksgezondheid. Voorts brengt de handel in harddrugs mee dat een zwart geld circuit

ontstaat met alle gevolgen van dien. Dat is ook de reden dat op de handel in harddrugs zware

straffen zijn gesteld. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts

gehandeld om er zelf financieel beter van te worden. Hij is zeer lichtzinnig begonnen met de handel in drugs, terwijl hij blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie reeds in oktober 2014 is veroordeeld tot een forse werkstraf met een voorwaardelijk deel voor het aanwezig hebben van harddrugs. Ook deze veroordeling heeft verdachte er niet van weerhouden in drugs te gaan handelen.

Door de aanhouding van verdachte is de handel in de kiem gesmoord. Verdachte heeft een maand in voorlopige hechtenis gezeten, hetgeen diepe indruk op hem heeft gemaakt. Uit het reclasseringsrapport volgt dat verdachte op dit moment zijn leven goed op de rails heeft. Hij woont bij zijn ouders, heeft een vaste baan en een zeer betrokken werkgever. Hierdoor heeft hij een waardevol netwerk om zich heen. Om dit niet in gevaar te brengen zal de rechtbank verdachte geen langere gevangenisstraf opleggen dan de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd van 3 jaren zal de rechtbank overnemen, als stok achter de deur, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw drugs te gaan verkopen. De rechtbank ziet, naast de druk van deze forse voorwaardelijke gevangenisstraf, alsmede gelet op het netwerk van verdachte, geen toegevoegde waarde in de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Deze zullen dan ook niet worden opgelegd. De rechtbank zal verdachte wel een werkstraf opleggen. De rechtbank komt daarbij tot oplegging van een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, nu de rechtbank bij het onder 1 ten laste gelegde een korte periode en bij het onder 2 ten laste gelegde alleen het aanwezig hebben van softdrugs heeft bewezenverklaard.

Inbeslaggenomen goederen

Standpunt officier van justitie

Het in beslag genomen geld dient te worden verbeurdverklaard. De verklaring van verdachte dat hij dit geld heeft verdiend met de verkoop van auto-onderdelen is niet aannemelijk. Hij handelde in drugs om geld te verdienen en heeft dit geld verkregen door de verkoop van verdovende middelen.

Standpunt van de verdediging

Het in beslag genomen geld dient te worden teruggegeven aan verdachte. Hij heeft dit geld verdiend met de verkoop van auto-onderdelen. Van het geld dat hij heeft verdiend met de verkoop van drugs heeft hij nieuwe drugs gekocht. Dit geld was niet afkomstig van drugshandel.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen met een totale waarde van € 431,75 (5 x € 50,00, 7 x € 20,00, 4 x € 10,00 en € 1,75 aan muntgeld) vatbaar voor verbeurdverklaring, nu dit geld geheel of grotendeels door middel van het onder 1 bewezenverklaarde feit is verkregen en het toebehoort aan verdachte.

Verdachte heeft, naast dat hij heeft verklaard geld te hebben verdiend met de verkoop van auto-onderdelen, ook verklaard dat hij geld heeft verdiend met de verkoop van drugs. Daarvan zou hij nieuwe drugs hebben gekocht. Dat hij alle inkomsten van de drugsverkoop heeft aangewend voor het aankopen van nieuwe drugs en dus twee van elkaar afgescheiden geldstromen beheerde, acht de rechtbank echter niet aannemelijk.

Bovendien heeft de wetgever bij de 'Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten ter verbetering van de toepassing van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (verruiming mogelijkheden voordeelontneming)' (32194, nr. 3, november 2009) in de Memorie van Toelichting het volgende vermeld:

"3. De verruiming van de bijkomende straf van verbeurdverklaring

Ook op andere manieren dan met de ontnemingsmaatregel kan aan een veroordeelde worden ontnomen wat hem rechtens niet toekomt. De bijkomende straf van verbeurdverklaring (artikel 33a Sr) is hiertoe geschikt. Met deze bijkomende straf kan een vergelijkbaar resultaat worden bereikt, evenwel zonder dat een afzonderlijke ontnemingsprocedure behoeft te worden gevoerd.

(…) Tot de voorwerpen die verbeurd kunnen worden verklaard behoren de voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen (artikel 33a, eerste lid, onderdeel a, Sr). Hiermee zijn categorieën van voorwerpen aangeduid die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit. Met de uitbreiding - zo luidt het voorstel - kunnen ook voorwerpen die niet rechtstreeks afkomstig zijn van het strafbare feit waarvoor een veroordeling is uitgesproken maar die uit de baten daarvan zijn verkregen, worden verbeurdverklaard. Ook voorwerpen die met de opbrengsten van dit strafbare feit zijn aangeschaft komen zo voor verbeurdverklaring in aanmerking. Hetgeen in het verband van de ontnemingsmaatregel als < vervolgprofijt > pleegt te worden aangeduid, kan zo met het instrument van de bijkomende straf van verbeurdverklaring van de veroordeelde worden afgenomen. Met dit vervolgprofijt wordt de meeropbrengst aangeduid die met het primair behaalde voordeel is verkregen.

Met de voorgestelde verruiming van de bijkomende straf van verbeurdverklaring, wordt uitvoering gegeven aan het gezichtspunt dat ook langs andere wegen dan door middel van de formele ontnemingsmaatregel kan worden bereikt dat aan de veroordeelde crimineel vermogen wordt ontnomen. De aanpassing van de regeling van de verbeurdverklaring kan voorts worden gezien tegen de achtergrond van het coalitieakkoord, waarin een uitbreiding is aangekondigd van het toepassingsbereik van de met het afnemen samenhangende wetgeving en waarin tot uitdrukking is gebracht dat ook winsten die met kleine vergrijpen worden behaald, moeten kunnen worden afgenomen. De hier voorgestelde uitbreiding draagt hieraan bij. (…) De verruiming kan eraan bijdragen dat criminele winsten op een efficiënte manier worden afgenomen."

Uit vorenstaande blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om ook bij kleinere vergrijpen de criminele winst af te nemen. De keuze van verdachte om, naar zijn zeggen, met de winst van de drugshandel nieuwe drugs te kopen en de winst van de verkoop van auto-onderdelen daar (nog) niet voor aan te wenden kan niet rechtvaardigen dat verdachte het inbeslaggenomen geld terug zou krijgen en daardoor zou profiteren van zijn handel in drugs. Gelet op vorenstaande zal het totale bedrag worden verbeurdverklaard.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 31 oktober 2014, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, waarvan 90 uren subsidiair 45 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 15 november 2014.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 22 april 2016 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 31 oktober 2014 voorwaardelijk opgelegde werkstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 22b, 22c, 22d, 33, 33a, en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart van het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen dat verdachte een langere periode in drugs heeft gehandeld dan van 1 juli 2015 tot en met 29 september 2015 en verklaart eveneens niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 meer is ten laste gelegd dan het aanwezig hebben van een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen.

Bepaalt, dat (van) deze gevangenisstraf (een gedeelte, groot 210 dagen) niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 60 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen geldbedragen ter waarde van

€ 250,00 (5 x € 50,00), € 140,00 (7 x € 20,00), € 40,00 (4 x € 10,00) en € 1,75 (muntgeld).

Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis (met ingang van 10 juni 2016).

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/135267-14:

Gelast de tenuitvoerlegging van de werkstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Assen d.d. 31 oktober 2014, te weten: een werkstraf van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. F. de Jong en

mr. P.H.M. Tapper-Wessels, rechters, bijgestaan door mr. K. Offerein-Hulshoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juni 2016.