Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5694

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
C/19/116936 / KG ZA 16-212
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Grootouders willen in kort geding een omgangsregeling afdwingen met hun kleinkinderen.

Zij hebben voor de laatste breuk met de ouders van de kleinkinderen op de kleinkinderen gepast.

Een poging om de verstandhouding met de ouders van de kleinkinderen te verbeteren weigeren ze.

De voorzieningenrechter acht grootouders niet-ontvankelijk en legt daarnaast uit waarom een afgedwongen contact met grootouders niet in het belang van de kleinkinderen wordt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/64.22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/116936 / KG ZA 16-212

Vonnis in kort geding van 20 december 2016

in de zaak van

1 grootvader,

2. grootmoeder,

beiden wonende te A.,

eisers,

advocaat mr. O.M.M. Philips te Haren,

tegen

1 vader,

2. moeder,

beiden wonende te A.,

gedaagden,

toegevoegd advocaat mr. C.C.N. Brens-Cats te Emmen.

Partijen zullen hierna eisers (grootouders) en gedaagden (ouders) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding (met bijlagen);

  • -

    de mondelinge behandeling van 8 december 2016, alwaar partijen zijn verschenen bijgestaan door hun raadslieden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gedaagde sub 2 is de dochter van eisers., Gedaagden zijn de ouders van:

kleinkind 1., geboren op ….2011 en

kleinkind 2., geboren op 2012.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen samengevat -

- een voorlopige omgangsregeling te bepalen waarbij de minderjarige kinderen gedurende een weekend per veertien dagen, van zaterdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de grootouders verblijven, althans een zodanige regeling vast te stellen als de rechtbank juist en redelijk acht.

- gedaagden te gebieden om binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de door de voorzieningenrechter bepaalde voorlopige omgangsregeling uit te voeren.

3.2.

Gedaagden voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Eisers stellen dat zij vanaf de geboorte van de kinderen van hun dochter een nauwe persoonlijke betrekking met hen hebben en dat zij een zeer regelmatig contact met de kinderen hadden. In deze situatie is kort geleden een wijziging opgetreden. Inmiddels wordt de grootouders iedere vorm van omgang met hun kleinkinderen ontzegd en grootouders wensen een herstel van de omgang.

Grootouders hebben in wezen nimmer een goede relatie gehad met gedaagde sub 1, de vader. Er zijn diverse voorvallen geweest die ervoor hebben gezorgd dat de relatie tussen de vader en de grootouders slecht is te noemen. Ondanks die voorvallen en ondanks de slechte relatie tussen de vader en de grootouders, heeft omgang tussen de grootouders en de minderjarigen altijd op een verantwoorde manier plaatsgevonden.

Recent is in deze status quo verandering opgetreden. Van het ene op het andere moment hebben de ouders besloten om het contact met de grootouders te verbreken. Vanaf dit moment wordt het de kinderen en de grootouders niet meer toegestaan om met elkaar contact te hebben. Het gevolg daarvan is een heel onzekere en tevens onwenselijke situatie. Zo is het geval dat de kinderen bijna dagelijks vanuit de opvang waar zij verblijven (een paar straten verderop) langs de woning van grootouders lopen. De minderjarigen zwaaien dan naar hun grootouders. De grootouders liepen daarop naar de overkant van de straat om even een knuffel aan de minderjarigen te geven. Inmiddels geven de kinderen richting grootouders aan dat zij geen contact meer met hun grootouders mogen hebben.

Mr. Philips heeft ter zitting aangevoerd dat het niet gaat om het belang van grootouders, maar om het belang van de kinderen. Grootouders zien dat het niet goed gaat met de kinderen en zij willen een rustpunt zijn in het leven van de kinderen.

Grootouders willen dat de kinderen een realistisch beeld krijgen van opa en oma.

Mr. Philips ziet het niet heel snel gebeuren dat er een normaal contact zal zijn tussen ouders en grootouders.

4.2.

Gedaagden vragen om afwijzing van de vordering.

Ouders voelen zich disrespectvol behandeld door grootouders. Er is sprake van een jarenlang patroon waarin vaak sprake was van conflicten tussen grootouders en ouders.

Op 8 juni jl. is het geëscaleerd, daarna is nog de wijkagent ingeschakeld om de bemiddelen. Dat heeft nergens toe geleid.

Onder de huidige omstandigheden is het in de ogen van ouders niet mogelijk dat er wel contact is tussen grootouders en kleinkinderen. Het doet moeder veel verdriet dat ouders wel contact willen met de kleinkinderen, maar niet met haar. Moeder heeft ter zitting beschreven hoe zij in de loop der jaren bij herhaling in haar ouders teleur is gesteld, hoeveel verdriet ze daarvan heeft gehad en dat ze het nu niet meer trekt. Na de gebeurtenis in juni is zij nog terug geweest bij haar ouders om te kijken in hoeverre die bereid waren om een poging te doen om weer nader tot elkaar te komen. Zij is toen door haar vader toegeschreeuwd en uitgescholden op een manier dat zij niet wenst dat haar kinderen het risico lopen aan dergelijk gedrag te worden bloot gesteld. Enig hoop op verbetering heeft ze niet meer op grond van de manier waarop haar ouders zich ten opzichte van haar, hun dochter hebben gedragen, en het gebrek aan bereidheid om zelf maar kritisch naar zichzelf zich te kijken. Grootouders kunnen niet normaal omgaan met ouders. Dit heeft effect op de kleinkinderen en is niet in hun belang.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht als volgt.

De casus die voorligt is een atypische. Er is geen sprake van overlijden van een ouder of van het uit elkaar gaan van ouders, waardoor grootouders uit beeld raken bij kleinkinderen. Grootouders hebben een conflict met ouders, weigeren - zo bleek ter zitting - een poging te doen om via mediaton of welke andere vorm van bemiddeling de relatie met ouders enigszins te herstellen, maar willen wel contact met hun kleinkinderen afdwingen.

Dat de kinderen, zoals de grootouders stellen, thuis in een problematische situatie verkeren en een rustpunt nodig hebben, is door de grootouders niet onderbouwd. Dat zij - mochten de kinderen dat rustpunt nodig hebben - daartoe de aangewezen personen zijn is ook niet gebleken.

Voor het vaststellen van een omgangsregeling tussen grootouders en kleinkinderen dient sprake te zijn van een nauwe persoonlijke betrekking tussen grootouders en kleinkinderen. Dat moet de normale relatie grootouders/kleinkinderen overstijgen. Een regelmatig contact zoals dat gebruikelijk is tussen grootouders en kleinkinderen levert in de praktijk niet voldoende concrete omstandigheden op, waaruit een nauwe persoonlijke betrekking kan worden afgeleid waarop een afgedwongen omgang kan worden gebaseerd.

4.4.

Niet gebleken is dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen grootouders en kleinkinderen, althans niet in een mate dat dit zou kunnen leiden tot toewijzing van de vorderingen. Grootouders hebben de kinderen opgevangen voor en na school. Menig grootouder past structureel op een kleinkind. Eisers onderscheiden zich daarin niet. De verklaringen van derden die zijn overgelegd benadrukken vooral dat de schrijvers het voor grootouders heel erg vinden dat zij de kleinkinderen niet meer zien. Dat onderbouwt de stelling van grootouders, dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking die zou moeten maken dat zij ontvankelijk zijn in hun verzoek echter niet.

4.5.

Dat heeft de voorzieningenrechter ook al aan grootouders laten weten. Eveneens heeft de voorzieningenrechter ter zitting al uitgelegd dat wanneer zij die hobbel wèl zouden hebben gehaald, de vorderingen alsnog zouden zijn afgewezen en waarom.

Ter zitting heeft grootvader voornamelijk namens grootouders het woord gedaan. Daar nam grootmoeder niet waarneembaar afstand van, dus de voorzieningenrechter neemt aan dat hij daadwerkelijk voor beiden sprak. Wat ter zitting duidelijk werd is dat grootouders geen respect hebben voor de ouders van hun kleinkinderen en dat zij ook niet trachten te verbergen dat die situatie bestaat. Zij lijken niet relevant te achten wat de ouders wel of niet willen. Grootvader sprak ook letterlijk uit dat het ZIJN kleinkinderen zijn en dat de ouders HEM niet kunnen verbieden daar contact mee te hebben. Hij keek bepaald onaangenaam verrast toen hem werd uitgelegd dat die ouders daarin best een redelijk doorslaggevende stem hebben. Grootouders lijken hun eigen dochter ook niet te horen. Ter zitting heeft hun dochter een emotioneel appèl op haar ouders gedaan, zonder dat die ouders daar non-verbaal of verbaal enige reactie op gaven. Toen hun dochter vertelde welke teksten zij in juni naar het hoofd kreeg geslingerd door haar vader knikte vader instemmend. De voorzieningenrechter zal die scheldwoorden hier niet herhalen. Wel is voor de voorzieningenrechter duidelijk dat een man die zo over zijn dochter denkt en spreekt naar alle waarschijnlijkheid zijn opinie over die dochter niet voor zijn kleinkinderen verborgen zal kunnen houden. Dat grootouders niet bereid zijn om te investeren in een poging de verstandhouding met hun dochter te verbeteren benadrukt dat zij haar in deze context kennelijk niet bijster relevant achten. Wat grootouders niet begrijpen is dat dit alles maakt dat het voor hun kleinkinderen aanmerkelijk minder wenselijk is dat zij op en neer gaan tussen hun ouders en hun grootouders dan grootouders veronderstellen. Laat staand dat het voor die kinderen prettig zou zijn om hele weekenden bij grootouders door te brengen (dat deden ze eerder ook niet) en dat uitgerekend grootvader de kinderen bij de ouders zou ophalen en terug brengen. De kinderen moeten hier niet aan worden bloot gesteld.

Althans leent zich een nadere beoordeling van deze situatie niet voor een kort geding.

Dat grootvader de procedure louter is begonnen omdat voor hem de belangen van de kleinkinderen boven alles gaan is voor de voorzieningenrechter ook de vraag. Die vraag begint op te komen als grootvader roept dat hij de kinderen op straat naar believen kan benaderen omdat het immers de openbare weg is en niemand hem dat dan kan verbieden.

Op het moment dat grootvader dreigt dat hij - als de kinderen niet komen - dan wel op de fiets stapt en de kinderen op school gaat opzoeken, is meer dan duidelijk dat hij het belang van die kinderen in ieder geval op dat moment volledig uit het oog is verloren. Die kinderen moet op school een plek hebben waar ze zich veilig kunnen voelen en geen last hebben van het geruzie van de generaties boven hen. Als grootvader zijn uitspraken waarmaakt dan neemt hij zijn kleinkinderen dat af, met alle gevolgen van dien.

Grootouders lijken niet in te zien dat de kleinkinderen hiermee worden bloot gesteld aan spanning en mogelijk in een loyaliteitsconflict worden gebracht. Grootouders dienen hun dochter en schoonzoon te respecteren als ouders van hun kleinkinderen. Hiervan lijkt nu geen sprake te zijn. Grootouders kunnen niet voorbijgaan aan (de problemen met) ouders.

4.6.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verklaart de grootouders niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.L. Veen en in het openbaar uitgesproken op

20 december 2016.