Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5584

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
5435593 AR VERZ 16-193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verstoring arbeidsverhouding Ziekenhuis en leidinggevend apotheker, kort voor diens pensioen, door Ziekenhuis ernstig verwijtbaar veroorzaakt. Beroep op disfunctioneren na eerst aan leidinggevende positie tornen, gepasseerd station. Naast transitievergoeding billijke vergoeding € 125.000,00.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671b
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671c
Burgerlijk Wetboek Boek 7 686a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1472
GZR-Updates.nl 2017-0034
AR 2016/3941
JAR 2017/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummers: 5435593 AR VERZ 16-193 en 5522129 AR VERZ 16-219

beschikking van de kantonrechter ex art. 7:671b lid 1 sub a BW van 19 december 2016

inzake

de stichting Stichting Treant Ziekenhuiszorg,

gevestigd te Hoogeveen,

verzoekende partij, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. J.I. Top te Emmen (Postbus 30002, 7800 RA),

tegen

[verweerder] ,

wonende te Amersfoort,

verwerende partij, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. U. Hoogland te Bolsward (Stoombootkade 24, 8701 KA).

Partijen zullen hierna Treant en [verweerder] worden genoemd.

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

Treant heeft een verzoek ex artikel 7:671b lid 1 sub a BW gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, ingekomen ter griffie op 13 oktober 2016. [verweerder] heeft op 21 november 2016 een verweerschrift met tegenverzoeken ingediend.

1.2.

Op 28 november 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. Beide gemachtigden hebben het woord gevoerd, mede aan de hand van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen voor het overige ter toelichting op hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

In Treant Zorggroep zijn drie ziekenhuislocaties, waaronder het Scheper Ziekenhuis te Emmen, en twintig centra voor verpleeg-, revalidatie- en ouderenzorg gebundeld.

2.2.

[verweerder], geboren op [geboortedatum], is met ingang van [datum in diensttreding] op basis van een dienstverband voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Leveste, de rechtsvoorganger van Treant, op de locatie Scheper Ziekenhuis in de functie van [xxx] De benaming van de functie is later gewijzigd in gevestigd apotheker. Aan dat dienstverband voorafgaand is [verweerder] vanaf 1985 eveneens als apotheker werkzaam geweest bij verschillende ziekenhuizen.

2.3.

In juni 2015 heeft de vakgroep ziekenhuisapothekers, waarvan [verweerder] op dat moment de leidinggevende was, in een vakgroepoverleg aangegeven dat zij van mening is dat [verweerder] niet de uitdagingen aan kan die met het oog op de komende reorganisatie binnen Treant nodig zijn. Uit een door de apothekers ten behoeve van dat overleg opgestelde leidraad komt het volgende naar voren:

De vakgroep is unaniem van mening dat de huidige apotheekleiding/wijze van leidinggeven niet de uitdagingen aan kan die de invlechting en de weg naar 2020 met zich mee gaan brengen.

De vakgroep heeft geen vertrouwen dat de wijze van leiding geven door het huidige management veranderd kan worden naar de wijze die de apotheek verlangt en nodig heeft. De huidige leiding wordt als stroperig ervaren en remmend op de ontwikkeling van de apotheek.

2.4.

[verweerder] heeft naar aanleiding van dit overleg de sectormanager van de vakgroep apothekers geïnformeerd. Daarna is de Raad van Bestuur op de hoogte gebracht over de onvrede binnen de vakgroep.

2.5.

Op 23 juli 2015 heeft een overleg plaatsgevonden tussen de Raad van Bestuur en een afvaardiging van de vakgroep aangaande de gerezen problematiek binnen de vakgroep. In zijn brief van 24 juli 2015 aan alle zes apothekers en [verweerder] schrijft de voorzitter van de Raad van Bestuur, drs. M.C. Kuin, onder meer het volgende:

Door de dames [naam] en [naam] is desgevraagd bevestigd dat in een eerder vakgroep-overleg door de leden van de vakgroep het vertrouwen in de heer [verweerder] als leidinggevende van de vakgroep is opgezegd.

Daaraan is toegevoegd dat dit niet zijn kwaliteiten als collega en apotheker betrof, en ook dat dat wat hen betreft niet tot een acuut onwerkbare situatie leidt of heeft geleid.

Ik heb daarop teruggegeven dat de raad van bestuur het onderliggende beeld dat wordt geschetst, en dat heeft geleid tot die uitspraken, niet herkent, en dat de raad van bestuur zijn vertrouwen in de leidinggevende rol van de heer [verweerder] naar hem heeft uitgesproken.

(…)

Onder deze omstandigheden [de komende reorganisatie - ktr] is continuïteit in de leiding, en ook eenheid en samenwerking binnen de vakgroep, van eminent belang.

De Raad van Bestuur concludeert dat [verweerder] in functie blijft. Aan [verweerder] en de vakgroep als geheel wordt gevraagd om een geactualiseerd visiedocument voor de periode 2015-2020 op te stellen, waarin ook uitspraken worden gedaan over de wijze van samenwerken binnen de vakgroep. Om dit te faciliteren wordt een extern begeleider, de heer [X] van Zorgadviseurs.nl, aangesteld.

2.6.

In september 2015 heeft de eerste bijeenkomst van de vakgroep met [X] plaatsgevonden. In de daarop volgende bijeenkomst, op 14 januari 2016, heeft de vakgroep opnieuw uitgesproken geen vertrouwen te hebben in [verweerder] als leidinggevende.

2.7.

In december 2015 is mevrouw [XX] als nieuw lid van de Raad van Bestuur aangetreden. Zij heeft onder meer de apotheek in haar portefeuille gekregen.

2.8.

Vanaf 28 januari 2016 heeft [verweerder], na overleg met zijn sectormanager en zijn werk te hebben overgedragen, geen werkzaamheden meer verricht.

2.9.

Volgens een "Overzicht casuïstiek [verweerder]", met informatie van vier apothekers en vervaardigt op 21 maart 2016 door een van hen, [Y], heeft [XX] in een e-mail van 25 februari 2016 aan de vakgroep de volgende drie scenario’s voorgelegd, met het verzoek daarop te reageren:

1. Terugkeer van [verweerder] in zijn huidige rol;

2. Terugkeer van [verweerder] als collega ziekenhuisapotheker (zonder managementtaken);

3. Afscheid nemen van [verweerder].

In de inleiding van voormeld overzicht staat onder meer:

Naar aanleiding van de scenario's en de gesprekken die de vakgroep met [XX] hebben gehad, heeft [XX] gevraagd om zaken die spelen met betrekking tot het functioneren van [verweerder] te documenteren.

2.10.

Op 9 maart 2016 heeft de Raad van Bestuur een gesprek gevoerd met [verweerder] over de ontstane situatie. [verweerder] heeft daarin aangegeven dat hij zijn werkzaamheden wil voortzetten.

2.11.

De vakgroep heeft op 21 maart 2016 in het onder 2.9. bedoelde overzicht aangegeven dat op basis van het opgebouwde verleden er onvoldoende vertrouwen is in het functioneren van [verweerder] als gevestigd ziekenhuisapotheker (leidinggevende) en als collega ziekenhuisapotheker en dat zij optie 3 als enige mogelijkheid ziet.

2.12.

De Raad van Bestuur heeft de vakgroep naar aanleiding van voormeld overzicht geadviseerd de procedure "mogelijk disfunctioneren medisch specialist" te starten bij het Stafbestuur. Het Reglement mogelijk disfunctionerend medisch specialist kent de volgende definitie van disfunctioneren:

Een structurele situatie van onverantwoorde zorg, waarin de patiënt wordt geschaad of het risico loopt te worden geschaad, en waarbij de betrokken medisch specialist niet (meer) in staat of bereid is zelf de problemen op te lossen.

Van belang in deze omschrijving zijn vier (4) elementen:

het gaat om structurele problemen en niet om een enkel incident

het gaat om onverantwoorde zorg, d.w.z. zorg die in negatieve zin afwijkt van hetgeen binnen de beroepsgroep gebruikelijk is

door de problemen loopt de patiënt schade op of bestaat het risico daarop

de medisch specialist is niet bereid tot discussie, vertoont geen zelfreflectie en/of is niet (meer) bij machte zelf de situatie ten goede te keren.

De vakgroep heeft op 10 april 2016 melding gemaakt bij de voorzitter van het stafbestuur van mogelijk disfunctioneren van [verweerder]. Hierop is een ad hoc onderzoekscommissie ingesteld die op 30 mei 2016 een advies heeft gegeven met betrekking tot de ontvankelijkheid van de melding:

Aan de criteria voor ontvankelijkheid van een melding, vermeld in 1.11 van het reglement mogelijk disfunctioneren, is niet in alle opzichten voldaan. De commissie licht dit als volgt toe. Er zijn twee criteria waar volgens de commissie niet aan wordt voldaan.

1 De melding is voldoende gemotiveerd

Wat betreft de inhoud van de melding en onderliggende motivatie komt de commissie tot de conclusie dat er een groot verschil in zwaarte is wat betreft het functioneren als leidinggevende van de heer [verweerder] en zijn vakinhoudelijk functioneren. De commissie concludeert dat de heer [verweerder] in zijn functioneren als leidinggevende geen draagvlak meer heeft, de vakgroep hiervoor een duidelijke onderbouwing heeft en mogelijkheden om dit te verbeteren in het verleden onvoldoende opgepakt zijn. Zijn positie is op dit punt kennelijk onmogelijk geworden.

Wat betreft vakinhoudelijk functioneren van de heer [verweerder] is de commissie van mening dat de motivatie en onderbouwing onvoldoende stevig is om te kunnen spreken van niet acceptabel en onvoldoende functioneren waardoor de patiëntveiligheid direct en indirect in gevaar is, zoals de vakgroep in zijn melding aangeeft. Daarmee zegt de commissie niet dat dit niet aan de orde zou kunnen zijn maar op basis van de melding en het gesprek is het nog de vraag hoe structureel dit is, wat hier oorzaken van zijn en of verbetering mogelijk zou zijn. De motivatie is in de melding onvoldoende. Wat in dit opzicht ook opvalt is dat in de chronologie van de gebeurtenissen het vakinhoudelijk functioneren van de heer [verweerder] in juli 2015 nog geen punt van aandacht bleek te zijn volgens de brief van de Raad van bestuur aan de vakgroep van 25 juli. De vakgroep is, nadat het vertrouwen in de heer van de Boon is opgezegd als leidinggevende, zijn inhoudelijk functioneren gaan beoordelen en is toen tot de conclusie gekomen dat dit wat hen betreft onvoldoende is. Dat is verder niet met hem of anderen overlegd of besproken dan wel vastgelegd.

2 De melding is niet op oneigenlijke gronden ingediend

(…)

De onderzoekscommissie constateert dan ook dat van een werkelijk onderzoek naar mogelijk disfunctioneren geen sprake kan zijn. De vraag is niet meer of er sprake is van mogelijk disfunctioneren en of een verbetertraject tot de mogelijkheden behoort. Er is een situatie ontstaan waarin de kaarten geschud zijn en samenwerking kennelijk onmogelijk is geworden. De vraag in hoeverre er sprake is van (vakinhoudelijk) disfunctioneren is niet meer aan de orde en de melding is derhalve op oneigenlijke gronden ingediend.

Advies onderzoekscommissie

Het advies van de onderzoekscommissie is dan ook de melding mogelijk disfunctioneren van de heer [verweerder] niet ontvankelijk te verklaren. De motivatie is op vakinhoudelijk vlak onvoldoende, de chronologie van de gebeurtenissen maakt dat er geen zorgvuldig proces is gelopen en het feit dat de vakgroep een keuze voor een exit scenario heeft kunnen maken voordat een procedure mogelijk disfunctioneren heeft kunnen plaatsvinden maakt dat de melding op oneigenlijke gronden heeft plaatsgevonden. Te meer omdat de uitkomst van een procedure mogelijk disfunctioneren wat betreft vakinhoudelijk gebied nu geen ruimte meer biedt voor een verbetertraject.

2.13.

Op 20 juni 2016 heeft [verweerder] in een gesprek met de Raad van Bestuur, het Stafbestuur, P&O en de ziekenhuisapothekers aangegeven terug te willen keren als gevestigd apotheker. Treant heeft in dit gesprek aangegeven dat zij wordt geconfronteerd met diametraal tegenovergestelde beelden van de gevestigd apotheker versus de vakgroep en er geen enkel zicht is op een oplossing. Met het oog op de patiëntveiligheid acht de Raad van Bestuur een terugkeer van [verweerder] in de vakgroep niet verantwoord. Met als consequentie dat de vakgroep niet op de oude voet verder kan en [verweerder] binnen Treant niet in zijn vak verder kan. Treant heeft aangegeven mogelijkheden voor [verweerder] te zien in een tijdelijke functie als projectmanager.

2.14.

Op 4 juli 2016 heeft [verweerder] nogmaals aangegeven terug te willen keren. Als handreiking naar de vakgroep en bij wijze van oplossing voor de gerezen verschillen van inzicht ten aanzien van zijn leidinggevende capaciteiten, is hij dan bereid zijn leidinggevende taken neer te leggen en terug te keren in zijn functie van ziekenhuisapotheker. [verweerder] heeft de aangeboden functie van projectmanager niet geaccepteerd.

2.15.

In de arbeidsovereenkomst is met betrekking tot de door [verweerder] ontvangen toeslagen onder meer en voor zover van belang het volgende opgenomen:

Artikel 6 Inconveniënten- of roostertoeslagen

1. Voor het hoofd apotheek geldt voor de frequentie van avond-, nacht-, en weekenddiensten met ingang van 1 maart 2008 een percentage van 4%. Bij structurele wijziging zal nader overleg plaatsvinden over de consequenties voor de hoogte van de toeslag.

2. Voor het hoofd apotheek geldt voor de intensiteit avond-, nacht-, en weekenddiensten met ingang van maart 2008 een percentage van 5%. Bij structurele wijziging zal nader overleg plaatsvinden over de consequenties voor de hoogte van de toeslag.

3. De toeslagen worden voor de parttime werkzame hoofd apotheek berekend over het naar een gemiddelde arbeidsduur van 45 uur herleide salaris.

4. De parttime werkzame hoofd apotheek neemt wel/niet* volledig deel aan de

avond-, nacht- en weekenddiensten, hetgeen tot uitdrukking komt in de percentages van de frequentie- en /of intensiteitstoeslag.

Artikel 13 Complementaire bijdragetoeslag

Het hoofd apotheek vervult een complementaire bijdrage als Medisch specialist Manager I. De complementaire bijdragetoeslag bedraagt een percentage van 25% en wordt voor onbepaalde tijd toegekend.

2.16.

Op 22 september 2016 heeft Treant [verweerder] op de hoogte gesteld van de invoering van het budget organisatorische eenheid vanaf 1 september 2016. Hierdoor vervallen de bestaande individuele toeslagen voor managementtaken, complementaire toeslagen voor opleidingsverantwoordelijkheid en de dervingstoeslag A, per 1 september 2016. Deze komen beschikbaar als totaalbedrag voor de organisatorische eenheid, ten behoeve van waarneming/vervanging. De individuele toeslagen van [verweerder] zijn met ingang van 1 september 2016 stop gezet.

3 Het verzoek

3.1.

Treant verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW, en erkent de aanspraak van [verweerder] op de transitievergoeding.

3.2.

Aan dit verzoek legt Treant ten grondslag dat tussen [verweerder] en de overige ziekenhuisapothekers – kort gezegd – een dusdanig verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan dat niet langer sprake is van een werkbare situatie binnen de ziekenhuisapotheek. Treant heeft hierop actie ondernomen door middel van direct ingrijpen in de vakgroep, het organiseren van een mediationtraject en vervolgens het aanbieden van een andere functie aan [verweerder]. Het ingrijpen in de vakgroep en het mediationtraject hebben geen positief effect gehad. [verweerder] heeft de aangeboden functie geweigerd. Treant is van mening dat er daarom geen mogelijkheden zijn het dienstverband voort te zetten.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Het verzoek van Treant is feitelijk ingegeven wegens vermeend disfunctioneren. Het verzoek wegens een verstoorde verhouding is een voorgewende ontslaggrond. Indien geconcludeerd wordt dat de verhouding inmiddels ernstig en duurzaam is verstoord, dan is dat veroorzaakt door Treant waardoor er sprake van ernstig verwijtbaar handelen van Treant.

4.2.

Wanneer de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] primair de activeringsregeling van de CAO ziekenhuizen dan wel de AMS-regeling van toepassing te verklaren, met inbegrip van de transitievergoeding en aanvulling op de WW, en subsidiair naast de transitievergoeding een billijke vergoeding toe te kennen.

4.3.

Aanvullend verzoekt [verweerder] om Treant te veroordelen om aan [verweerder] toe te kennen de bedongen 25% complementaire bijdragetoeslag of een vervangende vergoeding.

4.4.

Treant heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van [verweerder].

De beoordeling

5. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verweerder] een billijke vergoeding of andere vergoedingen dien(t)en te worden toegekend. Mede in verband daarmee moet ook een oordeel worden gegeven over de hoogte van zijn salaris.

6. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

7. Treant voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in de verstoorde arbeidsverhouding. Zij doet daarmee een beroep op de g-grond van artikel 7:669 lid 3 BW. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door de werkgever in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding op omdat, zoals hierna zal worden overwogen, de verstoring is veroorzaakt door Treant. Toch zal de kantonrechter tot ontbinding overgaan omdat [verweerder] de ernstige verstoring van de arbeidsverhouding heeft erkend.

8. De kantonrechter is van oordeel dat de verstoring van de arbeidsverhouding geheel te wijten is aan Treant. Uit niets is de kantonrechter gebleken dat in de tientallen jaren dat [verweerder] heeft gewerkt als apotheker er sprake is geweest van onvoldoende functioneren als apotheker of als leidinggevende van apothekers. Ook vanaf het moment dat [verweerder] in dienst is van Treant is niet gebleken van zodanig disfunctioneren. De kantonrechter is van oordeel dat om te beginnen de "onderonsjes" tussen de vakgroep en het lid van de Raad van Bestuur, [XX], de verhouding hebben verstoord. Het is volstrekt onjuist dat Treant buiten [verweerder] om aan de vakgroep onder meer als optie heeft voorgelegd, het vertrek van [verweerder]. Gelet op de eerdere uiting van de Raad van Bestuur in haar brief van 24 juli 2015, had verder gewerkt moeten worden aan herstel van vertrouwen bij de vakgroep in [verweerder] als leidinggevende. De vakgroep en [verweerder] hadden dan tenminste de mogelijkheid gehad samen tot de conclusie te komen dat herstel wel of niet zou lukken, en zo niet, dat [verweerder] dan wel of niet verder zou kunnen als apotheker. Treant kan zich alleen al vanwege het contact tussen haar Raad van Bestuur en de vakgroep niet op het standpunt stellen dat de opstelling van de vakgroep haar niet aangerekend kan worden.

9. De verstoring van de arbeidsrelatie is vervolgens door toedoen van genoemd lid van de Raad van Bestuur samen met de vakgroep verergerd door te opperen (RvB) een procedure te starten tegen [verweerder] wegens mogelijk disfunctioneren, waartoe de vakgroep vervolgens is overgegaan. Voor een dergelijke procedure was op dat moment geen aanleiding en het ten onrechte starten door de vakgroep van die door de Raad van Bestuur gesuggereerde procedure kan Treant worden aangerekend. De ad hoc commissie die de ontvankelijkheid van de klacht van de vakgroep tegen [verweerder] heeft onderzocht, heeft naar het oordeel van de kantonrechter daarover een correct advies uitgebracht.

De kantonrechter verwijst naar dat advies, dat voorzover van belang is weergegeven in rechtsoverweging 2.12.

10. De kantonrechter is van oordeel dat deze door Treant veroorzaakte verstoring van de arbeidsverhouding met [verweerder] een ernstig verwijtbaar handelen van Treant oplevert. Dit betekent dat naast de uit de wet voortvloeiende transitievergoeding, [verweerder] in beginsel recht heeft op een billijke vergoeding ten laste van Treant. Omdat [verweerder] primair een vergoeding op grond van de cao-activeringsregeling (of: ams-regeling) heeft gevraagd, moet de kantonrechter daarover eerst een oordeel geven. Bij afwijzing van het primaire verzoek zal de kantonrechter het subsidiaire verzoek om een billijke vergoeding beoordelen.

11. De regeling waarop [verweerder] zich voor zijn primaire verzoek om een vergoeding beroept is een cao. Die moet de kantonrechter daarom zoveel mogelijk taalkundig uitleggen. Gelet op de tekst van artikel 6.1 van de cao (werkingssfeer) valt de beëindiging van het dienstverband van [verweerder] niet onder de activeringsregeling. Het dienstverband wordt immers beëindigd door ontbinding door de kantonrechter wegens de redelijke grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Er is geen sprake van een ontslag als bedoeld in artikel 6.1 wegens vermindering of beëindiging van de werkzaamheden, reorganisatie, of onbekwaamheid/ongeschiktheid.

12. Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding – naar haar aard – in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 7, pag. 91). Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In de billijke vergoeding kan niet tot uitdrukking komen of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, omdat dit al is verdisconteerd in de transitievergoeding. De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband geen rol hoeven te spelen. Er kan wel rekening worden gehouden met de financiële situatie van de werkgever. Uitgaande van het voorgaande zal de kantonrechter de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 125.000,00 bruto. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking het bijzonder kwetsend te vinden dat [verweerder], zo kort voor zijn pensionering en na zo een lange tijd klachtloos gefunctioneerd te hebben, enkele jaren voor zijn pensionering plotseling en ten onrechte in een situatie wordt gebracht die daarmee volledig dissoneert en geen andere herstelmogelijkheid kent dan deze vergoeding. Het is een waarschuwing voor Treant en andere werkgevers in situaties als deze zorgvuldiger met de terechte belangen van een individuele werknemer ([verweerder]) om te gaan, ook wanneer de verhoudingen met andere werknemers (de vakgroepleden) daardoor problematisch zouden kunnen worden.

13. De kantonrechter zal Treant veroordelen tot betaling aan [verweerder] van de transitievergoeding die op grond van de wet door Treant is verschuldigd. Voor de berekening van die transitievergoeding verschillen partijen van mening over de omvang van het maandsalaris van [verweerder]. De kantonrechter bepaalt dat salaris op het laatstverdiende salaris, een bedrag van € 13.840,44 bruto per maand. Na het neerleggen van de werkzaamheden door [verweerder], op aangeven van en na overleg met zijn sectormanager, heeft Treant eenzijdig de beloning van [verweerder] verlaagd met ingang van 1 september 2016. Dat kan niet. Niet is gebleken van een objectieve en los van het onderhavige geschil staande reden voor salarisverlaging waarmee [verweerder] ook zou zijn geconfronteerd wanneer er "niets aan de hand" zou zijn geweest. Treant heeft niet gesteld, terwijl ook niet op andere wijze is gebleken, dat dan de extra vergoeding voor zijn leidinggeven niet via de RVE (resultaat verantwoordelijke eenheid) of de thans zo genoemde OE (organisatorische eenheid; de vakgroep apothekers) bij [verweerder] terecht zou zijn gekomen. Voorgaande betekent dat Treant zal worden veroordeeld de door [verweerder] becijferde transitievergoeding van € 44.844,45 aan hem te betalen. Voorgaande betekent eveneens dat [verweerder] tot de ontbindingsdatum recht heeft op een maandsalaris van € 13.840,44 bruto.

14. Tegen de door [verweerder] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 1.000,00 is geen afzonderlijk verweer gevoerd. Deze vordering zal de kantonrechter toewijzen.

15. Omdat aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst voornoemde billijke vergoeding en een hogere transitievergoeding dan die Treant (kennelijk) op het oog heeft gehad, wordt verbonden, zal Treant gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn. [verweerder] heeft erkend dat sprake is van een verstoring van de arbeidsverhouding die de ontbinding rechtvaardigt, maar heeft daar niet aan verbonden een eigen verzoek tot ontbinding als bedoeld in artikel 7:671c lid 1 BW en in verband daarmee de billijke vergoeding bedoeld in lid 2 sub b van dat artikel.

16. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van Treant zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 juli 2017. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Volgens artikel 6 van de arbeidsovereenkomst zijn partijen een opzegtermijn van zes maanden overeengekomen. De duur van deze procedure wordt daar niet van afgetrokken vanwege het ernstig verwijtbaar handelen van Treant.

17. De proceskosten komen voor rekening van Treant omdat zij ongelijk krijgt, tot op heden aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 600,00 voor het salaris van de gemachtigde.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen Treant het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de gemachtigde van [verweerder]) zal lopen tot vrijdag 30 december 2016 12:00 uur;

Voor het geval de werkgever het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

6.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2017;

6.3.

veroordeelt Treant om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 125.000,00 bruto;

6.4.

veroordeelt Treant om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 44.844,45 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 augustus 2017 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.5.

bepaalt dat het salaris van [verweerder] tot einde dienstverband bedraagt € 13.840,44 bruto per maand en veroordeelt Treant tot betaling van dat salaris tot einde dienstverband;

En na de intrekking door Treant van het ontbindingsverzoek:

6.6.

bepaalt dat het salaris van [verweerder] bedraagt € 13.840,44 bruto per maand en veroordeelt Treant tot betaling van dat salaris;

En zowel bij intrekking als wanneer niet wordt ingetrokken:

6.7.

veroordeelt Treant tot betaling aan [verweerder] van € 1.000,00 voor buitengerechtelijke incassokosten;

6.8.

veroordeelt Treant in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 600,00;

6.9.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven te Assen en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2016 door

mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

RTjT