Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5577

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-12-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
5249413 / CV EXPL 16-8484
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Uitleg artikel 47 lid 5 van de CAO Openbaar Vervoer, in samenhang met artikel 6 van deze CAO en bijlage 13 van deze CAO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/21
AR-Updates.nl 2016-1513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 5249413 / CV EXPL 16-8484

vonnis van de kantonrechter d.d. 27 december 2016

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr. J.S. Mennega,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Qbuzz B.V.,

gevestigd te Drachten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. B.F.M. Kievitsbosch

Partijen zullen hierna [eiser] en Qbuzz worden genoemd.

Procesverloop

1.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 27 september 2016 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 9 november 2016, tezamen met de comparitie van partijen inzake de procedures met nummers 5249255 CV EXPL

16-8481 en 5249380 CV EXPL 16-8483, in welke procedures Qbuzz ook gedaagde is.

1.2

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2.1

Qbuzz is een onderneming die zich richt op het openbaar personenvervoer in de provincie Fryslân.

2.2

[eiser] , geboren op [datum] , is op 2 april 1991 als chauffeur in dienst getreden van Arriva, concurrent van Qbuzz. In verband met de overgang van de concessie voor openbaar personenvervoer in de regio Zuidoost-Fryslân van Arriva naar Qbuzz, is het dienstverband tussen Arriva en [eiser] beëindigd en is hij per 14 december 2008 als chauffeur in dienst getreden van Qbuzz. In de daartoe opgemaakte schriftelijke arbeidsovereenkomst is bepaald dat voor het berekenen van het aantal dienstjaren bij Qbuzz [eiser] wordt geacht in dienst te zijn getreden op 2 april 1991 (artikel 4).

2.3

Op de arbeidsarbeidsovereenkomst tussen Qbuzz en [eiser] is de CAO Openbaar Vervoer (hierna: de CAO) van toepassing verklaard (artikel 7). In de CAO, zoals die gold voor het jaar 2009, is, voor zover hier van belang, voor wat betreft reorganisatie en de daaraan verbonden (financiële) gevolgen, het volgende bepaald:

"Artikel 6 (reorganisatie)

1. In geval van een voornemen tot reorganisatie, inkrimping, fusie, beëindiging van de onderneming, wijziging van vestigingsplaats(en) van de onderneming of andere structurele wijzigingen of overdracht van de zeggenschap over de onderneming, is de werkgever verplicht daarover op een zodanig tijdstip advies in te winnen van de ondernemingsraad en overleg te voeren met vakorganisaties, dat nog wezenlijk invloed op de beslissing kan worden uitgeoefend.

2.

a. a) (….).

b) Indien geen sprake is van de verplichting tot verhuizing zoals bedoeld in artikel 45, zal aan financiële vergoedingen de VCSA-verplaatsingskostenregeling ten grondslag worden gelegd, zoals opgenomen in bijlage 13."

2.4

In Bijlage 13 van de CAO zoals die luidde voor de jaren 2009 en 2010, is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

"Bijlage 13

Behorende bij artikel 6 (reorganisatie)

a. a) Indien door reorganisatie als bedoeld in artikel 6 van de CAO Openbaar Vervoer voor de werknemer de afstand van het woon-/werkverkeer gemeten langs de meest gebruikelijke weg wordt vergroot en hij geen gebruik kan maken van kosteloos openbaar vervoer of Pod-bus, geldt de volgende verplaatsingskostenvergoeding.

b) De vergoeding bedraagt per 1 januari 2009 € 0,34 (per 1 januari 2010 € 0,36) voor elke kilometer die per werkdag meer dan vier kilometer extra gereisd moet worden. Elk jaar op 1 januari wordt dit bedrag aangepast op basis van de consumentenprijsindex (CPI) voor alle huishoudens berekend door het CBS van oktober tot oktober.

c) De vergoeding wordt toegekend gedurende een periode van één jaar voor elk vol dienstlaar (op het moment waarop de vergoeding van kracht wordt), met een minimum van vijf jaar. Indien betrokkene tenminste tien dienstjaren heeft, wordt indien de som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van de verplaatsing meer bedraagt dan 60 jaar, de vergoeding toegekend tot het einde van de arbeids overeenkomst. In de hiernavolgende gevallen zal worden bezien of er reden is de hoogte van de verplaatsingskostenvergoeding en/of de duur te wijzigen:

Wijziging van standplaats door de werkgever:

De hoogte van de vergoeding en de duur ervan wordt opnieuw berekend met inachtneming van:

- de oorspronkelijke standplaats van de werknemer voorafgaand aan de eerste standplaatswijziging,

- de actuele woonplaats van de werknemer,

- de actuele diensttijd van de werknemer.

Wijziging van de woonplaats van de werknemer:

Als de wijziging van de woonplaats van de werknemer tot gevolg heeft dat de afstand tussen de nieuwe woonplaats en de laatst vastgestelde standplaats wordt vergroot, is het risico van de daardoor veroorzaakte extra reiskosten voor rekening van de werknemer: de verplaatsingskostenvergoeding en de duur ervan blijft ongewijzigd.

Als de wijziging van de woonplaats van de werknemer tot gevolg heeft dat de afstand tussen de nieuwe woonplaats en de laatst vastgestelde standplaats wordt verkleind, is de werkgever gerechtigd om de verplaatsingskostenvergoeding opnieuw te berekenen met inachtneming van:

- de actuele standplaats van de werknemer,

- de actuele woonplaats van de werknemer.

De duur van de vergoeding blijft ongewijzigd."

2.5

Bijlage 13 is door de jaren ongewijzigd gebleven, met dien verstande dat de vergoeding per gereisde kilometer elk jaar enigszins (een paar eurocent) is verhoogd.

2.6

Voorts bepaalt de CAO ten aanzien van kosten voor woon-/werkverkeer het volgende:

"Artikel 47 (forenzenvergoeding)

1. Aan een werknemer die voor het dagelijks woon-/werkverkeer kosten moet maken die een hierna nader aan te duiden grens te boven gaan, wordt een tegemoetkoming in die kosten toegekend.

2. Geen tegemoetkoming in de kosten wordt toegekend aan werknemers die binnen de afstand van 5 km, gemeten langs de meest gangbare kortste route van de standplaats af, wonen of binnen dezelfde zone (volgens het landelijk tariefsysteem voor streek- en stadvervoer) wonen als waarin de standplaats is gelegen.

3. Voor deze vergoeding komt in aanmerking:

a. a) De werknemer die in onregelmatige aaneengesloten dienst werkzaam is, voor zover voor het woon-/werkverkeer geen gebruik gemaakt kan worden van kosteloos openbaar vervoer of pod-bus.

b) De werknemer die niet in onregelmatige dienst werkzaam is, voor zover voor het woon-/werkverkeer in redelijkheid geen gebruik kan worden gemaakt van kosteloos openbaar vervoer of pod-bus.

c) Als redelijk wordt aangemerkt een dagelijks af te leggen enkele reisafstand, die zich bij vervoer per lijndienstbus uitstrekt over ten hoogste vijf zones of bij gebruik van de trein over 40 kilometer.

4.

a. a) De tegemoetkoming in de kosten van woon/werk-verkeer wordt vastgesteld afhankelijk van de afstand van woonplaats naar standplaats, gemeten langs de meest gebruikelijke weg. Deze afstand wordt uitgedrukt in zones overeenkomstig het landelijk tariefsysteem voor streek- en stadvervoer. Bepalend is het aantal zones, waarover de afstand van de woonplaats tot de standplaats zich uitstrekt. Als woonplaats geldt de dichtst bij de woning gelegen bushalte. De standplaats wordt steeds geacht in één zone te liggen.

b) Het bedrag van de tegemoetkoming wordt afgeleid van de prijs van de bij het op grond van het gestelde in sub a behorende ster-abonnement per maand, echter met een franchise die gelijk is aan de prijs van een één-ster-abonnement en met een maximum gelijk aan de prijs van een 5-ster-abonnement verminderd met de franchise.

5. De tegemoetkoming ingevolge dit artikel cumuleert niet met de reiskostenvergoeding ingevolge artikel 46 CAO of met enige andere reiskostenvergoeding.

6. De tegemoetkoming wordt per kalendermaand toegekend en uitbetaald. Geen recht op vergoeding bestaat indien gedurende de volle kalendermaand, waarop de tegemoetkoming betrekking zou hebben, geen werkzaamheden worden verricht."

2.7

Wat betreft de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en de eerste helft van 2014 (tot 1 juli 2014) is de wijze van berekenen van de forenzenvergoeding in de CAO (omschreven in artikel 47 van de CAO) ongewijzigd gebleven, met dien verstande dat de vergoeding elk jaar enigszins is verhoogd. Met ingang van 1 juli 2014 is de in de CAO gehanteerde berekeningssystematiek iets gewijzigd, in die zin dat de vergoeding niet langer wordt berekend op basis van 'reizen afstand in zones', maar op basis van 'reisafstand in kilometers'. Daarbij is het volgende onderscheid in afstanden gemaakt: tot 5 kilometer, 5 tot 15 kilometer, 15 tot 25 kilometer, 25 tot 35 kilometer en 35 en meer kilometer. Ten aanzien van deze gewijzigde systematiek is in de CAO voor 2014/2015 bepaald dat werknemers die, als gevolg van de overgang van zones naar kilometers, per 1 juli 2014 een lagere vergoeding zouden ontvangen hun vergoeding behouden op basis van de voormalige zone-indeling. Voorts is vermeld dat verhuizingen en standplaatswijzigingen die na 1 juli 2014 plaatsvinden volgens de nieuwe systematiek worden berekend. De gewijzigde berekeningssystematiek is sowieso van toepassing op werknemers die na 1 juli 2014 in dienst treden bij Qbuzz.

2.8

Voor [eiser] gold als standplaats Drachten, op het adres De Bolder 2.

2.9

Tot 1 januari 2010 heeft [eiser] elke maand een forenzenvergoeding ontvangen op basis van 3 zones.

2.10

Per 1 januari 2010 heeft Qbuzz haar vestiging in Drachten verplaatst van

De Bolder 2 naar de Kelvinlaan 11a. Door deze wijziging is de afstand woon-/werkverkeer (woonplaats-standplaats) voor [eiser] met 5 kilometer (2,5 kilometer enkele reisafstand) toegenomen, waarvan krachtens bijlage 13 sub b één kilometer voor vergoeding in aanmerking komt. Voor deze extra kilometer heeft Qbuzz aan [eiser] vanaf

1 januari 2010 een VCSA-vergoeding ex artikel 6 van de CAO toegekend (voor 2010: € 0,36 per gereisde kilometer) tot het einde van zijn dienstverband bij Qbuzz.

2.11

In zijn brief van 12 januari 2016 aan [A.] (hierna verder te noemen:

[A.] ), personeelsadviseur van Qbuzz, heeft [eiser] het volgende, voor zover van belang, aangegeven:

"Uit mijn salarisoverzichten blijkt dat de door mij te ontvangen forenzenvergoeding vanaf 1 januari 2010 werd vergoed als zijnde drie zones. Echter door de verhuizing van Qbuzz bedrijfspand Javo naar

de A7 (de kantonrechter begrijpt: de verhuizing van De Bolder 2 naar de Kelvinlaan 11a) is er een zone bijgekomen, waardoor het totaal op vier zones komt. Er had dus een hogere forenzenvergoeding moeten plaatsvinden vanaf 1 januari 2010. Dit is tot mijn teleurstelling niet gebeurd. Omdat de vergoeding bij 4 zones meer dan twee keer zo hoog is, verwacht ik de te weinig ontvangen vergoeding met terugwerkende kracht vanaf

1 januari 2010 tot heden van Qbuzz terug te ontvangen. Eveneens behoort de juiste forenzenvergoeding per direct te worden gewijzigd in mijn salarisverwerking als 'reizen afstand in zones' (4 zones) en dus niet als 'reisafstand in kilometers', daar de vergoeding in zones hoger is dan wanneer er in kilometers wordt gerekend."

2.12

Naar aanleiding van deze brief heeft Qbuzz, bij monde van [A.] , [eiser] bij brief van 19 februari 2016 het volgende, voor zover van belang, laten weten:

"In uw situatie is een herberekening gemaakt, omdat de toepassing van de zones/kilometers destijds niet correct is vastgesteld. Deze herberekening strekt zich uit vanaf de periode van de start van de concessie Zuidoost Fryslân tot en met deze maand. Bovenstaande betekent dat aan u met het salaris van februari 2016 een bedrag van

€ 706,66 netto wordt overgemaakt. Uw huidige forenzen vergoeding ad € 30,07 blijft ongewijzigd daar u recht had op een op een VCSA vergoeding (bijlage 13 CAO). Voor u betekent dit dat u per werkdag recht heeft op een kilometer vergoeding van 1,0 kilometer per werkdag en bij een gebroken dienst 6 kilometer per werkdag. Deze regeling geldt tot einde dienstverband. (….). Bovenstaande terugbetaling is gebaseerd op uw diensten t/m

15 februari 2016."

2.13

In reactie hierop heeft [eiser] [A.] bij brief van 21 februari 2016 het volgende laten weten, voor zover van belang:

"Omdat het voor mij niet inzichtelijk is hoe u de herberekening hebt gedaan, en ik mijn twijfels heb over de wijze van herberekenen, verzoek ik u mij een volledige uitwerking te doen toekomen. Alleen zo zal het voor mij duidelijk worden hoe u op een bedrag van € 706,66 netto bent gekomen."

2.14

Naar aanleiding van dit verzoek heeft [A.] [eiser] op 22 februari 2016 het volgende meegedeeld, voor zover van belang:

"(….). Ik stuur je de opgave vanuit Drachten met betrekking gewerkte diensten en gebroken diensten vanaf

1-1-2010. Aan de hand daarvan heeft de berekening plaatsgevonden. Toekenning van 1 kilometer per werkdag en per gebroken dienst uitbetaling van 6 kilometer. De bedragen waren in 2010 36 ct., 2011 36 ct, 2012 37 ct. 20113 38 ct, 2014/2015/2016 39 ct. Je hebt aan VCSA bedrag ontvangen 119,08 over deze periode, dat had 825,74 moeten zijn dus een nabetaling van 706,66."

In de als bijlage meegezonden "Herberekening forenzenvergoeding inclusief VCSA (12-2016)" (bijlage 8 inleidende dagvaarding) is wat betreft de toegenomen reisafstand van [eiser] het volgende aangegeven, voor zover van belang:

in de tabel: "Het verschil is 2,5 km per rit MEER vanaf het moment van de standplaats-wijziging"

onder 'Opmerking': "Per rit is de afstand 2,5 km meer (….)"

Onder 'Opmerking' is verder aangegeven:

"De forenzenvergoeding blijft dus in cat. 1 omdat deze de oorspronkelijke afstand woon/werk al vergoedt.

In werkelijkheid is vanaf 1-1-2010 alleen vergoeding toegepast voor een gebroken dienst à 2 km per werkdag. Dit aantal kilometers klopt niet. Ook is de vergoeding voor een aaneengesloten dienst niet toegepast."

2.15

Overeenkomstig haar toezegging van 19 februari 2016 heeft Qbuzz een bedrag van € 706,66 netto betaald aan [eiser] , tegelijk met het salaris over februari 2016.

Het standpunt van [eiser]

3.1

vordert dat Qbuzz bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van:

  1. een bedrag van € 2.646,19 netto terzake forenzenvergoeding en VSCA-vergoeding over de periode van 1 januari 2010 tot en met februari 2016;

  2. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het onder a. genoemde bedrag;

  3. een bedrag van € 67,42 netto per maand terzake forenzenvergoeding, ingaande

1 maart 2016, waarop in mindering kan worden gebracht het maandelijks reeds uitbetaalde bedrag aan forenzenvergoeding;

een bedrag van € 398,60 terzake buitengerechtelijke incassokosten;

de wettelijke rente over de onder a. tot en met d. genoemde bedragen, telkens vanaf de datum dat deze verschuldigd zijn;

en wordt veroordeeld:

tot afgifte van correcte salarisspecificaties vanaf 1 januari 2010 binnen twee weken na dagtekening van het te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 50,00 die wordt verbeurd voor iedere dag dat Qbuzz na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

met veroordeling van Qbuzz in de proceskosten.

3.2

Ter onderbouwing van de vordering heeft [eiser] -samengevat weergegeven- het volgende aangevoerd. Door de verplaatsing per 1 januari 2010 van de vestiging van Qbuzz van De Bolder 2 naar de Kelvinlaan 11a te Drachten is de reisafstand (afstand woon-werkverkeer) voor [eiser] met 5 kilometer (enkele reis: 2,5 kilometer) toegenomen. Dit komt wat betreft de (berekening van de) forenzenvergoeding neer op een toename van zones, van 3 naar 4 zones. Per 1 januari 2010 had Qbuzz dus een forenzenvergoeding ex artikel 47 van de CAO op basis van 4 zones moeten toekennen en voldoen aan [eiser] . Qbuzz heeft dit echter nagelaten. Qbuzz heeft in verband met de bedrijfsverplaatsing alleen maar een VCSA-vergoeding ex artikel 6 CAO toegekend, een vergoeding voor elke, per dag gereisde kilometer, die uitstijgt boven 4 kilometer per dag (Bijlage 13, onder b). Vanwege de bedrijfsverplaatsing bestaat echter recht op beide vergoedingen, een verhoogde forenzenvergoeding én een VCSA-vergoeding. De VCSA-vergoeding ex artikel 6 is namelijk geen reiskostenvergoeding als bedoeld in artikel 47 lid 5. Deze bepaling staat er niet aan in de weg dat vanwege de bedrijfsverplaatsing niet alleen een VCSA-vergoeding wordt toegekend, maar dat tevens de forenzenvergoeding wegens een toename van zones wordt verhoogd. Artikel 47 lid 5 verbiedt deze cumulatie dus niet.

3.3

Subsidiair heeft [eiser] , het volgende aangevoerd. Voor het geval de

VCSA-vergoeding wél als een reiskostenvergoeding als bedoeld in artikel 47 lid 5 van de CAO moet worden beschouwd, is het de vraag welke vergoeding dan prevaleert, de forenzenvergoeding ex artikel 47 van de CAO of de VCSA-vergoeding ex artikel 6 van de CAO. De VSCA-vergoeding is voor Qbuzz de goedkoopste oplossing. Deze vergoeding valt in de praktijk namelijk vaak lager uit dan de forenzenvergoeding. De meeste werknemers van Qbuzz, waaronder [eiser] , zijn vanwege de bedrijfsverplaatsing het meest gebaat bij een naar aanleiding van deze verplaatsing hogere forenzenvergoeding, in plaats van een (al dan niet tijdelijke) VCSA-vergoeding. Het gaat dan om werknemers die door de verplaatsing meer zones aan reisafstand moeten afleggen en die daardoor in een hogere schaal zouden komen op basis van de tabel van artikel 47. Ten aanzien van deze werknemers, waaronder [eiser] , moet de meest gunstige regeling worden toegepast op het hele woon-werktraject, hetgeen in het geval van [eiser] (en diverse andere werknemers) dan uitkomt op een hogere forenzenvergoeding. De door Qbuzz voorgestane uitleg van de CAO, te weten dat bij een bedrijfsverplaatsing voor wat betreft de in aanmerking te nemen extra reisafstand alleen een VCSA-vergoeding wordt toegekend, werkt bovendien een ongelijke behandeling van werknemers van Qbuzz in de hand. Werknemers die op een later moment, na een bedrijfsverplaatsing, in dienst komen van Qbuzz en om die reden dus geen

VCSA-vergoeding (kunnen) krijgen, krijgen wél een forenzenvergoeding op basis van de volledige afstand woon-werkverkeer, terwijl werknemers die vóór de verplaatsing in dienst waren en die om die reden een VCSA-vergoeding krijgen, alleen de forenvergoeding krijgen uitbetaald voor het traject woon-werkverkeer dat niet het gevolg is van de bedrijfsverplaatsing. Dit leidt er toe dat twee werknemers die dezelfde afstand reizen naar hun werk, bijvoorbeeld omdat zij naast elkaar wonen, daar verschillende bedragen voor krijgen. Dat verschil kan flink oplopen. In dit verband is ook van belang dat de forenzenvergoeding, anders dan de VCSA-vergoeding, tijdens vakantie en ziekte wordt doorbetaald, terwijl een VCSA-vergoeding uitgaat van feitelijk gewerkte dagen.

Het standpunt van Qbuzz

3.4

Ten verwere tegen de vordering heeft Qbuzz -samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd. De VCSA-vergoeding is, gelet op de bewoordingen in de bij artikel 6 van de CAO behorende bijlage 13, onder a, net als de forenzenvergoeding een reiskostenvergoeding als bedoeld in artikel 47 lid 5 van de CAO. Op basis van deze bepaling is cumulatie niet toegestaan. Indien extra reiskosten, als gevolg van een bedrijfsverplaatsing, worden vergoed via een VCSA-vergoeding dan kunnen die reiskosten niet ook nog eens worden vergoed via een forenzenvergoeding. Dit zou feitelijk gezien neerkomen op een dubbele vergoeding, een "extraatje". Dit hebben de bij de totstandkoming van de CAO betrokken partijen vanzelfsprekend niet voor ogen gehad. Wellicht zijn sommige werknemers, zoals kennelijk [eiser] , bij een bedrijfsverplaatsing meer gebaat bij alleen een verhoging van de forenzenvergoeding, in plaats van een VCSA-vergoeding naast de bestaande, niet verhoogde forenzenvergoeding. Qbuzz wil echter onverkort en consistent de CAO toepassen en dat brengt mee dat de VCSA-vergoeding boven een (hogere) forenzenvergoeding gaat. Het in individuele gevallen afwijken van de CAO tast deze consistentie aan. Toepassing van de CAO ten aanzien van de VCSA-vergoeding kan natuurlijk wel tot verschillende uitkomsten leiden. Dit heeft te maken met de omstandigheden van elk, individueel geval, zoals de duur van het dienstverband met de betrokken werknemer. Ook moet bedacht worden dat een vergroting van de reisafstand en een daarmee gepaard gaande verhoging van het aantal zones niet per definitie tot gevolg heeft dat de werknemer recht heeft op een hogere forenzenvergoeding.

Uit het schema bij artikel 47 van de CAO volgt bijvoorbeeld dat bij een wijziging van 2 naar 3 zones, of van 6 naar 7, de vergoeding gelijk blijft. De overgang van 3 naar 4 zones, of van 7 naar 8 zones, leidt wel tot een verhoging. Het is dus heel erg van de individuele omstandigheden afhankelijk of een werknemer baat heeft bij een forenzenvergoeding in plaats van een VCSA-vergoeding voor de extra reisafstand bij een verplaatsing.

De beoordeling van het geschil
4.1 Zoals uit de standpunten van partijen genoegzaam blijkt, verschillen zij van mening over de interpretatie van de anticumulatiebepaling van artikel 47 lid 5 van de CAO en, in het verlengde hiervan over de interpretatie van artikel 6 lid 2 sub b van de CAO, in samenhang bezien met bijlage 13 van de CAO. Dienaangaande overweegt de kantonrechter als volgt.

4.2

Bij de beoordeling stelt de kantonrechter het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak (recentelijk HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687) geldt voor de uitleg van een bepaling van een CAO de zogeheten CAO-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een CAO een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de CAO, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de CAO tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9889). Ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de CAO worden betrokken (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2376). Indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend (HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4366). Ook de uitleg van een sociaal plan dat niet als een CAO kan worden aangemerkt, moet geschieden aan de hand van de CAO-norm (HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5961).

4.3

De hiervoor in 4.2 vermelde rechtspraak waarin de CAO-norm is ontwikkeld en toegepast, ziet op gevallen waarin de door de rechter uit te leggen bepaling van de overeenkomst mede de rechtspositie van derden beïnvloedt. Onder zodanige derden zijn te verstaan partijen - in het geval van een CAO: individuele werknemers en werkgevers - die niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst en dus geen invloed hebben kunnen uitoefenen op de inhoud of de formulering van de daarin opgenomen bepalingen, en voor wie de bedoelingen van de wel bij die totstandkoming betrokken partijen slechts kenbaar zijn uit de in die overeenkomst opgenomen bepalingen of bijbehorende schriftelijke toelichting. Blijkens deze rechtspraak strekt de CAO-norm in de eerste plaats ertoe te voorkomen dat die niet kenbare partijbedoeling wordt tegengeworpen aan zodanige derden. Voorts is in de hiervoor in 4.2 vermelde uitspraak van 26 mei 2000 beklemtoond dat niet kan worden aanvaard dat een bepaling van een CAO op verschillende wijzen zou moeten worden uitgelegd al naar gelang de personen die bij een geschil daaromtrent als procespartijen in het geding zijn betrokken. Hieruit volgt dat de CAO-norm tevens ertoe strekt te verzekeren dat een CAO voor alle onder de werkingssfeer daarvan vallende partijen op dezelfde wijze wordt uitgelegd.

Uit een en ander volgt dat de bestaansgrond van de CAO-norm is gelegen in de bescherming van derden tegen een uitleg van een bepaling in een overeenkomst waarbij betekenis wordt toegekend aan de voor hen niet kenbare partijbedoeling, en in de noodzaak van een eenvormige uitleg voor alle door die overeenkomst gebonden partijen.

4.4

Niet in geschil is dat de forenzenvergoeding een reiskostenvergoeding betreft, in de zin dat het een tegemoetkoming is in de kosten van woon/werk-verkeer. Evenmin is in geschil dat, op grond van het bepaalde in artikel 47 lid 5 van de CAO, een werknemer, die (reeds) een forenzenvergoeding geniet, terzake extra reisafstand, als gevolg van een bedrijfsverplaatsing, geen aanspraak maakt op een (verhoging van de reeds toegekende) forenzenvergoeding én tegelijk terzake deze extra reistijd op "enige andere reiskostenvergoeding". Partijen verschillen evenwel primair van mening over de vraag of de VCSA-vergoeding ex artikel 6 van de CAO een reiskostenvergoeding in de zin van artikel

47 lid 5 CAO betreft. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Alhoewel, zoals namens [eiser] terecht is opgemerkt, in artikel 6 noch in bijlage 13 het woord "reiskostenvergoeding" voorkomt, komen in bijlage 13, waar artikel 6 lid 2 onder b van de CAO naar verwijst, wel de volgende passages voor (waarbij de kantonrechter sommige woorden/teksten heeft gecursiveerd):

- "(….) voor de werknemer de afstand van het woon-/werkverkeer (….) wordt vergroot";

- " De vergoeding bedraagt (….) voor elke kilometer die per werkdag meer dan vier kilometer extra gereisd moet worden";

- " Als de wijziging van de woonplaats van de werknemer tot gevolg heeft dat de afstand tussen de nieuwe woonplaats en de laatst vastgestelde standplaats wordt vergroot, is het risico van de daardoor veroorzaakte extra reiskosten voor rekening van de werknemer".

Gelet op deze bewoordingen kan er naar het oordeel van de kantonrechter geen misverstand over bestaan dat de VCSA-vergoeding een 'reiskostenvergoeding' als bedoeld in artikel

47 lid 5 van de CAO betreft. Dit brengt mee dat een werknemer, die (reeds) een forenzenvergoeding geniet, zoals [eiser] , terzake extra reisafstand, als gevolg van een bedrijfsverplaatsing, op grond van artikel 47 lid 5 van de CAO, geen aanspraak kan maken op zowel een (verhoging van de) forenzenvergoeding, als op een, in verband met deze (zelfde) extra reisafstand toegekende, VCSA-vergoeding. Aldus dient het primaire standpunt van [eiser] , inhoudende dat hij voor de extra reisafstand die het gevolg is van de bedrijfsverplaatsing, zowel aanspraak heeft op een forenzenvergoeding over 4 in plaats van 3 zones als op een VCSA-vergoeding, te worden verworpen.

4.5

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is welke vergoeding, in het licht van de anticumulatiebepaling van artikel 47 lid 5 CAO, dan voorrang heeft. Namens Qbuzz is uiteengezet (zie r.o. 3.4) dat de VCSA-vergoeding voorrang heeft, alsmede dat zij er belang bij heeft om de CAO strikt en consistent toe te passen. [eiser] heeft (subsidiair) betoogd (zie r.o. 3.3) dat de uitleg van Qbuzz, inhoudende dat de VCSA-vergoeding voorrang heeft boven een (hogere) forenzenvergoeding, leidt tot een ongelijke behandeling van werknemers van Qbuzz, waaronder ook hijzelf. In het licht van de hiervoor genoemde uitspraken van de Hoge Raad, verstaat de kantonrechter het betoog van [eiser] aldus dat bij de uitleg van artikel 47 lid 5 van de CAO mede acht geslagen moet worden op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de door Qbuzz voorgestane uitleg van de CAO zou leiden. Volgens [eiser] leidt de door Qbuzz gebezigde uitleg van artikel 47 lid 5 van de CAO tot onaannemelijke rechtsgevolgen voor werknemers van Qbuzz, waaronder voor hemzelf.

Dit is volgens [eiser] te ondervangen door de werknemers een keuzemogelijkheid te bieden om voor de ene of de andere vergoeding onder de CAO te opteren, dan wel door de voor de werknemer meest gunstige optie te kiezen. De kantonrechter deelt dit standpunt. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.

4.6

Alhoewel uit artikel 47 lid 5 CAO volgt dat van cumulatie van reiskostenvergoedingen geen sprake kan zijn, volgt uit de (letterlijke) tekst van het artikel niet een duidelijke voorrang van de ene vergoeding boven de andere. Ook in bijlage 13 wordt niet vermeld hoe de aanspraak op de aldaar vermelde vergoeding zich verhoudt tot eventuele andere aanspraken op (reiskosten)vergoedingen. De CAO is dus niet duidelijk over het punt dat partijen verdeeld houdt. Wel geldt dat bij de uitleg van Qbuzz (inhoudende dat de

VCSA-vergoeding voorrang heeft boven de forenzenvergoeding) er in individuele gevallen sprake kan zijn van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, in de zin dat sprake kan zijn van twee werknemers die dezelfde reisafstand afleggen (bijvoorbeeld omdat zij elkaars buren zijn) van woon naar werk, en die daarvoor verschillende vergoedingen ontvangen, waarbij het dan ook nog zo kan zijn dat de langer in dienst zijnde werknemer een lagere vergoeding krijgt dan de werknemer die na hem/haar (en na de standplaatswijziging) in dienst is getreden. Dit leidt naar het oordeel van de kantonrechter tot een voor werknemers onbegrijpelijk verschil van behandeling van op zich 'gelijke gevallen'. In de door [eiser] voorgestane uitleg van de CAO, inhoudende dat bij een 'botsing' van aanspraken op vergoedingen, de voor de werknemer meest gunstige optie wordt gekozen, is van een zodanige ongelijkheid geen sprake. Voorts weegt de kantonrechter mee dat de CAO ter zake van de wijziging van de forenzenvergoeding van een reisafstand in zones naar een reisafstand in kilometers een regeling kent waarbij de werknemers die door de wijziging erop achteruit zouden gaan, de oude, hogere, vergoeding behouden. In dat geval wordt dus expliciet gekozen voor de voor de werknemer meest gunstige regeling. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit het geheel van de CAO in onderling verband gezien, tezamen met het feit dat de door Qbuzz voorgestane uitleg van artikel 47 lid 5 CAO leidt tot een arbitrair onderscheid in de feitelijk door een werknemer te ontvangen vergoeding, dat de anticumulatiebepaling van artikel 47 lid 5 CAO aldus moet worden gelezen dat in geval van cumulatie van de forenzenvergoeding met de VCSA-vergoeding, de voor de werknemer meest gunstige optie voorrang geniet, omdat een andere uitleg van die bepaling tot onaannemelijke rechtsgevolgen leidt.

4.7

Gelet op de hiervoor gegeven uitleg aan artikel 47 lid 5 van de CAO, heeft de kantonrechter behoefte aan verduidelijking over de vraag of en zo ja, tot welk bedrag [eiser] jegens Qbuzz (nog) aanspraak maakt op een reiskostenvergoeding (forenzenvergoeding en/of VCSA-vergoeding). [eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld om zich hier over uit te laten en zijn vorderingen desgewenst aan bovenvermelde uitleg van artikel 47 lid 5 van de CAO aan te passen. De kantonrechter zal de zaak daarom verwijzen naar de rolzitting van

17 januari 2017 voor akte uitlating aan de zijde van [eiser] , waarna Qbuzz in de gelegenheid zal worden gesteld om daar bij antwoord-akte op te reageren.

4.8

In afwachting van de aktewisseling houdt de kantonrechter iedere verdere beslissing aan.

Beslissing

De kantonrechter:

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 17 januari 2017 voor akte uitlating aan de zijde van [eiser] inzake hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 4.7;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 december 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

c467