Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5550

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
18-156457-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proces-verbaal
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Beroep op noodweerexces wordt gehonoreerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300, geldigheid: 2006-02-01
Wetboek van Strafrecht 63, geldigheid: 2008-02-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/156457-16

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 96/273903-14

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in bovengenoemde rechtbank op 28 oktober 2016.

Tegenwoordig:

mr. L.W. Janssen, politierechter, en

E.H. Doldersum, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. M.H. Meijer.

De politierechter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. L.R. Rommy, advocaat te Amsterdam.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 96/273903-14 wordt gelijktijdig behandeld.

De politierechter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De officier van justitie draagt de zaak voor, alsmede zijn vordering na voorwaardelijke veroordeling en de vordering van de benadeelde partij.

De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek, het uittreksel uit de justitiële documentatie, het door de politierechter op 12 maart 2015 tegen verdachte gewezen vonnis en de mededeling voorwaardelijke veroordeling alsmede de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

ten aanzien van het feit:

A. Ik heb op 9 juli 2016 te [pleegplaats] [slachtoffer] geslagen, waardoor hij ten val is gekomen. Vervolgens heb ik hem nog een keer geslagen.

B. Laat ik beginnen met voorop te stellen dat er een eerder incident heeft gevonden, waarbij ik in de kroeg van [slachtoffer] was en mijn wisselgeld niet terug heb gekregen. Hij meende dat ik dat wisselgeld al had gehad en gaf mij een klap. Ik ben toen weggegaan. Dit was twee tot drie maanden voor dit incident. Ik heb er geen aangifte van gedaan, maar achteraf had ik dat wel moeten doen. Het ging niet eens om veel geld, maar het gaat om het principe. Op 9 juli 2016 liep ik langs dezelfde kroeg. [slachtoffer] schold mij uit voor "schijterd". Ik was het daar niet mee eens, omdat ik ten eerste geen wisselgeld had gekregen en ten tweede een klap van hem had gekregen. De deuren van de kroeg stonden open. Hij kon mij zien toen ik langsliep. Hij wilde mij meteen weer aanvallen. De reden daarvan weet ik niet. Misschien is hij agressief aangelegd. Ik was zelf erg verbaasd en heb mezelf vervolgens verdedigd. Ik heb hem één klap gegeven. Hij is toen gevallen. Ik was zo boos dat ik hem nog een klap heb gegeven toen hij op de grond lag. In totaal heb ik dus twee keer geslagen. U houdt mij voor dat [slachtoffer] gewond is aan zijn elleboog. Dat moet het gevolg zijn geweest van de valpartij. Ik draag geen sieraden dus het kan niet zo zijn dat het letsel het gevolg is geweest van een scherp voorwerp. U houdt mij de getuigenverklaring van [getuige] voor, waarin hij zegt dat ik zou zijn begonnen over het eerdere incident van het wisselgeld en daarna meteen zou hebben geslagen. Dat is absoluut niet waar. [slachtoffer] heeft mij aangesproken met "schijterd" en is vervolgens op mij afgekomen. Hij viel mij aan. Achteraf had ik gewoon weg moeten lopen, maar die keer daarvoor heeft hij mij mijn wisselgeld niet teruggegeven en heb ik ook al een klap gekregen. U vraagt mij waarom getuige [getuige] anders zou verklaren. Het klopt wat ik zeg, dus deze man liegt. Ik ken hem niet persoonlijk, maar ik denk dat het een vriend van [slachtoffer] is. U houdt het proces-verbaal van bevindingen voor waarin de camerabeelden worden omschreven. U zegt mij dat [slachtoffer] een slaande beweging maakt met zijn rechterarm, waarop ik ook een slaande beweging met mijn rechterarm maak. U zegt mij dat [slachtoffer] vervolgens op de grond valt en naar buiten kruipt en te zien is dat ik meerdere malen slaande bewegingen maak met mijn arm richting [slachtoffer] . Ik denk dat dit wel klopt. U deelt mij mede dat het inderdaad lijkt alsof [slachtoffer] de eerste slag heeft gegeven en vraagt mij of het noodzakelijk was om mijzelf te verdedigen of dat er een mogelijkheid was om weg te lopen. Achteraf had ik weg moeten lopen. Omdat hij mij bij het eerdere incident al had geslagen, had ik mezelf niet onder controle. Ik heb uit emotie zo gehandeld. Ik heb er achteraf wel spijt van. Ik ga nu nooit meer naar die kroeg toe. Ik ging er toen ook niet naartoe maar ik liep er alleen langs. Dat was niet met een bepaald idee of vooropgezet plan. Het lag gewoon op de route. Ik kom er niet meer.

ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden:

Ik heb momenteel een goede baan. Ik ben adviseur en zit in de energie en telecom. Ik ben werkzaam in de sales en heb meerdere businesspartners, dat zijn verschillende energieleveranciers. Ik sta goed in de maatschappij. Eerst woonde ik in [plaats 1] . Nu ben ik bezig om iets in [plaats 2] te vinden. Ik woon op mijzelf. Ik heb ongeveer € 3.000,- aan schulden, maar dat kan ik wel aflossen. U houdt mij voor dat de eerdere contacten met justitie vooral zien op alcohol in het verkeer en dat ik recent veroordeeld ben voor een vernieling. U vraagt mij of ik geen hulp nodig heb voor mijn agressieproblemen. Op dit moment weet ik dat ik mezelf kan beheersen en dat ik weg zou lopen. Ik focus me op mijn werk. Mijn werkgever zit hier in de zaal en kan dat bevestigen.

De politierechter geeft, nadat verdachte zijn verklaring heeft afgelegd, aan de officier van justitie en de raadsman de gelegenheid tot het stellen van vragen aan verdachte.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

De officier van justitie vraagt naar mijn drankgebruik op 9 juli 2016. Ik denk dat het vier of vijf biertjes waren. Voorts vraagt de officier van justitie of ik mijn rijbewijs nodig heb voor mijn werk. Ja, ik bezoek regelmatig klanten. Dit maakt een wezenlijk deel uit van mijn werkzaamheden. Ik heb mijn rijbewijs wel nodig. Ik zou eventueel telefonische verkoop kunnen doen.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

ten aanzien van de vordering benadeelde partij:

U houdt mij voor dat [slachtoffer] een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend van een totaalbedrag van € 1.985,79. Mijn advocaat zal hier nader op ingaan.

De officier van justitie voert het woord en vordert veroordeling van verdachte ter zake het ten laste gelegde tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van drie jaren. Voorts vordert de officier van justitie dat de vordering benadeelde partij deels wordt toegewezen voor een bedrag van € 20,16 en dat het overige deel niet-ontvankelijk wordt verklaard. Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling vordert de officier van justitie dat deze afgewezen wordt.

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig de inhoud van een door hem overgelegde pleitnota en voert ter aanvulling -zakelijk weergegeven- onder meer aan:

Ten aanzien van de strafmaat zegt de officier van justitie terecht dat sprake is van een atypische zaak. Dat kan niet los gezien worden van deze zaak. Ik verzoek u bij een bewezenverklaring daar rekening mee te houden. De eis van de officier van justitie is redelijk voor wat betreft de taakstraf. De vraag is echter of een voorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk is, nu verdachte zegt dat het goed met hem gaat en heeft beloofd dat het de laatste keer is dat hij hier zit.

Met betrekking tot de vordering benadeelde partij sluit ik aan op hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd. Het materiële gedeelte is niet helder onderbouwd. Ten aanzien van het immateriële gedeelte wordt een uitspraak aangevoerd waarbij sprake is van steken. Dat is hier niet het geval. Er is voorts geen rekening gehouden met de mate van eigen schuld. Mijns inziens levert het een onevenredige belasting van het strafproces op.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling voer ik aan dat het een heel ander feit betreft. De aard van de maatregel verschilt ook wezenlijk. Voorts heeft verdachte zijn rijbewijs nodig voor zijn werk. Het zou vervelend zijn als hij zijn rijbewijs kwijt zou raken. Ik verzoek u dan ook om de vordering af te wijzen.

De officier van justitie repliceert; de raadsman dupliceert.

Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De politierechter sluit het onderzoek en wijst onmiddellijk mondeling vonnis.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

De politierechter overweegt in het bijzonder, zakelijk weergegeven:

Er is voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich op 9 juli 2016 te [pleegplaats] zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] Dat geldt voor meerdere slagen die er zijn gegeven waardoor [slachtoffer] is gevallen en ten gevolge waarvan hij letsel heeft opgelopen. Dit wordt evenmin betwist door verdachte. De raadsman stelt dat sprake is van een noodweersituatie, nu in het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden omschreven staat dat [slachtoffer] op verdachte is afgekomen en de eerste was die een klap heeft uitgedeeld. Als ik de beschrijving van de beelden lees, dan is er in eerste instantie sprake van een noodweersituatie. De tenlastelegging is echter niet zo uitgesplitst dat er twee incidenten zijn, waardoor ik het geheel moet beoordelen. Ten aanzien van het eerste incident is de slag in het kader van noodweer geweest. De vraag is echter of het noodzakelijk was om door te slaan. De officier van justitie is van mening dat dit niet het geval was. Ik ben eveneens van oordeel dat bij die tweede klap geen sprake meer was van noodweer. De ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gericht tegen het lijf was op dat moment immers al beëindigd, waardoor verdediging niet noodzakelijk was. Het verweer van de raadsman moet derhalve worden verworpen.

De politierechter bezigt tot bewijs ten aanzien van het feit de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen, in wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting, voor zover hiervoor weergegeven onder A.

2. Een proces-verbaal van politie, nummer 2016196919-1, d.d. 9 juli 2016, opgenomen op pagina 22 e.v. van het zaaksdossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer]:

Op zaterdag 9 juli 2016, was ik werkzaam in [naam café] . Ik zag dat de voor mij bekende [verdachte] voor de ingang van het café stond. Toen ik een stap naar buiten deed voelde ik dat ik een harde klap op mijn hoofd kreeg. Ik ben door de klap ‘knock out’ gegaan en ben hierdoor op de grond gevallen. Ik weet dat ik dit letsel niet had voordat ik 'knock out' ging. Ik voelde ook een pijn op het moment dat ik werd geslagen en op het moment dat ik weer

bij kennis kwam. Ik ben met kracht geraakt, want ik ben echt even uit de tijd geweest.

3. Een proces-verbaal van politie, nummer 2016196919-2, d.d. 9 juli 2016, opgenomen op pagina 16 e.v. van het zaaksdossier, inhoudende de verklaring van [getuige] :

Toen [slachtoffer] buiten stond, zag ik dat hij direct meerdere klappen van de jongen kreeg. Ik zag dat [slachtoffer] door de klappen achter over op de grond viel.

De politierechter overweegt ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte in het bijzonder, zakelijk weergegeven:

Met betrekking tot de vraag of sprake is van noodweerexces, ga ik uit van de volgende gang van zaken, namelijk dat [slachtoffer] verdachte eerst heeft geslagen, verdachte vervolgens terug heeft geslagen, [slachtoffer] valt en verdachte daarna nogmaals slaat. Verdachte geeft ter terechtzitting aan dat hij uit emotie heeft doorgeslagen. Ten aanzien van het proportionaliteitsvereiste stel ik vast dat in beginsel dezelfde middelen gehanteerd zijn, te weten de vuisten. Op het moment dat [slachtoffer] op de grond lag was sprake van een situatie waarin geen sprake meer is van noodweer. De raadsman stelt dat verdachte in een hevige gemoedsbeweging de grenzen heeft overschreden en dat sprake was van een noodweerexces. Met het incident van het wisselgeld en de slag die verdachte van [slachtoffer] heeft gekregen, is er reeds eerder een onplezierige situatie jegens hem gecreëerd. Ik geef verdachte in het onderhavige geval het voordeel van de twijfel, omdat ik niet kan uitsluiten dat verdachte door de klap die door [slachtoffer] is gegeven nog zo boos is geweest dat hij heeft doorgeslagen. Het standpunt van de officier van justitie inhoudende dat geen sprake is van een noodweerssituatie, daar verdachte zich kon onttrekken aan de wederrechtelijke aanranding, verwerp ik derhalve. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat de mogelijkheid om zich aan de aanranding te kunnen dan wel te moeten onttrekken reëel en redelijk moet zijn. Hiervan kan niet gesproken worden als de positie van de verdachte zodanig was dat hij zich simpelweg niet meer kon onttrekken aan de aanranding. De onttrekking moet met andere woorden gevergd kunnen worden van iemand. Gelet op het eerdere incident en het feit dat [slachtoffer] de eerste klap heeft uitgedeeld, is dat hier niet aan de orde.

De politierechter geeft aan verdachte kennis dat hij binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt hem opmerkzaam op zijn recht om ter zitting afstand te doen van dat rechtsmiddel.

De aantekening mondeling vonnis is aan dit proces-verbaal gehecht en wordt geacht hiervan deel uit te maken.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de politierechter en de griffier.

aantekening mondeling vonnis

RECHTBANK Noord-Nederland

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18-156457-16; 96-273903-14 (tul)

Volgnummer: 8

Uitspraak van de politierechter, mr. L.W. Janssen, van vrijdag 28 oktober 2016, in de zaak tegen

verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres [woonadres]

Tegenspraak

KWALIFICATIE:

mishandeling

GEPLEEGD:

09 juli 2016

TOEGEPASTE ARTIKELEN:

63, 300 Wetboek van Strafrecht

BESLISSING:

Ontslag van alle rechtsvervolging (strb)

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Wijst af de vordering met parketnummer 96-273903-14 van de officier van justitie.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

De politierechter,

w.g. Janssen

RECHTBANK PLEITAANTEKENINGEN

te Leeuwarden mr. L.R. Rommy

19 december 2016 inzake:

Parketnummer: 18/156457-16 [verdachte]

Edelachtbare politierechter,

1. Cliënt wordt verdacht van een mishandeling. Duidelijk is dat er een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen cliënt en aangever. Op basis van de camerabeelden en de beschrijving daarvan kan ook worden vastgesteld dat cliënt als eerste werd aangevallen door aangever. In het navolgende zal de verdediging betogen dat sprake is geweest van noodweer (ten aanzien van de eerste klap) en noodweerexces (ten aanzien van de klappen daarna).

Aanleiding

2. Van belang is wat betreft de verdediging in de eerste plaats de aanleiding van het incident. Cliënt verklaart bij de politie dat hij drie weken voor het incident op 9 juli 2016 gedoe had met aangever in zijn kroeg. Cliënt had te weinig wisselgeld teruggekregen. Cliënt had hier een opmerking over gemaakt en als dank voor die opmerking is cliënt geslagen door aangever. Aangever zelf refereert ook aan dat moment in zijn aangifte.

3. Cliënt verklaart dat hij, op het moment dat hij drie weken later op 9 juli 2016 langs de zaak van aangever liep, werd uitgescholden door aangever. Dit opnieuw naar aanleiding van het akkefietje over wisselgeld. Wat er daarna is gebeurd, is te zien op de camerabeelden en te lezen in het dossier: aangever komt naar buiten en probeert cliënt te slaan, waarna cliënt zich verdedigt.

Noodweer

4. Ten aanzien van de feitelijke omstandigheden heeft cliënt bij de politie verklaard dat aangever hem probeerde te slaan, waarna hij zichzelf heeft verdedigd en aangever op de grond is gevallen. Ten aanzien van dit handelen stelt de verdediging zich op het standpunt dat sprake is van noodweer als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

5. Om te kunnen spreken van een noodweersituatie dient sprake te zijn van

a. Een aanranding, die

b. Ogenblikkelijk en

c. Wederrechtelijk is,

d. Gericht is tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij

e. Het doel van de verdediging noodzakelijk (subsidiariteit) - en

f. Het verdedigingsmiddel geboden (proportionaliteit) moet zijn

6. Zoals gezegd en ook te zien op de beelden is aangever op cliënt afgekomen en heeft hij cliënt een klap gegeven. Wat betreft de verdediging is daarbij sprake van een aanranding, die ogenblikkelijk en wederrechtelijk is en gericht is tegen het lijf van cliënt: een noodweersituatie. De bespreking van de onderdelen E en F van de opsomming zijn in casu het meeste van belang.

Subsidiariteit

7. In de eerste plaats is de vraag of het doel van de verdediging noodzakelijk was. Alvorens die vraag te beantwoorden dient gekeken te worden naar de vraag of het tot een dergelijk treffen überhaupt had moeten komen. De Hoge Raad heeft in een overzichtsarrest van 22 maart 2016 geoordeeld dat de mogelijkheid om zich aan de aanranding kunnen dan wel moeten onttrekken reëel en redelijk moet zijn.1 Dit is een nuancering van de regel dat van een noodzakelijke verdediging niet gesproken kan worden indien degene die zich verdedigt zich had kunnen en moeten onttrekken.2

8. De Hoge Raad merkt in zijn overzichtsarrest van 22 maart 2016 op dat van een reële en redelijke mogelijkheid bijvoorbeeld niet gesproken kan worden als de positie van de verdachte zodanig was dat hij zich simpelweg niet kon onttrekken aan de aanranding. In het verlengde daarvan oordeelt de Hoge Raad dat onttrekking voorts van iemand gevergd mag worden. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.3

9. In casu stond aangever tegenover cliënt en sloeg aangever cliënt. Op dat moment bestond voor cliënt de noodzaak zich te verdedigen. Zich onttrekken was voor cliënt op dat moment geen reële optie en kon evenmin van hem gevergd worden, nu de kans dat hij dan in de rug aangevallen zou worden door aangever, die immers al agressief was richting cliënt, groot aanwezig was.

10. Cliënt heeft een vuistslag uitgedeeld en daarmee als verdedigingsmiddel hetzelfde middel gebruikt als aangever. Het was derhalve geen riskanter middel dan strikt genomen vereist. Cliënt heeft vervolgens een klap uitgedeeld, waarna aangever is komen te vallen. Op de overige klappen komt de verdediging later nog terug, maar ten aanzien van die eerste klap kan wat betreft de verdediging gezegd worden dat die niet verder ging dan voor de verdediging benodigd.

11. Tot slot dient nog de vraag beantwoord te worden of cliënt zichzelf niet in deze situatie heeft gebracht, waarmee van een noodzakelijke verdediging ook niet gesproken zou kunnen worden. Over de wijze waarop de confrontatie heeft plaatsgevonden lopen de verklaringen uiteen, maar uitgaande van de verklaring van cliënt (en de verklaring van getuige [getuige] ) is er over een weer geroepen, waarna aangever naar de deur is gelopen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het je willens en wetens in een situatie brengen waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten val, op zich niet uitsluit dat ten aanzien van de bewezen verklaarde gedragingen in dat geval sprake is van een noodzakelijke verdediging.4 Van belang, zo merkt advocaat-generaal Knigge op in zijn conclusie, is dat in die zaak, waar het ging om een taxichauffeur, die op verzoek van een collega richting een wanbetaler ging, ten einde hem tot betaling over te laten gaan, de taxichauffeur in zijn recht stond.

12. In casu stond cliënt wat betreft de verdediging ook in zijn recht. Cliënt had een aantal weken eerder te weinig wisselgeld teruggekregen, wat op zichzelf al vervelend is. Toen hij hier wat van had gezegd kreeg hij als reactie daarop een klap van de aangever in zijn gezicht. Tegen die achtergrond is het logisch dat cliënt verhaal ging halen. Met andere woorden: ook cliënt stond volledig in zijn recht.

Proportionaliteit

13. De vraag of het handelen proportioneel was heeft overlap met de vraag of voldaan is aan het subsidiariteitsvereiste. Van belang om op te merken met betrekking tot de proportionaliteit is dat er een redelijke verhouding bestond tussen het verdedigingsmiddel en de ernst van de aanranding. Oftewel: vuisten zijn met vuisten beantwoord.

Conclusie

14. Concluderend stelt de verdediging zich op het standpunt dat ten aanzien van de eerste vuistslag sprake is van een noodweersituatie, zodat cliënt behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Noodweerexces

15. Zoals reeds opgemerkt is het niet bij de ene klap gebleven. Cliënt heeft zelf ten overstaan van de politie verklaard dat hij twee klappen heeft uitgedeeld. Op basis van de camerabeelden zou kunnen worden vastgesteld dat het meer (pogingen tot) klappen waren. Ten aanzien van deze klappen stelt de verdediging zich op het standpunt dat sprake was van een noodweerexces als gevolg van een hevige gemoedsbeweging.

16. De Memorie van Toelichting verwoordt het als volgt: “(…) Eigenlijke noodweer kan nooit verder reiken dan de grenzen der noodzakelijke verdediging. Maar wanneer de hevige gemoedsbeweging (angst, vrees of radeloosheid), door de wederregtelijke aanranding opgewekt, nog voortduurt nadat het onmiddellijk gevaar is geweken of termijn andere middelen te baat hadden kunnen worden genomen om dat af te wenden, sluit die gemoedsbeweging de strafbaarheid uit, al zijn door het gepleegde feit de grenzen der noodzakelijke verdediging overschreden (…)”

17. Van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging kan volgens de Hoge Raad onder meer sprake zijn indien op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodweersituatie weliswaar was beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.5 Er is aldus de eis van dubbele causaliteit: de overschrijding van de grenzen moet het onmiddellijke gevolg zijn van een hevige gemoedsbeweging; terwijl die hevige gemoedsbeweging op haar beurt weer het onmiddellijke gevolg moet zijn van die aanranding. Van belang is nog om op te merken dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet geheel uitgesloten is dat ook andere factoren hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging.6

18. Vaststaat dat, zoals al eerder opgemerkt, cliënt discussie heeft gehad over wisselgeld. Het is volstrekt logisch dat je om uitleg vraagt wanneer je te weinig wisselgeld terugkrijgt bij het betalen van een bestelling. Cliënt heeft het niet ruim en geld blijft wat dat betreft geld. Vervolgens is het onvoorstelbaar dat je als antwoord op je vraag een klap op je gezicht krijgt. Nog erger wordt het wanneer je opnieuw op je gezicht geslagen wordt als je enkele weken later opnieuw om uitleg komt vragen. En dat de familie [slachtoffer] de strijdbijl nog niet begraven heeft blijkt wel uit het feit dat cliënt ook na dit incident is aangevallen (door de zoon van aangever).

19. De verdediging heeft uiteen gezet dat wat betreft haar sprake is van een noodweersituatie. Die noodweersituatie, het opnieuw met geweld tegemoet treden van cliënt, nadat hij vragen stelde over wisselgeld heeft cliënt vervolgens zo ontzettend boos gemaakt, dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging. De (pogingen tot) klappen die cliënt heeft uitgedeeld nadat aangever op de grond was gevallen, zijn het directe gevolg van die woede, van die hevige gemoedsbeweging.

20. De Hoge Raad merkt terecht op dat er ook een grens zit aan de disproportionaliteit van de verdedigingshandeling.7 Bij beantwoording van die vraag komt betekenis toe aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden als mede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Met betrekking tot deze grens merkt de verdediging op dat het letsel dat bij aangever aan zijn arm is ontstaan het gevolg is van zijn val. Verder heeft aangever blijkens de letselverklaring een tweetal bloeduitstortingen, die het gevolg zouden kunnen zijn van het handelen van cliënt.

Conclusie

21. Concluderend merkt de verdediging ten aanzien van de (pogingen tot) klappen die zijn uitgedeeld nadat aangever op de grond was gevallen het gevolg zijn van een hevige gemoedsbeweging die was ontstaan mede door de wederrechtelijke aanranding van aangever op dat moment en daarnaast de wederrechtelijke aanranding van aangever op een eerder moment. Wat betreft de verdediging valt de mate van disproportionaliteit daarbij te overzien in relatie tot de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging bij cliënt. Hij was verschrikkelijk boos. De verdediging stelt zich derhalve op het standpunt dat sprake was van noodweerexces en verzoekt u cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Ik verzoek de griffier mijn pleitaantekeningen aan het proces-verbaal van de zitting te hechten, opdat zij hier deel van uitmaakt.

Amsterdam, 19 december 2016

mr. L.R. Rommy

1 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.

2 HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:106.

3 HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7944.

4 HR 28 maart 2006, NJ 2006/509.

5 HR 27 mei 2008, NJ 2008/510.

6 HR 27 mei 2008, NJ 2008/510.

7 HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1234.