Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5473

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
4403466 CV EXPL 15-11044
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Uitleg commerciële overeenkomst. Huur tankstation locatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 4403466 CV EXPL 15-11044

Vonnis van de kantonrechter van 2 maart 2016

inzake

1. [eiser sub 1], wonende te [plaats] ,

2. [eiser sub 2], wonende te [plaats] ,

3. [eiseres sub 3], wonende te [plaats] ,

eisers, hierna afzonderlijk [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [eiseres sub 3] en gezamenlijk [eisers] te noemen,

gemachtigde mr. D.J.A. van den Berg, advocaat te ’s-Gravenhage (postbus 30457, 2500 GL),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TinQ Nederland B.V., statutair gevestigd te Harderwijk, kantoorhoudende te 3846 AN Harderwijk, Ampèrestraat 5,

gedaagde, hierna TinQ Nederland te noemen,

gemachtigde mr. B. Martens, advocaat te ’s-Hertogenbosch (postbus 1714, 5200 BT).

PROCESGANG

[eisers] hebben op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

te verklaren voor recht dat TinQ Nederland de door de gemeente Groningen aan hen in rekening gebrachte vergoeding voor het gebruik van de grond van de locatie Helperzoom aan [eisers] dient te vergoeden op grond van artikel 3.1. van de huurovereenkomst;

TinQ Nederland te veroordelen om aan [eisers] te voldoen € 7.625,00 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 1 januari 2015 wegens de gebruiksvergoeding voor de gemeentegrond over het eerste kwartaal 2015;

TinQ Nederland te veroordelen om aan [eisers] te voldoen € 7.625,00 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 1 april 2015 wegens de gebruiksvergoeding voor de gemeentegrond over het tweede kwartaal 2015;

TinQ Nederland te veroordelen om aan [eisers] te voldoen € 7.625,00 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 1 juli 2015 wegens de gebruiksvergoeding voor de gemeentegrond over het derde kwartaal 2015;

TinQ Nederland te veroordelen om aan [eisers] te voldoen het voorschot op de gebruiksvergoeding voor de gemeentegrond over de volgende kwartalen steeds uiterlijk op de eerste dag van ieder volgend kwartaal;

TinQ Nederland te veroordelen om jaarlijks voor 1 maart aan [eisers] of de gemeente Groningen, zulks naar keuze van TinQ Nederland B.V., opgave te doen van de in het voorgaande jaar verkochte liters, voorzien van een accountantsverklaring;

TinQ Nederland te veroordelen om de factuur van [eisers] terzake van de jaarafrekening van de gebruiksvergoeding voor de gemeentegrond binnen 30 dagen na ontvangst daarvan aan [eisers] te voldoen;

TinQ Nederland te veroordelen om aan [eisers] een bedrag van € 1.010,00 te vergoeden wegens gemaakte buitengerechtelijke kosten;

TinQ Nederland te veroordelen in de proceskosten, met bepaling dat deze binnen 14 dagen dienen te zijn voldaan, bij gebreke waarvan TinQ Nederland van rechtswege in verzuim zal zijn.

TinQ Nederland heeft de vordering bestreden.

Bij tussenvonnis van 4 november 2015 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 4 februari 2015 in aanwezig van partijen - TinQ Nederland daartoe vertegenwoordigd door haar netwerkmanager [naam netwerkmanager] - en hun gemachtigden.

Voorafgaande aan de comparitie hebben [eisers] een akte vermeerdering van eis tevens houdende akte overlegging producties genomen, in die zin dat aan de hiervoor vermelde vorderingen dient te worden toegevoegd:

TinQ Nederland te veroordelen om aan [eisers] te voldoen € 7.625,00 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 1 oktober 2015 wegens de gebruiksvergoeding voor de gemeentegrond over het vierde kwartaal 2015;

TinQ Nederland te veroordelen om aan [eisers] te voldoen € 7.698,13 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 1 januari 2016 wegens de gebruiksvergoeding voor de gemeentegrond over het eerste kwartaal 2016.

Van het verdere verhandelde ter zitting is aantekening gehouden door de griffier.

Tenslotte is vonnis bepaald. De uitspraak daarvan is (nader) vastgesteld op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1.1.Vanaf 1972 heeft de gemeente Groningen aan Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V. (Shell) verhuurd de ondergrond van het perceel, gelegen te Groningen aan de Helperzoom 4, kadastraal bekend Gemeente Groningen, Sectie B, No 11410. Shell heeft aldaar een verkooppunt voor motorbrandstoffen geëxploiteerd. De huurovereenkomst tussen Shell en de gemeente is per 1 januari 1999 verlengd tot 31 december 2014.

1.2.

In augustus 2003 is tussen [eiser sub 2] als koper en Shell als verkoper een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de overname van alle rechten op deze tankstationlocatie inclusief de opstallen. In de terzake door partijen ondertekende overeenkomst is opgenomen dat de ondergrond van de onderneming door Shell was gehuurd van de gemeente Groningen. Blijkens artikel 2.3 van de overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat de huurprijs voor de ondergrond van de onderneming is bepaald op € 12.000,00 per jaar.

1.3.

In artikel 6.4 van deze koopovereenkomst staat vermeld:

“Indien blijkt dat de huurovereenkomst voor de ondergrond van de Onderneming niet op naam van Koper kan worden gesteld, dan zal Verkoper de ondergrond onderverhuren aan Koper. Alle kosten met betrekking tot de onderverhuur en de kosten voor het hebben en houden van de Onderneming komen voor rekening van Koper.”

1.4.

Met het oog op een tussen [onderneming eisers] en VIA Tankstations B.V., handelend onder de naam ANWB Tankstations - hierna te noemen VIA - te sluiten huurovereenkomst met betrekking tot het volledige terrein van voormelde tankstationlocatie inclusief de opstallen, heeft VIA een concept-intentieverklaring d.d. 14 juli 2003 opgesteld en bij brief van 11 juli 2003 ter beoordeling aan [onderneming eisers] doen toekomen. In artikel 1 van deze verklaring staat vermeld:

“1.De geïndexeerde huurovereenkomst tussen huurster en verhuurder wordt aangegaan voor een periode van tien jaar, waarbij na afloop van enig termijn huurster telkenmale het recht heeft deze met een termijn van vijf jaar te verlengen.”

en in artikel 5:

“5.Partijen komen vanaf het eerste jaar van de huurovereenkomst een geïndexeerde huur voor de ondergrond plus opstallen van het verkooppunt overeen van € 45.000,-- per jaar. Betaling zal per kwartaal geschieden. Huurster zal verder de precario aan de gemeente voldoen tot een maximum van € 12.000,- per jaar.”

1.5.

Bij brief van 12 juli 2003 heeft [eiser sub 1] daarop gereageerd en heeft de door hem voorgestelde wijzigingen c.q. toevoegingen cursief en vetgedrukt aangegeven.

Zo heeft hij aan artikel 1 toegevoegd:

“1. (….). Partijen zijn ervan op de hoogte dat de locatie is gevestigd op gemeentegrond waarbij de nu geldende overeenkomst loopt tot 31 december 2014. Een bestemmingswijziging zou een verlenging kunnen verhinderen. Tevens kan de precario voor een nieuwe periode door de gemeente aangepast worden.

en heeft hij in artikel 5 gewijzigd c.q. toegevoegd:

“Partijen komen vanaf het eerste jaar van de huurovereenkomst een geïndexeerde huur voor de ondergrond plus opstallen van het verkooppunt overeen van € 45.000,- excl. BTW per jaar. Betaling zal per kwartaal vooruit geschieden. Huurster zal verder de precario aan de gemeente voldoen welke tot 31 december 2014 is vastgesteld op € 12.000,- excl. BTW per jaar.
(….).”

1.6.

Op 7 november 2003 is tussen [onderneming eisers] als verhuurder en VIA als huurder met ingang van 1 mei 2004 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het volledige terrein van voormelde tankstationlocatie inclusief de opstallen. De huurovereenkomst is - behoudens het recht van optie op verlenging voor de duur van 5 jaren - ingevolge artikel 2.1 aangegaan voor de duur van 10 jaren.

1.7.

In de overeenkomst staat - voor zover hier van belang - vermeld:

“(….).

In aanmerking nemende dat:

a) Verhuurster een huurovereenkomst heeft gesloten met de gemeente Groningen die betrekking heeft op een perceel grond gelegen aan de Helperzoom te Groningen (….). De onderhavige overeenkomst tussen Verhuurster en de gemeente Groningen eindigt op 31 december 2014.”

(….).

Artikel 2 Huurperiode

2.3.

De huurovereenkomst eindigt in ieder geval op het moment dat Verhuurster geen (huur)rechten meer kan doen gelden op het betreffende perceel. In dat geval is Verhuurster niet verplicht tot betaling van schadevergoeding aan Huurster. Partijen komen overeen dat in het geval dat Verhuurster geen (huur)rechten meer kan doen gelden op het perceel, Verhuurster een inspanningsverplichting heeft ten opzichte van Huurster om Huurster, hoofdhuurster te maken.

Artikel 3 Huurprijs

3.1.

Huurster zal voor haar rekening het precario aan de gemeente voldoen. Deze is tot 31 december 2014 vastgesteld op 12.000€ (excl. BTW).

3.2.

De huurprijs welke Huurster is verschuldigd aan Verhuurster, bedraagt 45.000€ per jaar, te voldoen bij vooruitbetaling per kwartaal.

3.3.

De huurprijs zal jaarlijks worden geïndexeerd voor het eerst op 1 januari 2005 (….).

1.8.

VIA exploiteerde vervolgens op het perceel een onbemand ANWB-tankstation en verhuurde een deel van het perceel door aan Avis Autoverhuur.

1.9.

Voormeld bedrag van € 12.000,00 is door VIA op basis van door [eisers] verzonden facturen steeds aan [eisers] voldaan. Op de terzake door [eisers] overgelegde facturen in de periode 2006 tot en met 2009 staat telkens als factuuromschrijving “Precario” vermeld.

1.10.

Ingevolge een overeenkomst tot indeplaatsstelling van 22 april 2009 is TinQ B.V., gevestigd te Harderwijk aan de Ampèrestraat 5, als huurder in alle rechten en plichten van VIA getreden. TinQ B.V., althans TinQ Nederland, exploiteert vanaf 22 april 2009 onder de naam TinQ een onbemand tankstation op de betreffende locatie, waarbij zij de onderverhuur aan Avis Autoverhuur heeft voortgezet.

1.11.

Op basis van aan TinQ B.V. geadresseerde facturen heeft TinQ B.V. steeds voormeld bedrag van € 12.000,00 aan [eisers] voldaan. Ook op deze facturen staat als omschrijving “Precario” vermeld.

1.12.

De factuur van Shell d.d. 1 december 2014 over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 waarbij een bedrag van € 12.000,00 bij [eiser sub 2] in rekening is gebracht heeft als factuuromschrijving “Basis huur”.

1.13.

Ondanks pogingen daartoe zijn [eisers] en Shell er tot en met 31 december 2014 niet in geslaagd om een directe huurrelatie voor de ondergrond tussen [eisers] en de gemeente Groningen tot stand te brengen.

1.14.

Voorafgaande aan een door [eisers] met de gemeente Groningen nog te sluiten huurovereenkomst met betrekking tot de ondergrond van het perceel, heeft er op onder meer 4 november 2013 een gesprek plaatsgevonden tussen [eisers] enerzijds en [manager] , Manager Vastgoed in dienst van TinQ B.V., althans TinQ Nederland, anderzijds. Van dit gesprek heeft [manager] aantekeningen gemaakt, welke door [eisers] in het geding zijn gebracht. [manager] is momenteel niet meer in dienst van TinQ B.V., althans TinQ Nederland.

1.15.

Bij brief van 20 maart 2014 heeft [manager] het volgende aan [onderneming eisers] meegedeeld:

“(….).

Hierbij delen wij u mede dat wij gebruik wensen te maken van onze optie tot verlenging van de huurovereenkomst met een optieperiode van 5 (vijf) jaren, zoals is opgenomen in artikel 2.1. van de op 7 november 2003 getekende huurovereenkomst.

De huurovereenkomst zal derhalve doorlopen tot 1 oktober 2019.

Graag ontvangen wij een schriftelijke bevestiging van u dat de huurovereenkomst zal doorlopen tot 1 oktober 2019.

In afwachting van uw reactie, verblijven wij,

Met vriendelijke groet,

TinQ Nederland B.V. (voorheen TinQ B.V.)

[manager] ”

1.16.

Bij brief van 3 april 2014 heeft [eiser sub 1] onder meer aan TinQ B.V. meegedeeld:

“(….). Als verhuurder van de locatie Helperzoom 4 te Groningen delen wij u het volgende mee.

Met de gemeente Groningen zijn wij een nieuwe huurperiode voor deze locatie overeengekomen

Wij hebben ons daarbij gebaseerd op onze visie op de ontwikkelingen rond deze locatie. Ontwikkelingen en verwachtingen zoals wij in ons schrijven van mei 2013 ook aan u hebben meegedeeld. Daarnaast hebben wij bij meerdere partijen geïnformeerd naar marktconforme precario en huurprijzen, zo ook in een gesprek met uw medewerker de heer [manager] . Dit heeft geresulteerd in het navolgende .

Zoals vermeldt in artikel 3.3.1. in onze huurovereenkomst met u, is de huurprijs voor de onderneming tot 31 december 2014 vastgesteld. Vanaf 1 januari 2015 is de in artikel 3.3.1. vermelde precario door de gemeente verhoogd naar € 30.500,-. Voor de meer omzet boven de 1.200m3 is een afdracht van 1,0 cent per liter van toepassing. Deze bedragen zullen jaarlijks worden geïndexeerd middels de CPI index.

De vaste vergoeding dient per kwartaal vooruit betaald te worden. Het variabele deel zal jaarlijks achteraf worden verrekend. (…..).”

1.17.

Bij brief van 15 mei 2014 heeft [eiser sub 1] onder meer het volgende aan TinQ Nederland meegedeeld:

“(…..). Hierbij bevestigen wij u dat de huurovereenkomst zal doorlopen tot 1 oktober 2019.

Een bevestiging in navolging van de ondergetekende bijlage van het emailbericht van 13 mei 2014, waarin u aangeeft gebruik wenst te maken van de optieperiode van 5 (vijf) jaren.

De vanaf januari 2015 vastgestelde precario conform artikel 3.1 hebben wij u reeds eerder bevestigd. (…..).”

1.18.

Bij brief van 12 november 2014 heeft [eiser sub 1] onder meer aan [manager] meegedeeld:

“(….). In antwoord op uw verzoek van woensdag 29 oktober jl. waarin u heeft gevraagd naar de mogelijkheden in relatie tot de verlenging van de onderliggende huurovereenkomst met de gemeente Groningen, bericht ik u als volgt.

Als gevolg van het inroepen van de optie, een onherroepelijk aanbod, is de huurovereenkomst op gelijke condities met vijf jaren verlengd. Als huurster heeft u conform de overeenkomst de mogelijkheid het perceel naar uw inzicht te gebruiken. (….).

Wij hebben de locatie voor een nieuwe periode van vijftien jaar van de gemeente Groningen gehuurd. Gelet daarop zijn wij bereid en in staat om voor langere tijd een nieuwe huurovereenkomst met u aan te gaan. Daarom kunt u ons voor de volgende situaties een passend voorstel doen toekomen:

  • -

    Een nieuwe huurprijsafspraak voor de gehele locatie voor tien of voor vijftien jaar.

  • -

    Een huurprijsafspraak voor tien jaar ingaande 1 oktober 2019 waarbij u alleen het zogenaamde “voorterrein” gaat huren.

  • -

    Overname is voor ons ook bespreekbaar.

(…..).”

1.19.

Bij brief van 26 november 2014 heeft [eiser sub 1] - voor zover hier van belang - aan [manager] meegedeeld:

“(…..).

In reactie op ons telefoongesprek van 18 november 2014 waarin u op ons schrijven van 12 november 2014 reageerde, bericht ik als volgt.

Aangezien u ons voor 1 november 2013 geen verzoek tot het inroepen van de optieperiode heeft doen toekomen was de overeenkomst vanaf 1 mei 2014 overgegaan in een overeenkomst voor onbepaald tijd met een wederzijdse opzegtermijn van een jaar. Wij hebben dit eerder aangehaald in ons gesprek met u in november 2013. U heeft ons na zes maanden, in mei 2014, alsnog verzocht om de optie in te laten gaan. Als u twijfels had over de overeenkomst had u dit uiteraard niet behoeven te doen, immers de overeenkomst was ook doorgelopen als u de optie niet had ingeroepen.

(….).

De huurtermijn van tien jaren was officieel op de datum van 1 mei 2014 verstreken. In de door u opgestelde verlenging van de huurovereenkomst zijn wij tevens met de door u gewenste datering van 1 oktober akkoord gegaan. De huurovereenkomst is daarmee officieel met vijf jaar en vijf maanden verlengd tot 1 oktober 2019.

(….).”

1.20.

[eisers] en de gemeente Groningen hebben op 12 december 2014 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het gebruik van de ondergrond van de betreffende tankstationlocatie. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van 15 jaar, ingaande per 1 januari 2015. In de huurovereenkomst staat - voor zover hier van belang - vermeld:

“(…..).

6. Vaste en variabele huurprijs, huurprijsaanpassing, betaalperiode

6.1.

De jaarlijkse huursom bestaat uit twee componenten: een gedeelte bestaande uit een vaste huursom en een variabele huursom gebaseerd op het de hoeveelheid verkochte liters brandstof op de verhuurde locatie.

6.2.

De vaste aanvangshuurprijs van het gehuurde bedraagt op jaarbasis € 12.500,- ( …).

(…..).

6.4.

De huursom wordt jaarlijks per 1 april voor het eerst met ingang van 1 april 2015 aangepast overeenkomstig 9.1 t/m 9.4 van de algemene bepalingen.

6.5.

De huursom op jaarbasis zal op maandelijkse wijze door huurder aan de gemeente worden betaald. Uitgaande van een verkocht aantal liters brandstof van 1,5 miljoen liter, bedraagt de maandelijks te betalen huursom bij aanvang op basis van de jaarlijkse huursom: € 2791,67 per maand.

(…..).

6.8.

Er is door de huurder geen precariovergoeding verschuldigd voor het aanbrengen en/of aangebracht houden van olie-, benzine-, lucht- en waterpompen.

(……).”

1.21.

[eiser sub 1] heeft op schriftelijk verzoek van de gemachtigde van TinQ Nederland bij brief van 21 januari 2015 de met de gemeente Groningen gesloten huurovereenkomst toegezonden.

1.22.

Vanaf 1 januari 2015 voldoen [eisers] de aan de gemeente Groningen overeengekomen huursom van € 2.791,57 per maand.

1.23.

Bij brief van 30 januari 2015 aan [onderneming eisers] stelt de gemachtigde van TinQ B.V. zich op het standpunt dat [onderneming eisers] de aan de gemeente Groningen verschuldigde huurpenningen niet aan TinQ B.V. kan doorbelasten.

1.24.

Bij sommaties van de gemachtigde van [eisers] d.d. 16 februari 2015 en 14 augustus 2015 aan TinQ Nederland heeft deze aanspraak gemaakt op de door [eisers] aan de gemeente Groningen te betalen vergoedingen. Aan deze sommaties heeft TinQ Nederland geen gevolg gegeven.

1.25.

De (geïndexeerde) huursom van € 51.000,00 per jaar als bedoeld in artikel 3.2. van de op 7 november 2003 gesloten huurovereenkomst wordt door TinQ Nederland aan [eisers] voldaan.

Het standpunt van [eisers]

2.1.

Uit de overgelegde uittreksels uit het handelsregister blijkt genoegzaam dat TinQ Nederland vanaf 22 december 2009 als rechtsopvolgster van TinQ B.V. moet worden aangemerkt. Daar komt bij dat deze naamswijziging ook uit de ondertekening van de brief van [manager] van 16 mei 2014 kan worden afgeleid. Dit betekent dat zij de juiste partij in rechte heeft betrokken. Kort weergegeven leggen [eisers] het volgende aan de vorderingen ten grondslag.

2.2.

Uit de op 7 november 2003 met VIA gesloten huurovereenkomst en de daaraan voorafgaande intentieverklaring volgt genoegzaam dat de locatie was gevestigd op gemeentegrond en dat daarvoor een vergoeding aan de gemeente Groningen diende te worden betaald. Dat de vergoeding als genoemd in artikel 3.1 van de huurovereenkomst daarbij precario werd genoemd doet aan de betalingsverplichting daarvan niet af. Met precario werd immers altijd bedoeld de aan de gemeente Groningen te betalen vergoeding voor het gebruik van de ondergrond.

2.3.

De bewoordingen “vergoeding” en “precario” werden steeds door elkaar gebruikt en dit was voor TinQ Nederland, althans haar rechtsvoorgangster, voldoende kenbaar. Aangezien zij geen professionele partij zijn, dient de uitleg van de betreffende contractuele bepaling te worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Ten slotte blijkt uit de overgelegde gespreksnotities van [manager] van 4 november 2013 genoegzaam dat deze ermee bekend was dat de huurprijs voor de ondergrond per 1 januari 2015 zou worden verhoogd tot € 30.500,00 en dat op grond hiervan onder meer de brief van 3 april 2014 is verzonden.

Het standpunt van TinQ Nederland

3.1.

TinQ Nederland concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] in hun vorderingen aangezien tussen TinQ Nederland en [eisers] geen contractuele relatie bestaat.

3.2.

Subsidiair concludeert TinQ Nederland tot afwijzing van de vorderingen en voert hiertoe - kort samengevat - het volgende aan.

De vordering ontbeert iedere grondslag. In de tussen [eisers] en VIA gesloten huurovereenkomst is niets bepaald over het doorbelasten van huur aan TinQ B.V. Alleen precario zou worden doorbelast. De hoogte daarvan is vastgesteld tot 31 december 2014. Uit de per 1 januari 2015 tussen [eisers] en de gemeente Groningen gesloten huurovereenkomst volgt uit artikel 6.8 dat [eisers] - en dus ook TinQ B.V. - geen precario meer behoeft te betalen.

3.3

Aangezien de overeenkomst van 7 november 2003 is gesloten tussen professionele partijen, speelt de taalkundige betekening van een contractsbepaling een belangrijke rol. Over de taalkundige betekenis van het woord “precario” kan geen misverstand bestaan. TinQ Nederland is er te goeder trouw vanuit gegaan dat de gemeente Groningen daadwerkelijk precariobelasting bij [eisers] in rekening heeft gebracht. Derhalve heeft zij nooit om een aanslagbiljet gevraagd en heeft zij de gefactureerde precario in goed vertrouwen voldaan. Daar komt bij dat op een gemeentelijke heffing als precario het wettelijk stelsel van heffingen van toepassing is en dat men tegen de hoogte van een aanslag beroep in kan stellen. Daarentegen wordt de betaling van huurpenningen beheerst door de artikelen 7:290 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.4.

TinQ Nederland ontkent dat zij heeft ingestemd met de verhoging per 1 januari 2015 van de aan de gemeente Groningen te betalen vergoeding, zoals door [eisers] is gesteld. Dit bewijs kan niet uit de door [eisers] overgelegde gespreksnotities worden afgeleid. Bovendien is zij eerst na het lichten van de optie tot verlenging van de huurovereenkomst door [eisers] geconfronteerd met een aanzienlijke huurverhoging.

De beoordeling

4.1.

Met betrekking tot ontvankelijkheid van [eisers] in hun vorderingen, overweegt de kantonrechter als volgt.

4.2.

Tussen partijen staat vast dat Tinq B.V. partij was bij de op 22 april 2009 gesloten overeenkomst tot indeplaatsstelling. Uit de door [eisers] overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel kan genoegzaam worden afgeleid dat TinQ Nederland als rechtsopvolgster van TinQ B.V. moet worden aangemerkt, hetgeen bovendien in overeenstemming is met de ondertekening van de brief van 20 maart 2014 van TinQ Nederland. Dit betekent dat [eisers] de juiste partij in rechte hebben betrokken, zodat zij in zoverre ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

4.3.

Partijen verschillen allereerst van inzicht over de wijze van uitleg van artikel 3.1 van de op 7 november 2003 tussen VIA, de rechtsvoorgangster van TinQ B.V., en [onderneming eisers] gesloten huurovereenkomst.

4.4.

In voormeld artikel is bepaald dat VIA voor haar rekening het precario dat tot 31 december 2014 is vastgesteld op € 12.000,00 (excl. BTW) per jaar, aan de gemeente zal voldoen.

4.5.

Met betrekking tot de wijze van uitleg van artikel 3.1 van de huurovereenkomst stelt de kantonrechter voorop dat [eisers] als verhuurders van een zakelijk object als een professionele partij dient te worden aangemerkt. Dat [eisers] louter uit natuurlijke personen bestaat kan niet leiden tot een andere conclusie. Daarnaast staat weliswaar vast dat de huurovereenkomst van 7 november 2003 door VIA is opgesteld, maar dit neemt niet weg dat voorafgaande aan het sluiten van deze overeenkomst er uitgebreid overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden en dat er blijkens de gang van zaken met betrekking tot de totstandkoming van de intentieverklaring op verzoek van [eisers] tekstaanpassingen zijn voorgesteld die mede hebben geleid tot de formulering van artikel 3.1 van de huurovereenkomst. Reeds op grond hiervan faalt het beroep van [eisers] op de contra proferentem-regel van artikel 6:238 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.6.

Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen dient artikel 3.1 van de huurovereenkomst naar het oordeel van de kantonrechter te worden uitgelegd aan de hand van de maatstaf die is te lezen in het door de Hoge Raad op 5 april 2013 gewezen arrest inzake Lundiform/Mexx (LJN: BY8101).

4.7.

De Hoge Raad heeft daarbij geoordeeld dat aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen in een overeenkomst grote betekenis toekomt voor zover het gaat om een commerciële overeenkomst, gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse verplichtingen nauwkeurig vast te leggen. Maar ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient de taalkundige uitleg van artikel 3.1 van de huurovereenkomst derhalve centraal te worden gesteld. Voorshands is de kantonrechter dan ook van oordeel dat conform de inhoud van artikel 3.1 van de huurovereenkomst, de tot 31 december 2014 door VIA en haar rechtsopvolgster verrichte jaarlijkse betalingen van een bedrag van € 12.000,00 aan de gemeente Groningen betrekking hadden op de voldoening van precariobelasting.

4.9.

Thans dient te worden beoordeeld of [eisers] voldoende hebben gesteld om te worden toegelaten tot het leveren van (tegen)bewijs van de door hen verdedigde uitleg van artikel 3.1 van de huurovereenkomst, in die zin dat met de bewoording “precario” werd bedoeld de via Shell aan de gemeente Groningen te betalen vergoeding voor het gebruik van de ondergrond. Hiervoor hebben [eisers] het volgende aangedragen.

4.10.

In de op 7 november 2003 met VIA gesloten huurovereenkomst en de daaraan voorafgaande intentieverklaring staat vermeld dat de tanklocatie was gevestigd op gemeentegrond en dat daarvoor een vergoeding aan de gemeente Groningen diende te worden betaald.

In artikel 3.1. van deze huurovereenkomst staat achter het bedrag van € 12.000,00 “(excl. BTW)” vermeld, hetgeen volgens [eisers] impliceert dat dit geen precariobelasting, maar een vergoeding voor huur betreft.

Met het begrip “precario” wordt in de branche vaak huur voor de ondergrond bedoeld.

Shell heeft de bij [eiser sub 2] in rekening gebrachte vergoeding van € 12.000,00 geduid als “Basis-huur”.

TinQ B.V. en TinQ Nederland zijn door de gemeente Groningen nooit aangeslagen voor precariobelasting.

In de huurovereenkomst die in 1972 is gesloten tussen de gemeente Groningen en Shell is een bepaling opgenomen gelijkluidend aan artikel 6.8 van de nu geldende huurovereenkomst.

Uit de overgelegde gespreksaantekeningen d.d. 4 november 2013 van [manager] blijkt dat deze bekend was met de aan de gemeente te betalen vergoeding voor de ondergrond en dat deze vergoeding per 1 januari 2015 zou worden verhoogd tot € 30.500,00 en dat op grond hiervan de brief van 3 april 2014 aan TinQ Nederland is verzonden.

4.11.

Hoewel hetgeen hiervoor door [eisers] is aangedragen aanwijzingen bevatten van de juistheid van hun stellingen terzake, kunnen deze niet worden aangemerkt als voldoende (tegen)bewijs. Daarvoor is noodzakelijk dat rechtens komt vast te staan dat VIA er wetenschap van had dat het hier niet ging om precariobelasting maar om een aan de gemeente Groningen te betalen vergoeding voor het gebruik van de ondergrond en dat TinQ Nederland heeft ingestemd met de verhoging daarvan per 1 januari 2015. Aangezien [eisers] terzake bewijs hebben aangeboden, zullen zij worden toegelaten tot het leveren van (tegen)bewijs als nader in het dictum van dit vonnis omschreven.

4.12.

De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rolzitting van woensdag 30 maart 2016, op welke zitting [eisers] zich kunnen uitlaten omtrent de wijze waarop zij het opgedragen bewijs wensen te leveren en eventueel dag en uur voor een getuigenverhoor kunnen vragen. In dat laatste geval dienen zij de namen van de voor te brengen getuigen op te geven, onder opgave van eventuele verhinderdata in de periode van twee maanden volgende op die rolzitting. TinQ Nederland dient op deze rolzitting eveneens haar verhinderdata in deze periode op te geven. Indien een getuigenverhoor dient plaats te vinden, zal op die zitting een datum voor het verhoor worden vastgesteld.

4.13.

De kantonrechter zal op de voet van artikel 337 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) toestaan dat door partijen hoger beroep tegen dit vonnis kan worden ingesteld.

4.14.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:

draagt [eisers] op, om door alle middelen rechtens, (tegen)bewijs te leveren dat met de bewoording “precario” in artikel 3.1 van de op 7 november 2003 tussen [onderneming eisers] en VIA gesloten huurovereenkomst werd bedoeld de via Shell aan de gemeente Groningen te betalen vergoeding voor de ondergrond van de ten processe bedoelde brandstoflocatie en dat TinQ Nederland heeft ingestemd met de hoogte van deze per 1 januari 2015 aan de gemeente Groningen te betalen vergoeding;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 30 maart 2016 te 11.00 uur, voor uitlating door partijen als bedoeld in overweging 4.12;

bepaalt dat voor de uitlating door partijen en het mogelijk te houden getuigenverhoor in beginsel geen uitstel zal worden verleend;

bepaalt op de voet van artikel 337 lid 2 Rv dat het partijen is toegestaan om hoger beroep tegen dit vonnis in te stellen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann, kantonrechter, en op woensdag 2 maart 2016 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: gv