Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5368

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-12-2016
Datum publicatie
05-12-2016
Zaaknummer
08-105996-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beledigen van een tweetal politieagenten. Hij heeft aan één van die agenten meerdere mails gezonden, waarin hij beide agenten heeft beledigd. De opzet volgt uit de aard van de beledigingen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 750,00

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 266
Wetboek van Strafrecht 267
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 08/105996-15

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 08/068283-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 december 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 november 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 08/105996-15:

hij op of omstreeks 26 september 2014 te [pleegplaats] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "dat wat in [plaats 1] is gebeurd met de ambtenaar die met de hamer is geslagen, kan ook in [plaats 2] gebeuren", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

in de zaak met parketnummer 08/068283-14:

hij in de periode of omstreeks 25 april 2013 tot en met 9 januari 2014 in de gemeente Enschede opzettelijk de eer en/of de goede naam van medewerker (brigadier) van de Nationale Politie [slachtoffer 2] en/of medewerker van de Nationale Politie, [slachtoffer 3] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel één en/of meerdere mail(s) gestuurd aan voornoemde [slachtoffer 2] en/of (in cc) gestuurd aan [slachtoffer 1] , juridisch medewerker bij de gemeente [plaats] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , van het Openbaar Ministerie en/of [slachtoffer 6] , van het Openbaar Ministerie en/of medewerkers van waterschap [naam] - zakelijk weergegeven - medegedeeld: "mislukte dorpsagent [slachtoffer 2] " en/of "met minachting voor de corrupte ambtenaar" en/of "mislukte en volgevreten dorpsagent" en/of "... net zo lamlendig en gemakzuchtig als u bent" parketnummer 08/105996-15 2 datum uitspraak: 2 december 2016

en/of over voornoemde [slachtoffer 3] : "... agent [slachtoffer 3] die naar eigen zeggen zijn hoofd leeg heeft gemaakt" en/of "de lamlendige [slachtoffer 3] "; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode of omstreeks 25 april 2013 tot en met 9 januari 2014 in de gemeente Enschede opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten brigadier van de Nationale Politie, [slachtoffer 2] en/of medewerker van de Nationale Politie, [slachtoffer 3] gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid, althans door een toegezonden geschrift (in één en/of meerdere mail(s) heeft toegevoegd de woorden "mislukte dorpsagent [slachtoffer 2] " en/of "met minachting voor de corrupte ambtenaar" en/of "mislukte en volgevreten dorpsagent" en/of "... net zo lamlendig en gemakzuchtig als u bent" en/of over voornoemde [slachtoffer 3] : "... agent [slachtoffer 3] die naar eigen zeggen zijn hoofd leeg heeft gemaakt" en/of "de lamlendige [slachtoffer 3] ", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1. ten laste gelegde kan worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd, omdat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Ten slotte heeft de officier van justitie geconcludeerd dat het onder 2. subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de onder 1. ten laste gelegde bewoordingen weliswaar heeft geuit in de richting van het [slachtoffer 1] maar dat deze bewoordingen niet als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of bedreiging met zware mishandeling zijn te kwalificeren. De raadsman heeft daartoe betoogd dat verdachte deze bewoordingen niet bedreigend heeft bedoeld, nu hij -na het uiten van die bewoordingen- daaraan heeft toegevoegd dat hij zoiets nooit zou doen en deze woorden slechts heeft geuit om duidelijk te maken waartoe mensen kunnen komen als men niet gehoord wordt.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de ten laste gelegde bewoordingen in de richting van de beide slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft geuit, maar dat dit in de ogen van verdachte een feitelijke weergave was van het functioneren van beide slachtoffers als politieagent. Er bestond bij verdachte geen opzet op het beledigen van beide slachtoffers. parketnummer 08/105996-15 3 datum uitspraak: 2 december 2016

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1. ten laste als volgt.

Uit de aangifte blijkt dat er door het [slachtoffer 1] niet zelf aangifte is gedaan van bedreiging, maar dat dit door een collega van hem namens de gemeente Enschede is gedaan. Uit het gespreksverslag van [slachtoffer 1] blijkt wel dat hij zich door de door verdachte geuite bewoordingen bedreigd heeft gevoeld. Daarnaast heeft [getuige] verklaard dat verdachte de ten laste gelegde bewoordingen in de richting van [slachtoffer 1] heeft geuit en dat hij [slachtoffer 1] daarbij heeft aangekeken.

De rechtbank stelt op basis van voornoemde stukken, alsmede op basis van de door verdachte afgelegde verklaring, vast dat de sfeer tijdens de zitting bij de rechtbank Overijssel te [pleegplaats], waar de vermeende bedreigende bewoordingen door verdachte zouden zijn geuit, kennelijk grimmig was. De rechtbank constateert dat de [getuige] telefonisch is gehoord, dat zij haar verklaring niet heeft ondertekend en dat aan haar voordien de aangifte ter beschikking is gesteld. Gelet op de wijze waarop het verhoor van deze getuige tot stand is gekomen, zal de rechtbank de door deze getuige afgelegde verklaring niet tot het bewijs bezigen. Nu de verklaring van [slachtoffer 1], zoals verwoord in diens gespreksverslag van voornoemde zitting, en de verklaring van verdachte over de omstandigheden waarin een en ander zou zijn gezegd lijnrecht tegenover elkaar staan en er zich overigens geen andere wettige bewijsmiddelen in het dossier bevinden, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van het onder 1. ten laste gelegde. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

De rechtbank is ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2. subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij mails heeft gezonden waarin de ten laste gelegde teksten aan de beide slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn vermeld. Deze bewoordingen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar algemene maatstaven op zichzelf zonder meer beledigend van aard. De raadsman heeft aangevoerd dat de door verdachte geschreven teksten over de slachtoffers een feitelijke weergave was van hun functioneren als politieagent. Hoewel verdachte kennelijk gefrustreerd was omtrent het functioneren van beide slachtoffers als politieagent, ontneemt dit -wat daar verder ook van zij- naar het oordeel van de rechtbank de beledigende aard van de door verdachte geschreven teksten in zijn mails niet. Evenmin leidt dit ertoe dat moet worden aangenomen dat verdachte geen opzet had op het beledigen van beide slachtoffers, zoals door de raadsman is betoogd. Dat opzet blijkt immers rechtstreeks uit de aard van de door verdachte geschreven teksten.

De rechtbank acht het onder 2. subsidiair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank baseert haar oordeel ten aanzien van het onder 2. subsidiair ten laste gelegde op de volgende bewijsmiddelen die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten, zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven inhoudende:

Ik heb in de periode van 25 april 2013 tot en met 9 januari 2014 in de gemeente Enschede meerdere mails gezonden aan de politieagent [slachtoffer 2]. Mijn mailadres is [e-mailadres] parketnummer 08/105996-15 4 datum uitspraak: 2 december 2016

Ik heb in die mails geschreven dat [slachtoffer 2] een mislukte dorpsagent is, dat hij een mislukte en volgevreten dorpsagent is en dat hij lamlendig en gemakzuchtig is.

In één van die mails heb ik geschreven dat de politieagent [slachtoffer 3] lamlendig is. Ik heb die mails ondertekend met de tekst: "met minachting voor de corrupte ambtenaar".

2. De inhoud van het zaakdossier, nummer PL05KL-2014027870 Z, gesloten op 17 maart 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal en stukken, waaronder:

2.1.

Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 2], nummer PL05CG-2014014265-1, met bijlagen, d.d. 19 juni 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, pagina 1 tot en met 16 van het onder 2. genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

Ik doe aangifte van belediging, gepleegd door de mij ambtshalve bekende [verdachte]. Ik ben als brigadier van politie in dienst bij de politie en in die hoedanigheid werkzaam als wijkagent in [dorp]. Op 9 augustus 2013 werd een mail gestuurd vanaf het [e-mailadres] In de mail word ik aangeduid als "de mislukte [slachtoffer 2]". Op 11 oktober 2013 ontving ik weer een mail van dat mailadres. [verdachte] schrijft onder meer: "Door uw volgevreten, lakse, luie en corrupte houding". De mail is afgesloten met de zin: "Met minachting voor de corrupte ambtenaar verblijf ik: [verdachte]". Op 20 oktober 2013 stuurde [verdachte] weer een mail. Tekst: "Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat de gemiddelde agent in Nederland te dik en te vet is. Deze volgevreten agenten zijn net zo lamlendig en gemakzuchtig als u dat bent. Ik volg hiermee de raad van uw collega, de lamlendeling [slachtoffer 3]". Ter verduidelijking van de wijze waarop ik naar [verdachte] communiceer voeg ik als bijlage een uitdraai bij van de mailwisseling tussen mij en de [verdachte]. In alle genoemde mails wordt er zeer beledigend over mij als persoon gesproken. Door deze mails voel ik mij zeer beledigd en gekrenkt. Ook voel ik mij in mijn eer en goede naam aangetast en het is een aantasting van mijn persoonlijke integriteit. Door deze wijze van communiceren voel ik mijzelf in een negatief daglicht gesteld. Dit heeft gevolgen voor mij als persoon, maar ook als politieman omdat ik met een aantal personen -die van de mails kennis hebben genomen- mijn werk moet doen. In mijn werk kan ik merken dat -buiten de in deze aangifte genoemde personen- ook andere mensen kennis hebben van [verdachte]'s beledigingen aan mijn adres. Ik ben er door bewoners en ondernemers op aangesproken. Ik ervaar het als storend en energievretend dat ik mij naar andere mensen moet verdedigen en dat er zoveel afbreuk aan mijn werkzaamheden wordt gedaan door de structurele wijze waarop ik door [verdachte] beledigd word en hij mijn werkzaamheden in een negatief daglicht stelt.

2.2.

Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 3], nummer PL05CG-2014005400-1, d.d. 11 februari 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, pagina 17 tot en met 19 van het onder 2. genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

Ik doe hierbij aangifte van belediging van openbaar gezag omdat mijn eer en goede naam als ambtenaar van politie is aangetast. Per e-mail zijn beledigingen over mij geuit. De mails zijn kennelijk verstuurd door de mij ambtshalve bekende [verdachte], geboren te [plaats] op [geboortedatum], wonende [woonadres]. Op 20 oktober 2013 werd vanaf het [e-mailadres] een mail gestuurd naar [slachtoffer 2], [slachtoffer 6], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4]. [slachtoffer 6] is officier van justitie en dus ook een persoon waarin ik in mijn werk mee te maken krijg. In die mail wordt vooral [slachtoffer 2] weer beledigd, maar ik word in die mail aangeduid als de lamlendeling [slachtoffer 3]. parketnummer 08/105996-15 5 datum uitspraak: 2 december 2016

In deze mail word beledigend over mij als persoon en politieman gesproken. Ik voel mij door deze mail zeer beledigd, gekrenkt en in mijn goede naam en eer aangetast.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 08/068283-14 subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

subsidiair:

hij in de periode van 25 april 2013 tot en met 9 januari 2014 in de gemeente Enschede opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten brigadier van de Nationale Politie [slachtoffer 2] en de medewerker van de Nationale Politie [slachtoffer 3] gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening door een toegezonden geschrift, te weten: in een mail heeft toegevoegd de woorden "mislukte dorpsagent [slachtoffer 2]" en/of "met minachting voor de corrupte ambtenaar" en/of "mislukte en volgevreten dorpsagent" en/of "... net zo lamlendig en gemakzuchtig als u bent" en/of over voornoemde [slachtoffer 3]: "de lamlendige [slachtoffer 3]".

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2. subsidiair Eenvoudige belediging aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en 2. subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 750,00, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft daarbij meegewogen dat de situatie inmiddels na een recent gesprek tussen gemeente en verdachte is genormaliseerd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich onthouden van een standpunt omtrent een eventueel op te leggen straf, gelet op de bepleite vrijspraak van de ten laste gelegde feiten. parketnummer 08/105996-15 6 datum uitspraak: 2 december 2016

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beledigen van een tweetal politieagenten. Hij heeft aan één van die agenten meerdere mails gezonden, waarin hij beide agenten heeft beledigd. De rechtbank begrijpt dat verdachte in een voor hem machteloze en frustrerende positie terecht is gekomen, waarbij het voorstelbaar is dat verdachte emotioneel en krachtig reageert, maar verdachte is daarbij naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval over de grenzen van het toelaatbare gegaan. De rechtbank heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor belediging van een ambtenaar wordt oplegging van een geldboete gehanteerd.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het beledigen van een politieagent. Deze veroordeling heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen.

Alles overwegende acht de rechtbank oplegging van een geldboete zoals door de officier van justitie is gevorderd in dit geval passend en geboden. De rechtbank overweegt daarbij dat oplegging van een voorwaardelijke geldboete, gezien de eerdere veroordeling van verdachte voor een soortgelijk feit en omdat het in het onderhavige geval gaat om belediging van een tweetal politieagenten, niet meer aan de orde is en geen recht doet aan de ernst van het feit.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 57, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde. parketnummer 08/105996-15 7 datum uitspraak: 2 december 2016

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. en 2. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2. subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. P.H.M. Tapper-Wessels en

mr. M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door L. Palstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 december 2016.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. w.g.

Bosker

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Tapper-Wessels

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Van Capelle

locatie Groningen,