Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5286

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
18-930117-15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:5052, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Noordelijke Fraudekamer heeft de verdachte veroordeeld voor hypotheekfraude, waarbij de bank voor een bedrag van ruim € 400.000,-- is opgelicht, en voor het langdurig exploiteren van een professioneel opgezette en grootschalige hennepkwekerij. Deze ernstige strafbare feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, te meer omdat de verdachte vaker is veroordeeld voor drugsdelicten. Met inachtneming van het feit dat de redelijke termijn is geschonden, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden passend.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 326
Opiumwet 3
Opiumwet 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/930117-15

ter berechting gevoegd parketnummer 18/950279-13

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 30 november 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 augustus 2015, 28 januari 2016 en 15 en 16 november 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.J. Heidema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 t/m 26 mei 2014 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] en/of [pleegplaats 3] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer medewerker(s) van het bedrijf ING Bank N.V. heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten een hypotheekovereenkomst, en/of de afgifte van (in totaal) 415.000 euro, in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke

perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - in het kader van een hypotheekaanvraag op naam van [medeverdachte]

en/of al dan niet door tussenkomst van een financieel tussenpersoon - (die medewerker(s) van) dat bedrijf doen/laten toekomen

- een fictieve werkgeversverklaring met betrekking tot [medeverdachte] , zogenaamd vanwege het bedrijf [naam bedrijf 1] [naam bedrijf 2] ., en/of ondertekend door verdachte [verdachte] althans een valse werkgeversverklaring (document dossierpagina 2355),

en/of

- een (bijbehorende) fictieve loonberekening met betrekking tot het zogenaamde maandsalaris dat [medeverdachte] zou genieten bij het bedrijf [naam bedrijf 1] of [naam bedrijf 2] ., althans een valse of onjuiste loonberekening/loonstrook van [medeverdachte] (document dossierpagina 2356),

en/of

- een valse, althans onjuiste, kopie aangifte inkomstenbelasting/premieheffing 2005 met betrekking tot [medeverdachte] , waaruit zogenaamd zou moeten blijken dat [medeverdachte] een loon van 58.500 euro over 2005 van het bedrijf [naam bedrijf 2] . zou hebben genoten (document dossierpagina 2357 e.v.),

waardoor (die medewerker(s) van) dat bedrijf werd(en) bewogen tot het aangaan van bovenomschreven schuld en/of tot bovenomschreven afgifte;

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 t/m 26 mei 2014 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] en/of [pleegplaats 3] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) werkgeversverklaring en/of loonberekening over juni 2006 en/of kopie aangifte inkomstenbelasting/premieheffing 2005, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n) dat/die geschrift(en) heeft doen/laten toekomen aan het bedrijf ING Bank N.V. ten behoeve van een hypotheekaanvraag op naam van [medeverdachte] , en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

- die werkgeversverklaring fictief, althans (geheel) vals/onjuist was, en/of

- die loonberekening fictief, althans (geheel) vals/onjuist was, en/of

- die kopie aangifte een onjuist loonbedrag bevatte, althans (deels) onjuist was,

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 18 augustus 2006, althans in augustus 2006, in elk geval in de periode van 18 augustus 2006 tot 5 maart 2014, te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 4] en/of [pleegplaats 5] , althans in het arrondissement Noord-Nederland, en/of [pleegplaats 2] en/of [pleegplaats 3] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, een voorwerp, te weten 403.124,07 euro, althans 370.000 euro, in elk geval enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat geld, gebruik heeft

gemaakt, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een of meer andere

natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, dat geldbedrag van het bedrijf ING Bank N.V. verkregen en/of (via de notaris) doen/laten overmaken naar het bedrijf [naam bedrijf 3] ter afbetaling van een lening (met betrekking tot de woning [adres] , terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig

misdrijf; (document dossierpagina 2472)

art 420quater lid 1 sub b Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

3.

(parketnummer 18/950279-13)

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 3 juli 2013 te [pleegplaats 1] althans in de gemeente Coevorden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) (telkens) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 336

hennepstekken en/of 1014 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen nu daarvoor voldoende wettig en overtuigend bewijs is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat, gezien de bekennende verklaring van verdachte, de onder 1 primair tenlastegelegde oplichting bewezen kan worden. Van medeplegen is hierbij volgens de raadsman geen sprake geweest, omdat verdachte dit feit zonder hulp of medeweten van [medeverdachte] gepleegd heeft. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen, maar niet kan worden gekwalificeerd als witwassen, nu het verkregen hypotheekbedrag onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf en daarom tevens een gedraging vereist is die kennelijk gericht is geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Een dergelijke gedraging ontbreekt, volgens de raadsman. Het verkrijgen van de hypotheek en de aflossing van een lening door de overdracht van het hypotheekgeld dienen te worden gezien als één feitelijke handeling. Feit 3 acht de raadsman, met uitzondering van het medeplegen, op grond van de bekennende verklaring van verdachte bewijsbaar.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Op grond van hetgeen de rechtbank hieronder nog nader zal overwegen met betrekking tot het onder 1 aan hem tenlastegelegde, staat vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van ING Bank, door de bank met behulp van vervalste stukken ertoe te bewegen een hypotheekbedrag van € 415.000,-- af te geven. Uit de stukken blijkt dat dit bedrag is verstrekt aan de [medeverdachte] . Verdachte heeft dus niet zelf de beschikking gehad over het door zijn misdrijf verkregen geld. Het grootste deel van dit bedrag is, overeenkomstig de daarover gemaakte afspraken met de bank, vervolgens via de notaris door de [medeverdachte] doorbetaald aan [naam bedrijf 3] , ter aflossing van een lening. Ook bij deze doorbetaling heeft verdachte, voor zover uit het dossier kan worden opgemaakt, geen feitelijke betrokkenheid gehad.

Van medeplegen kan onder omstandigheden ook sprake zijn in het geval een verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen verricht. In een dergelijke situatie dient wel op een andere wijze te blijken van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De stukken bieden echter in dit geval onvoldoende steun voor de veronderstelling dat verdachte en de [medeverdachte] van te voren met elkaar hebben afgesproken om door middel van strafbaar handelen geld los te krijgen bij de bank voor het afbetalen van de lening, en dat vervolgens enkel uit oogpunt van een praktische rolverdeling de medeverdachte degene is geweest die bij de notaris het bedrag in ontvangst heeft genomen en heeft laten doorbetalen. De medeverdachte heeft bij de politie juist ten stelligste ontkend dat zij wetenschap had van of betrokken is geweest bij de oplichting van de bank en de rechtbank heeft haar daar bij vonnis van heden ook van vrijgesproken. Hieraan doet niet af dat de rechtbank in dat vonnis tevens heeft overwogen dat zij zich wel schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van het doorbetaalde geldbedrag, door dit over te dragen in de wetenschap dat het geld een misdadige herkomst had. De rechtbank is tot dat oordeel gekomen omdat het onder de gegeven omstandigheden niet anders geweest kan zijn dan dat zij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het door haar verkregen geld uit misdrijf afkomstig was, met andere woorden om redenen die enkel betrekking hebben op haar eigen opzet.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2016;

2. een aangifte met bijlagen van [aangever] , gedaan namens ING Bank NV, d.d. 26 mei 2014, opgenomen op pagina 2335 van het dossier opgemaakt door Regiopolitie Noord Nederland en gesloten op 30 december 2014.

Bewijsoverweging:

Op grond van voormelde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde oplichting heeft gepleegd. Dat hij dit tezamen en in vereniging heeft gedaan met [medeverdachte] acht de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal dan ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Zoals hierboven ook al is overwogen, heeft [medeverdachte] dit ten stelligste ontkend, en ook overigens is niet gebleken dat [medeverdachte] enige feitelijke handeling heeft gepleegd met betrekking tot de ten laste gelegde oplichting, noch dat zij wetenschap had van de valse werkgeversverklaring, loonberekening en aangifte inkomstenbelasting/premieheffing 2005 en het indienen van deze stukken bij de ING Bank ten behoeve van het verkrijgen van de gevraagde hypotheek. De conclusie moet derhalve zijn dat verdachte de hypotheek bij de ING Bank zonder medewerking van [medeverdachte] voor haar geregeld heeft. Hieraan doet niet af dat [medeverdachte] bij de notaris de akte van geldlening en hypotheekstelling heeft ondertekend waardoor de hypotheek betaalbaar werd gesteld, omdat dit naar het oordeel van de rechtbank niet een oplichtingshandeling betreft. Deze ondertekening valt immers niet te beschouwen als een valse voorstelling van zaken als gevolg waarvan de bank (ten onrechte) is overgegaan tot afgifte van het hypotheekbedrag.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2013, opgenomen op pagina 350 van het hennepdossier met nummer PL032W 2013032310-98 opgemaakt door Politie Drenthe en gesloten op 28 augustus 2013, inhoudende de verklaring, met bijlagen, van de verbalisanten betreffende het aantreffen van een hennepkwekerij op het perceel [adres] te [pleegplaats 1] .

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 11 juli 2013, opgenomen op pagina 70 van voornoemd hennepdossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Het kan dat [persoon] en ik samen uit het luik in de vlonder kwamen. [persoon] moest wel eens grond voor mij naar beneden brengen. Als [persoon] voor mij werkte kreeg hij een tientje per uur. Als [persoon] daar werkte komt dat door mijn ziekte.

Bewijsoverweging

De rechtbank acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte bewezen dat hij hennepplanten heeft geteeld en bewerkt. Op grond van de verklaring die verdachte bij de politie en ter terechtzitting heeft afgelegd, acht de rechtbank bewezen dat [persoon] en verdachte samen hebben gewerkt bij dit telen en bewerken van hennepplanten. Gezien de grootschaligheid en professionaliteit van de hennepkwekerij en het kennelijke doel van de verkoop van de geoogste planten, acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de uitoefening van een beroep/bedrijf gehandeld heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij in de periode van 1 juni 2006 tot en met 26 mei 2014 in Nederland, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer medewerker(s) van het bedrijf ING Bank N.V. heeft bewogen tot de afgifte van in totaal 415.000 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid - in het kader van een hypotheekaanvraag op naam van [medeverdachte] en door tussenkomst van een financieel tussenpersoon - die medewerker(s) van dat bedrijf doen toekomen

- een fictieve werkgeversverklaring met betrekking tot [medeverdachte] , zogenaamd vanwege het bedrijf [naam bedrijf 1] en ondertekend door [verdachte] ,

en

- een bijbehorende fictieve loonberekening met betrekking tot het zogenaamde maandsalaris dat [medeverdachte] zou genieten bij het bedrijf [naam bedrijf 1] en

- een valse kopie aangifte inkomstenbelasting/premieheffing 2005 met betrekking tot [medeverdachte] , waaruit zogenaamd zou moeten blijken dat [medeverdachte] een loon van 58.500 euro over 2005 van het bedrijf [naam bedrijf 2] . zou hebben genoten,

waardoor die medewerker(s) van dat bedrijf werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.

3.

(parketnummer 18/950279-13)

hij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 3 juli 2013 te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft geteeld en bewerkt in een pand aan [adres] 336 hennepstekken en 1014 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair oplichting;

3. in de uitoefening van een beroep/bedrijf in vereniging opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van 120 uren. Bij het bepalen van de strafmaat dient volgens de raadsman te worden meegewogen dat de redelijke termijn overschreden is, dat de ING Bank door de hypotheekfraude niet financieel benadeeld is en dat de wijze waarop verdachte hennep heeft gekweekt van strafmatigende betekenis is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een lange periode een professionele en grootschalige hennepkwekerij gerund. Bij de ontmanteling van de hennepkwekerij werden meer dan 1.000 hennepplanten aangetroffen, waarbij gebleken is dat de vertrekken waaruit de hennepkwekerij bestond ruimte bood voor het planten van nog veel meer hennepplanten. Het doel van de hennepkwekerij was de verkoop van de hennep. Verdachte, zelf geen gebruiker, heeft zich louter laten leiden door de zucht naar financieel gewin. Daarmee heeft verdachte het gebruik van deze drug gefaciliteerd en het criminele circuit dat vaak gepaard gaat met het telen van hennep in stand gehouden.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan oplichting van de ING Bank NV waardoor een geldbedrag van meer dan € 400.000,- werd verkregen. Deze oplichting heeft verdachte bewerkstelligd door het bij de bank indienen van diverse valse documenten. Door aldus te handelen heeft verdachte het vertrouwen dat een bank in haar klanten mag hebben, geschaad en meer in het algemeen het vertrouwen dat voor een goed functioneren van het financiële stelsel is vereist, beschaamd.

Verdachte heeft zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten die het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. Deze eerdere veroordeling voor een gelijksoortig feit heeft verdachte er niet van weerhouden wederom een hennepkwekerij van grote omvang en professionaliteit te starten. Mede gelet daarop ziet de rechtbank geen meerwaarde in een deels voorwaardelijke straf.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. C.M.M. Oostdam en

mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 november 2016.

Mr. Oostdam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.