Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5234

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
5324545 \ AR VERZ 16-170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWZ-zaak. WWZ. Engie heeft het afspiegelingsbeginsel niet juist toegepast (r.o. 5.6) en niet voldaan aan haar inspanningsverplichting tot herplaatsing (r.o. 5.12).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1352
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 5324545 \ AR VERZ 16-170

beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671 b lid 1 sub b BW van 21 november 2016

in de zaak van

de naamloze vennootschap Engie Services Nederland N.V.,

gevestigd te [woonplaats 1] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.J. Keuss, advocaat te Amsterdam (Postbus 75999, 1070 AZ),

tegen

[verweerder] ,

wonende te [postcode] [woonplaats 2] , [adres] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. W. Smit, jurist bij FNV te Groningen (Postbus 11047, 9700 CA).

Partijen zullen hierna Engie Services en [verweerder] worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Engie Services heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, ingekomen ter griffie op 25 augustus 2016. De werknemer heeft op 27 september 2016 een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 5 oktober 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De zaak is gevoegd behandeld met 18 andere ontbindingsverzoeken van Engie Services. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Engie Services heeft een pleitnota en per werknemer een toelichting/ aanvulling op de pleitnota overgelegd.

1.3.

Voorafgaand aan de zitting heeft Engie Services bij brieven/faxberichten van 30 september, 3 oktober en 4 oktober 2016 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is op [datum] bij Engie Services in dienst getreden. Hij verdient € [XXX] per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.2.

[verweerder] is werkzaam als Onderhoudsmonteur WTB, deze functie is geclassificeerd in salarisgroep 5-7. [verweerder] is ingedeeld in salarisgroep 7. Een Onderhoudsmonteur is verantwoordelijk voor het zelfstandig onderhouden en repareren en eventueel aanleggen en installeren van voorkomende installaties binnen de afgesloten (onderhouds)contracten. Een Onderhoudsmonteur dient te beschikken over een basisopleiding op VMBO niveau, een technische vakgerichte opleiding op niveau 3 en minimaal twee jaar werkervaring te hebben binnen het vakgebied.

2.3.

Engie Services is de rechtsopvolger van GTI N.V. en later Cofely Nederland N.V. Engie Services is het moederbedrijf van een aantal vennootschappen, waaronder Engie Services Noord B.V. (hierna: Engie Noord). De in deze procedures betrokken werknemers zijn formeel in dienst bij Engie Services Nederland en worden gedetacheerd bij Engie Noord.

2.4.

Engie Noord heeft haar statutaire zetel en hoofdvestiging in Roden. Zij heeft verschillende vestigingen in onder andere Leeuwarden, Nieuwe Pekela, Farmsum, Emmen, Groningen, Hengelo en Zwolle. Bij Engie Services werken circa 6000 werknemers, waarvan circa 900 bij Engie Noord.

2.5.

Engie Services is een technologisch bedrijf en levert diensten op het gebied van nieuwbouw, installatie, onderhoud, beheer en services van machines, installaties en de infrastructuur van gebouwen, advies en consultancy, engineering, fabricage, onderhoud beheer & services, installeren en project management in diverse sectoren: farmacie, de foodsector, feedsector, gebouwen, gezondheidszorg, duurzaam vervoer, data centers, innovatieve energieoplossingen, marine en offshore, olie en gas, (petro)chemie.

Engie Noord richt zich op de markt in Noord-Nederland (Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel).

2.6.

De werkzaamheden binnen Engie Noord kennen een sterk wisselend aanbod. Naast de structurele werkzaamheden en reguliere projecten die bij opdrachtgevers/klanten gedurende het jaar met de vaste bezetting worden uitgevoerd, vinden bij de opdrachtgevers/klanten - zowel in de industrie als in de utiliteit - zogeheten onderhoudsstops plaats. In deze korte perioden van een aantal weken wordt het productieproces stilgelegd en worden installaties en systemen aangepast of uitgebreid en getest en weer opgestart. In die korte tijd heeft Engie Noord extra arbeidsinzet nodig en worden ruim 100 inleenkrachten ingezet. Klanten van Engie Noord waar dergelijke stops plaatsvinden zijn onder meer NAM, Teijin, Campina en Nestlé.

2.7.

Engie Noord maakt ten aanzien van haar functies onderscheid naar inzetgebied (industrie en utiliteit), specialisme (elektrotechniek en werktuigbouwkunde), en mate van zelfstandigheid en klantcontact (projecten en services). Engie Noord hanteert een generiek functiehandboek, waarin onderscheid wordt gemaakt naar vakgebieden (ET = elektrotechniek, IT = installatietechniek, WTB = werktuigbouwkunde).

2.8.

Engie Noord haalde het grootste deel van haar omzet uit de sector Olie en Gas. Deze sector is in belangrijke mate afhankelijk van de olieprijs. De olieprijs staat sinds de wereldwijde economische crisis onder druk, en is in het laatste kwartaal van 2014 vrijwel gehalveerd. In het laatste kwartaal van 2015 is de prijs wederom sterk gedaald. Als gevolg van de dalende en aanhoudend lage olieprijs en de onzekerheid die daardoor ontstaat binnen de oliebranche ziet Engie Noord haar orderportefeuille teruglopen. Engie Noord verricht daarnaast veel werkzaamheden ten behoeve van de gasproductie in Noord-Nederland, onder andere bij de NAM. De NAM is onder meer door de structureel verlaagde gasproductie door de aardbevingsproblematiek en de daardoor sterk teruggelopen inkomsten genoodzaakt te reorganiseren. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt voor Engie Noord het rendement van de activiteiten in de olie- en gassector sterk af. Dit heeft effect op nagenoeg heel Engie Noord.

2.9.

De financiële positie van Engie Noord is door genoemde ontwikkelingen verslechterd. Het bedrijfsresultaat is in 2015 met 87,8 procent afgenomen ten opzichte van 2014, het netto resultaat met 91,8 procent. Over de eerste drie kwartalen van 2016 is er een negatieve Ebit van € 1,6 miljoen. Op grond van deze financiële situatie achtte Engie Noord het noodzakelijk om in te grijpen. Zij is in 2015 begonnen met de afbouw van inleenkrachten, het niet verlengen van tijdelijke arbeidsovereenkomsten, het reduceren van kosten en het opheffen van catering- en kantinefaciliteiten. Eind 2015 heeft Engie Noord een reorganisatie-nota opgesteld, waaruit blijkt dat 63,3 fte gedwongen komt te vervallen. Op 2 december 2015 heeft Engie Noord advies gevraagd aan de ondernemingsraad.

2.10.

Op 22 januari 2016 heeft Engie Services de Melding voornemen tot collectief ontslag kenbaar gemaakt.

2.11.

Tussen de bestuurder van Engie Noord en haar ondernemingsraad heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden, waarbij de ondernemingsraad zich heeft laten bijstaan door bureau GITP. Op 29 februari 2016 heeft de ondernemingsraad als volgt geadviseerd:

"De ondernemingsraad adviseert u, rekening houdend met de bovenstaande opmerkingen, uw voorgenomen besluiten op zo kort mogelijke termijn om te zetten in definitieve besluiten met daarin bevestigd de gemaakte afspraken 1 tot en met 22 en in te gaan op de adviezen A tot en met LL. Vervolgens kan uitvoering van de definitieve besluiten slechts plaatsvinden onder de voorwaarde dat een Sociaal Plan met de vakbonden (FNV, CNV en de Unie) definitief tot stand is gekomen. De ondernemingsraad verneemt aldus graag zo spoedig mogelijk schriftelijk uw definitieve besluit (artikel 25 lid 5 WOR) waarin u aangeeft of en in hoeverre u de adviezen van de ondernemingsraad overneemt. Daarbij is de ondernemingsraad duidelijk geworden dat de bestuurder niet alle adviezen integraal zal overnemen in het definitieve besluit. Daarom laat de ondernemingsraad de bestuurder hierbij expliciet weten dat hij gebruik zal maken van de opschortingstermijn zoals bedoeld in art. 25 lid 6 WOR."

De ondernemingsraad schrijft in haar advies onder meer:

"Directe functies

Binnen de businessunit Projecten komen veel verschillende directe functies voor. Sommige functies lijken onderling uitwisselbaar en zijn het volgens de bestuurder niet. Andere functies komen soms wel te vervallen en in andere gevallen blijft dezelfde functie wel bestaan. De ondernemingsraad krijgt op basis van wat binnen de businessunit Projecten wordt gepresenteerd niet het idee dat beleidsmatig is gekeken naar functies die al dan niet komen te vervallen. Waarom vervalt binnen Projecten Industrie de functie van Fitter en wordt deze functie elders in de Organisatie gehandhaafd? En waarom vervalt bij de relatiebedrijven de functie van Leidinggevend Monteur terwijl de Leidinggevend Monteur bij Projecten Utiliteit wel kan blijven? Volgens de ondernemingsraad wordt er gemeten met twee maten. Dit gevoel wordt versterkt door de manier waarop de directen bij aQuaintance en Projecten Industrie in de praktijk wel onderling uitgewisseld worden maar dat dit bij het bepalen van boventalligheid niet wordt meegenomen. De ondernemingsraad is van mening dat wanneer er een strategische keuze wordt gemaakt om bepaalde werkzaamheden niet meer zelf uit te voeren, dit voor heel Cofely Noord moet worden doorgevoerd.

De directe medewerkers worden aangestuurd door drie leidinggevenden. De ondernemingsraad stelt vast dat

medewerkers onder X veelal worden ingezet door X en X. De directe medewerkers onder X en X worden gezamenlijk gepland en X en X rapporteren gezamenlijk. Bij het afspiegelen worden juist de medewerkers van X en X in één groep geplaatst (Projecten Industrie) en blijven de medewerkers van (aQuaintance Turnarrounds) apart. Voor de ondernemingsraad is dit niet logisch en leidt dit tot een oneigenlijke afspiegeling. Dit wordt onderschreven doordat op dit moment juist, vanuit kwalitatief oogpunt, teams worden samengesteld / medewerkers worden gekozen vanuit de gehele populatie. Dit sluit ook aan op het competentiegerichte inzetten van medewerkers. Dit alles leidt voor de ondernemingsraad tot het volgende advies:

R. Advies - De ondernemingsraad adviseert om de gelijksoortige functies die vallen onder de heren X, X en X elk als één groep te beschouwen en binnen deze groepen af te spiegelen.

Ten aanzien van de functie voorman merkt de ondernemingsraad het volgende op: er wordt gesteld dat de functie van voorman (WTB en E&I) volledig vervalt. Deze functie is een laag tussen uitvoerder en hoofdmonteur. Uitvoerders zijn belangrijk om te behouden (5 WTB en 1 E&I) voor het benodigde hogere competentieniveau (zoals organiseren, coördineren en plannen) en de huidige rol van voorman ( 2 WTB en 2 E&I) kan worden opgevangen door de hoofdmonteurs (2 WTB en 2 E&I). De ondernemingsraad ziet dit echter anders: de hoofdmonteurs hebben namelijk niet de kwaliteiten en competenties, die deze voormannen hebben, zoals o.a. werkverantwoordelijk en schakelbevoegd. De hoofdmonteurs WTB kunnen dit wel. Dit leidt tot het volgende advies:

S. Advies - De ondernemingsraad adviseert om de functie voorman E&I niet te laten vervallen om de continuïteit van deze afdeling te waarborgen.

4.2.5

Businessunit Services Industrie

Om te beginnen is de ondernemingsraad verbaasd over het feit dat projectleiders binnen de businessunit Services

Utiliteit niet gemist kunnen worden vanwege hun commerciële activiteiten en dat (senior) projectleiders die eveneens commerciële activiteiten verrichten voor de businessunit Services Industrie de Organisatie wel kunnen verlaten. Binnen de businessunit Services Industrie komen vier senior projectleiders en één projectleider te vervallen. De ondernemingsraad maakt zich grote zorgen of de commerciële activiteiten die deze (senior) projectleiders verrichten voldoende in beeld zijn en of deze in de nieuwe Organisatie op een goede plek worden belegd. Het kan immers niet zo zijn dat met het vertrek van de (senior) projectleiders ook de opdrachten afnemen omdat er onvoldoende capaciteit is om de commerciële activiteiten op te vangen.

(…)

In de ogen van de ondernemingsraad worden oneigenlijke argumenten gehanteerd waarom de senior projectleiders eruit moeten. Er is geen relatie tussen de NAM en het werk dat vervalt. Het is niet aangetoond dat verschillende projectleiders niet nodig zijn. In het ene geval vervallen er vier senior projectleiders op een omzetverlies van c.a. 8%. En in het andere geval, Roden, vervalt er 20% van de omzet en worden er geen senior projectleiders boventallig. Het advies van de ondernemingsraad is dan ook kort en bondig:

T. Advies - Hou de senior projectleiders in dienst!"

(…)

Overige vestigingen

Dat de eerste monteurs en leidinggevende monteurs (verder: ET Monteurs) komen te vervallen, is ingegeven vanuit een visie. Toch heeft de ondernemingsraad moeite met de manier waarop deze maatregel wordt doorgevoerd. Enerzijds omdat de ET Monteurs die nu boventallig worden op dit moment voldoende en structureel werk lijken te hebben. Anderzijds omdat er ook enkele uitzonderingen worden gemaakt. Ten derde is het voor de

ondernemingsraad niet duidelijk geworden of er pogingen zijn ondernomen om de betreffende ET Monteurs door te ontwikkelen. Dit leidt voor de ondernemingsraad tot de volgende adviezen:

Y. Advies - Besteed extra aandacht aan het feit waarom de betreffende ET Monteurs boventallig worden en maak duidelijk waarom er bepaalde uitzonderingen zijn gemaakt.

Z. Advies - Maak duidelijk aan de betreffende ET Monteurs welke inspanningen zijn verricht om hen door te

ontwikkelen naar een functie die wél binnen Cofely Noord blijft.

AA. Advies - Maak duidelijk waarom dit strategische besluit versneld wordt doorgevoerd in plaats van op basis van natuurlijk verloop afscheid nemen van deze groep medewerkers."

2.12.

Op 1 maart 2016 heeft de bestuurder van Engie Noord zijn definitieve besluit aan de ondernemingsraad doen toekomen. De bestuurder is daarbij ingegaan op de adviezen van de ondernemingsraad en heeft verder het volgende geschreven:

"Helaas heeft u ondanks ons herhaaldelijk verzoek besloten uw voorwaarde niet te laten vervallen dat alleen

uitvoering aan het besluit kan worden gegeven wanneer met vakbonden een sociaal plan is overeengekomen. Hierdoor moeten wij helaas constateren dat deze voorwaarde de uitvoering van de reorganisatie (op korte termijn) feitelijk onmogelijk maakt, aangezien de vakbonden conform hun brief van 19 februari jl. inderdaad bij het laatste geplande overleg op 29 februari jl. de onderhandelingen over een sociaal plan niet hebben opgepakt en er daarom redelijkerwijs (op korte termijn) een met de vakbonden overeengekomen sociaal plan niet is te verwachten.

Dit betekent echter niet dat Cofely de reorganisatie gaat uitvoeren zonder sociaal plan. Het is de bedoeling

om het vertrouwelijk aan u verstrekte eenzijdige sociaal plan te hanteren (met daarin bovenwettelijke

ontslagvergoedingen, het aanbieden van outplacementbegeleiding en het ter beschikking stellen van een

opleidingsbudget). Hiermee meent Cofely dat de voorwaarde die de OR heeft gesteld is ingevuld en

uitvoering kan worden gegeven aan het besluit.

Zoals reeds eerder aangegeven, wordt het voorgenomen besluit ten aanzien van de reorganisatie van Cofely

Noord BV geëffectueerd, met inachtneming van het hierboven gestelde met betrekking tot de adviezen en

afspraken. Bij de uitvoering van het besluit wordt, gelet op het niet integraal overnemen van alle adviezen

en de voorwaarde, de door de Ondernemingsraad ingestelde opschortingstermijn in acht genomen. Dit

houdt in dat de betrokken medewerkers niet eerder dan in april 2016 geïnformeerd zullen worden over de

persoonlijke consequenties, tenzij de Ondernemingsraad alsnog afziet van haar mogelijkheid tot het instellen

van beroep. De bestuurder betreurt het feit dat de periode van onzekerheid voor de medewerkers hiermee

helaas nog verder wordt verlengd. Naast het mogelijk toenemen van arbeidsonrust bestaat tevens een

gerede kans op (stakings-)acties met risico van schade aan in- en externe relaties, de bedrijfsvoering en het

imago van Cofely Noord."

2.13.

Bij brief van 10 maart 2016 heeft de ondernemingsraad gereageerd op het definitieve besluit van de bestuurder. In een e-mail van 29 maart 2016 heeft de ondernemingsraad bevestigd dat hij heeft toegezegd bereid te zijn van verdere opschorting af te zien.

2.14.

Op 4 april 2016 heeft Engie Noord de betrokken werknemers, waaronder [verweerder] , schriftelijk geïnformeerd over de reorganisatie en boventalligheid aangezegd. Deze datum geldt als peildatum voor de reorganisatie. In de brief staat het volgende, voor zover van belang:

"Uw arbeidsovereenkomst zal daarom per 1 mei 2016 eindigen.

Er zijn voor u op dit moment geen herplaatsingsmogelijkheden gevonden binnen ENGIE Services of binnen één van de bedrijven van de groep ENGIE in Nederland. Wij zullen daarom voor u een ontslagvergunning aanvragen bij het UWV Werkbedrijf. Wij zullen ons echter tot en met 30 april 2016 blijven inspannen om voor u een passende functie te vinden.

U bent per direct vrijgesteld van werk, echter zonodig zal uw leidinggevende binnenkort contact met u opnemen om een afspraak in te plannen voor de werkoverdracht."

2.15.

Engie Noord heeft begin april 2016 alle boventallige werknemers een vacatureoverzicht gestuurd en uitgenodigd om op passende functies te solliciteren. Op 19 en 20 juli 2016 heeft zij wederom alle boventallige werknemers een vacatureoverzicht overhandigd. Ook zijn geanonimiseerde c.v.'s opgesteld en gedeeld met de recruiters binnen het concern van Engie Services. Alle werknemers zijn uitgenodigd voor een individueel intake-gesprek voor outplacement, waarna zij konden kiezen voor outplacement en/of scholing. Er is door Engie Services een 'weerbaar-naar-werk'-programma samengesteld, waarin de werknemers ondersteuning wordt geboden bij het solliciteren.

2.16.

Van de 65 boventallig verklaarde werknemers hebben 37 werknemers een vertrekregeling geaccepteerd, gaan met pensioen, zijn arbeidsongeschikt of herplaatst.

2.17.

Engie Services heeft voor een groot aantal werknemers, waaronder [verweerder] , het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst te mogen opzeggen op grond van bedrijfseconomische redenen. [verweerder] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. Het UWV heeft Engie Noord een brief van 8 juni 2016 gestuurd met nadere vragen. Engie Noord heeft daarop gereageerd bij brief van 15 juni 2016, waarop door [verweerder] is gereageerd bij brief van 23 juni 2016.

2.18.

Het UWV heeft in zijn beslissing van 6 juli 2016 de gevraagde toestemming geweigerd. Het UWV heeft het volgende - voor zover van belang - overwogen:

Beoordeling

Uw aanvraag is gebaseerd op bedrijfseconomische redenen, te weten de subgrond slechte of slechter wordende financiële situatie. Wij hebben geconstateerd dat de OR na een adviesaanvraag heeft geadviseerd en voorts dat daadwerkelijk overleg met de vakbonden heeft plaatsgevonden. Op grond daarvan hebben wij uw aanvraag in behandeling genomen.

(…)

Ons is aannemelijk geworden, nu overige maatregelen kennelijk onvoldoende resultaat hebben gehad, dat in uw bedrijf op bedrijfseconomische overwegingen arbeidsplaatsen structureel moeten komen te vervallen. Nu uw overige maatregelen ruim 2 miljoen aan besparingen tot gevolg hebben, doch 6,4 miljoen aan besparingen vereist is, vinden wij het niet onredelijk dat u 4,2 miljoen op uw personeelskosten wenst te bezuinigen. Wij achten de ontslagvoordracht qua omvang niet onevenredig.

Daarbij is niet aannemelijk, dat de voor ontslag voorgedragen werknemers structureel worden vervangen door uitzendkrachten die onderhoudswerkzaamheden plegen. Er is immers sprake van andere niet uitwisselbare functies. U hoeft deze uitzendkrachten niet heen te zenden. Hiermee is niet gezegd dat deze werkzaamheden niet passend zouden kunnen zijn voor de voor ontslag voorgedragen werknemers.

Van belang is daarbij vast te stellen, dat de hiervoor bedoelde uitzendkrachten geen tijdelijke werkzaamheden verrichten. Uit de door u in de procedure gebrachte grafiek omtrent de omvang van het ingehuurde flexpersoneel volgt, dat u meerjarig het gehele jaar inleent. Er is geen sprake van tijdelijk, maar van voortdurend werk. Daarmee zijn de stellingen van werknemers dat niet enkel bij bedrijfsstops sprake is van onderhoud aannemelijk geworden.

U zet, zo stelt u, zo nodig tevens uitzendkrachten tijdens de stopperiode in op boventallig verklaarde functies. Nu niet aannemelijk is geworden dat onderhoud enkel kortlopend tijdens een stopperiode plaatsvindt worden derhalve wel uitzendkrachten ingezet op de functies van de werknemers die voor ontslag worden voorgedragen. U

heeft dit qua omvang onvoldoende gespecificeerd. Twijfel is derhalve gerezen of dit zich verhoudt met de vigerende regelgeving en op zich niet reeds in de weg staat aan het verlenen van een toestemming tot het mogen opzeggen van een arbeidsverhouding.

Ons is aannemelijk geworden dat er geen werkzaamheden zijn uitbesteed die de bij deze ontslagaanvraag betrokken werknemers zouden kunnen verrichten.

Ontslagvolgorde

De formele werkgever is de Engie Services Nederland NV. Engie Services Nederland NV detacheert zijn werknemers bij Engie Services Noord BV. Hier is sprake van een eigen rechtspersoon, een eigen locatie, inschrijving Kamer van Koophandel en cijfers die geconsolideerd zijn bij de moedermaatschappij en het zich extern publiekelijk profileren als aanbieder van goederen en diensten.

Engie Services Noord BV is derhalve een zelfstandige bedrijfsvestiging met een eigen bedrijfsvoering. Op basis van artikel 14 Uitvoeringsregels Ontslag wordt derhalve afgespiegeld bij Engie Services Noord BV. Waar dit de afspiegelingsentiteit is, is de discussie over meerdere vestigingen daarbinnen niet relevant. Als peildatum geldt 4 april 2016. Daarbij is niet aannemelijk geworden dat tussen 1 januari 2016 en 4 april 2016 sprake is geweest van relevante mutaties in het personeelsbestand.

De Ontslagregeling bepaalt dat werknemers volgens het afspiegelingsbeginsel voor ontslag in aanmerking moeten worden gebracht.

Uitwisselbare functies zijn functies die vergelijkbaar zijn voor zover het betreft de inhoud van de functie, de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties, en de tijdelijke of structurele aard van de functie; en het niveau van de functie en de bij de functie behorende beloning gelijkwaardig zijn.

U heeft de uitwisselbare functiecategorieën juist vastgesteld aan de hand van de definitie van uitwisselbare functies. U heeft daarbij functieomschrijvingen overgelegd. U heeft eveneens een adequaat personeelsoverzicht verstrekt.

Werknemer is sinds [datum] in dienst en werkzaam in de functie van Onderhoudsmonteur

Statische WTB. De functie Onderhoudsmonteur Statische WTB is niet uitwisselbaar met andere

functies. Daarbij is Industrie niet uitwisselbaar met Utiliteit te achten. Functies binnen de specialisaties E&I (Elektro &Instrumentatie) en WTB (werktuigbouwkunde) binnen de Industrie zijn even eens niet uitwisselbaar. De specialisatie statische WTB (piping en constructie) vergt andere disciplines, kennis en vaardigheden en is niet uitwisselbaar met roterende werkzaamheden (rotating). Werknemer geeft aan dat hij niet (enkel) werkzaam was als Onderhoudsmonteur Statische WIB en stelt dat hij alleen onderhoudswerkzaamheden voor de afdeling Maintenance verrichtte. Werknemer geeft aan dat hij voor de afdeling WTB werkzaam was als Fitter. Ten aanzien van werknemers opmerking met betrekking tot de afdeling Maintenance merken wij op dat werknemer hier op incidentele basis is ingezet. Voor ons is het voldoende aannemelijk geworden dat werknemer Onderhoudsmonteur is, voor de afdeling WIB en ten behoeve van hoofdzakelijk statische werkzaamheden werd ingezet.

Uit de reorganisatienota blijkt dat de functie van Onderhoudsmonteur Statische WTB komt te vervallen. Nu alle arbeidsplaatsen in deze functiecategorie komen te vervallen, kan de ontslagvoordracht van werknemer als redelijk worden aangemerkt.

Ons is niet gebleken van leeftijdsdiscriminatie. U heeft niet afgeweken van het afspiegelingsbeginsel dat een objectieve ontslagvoordracht waarborgt.

Herplaatsing

Er is geen redelijke grond voor ontslag als de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, herplaatst kan worden binnen de onderneming of de groep. Van een werkgever mag daarom verwacht worden dat hij zich inspant om een werknemer van wie de arbeidsplaats vervalt te herplaatsen.

Niet aannemelijk is geworden, dat u voldoende herplaatsingsinspanningen gepleegd heeft.

U leent immers meerjarig en gedurende het gehele jaar uitzendkrachten in die zowel werkzaam zijn op onderhoudswerkzaamheden (waarvan niet uitgesloten kan worden dat dit passend werk voor de voor ontslag voorgedragen werknemers is) als op de eigen functies van werknemers die voor ontslag zijn voorgedragen. Daarbij worden werknemers zo nodig ook op andere vakgebieden/disciplines dan de eigen ingezet, kennelijk vanwege behoefte aan personele capaciteit aldaar.

Gelet op de veelheid aan werkzaamheden die zijn ondergebracht bij flexkrachten en de kennelijke behoefte aan personeel bij andere disciplines van uw bedrijf is niet aannemelijk geworden, dat door een andere organisatie dan wel herschikking van de werkzaamheden in uw bedrijf geen herplaatsingsmogelijkheden aanwezig zouden kunnen zijn.”

3 Het verzoek

3.1.

Engie Services verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt Engie Services ten grondslag dat sprake is van - kort gezegd - bedrijfseconomische omstandigheden, op grond waarvan zij het UWV toestemming heeft gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] - en 18 andere werknemers - te mogen opzeggen. Engie Services kan zich niet verenigen met de beslissing van het UWV die toestemming te weigeren en verzoekt de kantonrechter daarom de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Ter onderbouwing heeft Engie Services het navolgende naar voren gebracht.

De financiële positie van Engie Noord is de afgelopen periode sterk verslechterd. Kostenbesparingen hebben onvoldoende effect gehad, zodat voor het voortbestaan van de onderneming, en daarmee een doelmatige bedrijfsvoering, het structureel vervallen van arbeidsplaatsen is vereist.

3.3.

Bij de selectie van werknemers heeft Engie Services de Ontslagregeling en Uitvoeringsregels van het UWV in acht genomen. Zij stelt dat Engie Noord als bedrijfsvestiging van Engie Services heeft te gelden, zodat de selectie van de werknemers conform artikel 14 Ontslagregeling plaats dient te vinden binnen Engie Noord.

Extern personeel

3.4.

Engie Services stelt dat geen arbeidsplaatsen komen te vervallen binnen categorieën uitwisselbare functies waarvoor thans werknemers worden ingehuurd en dat er geen sprake is van structurele inleen van arbeidskrachten.

Uitwisselbare functies

3.5.

Engie Services stelt dat de functies binnen Engie Noord zich onderscheiden in (i) vakgebied (industrie en utiliteit), (ii) specialismen (elektrotechniek en werktuigbouwkunde) en (iii) mate van zelfstandigheid en klantcontact (project en services). Gelet hierop is volgens Engie Services van uitwisselbaarheid niet snel sprake. Daar komt bij dat tevens het leidinggevend karakter, de loonschaal en de mate van zelfstandig klantcontact per functie verschilt. Door Engie Services wordt dit als volgt uitgewerkt:

Een basisonderscheid met betrekking tot het bepalen van de uitwisselbaarheid van de

functies is het verschil in vakgebieden tussen (i) industrie en utiliteit en (ii) elektrotechnische werkzaamheden en werktuigbouwkundige werkzaamheden. Vervolgens wordt er per vakgebied onderscheiden in functievereisten en werkzaamheden. Zo onderscheidt Engie Services binnen deze vakgebieden de volgende specialismen: Industriële automatisering, Hoogspanning, Fire en Security, Maintenance en Maintenance Engineering.

In de industriële sector worden materiële goederen in fabrieken en ondernemingen

geproduceerd. De activiteiten van Engie Noord zijn gericht op de werkzaamheden aan

procesgebonden installaties waarbij Engie Noord in het primaire proces van de klant

werkzaam is. De werkzaamheden in de foodindustrie zijn daarbij heel verschillend ten

opzichte van de werkzaamheden in bijvoorbeeld de staalindustrie, door bijvoorbeeld het

verschil in werkomstandigheid (hygiëne), werkomgeving, veiligheidsvereisten, het

gebruik van andere materialen en dergelijke.

In de utiliteit worden activiteiten verricht met betrekking tot alle gebouwgebonden

installaties zoals bijvoorbeeld verlichting, verwarming, toegangscontrole, cctv, en dergelijke, in bouwwerken die geen woonbestemming hebben, zoals bijvoorbeeld: kantoren, scholen, opslagruimtes (waaronder data centers), winkels, ziekenhuizen, opvangcentra, enzovoorts.

Elektrotechnische werkzaamheden zijn werkzaamheden aan elektrotechnische installaties in de utiliteit en de industrie. Hierbij kan gedacht worden aan: beveiligingsinstallaties, technische automatiseringsinstallaties, elektromechanisch onderhoud, beheer en inspectie van installaties, infratechnische installaties, aardings- en overspanningsinstallaties, laagspanningsinstallaties en hoogspanningsinstallaties. Ieder van dit soort werkzaamheden kent in het algemeen weer zijn eigen expertise en vaardigheden.

Werktuigbouwkunde richt zich binnen de industrie op de verschillende technieken in de

metaalverwerking (plaatwerk, verspaning, constructiebank/lassen, of montage of onderhoudswerkzaamheden). Werktuigbouwkundige werkzaamheden worden ook weer

opgesplitst in deelgebieden, zoals: machinebouw, energie- en aandrijftechniek, staal- en

constructiebouw. Binnen al deze sectoren worden objecten ontworpen, gemaakt en

onderhouden die mechanische handelingen moeten uitvoeren (tillen, bewegen,

verplaatsen, druk opbouwen, enz.). Werktuigkunde binnen de Utiliteit betreft

bijvoorbeeld: klimaatinstallaties, cv, verwarmen, koelen, sanitair installaties en pompen.

Ook hier geldt dat elk van dit soort werkzaamheden in het algemeen weer zijn eigen

expertise en vaardigheden en werkomstandigheden kent.

Ten slotte verschilt de zelfstandigheid en de mate van klantcontact. Werknemers die op

projectbasis werken worden ingedeeld in teams. Deze teams worden aangestuurd door

een voorman, chefmonteur en/of een uitvoerder. Dit betekent dat de werknemer in

kwestie een bepaald aantal taken krijgt dat moet worden uitgevoerd onder leiding en

toezicht van een chefmonteur en/of een uitvoerder. Werknemers op projectbasis hebben in

principe geen verantwoordelijkheid voor direct klantcontact. Werknemers die op

servicebasis werken, worden niet direct aangestuurd, zijn alleen of met zijn tweeën aan

het werk, zijn vaak langere tijd aan een klant verbonden en stemmen (zo nodig) in

overleg met de klant af welke werkzaamheden dienen te worden verricht.

Volgens Engie Services zegt de (generieke) functietitel niets over de onderlinge uitwisselbaarheid van functies.

Volgens Engie Services is [verweerder] werkzaam, niet enkel als Onderhoudsmonteur, maar als Onderhoudsmonteur Statische WTB, Industrie, Services.

3.6.

Kennis, kunde en ervaring in genoemde specifieke omgevingen, processen en vakgebieden zijn onontbeerlijk om werkzaamheden uit te voeren en in belangrijke mate bepalend voor de rol en het niveau die in die omstandigheden kunnen worden ingevuld. Engie Services kent functiereeksen als Aankomend Monteur - Monteur - Eerste Monteur - Hoofdmonteur - Chefmonteur, die vallen te beschouwen als een loopbaanpad binnen elke kennis, markt en processituatie.

Afspiegelingsbeginsel

3.7.

Engie Services stelt dat de functie van Onderhoudsmonteur Statische WTB niet uitwisselbaar is met ander functies. Functies binnen de specialisatie E&I (elektro en instrumentatie) en WTB (werktuigbouwkunde) binnen de industrie zijn evenmin uitwisselbaar. De specialisatie statische WTB (piping en constructie) vergt andere disciplines, kennis en vaardigheden en is niet uitwisselbaar met roterende werkzaamheden.

De gehele functiecategorie Onderhoudsmonteur Statische WTB komt te vervallen. Hierdoor is volgens Engie Services [verweerder] boventallig. Volgens Engie Services is [verweerder] de afgelopen jaren structureel ingezet binnen de industrie en heeft hij het grootste gedeelte van de tijd besteedt voor Services.

Herplaatsing

3.8.

Engie Services stelt te hebben onderzocht of [verweerder] binnen een redelijke termijn (vier maanden), al dan niet met behulp van scholing kan worden herplaatst. Dit is echter niet mogelijk gebleken. Zij betwist dat zij niet voldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht. Engie Services stelt daartoe dat zij de herplaatsingsinspanning als vermeld onder r.o. 2.15 heeft verricht.

3.9.

[verweerder] heeft niet op hem toegezonden vacatures gereageerd, waaruit volgens Engie Services kan worden afgeleid dat [verweerder] zelf ook van mening is, dat er voor hem geen passende vacatures zijn. [verweerder] heeft niet deelgenomen aan de 'weerbaar-naar-werk'-sessie op 14 april 2016.

Leeftijdsdiscriminatie

3.10.

Engie Services betwist dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan leeftijdsdiscriminatie. Zij is wettelijk verplicht af te spiegelen en dat heeft zij gedaan. Het gevolg daarvan is dat een aantal oudere werknemers voor ontslag in aanmerking komt. Engie Services heeft - in tegenstelling tot wat in de uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens van 17 mei 2016 (2016-41) aan de orde was - alternatieve maatregelen genomen door intern besparingen door te voeren. Engie heeft getracht de financiële gevolgen voor oudere werknemers zoveel mogelijk te beperken door toepassing van het sociaal plan. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat de gemiddelde leeftijd van de werknemers van Engie Services relatief hoog is.

4 Het verweer

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen, met veroordeling van Engie Services in de kosten van de procedure. Hij voert daartoe - samengevat - het navolgende aan.

Extern Personeel

4.2.

[verweerder] stelt dat er bij Engie Noord sprake is van ruime en structurele inzet van flexibele arbeidskrachten waardoor er vraagtekens te plaatsen zijn bij het aantal werknemers dat boventallig is verklaard. Volgens [verweerder] is Engie Noord geen seizoenbedrijf en worden uitzendkrachten niet alleen tijdens de pieken maar gedurende het hele jaar ingezet. Tijdens de UWV-procedure en in haar verzoekschrift heeft Engie Services nagelaten om aan de hand van objectiveerbare gegevens inzichtelijk te maken hoeveel uitzendkrachten er de afgelopen periode zijn ingezet, in welke functies en voor welke periode. Volgens [verweerder] kan Engie Services boventallige werknemers herplaatsen nu Engie Services niet heeft onderbouwd dat het niet gaat om structurele inzet van uitzendkrachten op passende arbeid. [verweerder] voert aan dat het UWV ook heeft geoordeeld dat het zeer wel mogelijk is dat uitzendkrachten ingezet worden op functies van werknemers die voor ontslag worden voorgedragen.

Uitwisselbare functies

4.3.

Engie Services heeft volgens [verweerder] een gekunsteld onderscheid aangebracht tussen op zich onderling uitwisselbare functies binnen Industrie en Utiliteit en binnen Projecten en Services. Volgens [verweerder] verschillen de inzetgebieden Industrie en Utiliteit en de bedrijfsonderdelen Projecten en Services niet zodanig qua inhoud, vereiste kennis en vaardigheden en competenties dat deze niet meer vergelijkbaar en naar niveau en beloning gelijkwaardig zijn. Dit blijkt volgens [verweerder] uit het feit dat in de praktijk veelvuldig en structureel uitwisseling plaatsvindt van werknemers tussen beide inzetgebieden en beide bedrijfsonderdelen. Volgens [verweerder] gaat het vooral om 1e Monteurs en Chefmonteurs. Soms is er een kortdurende opleiding nodig voor specifieke omgevingsfactoren die gelden bij de klant, of een klantgerichte opleiding. De structurele inzet en de directe inzetbaarheid van uitzendkrachten in beide inzetgebieden en onderdelen ondersteunen volgens [verweerder] dit standpunt. Voor Projecten geldt dat geregeld monteurs worden ingezet in kleinere projectteams bestaande uit twee werknemers. Voor deze kleinere projectteams geldt ook het vereiste van een grote mate van zelfstandigheid en dagelijks contact met de klant. Volgens [verweerder] heeft Engie Services niet aannemelijk gemaakt dat voor de functies binnen Projecten en Services verschillende competenties vereist zijn en dat er binnen Engie Services ook daadwerkelijk sprake is van een personeelsbeleid waarvan competentiemanagement deel uitmaakt. Tevens heeft Engie Services ervoor gekozen om te werken met een generiek functiehandboek met generieke profielen. Voor de functie Hoofdmonteur die wordt ingezet binnen Industrie gelden dezelfde opleidings- en ervaringseisen, functie-gebonden competenties en functieniveau karakteristieken als voor een Hoofdmonteur die wordt ingezet in Utiliteit. Engie Services heeft volgens [verweerder] niet voldaan aan de op haar rustende verplichting om middels objectieve gegevens aan te tonen dat de voorkomende functies onderling zodanig verschillen, dat er sprake is van niet-uitwisselbaarheid. In het door Engie Services beschreven onderscheid tussen elektrotechnische werkzaamheden (ET) en werktuigbouwkundige werkzaamheden (WTB) kan [verweerder] zich in beginsel vinden. Ook begrijpt [verweerder] dat binnen Industrie en Utiliteit functies bestaan die niet uitwisselbaar zijn, maar dit geldt niet voor uitvoerende functies. Bovenstaande betekent naar de mening van [verweerder] dat het afspiegelingsbeginsel niet goed is toegepast.

Afspiegelingsbeginsel

4.4.

Naast het door Engie Services ten onrechte gemaakte onderscheid zoals hierboven genoemd, wordt naar de mening van [verweerder] het afspiegelingsbeginsel anderszins niet goed toegepast. Engie Services heeft volgens [verweerder] bepaalde uitwisselbare functies ten onrechte buiten beschouwing gelaten. [verweerder] wijst op de functies van Uitvoerder E&I en Uitvoerder WTB bij de onderdelen aQuaintance en Projecten Industrie welke onderdelen volgens werknemer samen afgespiegeld hadden moeten worden. aQuaintance is echter ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

4.5.

[verweerder] is van mening dat hij werkzaam is als Onderhoudsmonteur (WTB). Engie Services heeft geen aanvullende, specifieke functiebeschrijving overgelegd, waaruit blijkt dat er in statische werkzaamheden ander disciplines, kennis en vaardigheden worden gevergd dan in roterende werkzaamheden. In haar reactie op het 1e verweer van [verweerder] in de procedure bij het UWV bevestigt Engie Services dat [verweerder] al jaren wordt ingezet in roterende werkzaamheden bij Teijn. Ook zou hij soms en op incidentele basis in andere roterende werkzaamheden zijn ingezet. [verweerder] stelt dat hij structureel in roterende werkzaamheden wordt ingezet.

Herplaatsing

4.6.

Volgens [verweerder] heeft Engie Services niet inzichtelijk gemaakt dat de boventallige werknemers niet op de functies van structurele inleenkrachten kunnen worden geplaatst. Ook op het gebied van scholing is volgens [verweerder] door Engie Services geen actie ondernomen. Hij heeft geen gesprek gehad met Engie Services over passende functies of over functies die voor hem passend zouden kunnen worden na scholing.

Leeftijdsdiscriminatie

4.7.

Tot slot wordt naar de mening van de [verweerder] vast personeel, met name oudere werknemers met een lang dienstverband, de facto vervangen door goedkopere flexibele arbeidskrachten, zodat gesproken kan worden van leeftijdsdiscriminatie. Volgens [verweerder] is het opvallend dat 55% van de boventalligen 55 jaar en ouder is. [verweerder] doet een beroep op de uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens van 17 mei 2016 (2016-41). Volgens [verweerder] heeft Engie niet aannemelijk gemaakt dat zij bij de reorganisatie heeft gezocht naar doeltreffende middelen die niet of minder onderscheid makend zijn naar leeftijd.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om het antwoord op de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De in de onderhavige zaak aan de orde zijnde basis voor de redelijke grond is die omschreven in artikel 7:669 lid 3 sub a BW, bedrijfseconomische omstandigheden. Voor de toepassing van de redelijke grond verval van de arbeidsplaatsen vanwege bedrijfseconomische omstandigheden - zijn bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

Partijen verschillen in deze zaak niet van mening over de bedrijfseconomische redenen die noodzaken tot het verval van arbeidsplaatsen. Het verschil van mening betreft eerstens de vraag welke werknemers voor ontslag kunnen worden voorgedragen (het afspiegelingsbeginsel) en ten tweede de door Engie Services gepleegde inspanning om tot herplaatsing van die voor ontslag voorgedragen werknemers te komen. Een derde geschilpunt houdt verband met de hiervoor genoemde aspecten en betreft de al of niet verboden leeftijdsdiscriminatie door de wijze waarop Engie Services het afspiegelingsbeginsel heeft toegepast en door de mate waarin zij zich heeft gekweten van haar inspanningsverplichting.

5.3.

Engie Services heeft verspreid over de drie locaties van de rechtbank Noord-Nederland nagenoeg gelijkluidende ontbindingsverzoeken ingediend voor 19 werknemers. Een ontslagvergunning voor die werknemers was Engie Services geweigerd door het UWV in 19 nagenoeg gelijkluidende beslissingen. De kantonrechter heeft besloten de 19 ontbindingsverzoeken, waartegen 19 nagenoeg gelijkluidende verweerschriften zijn ingediend, gelijktijdig te behandelen op een (1) zitting. De reden daarvoor is de sterke overeenkomst tussen de 19 zaken en de wens van de kantonrechter een vergelijkbaar (beoordelings)kader te hebben als het UWV. Deze instantie heeft immers ook de 19 zaken tegelijkertijd voorgelegd gekregen en beoordeeld. Een zuivere herbeoordeling als bedoeld in artikel 7:671b lid 1 sub b BW, brengt naar het oordeel van de kantonrechter mee dat ook door hem de 19 zaken tegelijkertijd worden behandeld en beoordeeld.

Afspiegeling

5.4.

Het eerste geschilpunt betreft de toepassing van het afspiegelingsbeginsel.

De door de werknemers voorgestane uitwisselbaarheid van gelijk(soortig)e functies in enerzijds Industrie en anderzijds Utiliteit, ziet de kantonrechter niet. Engie Services heeft voldoende uitgelegd dat werk in de Industrie andere - sector specifieke - kennis vereist, dan werk in de Utiliteit. In de Industrie, aldus Engie Services, moet worden gewerkt aan procesinstallaties die per klant verschillen, zoals olie- en gasinstallaties (NAM) en chemische installaties (Akzo). In de Utiliteit moet worden gewerkt aan de generieke installaties voor elektriciteit, verwarming en ventilatie van scholen, kantoorgebouwen en ziekenhuizen. Het is voor de kantonrechter duidelijk dat - bij voorbeeld - een elektrotechnicus of een werktuigbouwkundige in de Industrie niet onderling uitwisselbaar is met een vakgenoot uit de Utiliteit.

5.5.

Dat ook, binnen de Industrie en binnen de Utiliteit, gelijk(soortig)e functies tussen Services enerzijds en Projecten anderzijds onderling niet uitwisselbaar zijn, oordeelt de kantonrechter onaannemelijk. Waar Engie Services terecht stelt dat het objectief - om de functie gaat en niet subjectief - om de werknemer en wat hij kan (leren), is het naar het oordeel van de kantonrechter onbegrijpelijk dat voor een technische functie, waarbij vooral de technische vaardigheden belangrijk zijn, door Engie Services de zogenaamde softskills (in de oude Beleidsregels UWV: competenties) worden opgevoerd om tot niet uitwisselbaarheid te concluderen tussen de genoemde inzetgebieden. Enig begrip daarvoor zou er kunnen zijn wanneer het betreft functies waarvoor juist die softskills van belang zijn, zoals verkoper of medewerker call centre, maar dat dat speelt bij de onderhavige technische functies heeft Engie Services onvoldoende naar voren gebracht en valt niet zonder meer in te zien. Anders gezegd, zullen er functies zijn bij welke het soortelijk gewicht van de softskills groter is, maar Engie heeft onvoldoende gesteld op grond waarvan de kantonrechter kan concluderen dat een electrotechnicus of werktuigbouwkundige werkzaam in Services niet kan werken in Projecten, en andersom. Nog anders gezegd, meent de kantonrechter dat het bij deze functies, zonder meer, en meer is niet gesteld, naast de technische vaardigheden gaat om de basale communicatieve competenties die in beginsel bij ieder normaal functionerend mens worden verondersteld aanwezig te zijn.

5.6.

Vorenstaande betekent, zo oordeelt de kantonrechter, dat Engie Services het afspiegelingsbeginsel niet juist heeft toegepast, meer in het bijzonder door in de bij haar voorkomende functies te veel differentiatie aan te brengen, ten onrechte leidend tot minder uitwisselbare functies. Engie Services heeft niet gesteld dat functies gelijk(soortig) aan die van [verweerder] , zowel binnen Projecten niet bestaan of alle komen te vervallen. Engie Services heeft, mede gelet op haar standpunt in de UWV-procedure, in de onderhavige zaak onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat de door haar beweerde functie van Onderhoudsmonteur Statische WTB niet uitwisselbaar is met de functie van Onderhoudsmonteur WTB die (ook) roterende werkzaamheden heeft.

Voor [verweerder] leidt deze conclusie tot het oordeel dat het ontbindingsverzoek moet worden afgewezen.

Herplaatsing

5.7.

Het tweede geschilpunt betreft de mate waarin Engie Services zich heeft gekweten van haar inspanningsverplichting tot herplaatsing van de werknemer.

5.8.

Ingevolge artikel 7: 669 lid 1 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst pas opzeggen wanneer daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Herplaatsing ligt niet in de rede wanneer sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in lid 3 onder e van voormeld artikel. In deze zaak is verwijtbaar handelen niet aan de orde.

5.9.

Op grond van artikel 9 van de Ontslagregeling moeten bij de beoordeling of bij Engie Services een passende functie beschikbaar is voor de werknemer, de volgende arbeidsplaatsen worden betrokken:

  • -

    die waarvoor een vacature bestaat of waarvoor binnen een redelijke termijn een vacature zal ontstaan,

  • -

    die van werknemers/uitzendkrachten/gedetacheerden die werkzaam zijn op basis van - kort gezegd - tijdelijke overeenkomsten van meer 26 weken, en,

  • -

    arbeidsplaatsen in andere tot de onderneming behorende entiteiten.

De redelijke termijn waarbinnen naar een passende functie gezocht moet worden, gaat in beginsel in op de dag waarop het UWV op het verzoek om toestemming beslist. Niettemin zal de werkgever op het moment van indienen van het verzoek een inschatting moeten maken van de mogelijkheden tot herplaatsing vanaf dat inschattingsmoment tot en met de redelijke termijn. In artikel 10 van de Ontslagregeling is bepaald dat de redelijke termijn gelijk is aan de opzegtermijn. Voor [verweerder] bedraagt de opzegtermijn vier maanden.

5.10.

De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever bij de invulling van zijn voorgeschreven herplaatsingsinspanningen niet kan volstaan met het bekendmaken van vacatures binnen het bedrijf. De werkgever moet de werknemer actief begeleiden, initiërend te werk gaan en waar mogelijk eventueel aanwezige belemmeringen voor een nieuwe functie wegnemen. Daarvoor moet de werkgever concrete opleidingsmogelijkheden aanbieden en bij openstaande vacatures bezien in hoeverre problemen met een niet direct aansluitend cv van de werknemer voor de vacature, kunnen worden opgelost. En daarvoor is het hoe dan ook noodzakelijk dat (de leidinggevenden van) de werkgever en de werknemer in gesprek naar concrete oplossingen zoeken.

5.11.

In het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat de werkgever bij de uitvoering van haar inspanningsverplichting in ieder geval gedurende de redelijke termijn maatwerk dient te leveren, wat meebrengt een op de persoon van de desbetreffende werknemer afgestemde benadering. Daarvoor moet de werkgever in directe communicatie met de werknemer onder meer de individuele ambities en mogelijkheden, inclusief aanvullende scholingsmogelijkheden, van de werknemer in kaart brengen. Op de zitting hebben alle werknemers aangegeven niet te zijn uitgenodigd voor een gesprek om op individuele basis herplaatsingsmogelijkheden te bespreken.

5.12.

In het licht van voormelde uitgangspunten kunnen de door Engie Services geëntameerde inspanningen de toets der kritiek niet doorstaan. Engie Services heeft (nagenoeg) enkel geopteerd voor een groepsgerichte benadering in welk bestek de werknemers in de gelegenheid zijn gesteld om klassikaal deel te nemen aan de tweedaagse cursus 'weerbaar naar werk' en Engie Services zonder enige op de persoon betrekking hebbende toelichting lijsten heeft verstrekt met vacatures. Van een actieve en initiërende, belemmeringen opheffende, individuele aanpak is geen sprake geweest. Zo heeft Engie Services onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij serieus heeft onderzocht of er bij de functies van de uitzendkrachten die structureel worden ingeleend, geschikte functies voor [verweerder] zitten of dat [verweerder] hier middels scholing voor in aanmerking zou kunnen komen. Bovendien heeft Engie Services de werknemers bij schrijven van 4 april 2016 laten weten zich slechts tot en met 30 april 2016 te zullen inspannen, hetgeen op gespannen voet staat met de duur van de redelijke termijn van vier maanden en het begintijdstip van de redelijke termijn.

Ook de conclusie op dit geschilpunt leidt tot het oordeel dat het ontbindingsverzoek moet worden afgewezen.

5.13.

De eindconclusie is dat de kantonrechter het verzoek van Engie Services jegens [verweerder] zal afwijzen wegens het niet correct toepassen van het afspiegelingsbeginsel en het onvoldoende zijn nagekomen van haar verplichting herplaatsingsinspanning te leveren, waardoor een redelijke grond voor ontslag niet aanwezig is en de arbeidsovereenkomst dus niet zal worden ontbonden. Gelet op deze conclusie hoeven de verweren over de structurele inzet van externen en de leeftijdsdiscriminatie niet meer te worden besproken. Een oordeel over die verweren zal in deze zaak niet tot een andere slotconclusie leiden.

5.14.

De proceskosten komen voor rekening van Engie Services, omdat zij ongelijk krijgt, tot op heden aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op:

- griffierecht € 117,00

- salaris gemachtigde € 500,00

€ 617,00

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de verzochte ontbinding af;

6.2.

veroordeelt Engie Services in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [verweerder] op € 617,00;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven te Assen en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2016 door

mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c: DvdM/AW/AF/RTjT