Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:5079

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
18-11-2016
Zaaknummer
5380403
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontbinding op g-grond (verstoorde arbeidsverhouding), toewijzing verzoek werkgever om betaling transitievergoeding in termijnen (art. 7:673c lid 2 BW), afwijzing verzoek werknemer om billijke vergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3405
AR-Updates.nl 2016-1311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer.: 5380403 / AR VERZ 16-197

beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671b lid 1 BW d.d. 16 november 2016

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WESTER-BETON B.V.,

gevestigd te Harlingen,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek,

verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. M.H.J. Miltenburg,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij in de zaak van het verzoek,

verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. drs. L.R.C. Bos.

Partijen zullen hierna Wester-Beton en [verweerder] worden genoemd.

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

Wester-Beton heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, ingekomen ter griffie op 19 september 2016. [verweerder] heeft op 7 oktober 2016 een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.2.

Op 17 oktober 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De gemachtigde van Wester-Beton heeft daarbij gebruik gemaakt van schriftelijke aantekeningen. Voorafgaand aan de zitting heeft Wester-Beton bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 14 oktober 2016, nog stukken toegezonden.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

2.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 mei 1982 in dienst getreden bij Wester-Beton. De laatste functie die [verweerder] vervulde, is die van administratief medewerkster, met een salaris van € 3.247,66 bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag en 3,5% eindejaarsuitkering. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor de Betonproductenindustrie van toepassing.

2.2.

[verweerder] is de dochter van de voormalig directeur-eigenaar van Wester-Beton. Momenteel is de broer van [verweerder] , de heer [directeur] , directeur en mede-eigenaar van Wester-Beton.

3 Het verzoek

3.1.

Wester-Beton verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met primair artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW en subsidiair artikel 7:669 lid 3, onderdeel h BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt Wester-Beton ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – primair een verstoorde arbeidsverhouding, subsidiair andere omstandigheden, die zodanig zijn dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.3.

Wester-Beton is bereid om aan [verweerder] de wettelijke transitievergoeding te voldoen. Wester-Beton verzoekt gelet op haar financiële situatie wel om de transitievergoeding in zes maandelijkse termijnen te mogen voldoen.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen hetgeen door Wester-Beton is aangevoerd, maar erkent dat de verhouding tussen partijen ernstig is verstoord en zij legt zich neer bij de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.2.

[verweerder] verzoekt bij wijze van tegenverzoek om toekenning van een billijke vergoeding van € 25.000,- of een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag. Wester-Beton heeft daartegen verweer gevoerd.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

Nu [verweerder] zich neerlegt bij de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat ook volgens haar de arbeidsverhouding ernstig is verstoord, zal de kantonrechter het verzoek van Wester-Beton tot ontbinding op de primaire grondslag toewijzen. Beide partijen hebben immers aangegeven dat zij van mening zijn dat een verdere voortzetting van de arbeidsrelatie niet (langer) tot de mogelijkheden behoort.

5.2.

De kantonrechter bepaalt bij inwilliging van het verzoek om ontbinding de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Volgens het bepaalde in artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW is dat de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. Door [verweerder] is onbetwist gesteld dat, met in achtneming van hetgeen daartoe is bepaald in de cao voor de Betonproductenindustrie, een opzegtermijn geldt van 25 weken, tegen het einde van een kalendermaand. Met in achtneming van de aftrek van de duur van deze procedure, de periode van 19 september 2016 tot 16 november 2016, zal de arbeidsovereenkomst dan ook worden ontbonden per 1 april 2017.

5.3.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Aan deze beide voorwaarden is voldaan en gelet op artikel 7:673 lid 2 BW heeft de werknemer aanspraak op een transitievergoeding. Partijen zijn het er over eens dat de transitievergoeding € 56.386,57 bruto bedraagt. Bepaald zal worden dat [verweerder] aanspraak heeft op dat bedrag en Wester-Beton zal worden veroordeeld tot betaling ervan.

5.4.

Wester-Beton heeft onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 7:673c lid 2 BW verzocht om de transitievergoeding in termijnen te mogen voldoen, gelet er op dat gezien haar slechte financiële positie betaling ineens tot onaanvaardbare gevolgen voor haar bedrijfsvoering zal leiden. [verweerder] heeft de slechte financiële positie van Wester-Beton erkend en de kantonrechter is van oordeel dat Wester-Beton die met de door haar overgelegde jaarstukken ook voldoende heeft aangetoond. Met in achtneming van het bepaalde in artikel 25 Ontslagregeling wordt de betaling van de transitievergoeding gespreid over een periode van zes maanden. Wester-Beton zal ingaande 1 mei 2017 gedurende een periode van 6 maanden maandelijks € 9.397,76 bruto aan Wester dienen te betalen.

Gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 1, tweede volzin, BW zal Wester-Beton tevens wettelijke rente over de (resterende) transitievergoeding dienen te betalen, ingaande 1 mei 2017.

in de zaak van het tegenverzoek

5.5.

[verweerder] heeft verzocht om toekenning van een billijke vergoeding zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 8, aanhef en onder c, BW omdat er volgens haar sprake is van ernstig verwijtbaar handelen jegens haar van Wester-Beton. Zij heeft daartoe, kort weergegeven, aangevoerd dat zij valselijk is beschuldigd van het aan zichzelf toekennen van overuren, communicatie met haar broer directeur [directeur] niet of nauwelijks mogelijk was, de dochter van [directeur] tegen haar advies in het bedrijf is 'geparachuteerd' en een vast dienstverband heeft gekregen en deze dochter nu het takenpakket van [verweerder] heeft overgenomen en mede oorzaak is van de verslechterde relatie tussen [verweerder] en [directeur] , alsmede dat [directeur] debet is aan het mislukken van mediation tussen hen.

5.6.

De kantonrechter oordeelt hieromtrent als volgt. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld in geval van discriminatie, als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat, of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

5.7.

De kantonrechter is van oordeel dat van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen van Wester-Beton niet is gebleken. Wat er ook zij van de discussie over de overuren, volgens [verweerder] is dat al in 2009 opgelost. Door [verweerder] en [directeur] is ter zitting aangegeven dat zij totaal verschillende persoonlijkheden zijn en het valt niet uit te sluiten dat daardoor de tussen hen ontstane fricties in ieder geval deels kunnen worden verklaard. Voorts komt het de kantonrechter voor dat [verweerder] zich niet steeds heeft kunnen schikken in haar rol als ondergeschikte werknemer van haar broer [directeur] , bijvoorbeeld gelet op haar oppositie tegen diens beslissingen omtrent samenwerking met een andere betonproducent en het in vaste dienst nemen van een aantal personeelsleden, waaronder zijn dochter. Dat dit bij haar broer niet goed is gevallen en dat dit in mogelijk in zijn handelwijze tot uitdrukking is gekomen kan hem niet zwaar worden aangerekend. Voorts geldt dat er, op instigatie van [directeur] , mediation is gestart tussen [directeur] en [verweerder] en dat [verweerder] deze mediation reeds tijdens het eerste gesprek samen met [directeur] en de mediator heeft beëindigd en daarmee door haar eigen toedoen deze mediation in feite weinig kans heeft gegeven.

Ter zitting is door [directeur] voorts wel verklaard dat hij zelf vast ook wel een aandeel zal hebben gehad in de verslechterde verhouding met [verweerder] , maar dat is onvoldoende om zijn handelen, en daarmee dat van Wester-Beton, als ernstig verwijtbaar te kwalificeren. Door [verweerder] nog aangevoerde omstandigheden van persoonlijke aard spelen bij deze beoordeling geen rol.

5.8.

Gelet hierop zal het verzoek van [verweerder] tot toekenning van een billijke vergoeding worden afgewezen.

5.9.

Gelet op de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2017;

6.2.

verklaart voor recht dat [verweerder] aanspraak heeft op een transitievergoeding van € 56.386,57 bruto en veroordeelt Wester Beton om deze transitievergoeding aan [verweerder] te betalen in zes maandelijkse opeenvolgende termijnen van € 9.397,76 bruto elk, aan te vangen per 1 mei 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (resterende) transitievergoeding vanaf 1 mei 2017 tot aan de dag van de gehele betaling;

in de zaak van het tegenverzoek

6.3.

wijst het verzochte af;

in beide zaken

6.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder de eigen kosten zal dragen.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2016 door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c: 324