Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:4949

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-11-2016
Datum publicatie
11-11-2016
Zaaknummer
Awb 16/892
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen verzekeringsplicht werknemer/partner van directeur. I.c. andere positie dan de andere werknemers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/892

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2016 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te Tzummarum, eiseres

(gemachtigde: mr. D.F.W. Schalkwijk),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: J.T. Wielinga).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) vanwege betalingsonmacht afgewezen.

Bij besluit van 13 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. N. Mikolajczyk, kantoorgenote van de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is op 1 januari 2000 in dienst getreden bij de besloten vennootschap [naam werkgever] te Franeker als administratief medewerker voor 38 uur per week. [naam werkgever] is op 29 mei 1998 opgericht. [naam echtgenoot] , met wie eiseres gehuwd is geweest, was op het moment dat eiseres bij het bedrijf in dienst is gekomen samen met zijn vader en broer bestuurder en mede aandeelhouder van het bedrijf. Op 31 maart 2015 is [naam werkgever] failliet verklaard. Eiseres heeft vervolgens op 19 april 2015 bij verweerder een aanvraag ingediend voor het verstrekken van een WW‑uitkering vanwege betalingsonmacht van de werkgever.

2. Naar aanleiding van het raadplegen van het werkgeversformulier en het onderzoeksrapport, waaruit bleek dat eiseres de echtgenote is van [naam echtgenoot] , is een onderzoek opgestart teneinde vast te stellen of eiseres verplicht verzekerd is geweest voor de werknemersverzekeringen.

In het kader van het onderzoek is onder meer informatie ingewonnen bij de Kamer van Koophandel, is Suwinet geraadpleegd, en is met eiseres op 8 juni 2015 en aanvullend op 17 juni 2015 gesproken. Van de gesprekken zijn verslagen opgemaakt. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het Onderzoeksrapport Betalingsonmacht Werkgever van 25 juli 2015.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen omdat er geen sprake is van een verzekeringsplicht op grond van de dienstbetrekking die eiseres bij haar failliete werkgever had.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft verweerder verwezen naar hetgeen is opgenomen in het onderzoeksrapport.

5. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Eiseres heeft aangevoerd dat zij verantwoording diende af te leggen aan de directeur die tevens haar partner was. Zij deed met hem de administratie en voor het overige waren er 4 collega's werkzaam in de productiehal. Net zoals dat voor de andere werknemers het geval was, diende zij zich voor zaken als verlof, ziekte, loon en werktijden tot hem te wenden. Hij stelde hoge eisen aan de uitvoering van de werkzaamheden en controleerde de werkzaamheden, onder meer door het voeren van jaarlijkse functioneringsgesprekken. Indien zij een vrije dag wilde moest zij dat met hem overleggen. Tijdens haar dienstverband is het voorgekomen dat [naam echtgenoot] ontevreden was over haar werk en hij haar toen dreigde met ontslag indien zij in de toekomst niet beter zou functioneren. Eiseres kreeg voor het verrichten van haar werkzaamheden loon op dezelfde dag en dezelfde wijze als voor de andere werknemers gold. Toen het bedrijf slechter ging en er sprake was van geldkrapte heeft zij ingestemd met het verzoek van [naam echtgenoot] dat haar salaris op een andere wijze aan haar zou worden voldaan. Er waren problemen met de verwerking van de lonen via de systemen tussen de werkgever en de Belastingdienst, waarover eiseres diverse malen contact heeft gehad met de Belastingdienst, maar zonder succes. In opdracht van haar werkgever heeft eiseres op 30 maart 2015 de verwerking van de lonen alsnog gedaan toen het eind maart 2015 wel weer lukte om de lonen op te voeren.

6. In deze zaak dient de vraag te worden beantwoord of eiseres kan worden aangemerkt als een persoon die tot haar werkgever in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gelden als criteria een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon.

7.1.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 februari 2012 van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

7.2.

Nu eiseres een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de WW, ligt het in beginsel op haar weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij recht op een uitkering heeft (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 13 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:BR1540). Het vorenstaande brengt met zich dat eiseres aannemelijk moet maken dat zij werkzaam is geweest als werknemer in de zin van de WW.

7.3.

In de uitspraak van de CRvB van 13 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2720) heeft de CRvB overwogen dat ook bij een arbeidsverhouding tussen partijen die tot elkaar in een familierechtelijke betrekking staan, als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding geldt of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk (zie ook ECLI:NL:CRVB:2016:1329). De familierelatie is wel een element dat mede betrokken dient te worden in deze beoordeling. Niet in geschil is dat eiseres in de periode in geding gehuwd is geweest met [naam echtgenoot] .

7.4.

Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit gebaseerd op het onderzoeksrapport en de daarbij behorende bijlagen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het onderzoek voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat er geen sprake is geweest van verzekeringsplicht van eiseres op grond van een dienstbetrekking bij de (ex-) werkgever. Verweerder heeft daarbij doorslaggevend kunnen achten dat eiseres heeft verklaard dat zij in juli 2013 heeft ingestemd met het voorstel van [naam echtgenoot] dat zij vanaf medio 2013, anders dan de overige werknemers van het bedrijf, geen loon meer kreeg uitbetaald vanwege geldkrapte binnen het bedrijf, maar dat zij in plaats daarvan gedurende de periode augustus 2013 tot januari 2015 maandelijks geld op de gezamenlijke privébankrekening van haar en [naam echtgenoot] kreeg gestort, dat afkomstig was van het eigen vermogen van [naam echtgenoot] . Ook heeft verweerder daarbij kunnen betrekken dat uit de overgelegde bankafschriften van de gezamenlijke bankrekening van eiseres en [naam echtgenoot] niet kan worden afgeleid dat het gaat om loonbetalingen, dat de bedragen bovendien wisselen in hoogte en dat er in bepaalde maanden dubbele betalingen door [naam echtgenoot] zijn verricht. Voorts heeft eiseres verklaard dat de andere werknemers, anders dan eiseres, er niet van op de hoogte waren dat het bedrijf in financiële nood verkeerde.

7.5.

Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat eiseres een afwijkende positie had ten opzichte van de gewone werknemers die, zoals uit de verklaring van eiseres blijkt, in de regel wel hun salaris kregen uitbetaald en die, anders dan eiseres, niet wisten dat het niet goed ging met het bedrijf.

7.6.

De afwijkende positie van eiseres blijkt ook uit het feit dat eiseres over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015, anders dan het overige personeel, zonder salaris te ontvangen werkzaamheden is blijven verrichten voor haar werkgever en zelfs in opdracht van de werkgever, overuren draaide. Deze feiten en omstandigheden laten naar het oordeel van de rechtbank zien dat de arbeidsverhouding van eiseres in overwegende mate werd beheerst door de familierechtelijke relatie.

7.7.

De omstandigheid dat eiseres in haar functie van administratief medewerker verantwoording diende af te leggen aan [naam echtgenoot] , hij hoge eisen stelde aan de uitvoering van de werkzaamheden, hij haar werkzaamheden controleerde, onder meer door het voeren van jaarlijkse functioneringsgesprekken in het bijzijn van een externe P&O-er en dat zij met hem diende te overleggen indien zij een vrije dag wilde, leidt niet tot een ander oordeel.

7.8.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres de werkzaamheden niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft verricht. Eiseres was vanwege deze werkzaamheden dan ook niet verplicht verzekerd op grond van de WW. Dit betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres op goede gronden heeft afgewezen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B.A. Mensink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.