Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:491

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
18.730179-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Een 71-jarige man heeft zich schuldig gemaakt aan vijf gevallen van brandstichting in natuur¬gebieden. Hij ging vaak in zijn scootmobiel een eindje rijden in de natuur. Verdachte had een wrok tegen de (vereniging) in verband met een zakelijk geschil in de tijd dat hij een boerderij van (vereniging) pachtte. Branden in droge natuurgebieden zijn zonder meer gevaarlijk omdat het vuur zich snel kan uitbreiden en er uiteindelijk zelfs gevaarlijke omstandigheden voor mensen kunnen ontstaan. Er wordt dan ook een gevangenisstraf van 30 maanden -waarvan 15 maanden voorwaardelijk- opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730179-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 februari 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 januari 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.L. Gijsberts, advocaat te 's-Gravenhage.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2015 bij [pleegplaats 1] , in elk geval (telkens) in de

gemeente Ooststellingwerf, (op of aan het [veen] ) meermalen, althans

eenmaal, opzettelijk brand heeft gesticht door (telkens) (met gebruikmaking

van een aansteker en/of zogenoemde firestrips) open vuur in aanraking te

brengen met brandbare (uitgedroogde) flora/planten en/of papieren doekjes,

althans (telkens) met (een) brandbare stof(fen), (en/of door vervolgens (deze)

brandende doekjes en/of firestrips op (die) brandbare (uitgedroogde)

flora/planten te gooien, althans achter te laten,) ten gevolge waarvan brand

is ontstaan en (telkens) (een groot, althans aanzienlijk, deel van) de aldaar

aanwezige

- flora, althans planten en/of stuiken en/of bomen, en/of

- fauna, althans dieren,

(van het [veen] ) aldaar, (telkens) geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval (telkens) brand is ontstaan, en daarvan (telkens)

gemeen gevaar voor die aldaar aanwezige (overige) flora, althans planten en/of

stuiken en/of bomen, en/of fauna, althans dieren, in elk geval (telkens)

gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 18 maart 2015 bij [pleegplaats 2] , in elk geval in de gemeente

Westerveld, (op of aan het [veld 1] ), opzettelijk brand heeft gesticht

door (met gebruikmaking van een aansteker en/of zogenoemde firestrips) open

vuur in aanraking te brengen met brandbare (uitgedroogde) flora/planten en/of

papieren doekjes, althans met (een) brandbare stof(fen), (en/of door

vervolgens (deze) brandende doekjes en/of firestrips op (die) brandbare

(uitgedroogde) flora/planten te gooien, althans achter te laten,) ten gevolge

waarvan brand is ontstaan en (telkens) (een groot, althans aanzienlijk, deel

van) de aldaar aanwezige

- flora, althans planten en/of stuiken en/of bomen, en/of

- fauna, althans dieren,

(van het [veld 1] ) aldaar, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in

elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die aldaar

aanwezige (overige) flora, althans planten en/of stuiken en/of bomen, en/of

fauna, althans dieren en/of een met riet bedekt pand, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen, te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 12 mei 2015 bij [pleegplaats 3] , in elk geval in de gemeente

Midden-Drenthe, (op of aan een veld in of bij het [bos] ) opzettelijk

brand heeft gesticht door (met gebruikmaking van een aansteker en/of

zogenoemde firestrips) open vuur in aanraking te brengen met brandbare

(uitgedroogde) flora/planten en/of papieren doekjes, althans met (een)

brandbare stof(fen), (en/of door vervolgens (deze) brandende doekjes en/of

firestrips op (die) brandbare (uitgedroogde) flora/planten te gooien, althans

achter te laten,) ten gevolge waarvan brand is ontstaan en (een groot, althans

aanzienlijk, deel van) de aldaar aanwezige

- flora, althans planten en/of stuiken en/of bomen, en/of

- fauna, althans dieren,

(van dat veld in of bij het [bos] ) aldaar, geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die

aldaar aanwezige (overige) flora, althans planten en/of stuiken en/of bomen,

en/of fauna, althans dieren, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te

duchten was;

4.

hij op of omstreeks 21 mei 2015 bij [pleegplaats 4] , in elk geval in de gemeente

Midden-Drenthe, (op of aan het [veld 2] ) opzettelijk brand heeft

gesticht door (met gebruikmaking van een aansteker en/of zogenoemde

firestrips) open vuur in aanraking te brengen met brandbare (uitgedroogde)

flora/planten en/of papieren doekjes, althans met (een) brandbare stof(fen),

(en/of door vervolgens (deze) brandende doekjes en/of firestrips op (die)

brandbare (uitgedroogde) flora/planten te gooien, althans achter te laten,)

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en (een groot, althans aanzienlijk, deel

van) de aldaar aanwezige

- flora, althans planten en/of stuiken en/of bomen, en/of

- fauna, althans dieren,

(van dat [veld 2] ) aldaar, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in

elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die aldaar

aanwezige (overige) flora, althans planten en/of stuiken en/of bomen, en/of

fauna, althans dieren, in elk geval (telkens) gemeen gevaar voor goederen, te

duchten was;

5.

hij op of omstreeks 23 mei 2015 bij [pleegplaats 5] , in elk geval in de gemeente

Westerveld, (op of aan het [veld 1] ) opzettelijk brand heeft gesticht

door (met gebruikmaking van een aansteker en/of zogenoemde firestrips) open

vuur in aanraking te brengen met brandbare (uitgedroogde) flora/planten en/of

papieren doekjes, althans met (een) brandbare stof(fen), (en/of door

vervolgens (deze) brandende doekjes en/of firestrips op (die) brandbare

(uitgedroogde) flora/planten te gooien, althans achter te laten,) ten gevolge

waarvan brand is ontstaan en (een groot, althans aanzienlijk, deel van) de

aldaar aanwezige

- flora, althans planten en/of stuiken en/of bomen, en/of

- fauna, althans dieren,

(van dat [veld 1] ) aldaar, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in

elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die aldaar

aanwezige (overige) flora, althans planten en/of stuiken en/of bomen, en/of

fauna, althans dieren en/of een met riet bedekt pand, in elk geval (telkens)

gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

- oplegging van de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een behandelverplichting en een locatieverbod;

- referte ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat het van belang is dat uit geen enkel stuk blijkt dat het peilbaken -dat is ingezet in het kader van het door de officier van justitie gegeven bevel tot stelselmatige observatie in de zin van artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering- voldeed aan de kwaliteitseisen die zijn uitgewerkt in het Besluit technische hulpmiddelen.

De raadsman heeft voorts gesteld dat een peilbaken niet op de persoon mag worden geplaatst. Onder 'op de persoon' moet worden verstaan 'op of aan het lichaam of de kleding van de persoon'. De raadsman stelt in het verlengde daarvan dat een scootmobiel waarin iemand de hele dag zit gezien kan worden als 'op een persoon'.

De raadsman komt tot de conclusie dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, nu het peilbaken onrechtmatig was aangebracht op de persoon van verdachte en dat dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting en daarmee tot vrijspraak van verdachte voor alle feiten.

Oordeel van de rechtbank

De stelling van de raadsman dat uit de processtukken moet blijken dat het ingezette peilbaken voldoet aan de kwaliteitseisen genoemd in het Besluit technische hulpmiddelen, vindt geen steun in het recht. In die zin is er geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman heeft bovendien niet aangegeven dat er redenen zijn te veronderstellen dat het betreffende peilbaken niet heeft voldaan aan de kwaliteitseisen en als gevolg daarvan niet naar behoren heeft gewerkt.

De rechtbank ziet hiervoor in het dossier ook geen aanwijzingen, met name niet nu verdachte ten overstaan van de politie heeft aangegeven op de door het peilbaken aangegeven plaatsen die relevant zijn voor de beoordeling van de ten laste gelegde feiten, te zijn geweest.

De rechtbank kan zich niet verenigen met de stelling van de raadsman dat een scootmobiel moet worden begrepen onder 'op een persoon' in de zin van artikel 126g lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Uit de Memorie van Toelichting bij dit wetsartikel [kamerstukken 1996-1997, 25 403, nr. 3, p.71] blijkt dat plaatsbepalingsapparatuur -zoals een peilbaken- in geen geval mag worden bevestigd op of aan het lichaam of de kleding van een persoon zonder diens toestemming, vanwege de te vergaande inbreuk op diens privacy die een dergelijke bevestiging meebrengt. De rechtbank is van oordeel dat de plaatsing van het peilbaken op de scootmobiel van verdachte niet een te vergaande inbreuk vormt op diens privacy, nu een scootmobiel in de regel enkel gedurende dagdelen en buiten de woning wordt gebruikt, en verdachte heeft verklaard dat voertuig op deze wijze te hebben gebruikt.

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij niet weet of hij de branden heeft gesticht en dat hij zich dat niet kan herinneren. De rechtbank acht de door verdachte op

2 juni 2015 ten overstaan van de politie en op 4 juni 2015 ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde bekennende verklaringen consistent en voldoende gedetailleerd en daarmee voldoende betrouwbaar en zal deze verklaringen gebruiken voor het bewijs.

De bewijsmiddelen

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. Een proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag, RC-nummer 15/2337, d.d. 4 juni 2015, bijgestaan door de griffier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

U vraagt mij of het klopt dat ik in Drenthe branden heb gesticht. Ja. Uit wraak. Ik ben boos op [benadeelde partij 1] . Die brand bij [pleegplaats 1] op 13 maart 2015 heb ik gesticht. U noemt de brand op 18 maart 2015 bij [veld 1] . Dat moet wel. In [pleegplaats 4] heb ik één keer brand gesticht. U noemt de brand op 23 mei 2015 bij [pleegplaats 5] . Ja, dat is de laatste brand geweest die ik gesticht heb.

2. [ pagina 330 van het dossier met OPS-dossiernummer 2015073170 d.d. 31 augustus 2015]

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 18, d.d. 2 juni 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik heb meerdere keren opzettelijk brand gesticht. Dit stichten van de branden deed ik opzettelijk omdat ik de smoor in heb op [benadeelde partij 1] . Ik stak de branden aan met firestrips. [veen] 13 maart 2015: deze brand heb ik opzettelijk gesticht. Ik heb daar met de firestrips opzettelijk twee keer brand gemaakt. [veld 2] 21 mei 2015 : daar ben ik ook geweest en daar heb ik ook brand gesticht. De brand op het [veld 1] (18/3/2015 half zes) heb ik opzettelijk gesticht met die dingen. Bij [pleegplaats 3] (21 mei [opmerking rechtbank zie hieronder bij 3.]) ben ik wel geweest en schrijf die ook maar op. Het moet met zo’n ding zijn geweest. Bij [pleegplaats 5] (23 mei) ben ik ook geweest om brand te stichten. Dit was de laatste brand, want de firestrips waren op. De laatste brand die ik opzettelijk heb aangestoken was bij [pleegplaats 6] . [opmerking rechtbank: zie hieronder bij 3.]

3. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 28, d.d. 21 december 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

In de verklaring van verdachte, opgenomen op 2 juni 2015 staat "Bij [pleegplaats 3] (21 mei) ben ik wel geweest." Tussen de haakjes staat een foute datum vermeld. Dit had moeten zijn: 12 mei 2015.

Door verdachte werd op 2 juni 2015 verklaard dat hij de laatste brand had gesticht bij [pleegplaats 6] . De laatste brand was op 23 mei 2015 op het [veld 3] . Dit is het natuurgebied gelegen tussen de plaatsen [pleegplaats 5] , [pleegplaats 6] en [plaats] .

4. [ pagina 77 van het dossier met OPS-dossiernummer 2015073170 d.d. 31 augustus 2015]

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015073170-1, d.d. 9 april 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 1] :

Ik doe namens [benadeelde partij 1] aangifte van brandstichting. De brandstichting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2015 op het [veen] te [pleegplaats 1] . Er is heide in de brand gestoken op het [veen] langs het fietspad bij het [locatie 1] . Er is in totaal ongeveer 80 hectare heide en veen verbrand. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

5. [ pagina 129 van het dossier met OPS-dossiernummer 2015073170 d.d. 31 augustus 2015]

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015073170-17, d.d. 14 april 2015, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Op 14 maart 2015 heb ik een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een brand, gemeld op 13 maart 2015, in natuurgebied [veen] . Bij de brand is schade toegebracht aan flora en fauna. De schade aan de populatie slangen was niet in te schatten. Voor zover bekend is er een jonge vos levend uit het gebied gehaald. Deze vos is, ondanks behandeling, kort daarna overleden.

6. [ pagina 166 van het dossier met OPS-dossiernummer 2015073170 d.d. 31 augustus 2015]

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015162796-1, d.d. 8 juni 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 2] :

Ik doe aangifte van brandstichting namens de [benadeelde partij 1] . Plaats delict: [pleegplaats 2] ( [veld 1] ). Op 18 maart 2015 om 17.28 uur is er bij mij een melding binnengekomen van een heidebrand. Hierop ben ik ter plaatse gegaan. Uiteindelijk is bij deze heidebrand drie à vier hectare afgebrand. Er zijn diverse soorten reptielen en amfibieën verbrand tijdens de heidebrand. Vlakbij de brandhaard was ook een rietgedekt pand aanwezig. De wind stond de goede kant op en dit pand is gespaard gebleven. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

7. [ pagina 225 van het dossier met OPS-dossiernummer 2015073170 d.d. 31 augustus 2015]

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015181517-1, d.d. 25 juni 2015, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 3] :

Namens de Stichting beheer [bos] en namens de eigenaar van het [bos] , de gemeente Midden-Drenthe, doe ik aangifte van brandstichting. Plaats delict: [pleegplaats 3] .

Op 12 mei 2015 om 16.56 uur is er melding gemaakt van brand in het [bos] . Door de brand is een heidegebied met een oppervlakte van 25 m x 15 m geheel afgebrand. Door de brand zijn heide en gras aangetast. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

8. [ pagina 239 van het dossier met OPS-dossiernummer 2015073170 d.d. 31 augustus 2015]

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015135462-2, d.d. 19 mei 2015, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Op 18 mei 2015 heb ik een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een brand, gemeld op

12 mei 2015, te [pleegplaats 3] in natuurgebied [bos] . Bij de brand is schade toegebracht aan flora en fauna.

9. [ pagina 248 van het dossier met OPS-dossiernummer 2015073170 d.d. 31 augustus 2015]

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015144562-1, d.d. 22 juni 2015, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 4] :

Ik doe aangifte namens [benadeelde partij 2] . Plaats delict: [veld 2] , [pleegplaats 4] . Op 21 mei 2015 werd mij verteld dat er een gebied van de [locatie 2] in de brand stond. Ik ben ter plaatse gegaan. Er is een stuk ter grootte van 1.5 hectare afgebrand. Nadat de brand geblust was zag ik onder andere adders, kikkers en eieren die door de brand vernietigd waren. Ook zeldzame planten zijn door de brand vernietigd. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

10. [ pagina 273 van het dossier met OPS-dossiernummer 2015073170 d.d. 31 augustus 2015]

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015162796-1, d.d. 8 juni 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 2] :

Ik doe aangifte van brandstichting namens de [benadeelde partij 1] . Er is op 23 mei 2015 om 18.45 uur een melding binnengekomen van een heidebrand in het [veld 3] . Hier ben ik later ter plaatse gekomen. Bij deze brand is een hectare heidegrond verloren gegaan. Hierbij is de reptielenpopulatie op de plaats van de brand eveneens verloren gegaan. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

11. [ pagina 286 van het dossier met OPS-dossiernummer 2015073170 d.d. 31 augustus 2015]

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015146519-7 d.d. 28 mei 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten:

Op 24 en 27 mei 2015 hebben wij een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een natuurbrand, gemeld op 23 mei 2015, te [pleegplaats 5] . Een deel van het natuurgebied was verbrand. Ter plaatse was heide en buntgras verbrand. Door de brandweer was een dode adder aangetroffen en door mij, verbalisant, een dode hazelworm.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 13 maart 2015 bij [pleegplaats 1] , op of aan het [veen] , opzettelijk brand heeft gesticht door met gebruikmaking van zogenoemde firestrips open vuur in aanraking te

brengen met brandbare (uitgedroogde) flora, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en een groot deel van de aldaar aanwezige flora en een deel van de aldaar aanwezige fauna van het [veen] aldaar, geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor die aldaar aanwezige (overige) flora en fauna te duchten was;

2.

hij op 18 maart 2015 bij [pleegplaats 2] , op of aan het [veld 1] , opzettelijk brand heeft gesticht door met gebruikmaking van zogenoemde firestrips open vuur in aanraking te brengen met brandbare (uitgedroogde) flora, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en een deel van de aldaar aanwezige flora en fauna van het [veld 1] aldaar, geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor die aldaar aanwezige (overige) flora en fauna en een met riet bedekt pand te duchten was;

3.

hij op 12 mei 2015 bij [pleegplaats 3] , op of aan een veld in of bij het [bos] , opzettelijk brand heeft gesticht door met gebruikmaking van zogenoemde firestrips open vuur in aanraking te brengen met brandbare (uitgedroogde) flora, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en een deel van de aldaar aanwezige flora en fauna van dat veld in of bij het [bos] aldaar, geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor die aldaar aanwezige (overige) flora en fauna te duchten was;

4.

hij op 21 mei 2015 bij [pleegplaats 4] , op of aan het [veld 2] , opzettelijk brand heeft gesticht door met gebruikmaking van zogenoemde firestrips open vuur in aanraking te brengen met brandbare (uitgedroogde) flora, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en een deel van de aldaar aanwezige flora en fauna van dat [veld 2] aldaar, geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor die aldaar aanwezige (overige) flora en fauna te duchten was;

5.

hij op 23 mei 2015 bij [pleegplaats 5] , op of aan het [veld 3] , opzettelijk brand heeft gesticht door met gebruikmaking van zogenoemde firestrips open vuur in aanraking te brengen met brandbare (uitgedroogde) flora, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en een deel van de aldaar aanwezige flora en fauna van dat [veld 3] aldaar, geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor die aldaar aanwezige (overige) flora en fauna te duchten was.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

2. Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

3. Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

4. Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

5. Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychiatrisch rapport d.d. 24 december 2015. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in als conclusie dat verdachte ten tijde van de feiten lijdende was aan een persoonlijkheidsstoornis met paranoïde en narcistische trekken en verder aan een lichte dysfore depressie, onderhouden door lichamelijke ongemakken en uitgelokt door een krenking. Verdachte was bovendien alcoholafhankelijk. Een en ander beïnvloedde verdachtes gedragskeuzes en gedragingen. De psychiater komt tot het advies verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank komt op basis van voornoemd rapport, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van verdachte, tot het oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in licht verminderde mate.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem door de psychiater en de reclassering opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf gevallen van brandstichting in natuurgebieden rondom zijn woning. Verdachte verplaatste zich buitenshuis in een scootmobiel en hij ging vaak buiten een eindje rijden in de natuur. Verdachte had een wrok tegen de [benadeelde partij 1] in verband met een zakelijk geschil in de tijd dat hij een boerderij van [benadeelde partij 1] pachtte. Verdachte had thuis een aantal zogenoemde firestrips liggen. Op enig moment heeft verdachte bedacht dat hij met die firestrips de natuurgebieden onder beheer van [benadeelde partij 1] wel in brand kon steken. De eerste brand heeft op 13 maart 2015 plaatsgevonden en dit was meteen de grootste brand. Dankzij de oplettendheid van recreanten die in het betreffende gebied aan het wandelen of fietsen waren, werden de andere branden vrij snel ontdekt en meteen aan de hulpdiensten gemeld die ook snel ter plaatse waren. Door de inspanningen van deze mensen is de omvang van de andere branden uiteindelijk beperkt gebleven. Na twee branden in maart 2015 en drie branden in mei 2015 werd verdachte op 1 juni 2015 aangehouden en aansluitend gedetineerd. Hiermee kwam een einde aan de reeks branden die veel schade aan de flora en fauna ter plaatse hebben aangericht. Daarnaast zijn branden in droge natuurgebieden zonder meer gevaarlijk omdat het vuur zich snel kan uitbreiden en er uiteindelijk zelfs gevaarlijke omstandigheden voor mensen kunnen ontstaan.

Verdachte heeft een aantal malen aangegeven dat hij de branden niet zou hebben gesticht als hij toen de juiste pijnmedicatie zou hebben gehad en/of niet onder invloed van alcohol zou zijn geweest. Verdachte neemt daarmee niet zelf de verantwoordelijkheid voor zijn handelen maar schuift dit af op bijkomende factoren. De vraag of zijn medicatie verdachte tot dit gedrag kan hebben gedreven wordt door twee geconsulteerde artsen ontkennend beantwoord. Ook de psychiater stelt in zijn rapport dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat medicatiegebruik (voor zover dat voorgeschreven was althans) doorwerkte in het gedrag van verdachte ten tijde van de feiten.

Bovenstaande feiten en omstandigheden rechtvaardigen oplegging van een gevangenisstraf en wel voor een behoorlijk lange duur.

De reclassering heeft de persoonlijke omstandigheden van verdachte geschetst.

De rechtbank houdt bij de hoogte van de op te leggen straf in het voordeel van verdachte rekening met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zijn relatief hoge leeftijd van 70 jaar en zijn lichamelijke beperkingen een en ander zoals daarvan is gebleken uit het reclasseringsrapport en de psychiatrische rapportage.

De raadsman heeft bepleit het onvoorwaardelijk op te leggen deel van de gevangenisstraf te beperken tot de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, te weten ongeveer 8 maanden. De rechtbank kan hierin niet meegaan omdat dit geen recht zou doen aan de feiten.

De rechtbank zal de geëiste 30 maanden gevangenisstraf als uitgangspunt nemen. Gezien de hiervoor genoemde strafmatigende factoren zal de rechtbank de helft daarvan, te weten

15 maanden, voorwaardelijk opleggen. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf maakt het bovendien mogelijk om aan verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering heeft geadviseerd een aantal bijzondere voorwaarden op te leggen aan verdachte ter voorkoming van recidive in de toekomst. In verband met de gesignaleerde problemen met alcoholgebruik en de persoonlijkheid van verdachte zal de rechtbank de geadviseerde meldplicht en ambulante behandeling opleggen als bijzondere voorwaarden ter beperking van het gevaar op herhaling van dit soort gedragingen. De rechtbank acht het geadviseerde verbod voor de natuurgebieden die onder beheer van [benadeelde partij 1] staan, te vergaand. Rondom de woonplaats van verdachte zijn zeer veel natuurgebieden en verdachte zou in de visie van de rechtbank met dit locatieverbod te zeer in zijn bewegingsvrijheid beperkt worden. Bovendien is de controle op handhaving van een dergelijk ruim locatieverbod uit een praktisch oogpunt onhaalbaar.

Benadeelde partij

De [benadeelde partij 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. en 5. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het voegingsformulier is ingediend en ondertekend door mevrouw [persoon 1] , werkzaam voor de [benadeelde partij 1] als beheerder [veld 4] waaronder het [veen] valt. Mevrouw [persoon 1] heeft ter terechtzitting desgevraagd aangegeven dat het binnen de [benadeelde partij 1] per onderdeel verschilt wie de vereniging naar buiten toe kan vertegenwoordigen en dat zij voor het gebied waarover zij manager is [benadeelde partij 1] vertegenwoordigt.

De rechtbank constateert dat er geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel bij de stukken gevoegd is zodat niet kan worden vastgesteld welke persoon of personen bevoegd is of zijn de [benadeelde partij 1] in rechte te vertegenwoordigen. Desgevraagd heeft mevrouw [persoon 1] meegedeeld geen schriftelijke machtiging te hebben ontvangen van het hoofdkantoor en het is haar niet bekend of er een algemene mandateringsregeling geldt binnen de [benadeelde partij 1] voor het optreden in rechte. De rechtbank kan daarmee niet vaststellen of de civiele vordering door een daartoe bevoegd persoon is ingediend en de benadeelde partij zal daarom niet- ontvankelijk moeten worden verklaard in haar vordering. De vordering kan nog wel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vijftien maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 5 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij reclassering Verslavingszorg Noord Nederland op het adres Overcingellaan 19 te Assen en dat hij zich zo frequent als de reclassering dit binnen de proeftijd nodig acht moet blijven melden. De veroordeelde moet zich daarbij houden aan de aanwijzingen die de reclassering Verslavingszorg Noord Nederland hem geeft.

2. dat de veroordeelde een behandeling, gericht op delictgedrag en middelengebruik, bij de forensische polikliniek Verslavingszorg Noord Nederland of de afdeling forensische psychiatrie van GGZ Drenthe of een soortgelijke instelling zal volgen.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de vordering van de [benadeelde partij 1] niet- ontvankelijk is.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.G. Wijma, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. A. Postma, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 februari 2016.

Mr. Postma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Wijma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Koelman

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Komrij

locatie Leeuwarden,