Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:490

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
18.192987-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim een half jaar een ex-vriendin belaagd. Hij heeft haar veelvuldig gebeld, ge-e-maild en ge-sms't. Ook heeft hij haar brieven geschreven, zich veelvuldig opgehouden in de nabijheid van haar woning/flat, een aantal van haar medebewoonsters aangesproken en haar meerdere malen opgewacht en aangesproken. Dit alles terwijl hij wist dat zij geen contact meer met hem wilde hebben. Ook heeft verdachte enkele medewerkers van een advocatenkantoor belaagd door hen gedurende één dag zo vaak te bellen dat zij niet of nauwelijks aan andere werkzaamheden toekwamen. Daarnaast heeft verdachte een medewerkster van een bouwmarkt mishandeld. Hij heeft opzettelijk met zijn elleboog naar achter gestoten, terwijl zij vlak achter hem liep. Voor deze feiten heeft de rechtbank hem veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de rechtbank op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht de vrijheidsbeperkende maatregel van een contactverbod met de ex-vriendin en haar ouders opgelegd en bepaald dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/192987-13

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/830311-14

ter berechting gevoegd parketnummer 18/820564-13

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 februari 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 januari 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Amersfoort.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.J. Wildeman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd:

in de zaak met parketnummer 18/192987-13 dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2011 tot en met 2 mei 2012, te [pleegplaats] , in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te

doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, bestaande uit:

- het meermalen telefonisch contact opnemen, in elk geval zoeken met die [slachtoffer 1]

- het verzenden van een groot aantal e-mail- en/of sms -berichten aan die [slachtoffer 1]

- het verzenden van een aantal brieven aan die [slachtoffer 1]

- het zich meermalen ophouden nabij de woning/flat van die [slachtoffer 1]

- het meermalen, in elk geval eenmaal aanspreken van (een) medebewoner(s) van de woning/flat van die [slachtoffer 1]

- het meermalen, in elk eenmaal opwachten en/of aanspreken van die [slachtoffer 1] op het station en elders te [pleegplaats] ;

2. ( ter berechting gevoegd parketnummer 18/820564-13)

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2012 tot en met 24 juli 2013, te [pleegplaats] , in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van één of meer medewerker(s) van het

advocatenkantoor [bedrijfsnaam 1] , met het oogmerk die medewerker(s), in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers

heeft hij, verdachte, meermalen telefonisch contact opgenomen, in elk geval contact gezocht met die medewerker(s) van het advocatenkantoor [bedrijfsnaam 1] ;

en in de zaak met parketnummer 18/830311-14 dat:

1.

hij op of omstreeks 16 augustus 2014, te [pleegplaats] , in de gemeente Groningen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2] ), (met kracht) een elleboogstoot in/tegen het gezicht, in elk geval tegen het hoofd heeft gegeven, in ieder geval tegen het hoofd geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 16 augustus 2014, te [pleegplaats] , in de gemeente Groningen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3] ), met een paraplu op/tegen een schouder, in elk geval tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 1. ten laste gelegde feit, omdat geen sprake is van een rechtsgeldige klacht. Daartoe is aangevoerd dat uit de klacht niet kan worden afgeleid dat het slachtoffer de wens had dat verdachte zou worden vervolgd, aangezien zij enkel heeft verklaard dat zij aangifte wilde doen. Daarboven staat weliswaar dat zij heeft verzocht om tot vervolging over te gaan, maar het is zeer wel mogelijk dat zij dit niet heeft gelezen. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat het slachtoffer in een latere verklaring heeft aangegeven dat zij met haar aangifte niet heeft beoogd dat verdachte zou worden vervolgd, doch enkel dat hij haar met rust zou laten. Voorts is aangevoerd dat het slachtoffer niet als getuige gehoord wilde worden door de rechter-commissaris en ook nu niet haar zegje wil doen ter terechtzitting. Uit deze houding van het slachtoffer blijkt dat zij niet wenst te worden meegesleept in de strafzaak, hetgeen onderstreept dat de door haar ondertekende klacht geen wens tot vervolging inhield, aldus de verdediging.

De officier van justitie is van mening dat uit de ingediende klacht en de daarna door het slachtoffer afgelegde verklaringen blijkt dat zij wenst dat verdachte wordt vervolgd, zodat sprake is van een rechtsgeldige klacht.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.

Op grond van artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vindt vervolging van belaging niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan.

Op grond van artikel 164, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet een klacht bestaan uit een aangifte met een verzoek tot vervolging.

Het slachtoffer heeft op 20 april 2012 aangifte tegen verdachte gedaan van belaging. Naast deze aangifte bevindt zich in het dossier een proces-verbaal "ontvangst klacht door hulpofficier van justitie" d.d. 20 april 2012. In dit proces-verbaal staat dat de klacht werd gedaan door het slachtoffer en dat zij uitdrukkelijk verzocht om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over te gaan. Dit proces-verbaal omvat één enkele pagina, is op ambtseed opgemaakt en is ondertekend door het slachtoffer. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud daarvan en dus ook niet aan het daarin neergelegde verzoek van het slachtoffer om tot vervolging van verdachte over te gaan. Nu het slachtoffer ook aangifte heeft gedaan, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een klacht in de zin van artikel 164, eerste lid, Sv en is voldaan aan het klachtvereiste van artikel 285b, tweede lid, Sr. Dat het slachtoffer in haar latere verklaring van 10 januari 2013 heeft aangegeven dat de achterliggende gedachte van het doen van aangifte was om verdachte te stoppen en niet om hem te vervolgen, maakt het voorgaande niet anders. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat het slachtoffer daarbij heeft aangegeven dat zij verdachte graag vervolgd wil zien.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 18/830311-14 onder 2. ten laste gelegde;

- veroordeling voor het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 1. en 2. en het in de zaak met parketnummer 18/830311-14 onder 1. ten laste gelegde;

- oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis;

- oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren;

- oplegging van de maatregelen ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van twee jaren inhoudende:

1. een contactverbod met [slachtoffer 1] en haar ouders, de medewerkers van [bedrijfsnaam 1] en [slachtoffer 2] en

2. een locatieverbod voor de [bedrijfsnaam 2] aan de [adres] te [pleegplaats] ;

- dat twee weken vervangende hechtenis wordt opgelegd voor iedere keer dat niet aan deze maatregelen wordt voldaan;

- dat deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar worden verklaard;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 353,13 onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

Beoordeling van het bewijs

Vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 18/830311-14 onder 2. ten laste gelegde

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat de in de zaak met parketnummer 18/830311-14 onder 2. ten laste gelegde mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Ten laste gelegd is dat verdachte het slachtoffer heeft mishandeld door haar (met een paraplu) te slaan. Verdachte heeft ontkend dat hij het slachtoffer heeft geslagen. De verklaring van het slachtoffer, (kort gezegd) inhoudende dat verdachte haar een duw en een klap heeft gegeven, vindt geen steun in de verklaringen van de getuigen. Zij hebben blijkens hun verklaringen alleen gezien dat verdachte haar een duw heeft gegeven. Ook op de beelden van de bewakingscamera, welke de rechtbank ter terechtzitting van 28 januari 2016 heeft bekeken, is niet te zien dat verdachte het slachtoffer een klap heeft gegeven.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de in de zaak met parketnummer 18/830311-14 onder 2. ten laste gelegde mishandeling.

Verweer tot uitsluiting van het bewijs ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 1. ten laste gelegde

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer) moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat sprake is van een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Daartoe is aangevoerd dat het slachtoffer een voor verdachte zeer belastende verklaring heeft afgelegd, dat de verdediging - ondanks haar wens daartoe en het feit dat de rechtbank heeft geoordeeld dat zij als getuige moest worden gehoord - niet de gelegenheid heeft gehad om het slachtoffer als getuige te horen, dat er geen compenserende maatregelen zijn getroffen en dat het bewijs van het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 1. ten laste gelegde feit "solely or to a decisive extent" rust op de verklaringen van deze getuige. Volgens de verdediging blijkt alleen uit de verklaringen van het slachtoffer wat de impact van de gebeurtenissen op haar leven is geweest en met welke frequentie deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Ook blijkt alleen uit haar verklaringen dat zij te horen heeft gekregen wat de andere getuigen hebben waargenomen. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte de verklaringen van het slachtoffer heeft betwist en dat hij er nadeel van heeft ondervonden dat de verdediging haar niet heeft kunnen horen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdediging weliswaar niet de gelegenheid heeft gehad deze belastende getuige te ondervragen in verband met haar gezondheidssituatie, maar dat het bewijs van dit feit niet "solely or to a decisive extent" rust op de verklaringen van deze getuige. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van het slachtoffer uitgebreid worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, te weten de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] , het proces-verbaal betreffende de beelden van de bewakingscamera's en de verklaringen die verdachte zelf heeft afgelegd bij de politie en ter terechtzitting.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.

Vast staat dat het slachtoffer, hoewel de verdediging heeft verzocht om haar als getuige te mogen horen en dit verzoek is toegewezen, niet als getuige is gehoord vanwege haar gezondheidssituatie, terwijl niet te verwachten valt dat dit binnen redelijke termijn anders zal zijn.

In het licht van het EVRM is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring, niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet zonder meer onverenigbaar met art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM. Van die ongeoorloofdheid is geen sprake indien de verdachte niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit laatste moet aldus worden begrepen dat reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. De rechtbank verwijst in dit kader bijvoorbeeld naar een arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX5539).

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer voor wat betreft de betrokkenheid van verdachte bij het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 1. ten laste gelegde feit in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen, waaronder de hieronder opgenomen bewijsmiddelen waarop de rechtbank het bewijs van dit feit baseert. In deze bewijsmiddelen kan onder meer steun worden gevonden voor de door het slachtoffer aangegeven frequentie waarmee verdachte zich bevond in en rond het flatgebouw, waarin zij destijds woonde. Ook blijkt uit deze bewijsmiddelen dat (in ieder geval een deel van) de waarnemingen van andere flatbewoners zijn doorgegeven aan het slachtoffer. Voor wat betreft de impact van de gebeurtenissen op het leven van het slachtoffer overweegt de rechtbank dat het effect van de gedragingen op het slachtoffer moet worden getoetst aan objectieve maatstaven en dat de subjectieve gevoelens van het slachtoffer daarbij niet doorslaggevend zijn, zodat steun daarvoor in andere bewijsmiddelen niet is vereist.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een inbreuk op artikel 6 van het EVRM en bestaat er geen aanleiding om de verklaringen van het slachtoffer uit te sluiten van het bewijs. Dit betekent dat het verweer faalt.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 1. ten laste gelegde

De rechtbank past bij de beoordeling van het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 1. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1.1.

De door verdachte op de terechtzitting van 28 januari 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Eind oktober 2011 was voor mij duidelijk dat de relatie tussen mij en [slachtoffer 1] voorbij was. Daarna heb ik nog wel geprobeerd om met haar in contact te komen. Ik heb een aantal keren gekeken of zij thuis was. Op 15 december 2011 ben ik in de hal van haar flat geweest. Toen heeft men geprobeerd om mij weg te sturen. Ik ben nog een keer in die flat geweest om de pamfletten die daar hingen weg te halen. Toen kwamen er twee politieagenten.

1.2.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2012039076, gesloten op 4 april 2013, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KG 2012039076-24, d.d. 9 oktober 2012, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik zocht contact met [slachtoffer 1] omdat ik een aantal spullen van [slachtoffer 1] terug wil hebben die van mij zijn. Ik wilde ook een verklaring van haar hebben. In de periode september - oktober heb ik haar regelmatig ge-sms't. Op 2 november 2011 hingen er posters in en rond de flat van [slachtoffer 1] . Ik heb de posters zelf weggehaald. Op 2 mei 2012 heb ik [slachtoffer 1] opgewacht, ik wist dat ze via de [straat 1] fietste. Ik fietste met haar mee en

vroeg haar of ze wilde stoppen. Dat deed ze niet. Ik zag dat ze aan de [straat 2] de [bedrijfsnaam 3] in ging. Ik liep haar achterna. Ik sprak haar in de winkel weer aan. Ik hoorde en zag dat [slachtoffer 1] een medewerker van de [bedrijfsnaam 3] aansprak. Ik werd door de medewerker de zaak uitgezet. De medewerker heeft de politie gebeld.

1.2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KG 2012039076, d.d. 10 december 2012, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

(Opmerking en vraag verbalisanten: Ook in de maanden november en december 2011 hebt u haar een aantal mails gestuurd. Op 23 oktober 2011 schrijft u in een mail dat ze niet te bereiken is op haar mobiel en dat ze ook haar telefoon in haar flat heeft laten afsluiten. Ook hieruit kan duidelijk worden afgeleid dat zij geen prijs stelt op contact met u. Waarom blijft u haar desondanks benaderen?) Ik had, zoals ik in de mail schrijf, nog een aantal vragen aan haar. Ik wist op dat moment niet of ze mijn mails nog wel ontving, met andere woorden of zijn nog gebruik maakte van het mij bekende mailadres. Dit gold ook voor haar vaste telefoonlijn. Die lijn was niet meer actief. Je kunt het inderdaad uitleggen als een signaal van haar kant dat ze geen contact met mij meer wilde en dat zal het ook zijn geweest. Dat ik toch contact zocht was vooral gelegen in het feit dat ik nog vragen aan haar had. [slachtoffer 1] is onderdeel geweest van een situatie. Het is natuurlijk niet zo gek dat je dan vragen hebt en behoefte hebt om daarop terug te komen en antwoord te krijgen. Dat houdt niet op bij het moment dat de ander aangeeft dat ze geen contact meer wil. Mijn behoefte om antwoord te krijgen en zaken op te lossen en toe te lichten was sterker dan het besef dat ik geen contact moest opnemen. Ik ontving een brief van [slachtoffer 1] van 10 februari 2012. Die schreef zij in samenspraak met de politie. Ik heb toen een brief teruggeschreven. In die brief schreef ik dat ik zou stoppen met het contact, maar ik ben niet opgehouden met het zoeken van een oplossing en daarom zocht ik contact. Ik heb het op een kort geding laten aankomen. Nadat ik de stukken heb ontvangen die betrekking hadden op het kort geding heb ik geen contact weer gezocht. Het zal een week of drie voor 6 juli 2012 zijn geweest.

1.2.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KG 2012039076-1, d.d. 26 april 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 18 september 2011 kwam ik aan op het station in [pleegplaats] . [verdachte] stond mij weer op te wachten op het station. Ik negeerde [verdachte] gewoon, ik ben langs hem heen gelopen maar [verdachte] liep met mij mee. Ik ben toen heel duidelijk tegen [verdachte] geweest. Ik heb tegen hem gezegd: "Je moet me nu met rust laten en niet meer lastigvallen, anders bel ik de politie." Ik heb dit meerdere keren moeten herhalen. Op 22 september 2011 ontving ik een e-mail van [verdachte] . Deze e-mail (Bijlage "Contact per e-mail", pagina 2) voeg ik bij het proces-verbaal.

Op 26 september 2011 om 20:33 uur ontving ik een sms'je met de tekst: "Ik vind je lief." Om 20:51 uur en 20:56 uur heeft [verdachte] mij twee keer gebeld. Ik heb beide keren niet opgenomen. Op 27 september 2011 heb ik een boekje bij [verdachte] teruggebracht. [verdachte] had dit boekje bij mij in de brievenbus gegooid en wilde het niet ophalen. Ik wilde dit boekje in de brievenbus gooien, maar het paste niet. Ik heb vervolgens aangebeld en dit boekje aan hem gegeven. [verdachte] vroeg mij of ik iets wilde drinken. Ik heb er niet op gereageerd en ben meteen weer op de fiets gestapt en ben weggegaan. Op 28 september 2011, omstreeks 19:02 uur ontving ik een sms'je. “Ik ben nu in het [locatie 1] bij het bankje. Kom dan daarheen en praat dan 1 keer.” Op 28 september 2011, omstreeks 19:13 uur, ontving ik een sms'je: ”Kom je nu naar me toe in het [locatie 1] of liever niet?” Op 28 september 2011, omstreeks 20:43 uur, ontving ik een sms'je met de tekst: “Je bent niet gekomen en ik ben weer bijna thuis. Als jij mag en kan me altijd vragen. Liefs [verdachte] .” Op 29 september 2011 ontving ik een sms met de tekst: “AFSCHEID lees je mail.” Op 30 september 2011 ontving ik opnieuw een sms met de tekst: “Geniet van het mooie weer en jij een leuke dag. Liefs [verdachte] . Ik geniet nu ook van het mooie weer.” Op 3 oktober 2011 ontving ik een sms-bericht van [verdachte] : “Kom eens douche bij me of thee drinken en mag ook beide. Jij een leuke dag. Lieve kusjes [verdachte] .” Op dinsdag 4 oktober 2011 ontving ik een kaart van [verdachte] . Deze kaart brengt [verdachte] zelf naar mijn huis en stopt ze in de brievenbus. Op 6 oktober 2011 ontving ik een sms-bericht met de tekst: “Wat eet jij vanavond? Ik eet boerenkool. Lieve kusjes.” Op 8 oktober 2011 ontving ik het sms-bericht: “Wanneer is knabbel toen geboren?” Op 11 oktober 2011, om 12:49 uur, ontving ik het volgende sms'je: “Ik wilde je even zeggen dat ik nu ben gescheiden. Lieve kusjes en liefs [verdachte] .” Op 11 oktober 2011, om 17:18 uur, ontving ik het volgende bericht: “Ja ik zeker ook en krijg nu erg vlug al me spullen ook me fiets.” Op 11 oktober 2011, om 19:18 uur, ontving ik het volgende bericht: "Ik wilde nog even lief tegen je zeggen. Dat ik je erg lief van je vind dat je met mij meeleeft. Lieve kusjes en liefs [verdachte] .” Op 12 oktober 2011, om 14:30 uur, belde [verdachte] mij. Op 12 oktober 2011, om 14:33 uur, ontving ik het volgende sms-bericht: “Doe ik raar? Maar ik zal het niet doen. Ik wilde je een vibrator geven. Bloos.” Op 12 oktober 2011, om 14:43 uur, ontving ik het volgende sms'je: "Wat als het al in je brievenbus ligt? Wat doe je er dan mee?" Om 16:13 uur ontving ik het volgende bericht: "Mag ik je wat vragen dat ik je even bel?” Om 18:02 uur en 18:06 uur belde [verdachte] mij, ik heb de telefoon niet opgenomen. Dit is volgens mij de laatste keer dat ik heb gereageerd op zijn sms-bericht.

Alleen om hem te zeggen dat ik het fijn voor hem vond dat de scheiding achter de rug was en hij verder kon met zijn leven. Daarnaast heb ik meerdere keren via sms gevraagd of hij me verder met rust zou kunnen laten. Hiervoor reageerde ik al bijna niet meer op sms-berichten. De telefoon opnemen deed ik al veel langer niet meer en ik denk dat het laatste MSN-gesprek eind augustus was. Op 12 oktober 2011, om 20:51 uur, ontving ik een e-mail. Om 21:44 uur ontving ik het volgende sms-bericht: “Ik heb je een lieve mail gestuurd. Voor straks slaap lief en droom mooi. Lieve kusjes [verdachte] . Het is VOLLE maan.” Op 13 oktober 2011, om 14:48 uur, werd ik door [verdachte] gebeld. Ik nam de telefoon wederom niet op. Ik ontving om 21:00 uur een sms-bericht: "Ik mailde je. Ik hou veel van je. Lieve kusjes [verdachte] .” Op 14 oktober 2011 ontving ik het volgende sms-bericht: “Je bent gewoon zo erg lief en zo zacht van karakter. Lieve kusjes.” Op 16 oktober 2011 ontving ik een e-mail van [verdachte] . Op 20 oktober 2011 ontving ik een sms-bericht met de volgende tekst: “Goede morgen jij een leuke dag. Ik heb een appeltaart gebakken die is goed gelukt :-). Liefs [verdachte] .” Op 21 oktober 2011 ontving ik opnieuw een bericht: "Een goede thuisreis. Liefs [verdachte] " Ik ging die dag met de trein naar [plaats 1] en [verdachte] stond toen ook op het station. Ik heb hem ook gezien maar gewoon genegeerd. Hij stond aan de overkant van het perron naar mij te kijken. Op 23 oktober 2011, om 19:30 uur, stond [verdachte] mij op te wachten op het station. Ik heb [verdachte] gewoon genegeerd. Op 23 oktober 2011, om 19:48 uur en om 20:08 uur, heeft [verdachte] mij gebeld, ik heb niet opgenomen. Op 23 oktober 2011 ontving ik een kaartje in de bus. Op 23 oktober 2011, om 20:39 uur, ontving ik een e-mailbericht van [verdachte] . Op 24 oktober 2011, tussen 13:00 uur en 15:00 uur, hangt [verdachte] rond bij mijn flat en maakt hij foto’s. Dit is gezien door de hoofdbewoonster [getuige 2] . [getuige 2] heeft mij hiervan per e-mail op de hoogte gesteld. Toen duidelijk was dat het om [verdachte] ging hebben we met drie bewoners afgesproken om alles vast te leggen als [verdachte] zich op zou houden rond de flat. Op 24 oktober 2011, om 15:48 uur, ontving ik van [verdachte] een sms-bericht met de volgende tekst: “Heb je me kaart en mail gelezen? Lieve kusjes [verdachte] . Eetsmakelijk

voor straks.” Op 25 oktober 2011, om 14:25 uur, ontving ik een sms-bericht van [verdachte] met de volgende tekst: “Ik eet spruitjes met pindasaus. :) lekker he? Je mag wel komen eten. :) liefs [verdachte] .” Die dag om 18:45 uur stond [verdachte] voor mijn deur en belt hij aan. Ik doe niet open. Om 18:59 uur belt hij mij. Ik beantwoord zijn telefoontje niet. Op 26 oktober 2011 ontving ik een brief van [advocatenkantoor] met de vraag of ik wil getuigen over de ruzies die [verdachte] met zijn vrouw heeft gehad. Op 26 oktober 2011 ontving ik tevens een kaart via de post. Op 27 oktober 2011, om 18:42 uur, belde [verdachte] mij. Ik nam wederom niet op. Om 19:00 uur zag ik [verdachte] voor mijn deur staan, ik heb de deur niet open gedaan. Op 28 oktober 2011 belde [verdachte] mijn ouders. Mijn moeder heeft tegen hem gezegd dat ze willen dat hij geen contact meer met mij opneemt. Op 30 oktober 2011 stond [verdachte] opnieuw voor mijn deur. Ik heb niet open gedaan. Op 31 oktober 2011 ontving ik een brief van [verdachte] . Op 11 november 2011 kwam ik thuis van stage. [verdachte] stond mij bij mijn huis op te wachten. Om op mijn kamer te komen moet je, telkens met een sleutel, drie deuren door. [verdachte] is mij naar binnen gevolgd. Ik heb meerdere keren aangegeven dat ik dit niet wil. Ik probeerde de deur van de gang dicht te krijgen, maar zag en voelde dat [verdachte] de deur openduwde. Hij zette gauw zijn voet tussen de deur. Ik bleef herhalen dat hij weg moest gaan. Ik zag dat [verdachte] mij bleef volgen. Toen ik bij mijn kamer was, liep hij snel met me mee en deed snel de deur dicht. Hij pakte mijn mobiele telefoon. Ik hoor dat [verdachte] tegen mij zei: “Je mag niet bellen, ik wil dat je met mij praat.” De politie kwam uiteindelijk ‘s avonds langs. De politie raadde mij aan om een logboek bij te houden. Vanaf dat moment startte ik een logboek. In dit logboek heb ik ook nog een aantal dingen terug weten te halen, daarom start dit logboek op 18 september 2011. Op 5 november 2011 in de ochtend liep [verdachte] rond bij de flat. Op 12 november 2011 ontving ik een sms'je: “Ik vind je lief. Lieve

kusjes [verdachte] .” Op 18 november 2011, rond 12:30 uur, wordt hij gesignaleerd op de medische [locatie 2] in de kantine, waar ik vaak les heb. Op 18 november 2011, omstreeks 19:30 uur, loopt hij rond bij de flat. Op 21 november 2011 ontving ik een e-mail van hem over de griepprik. Op 25 november 2011, omstreeks 16:30 uur, stond hij op het station bij het perron waar ik zijn moest. Hij achtervolgde me tot in de trein. Ik negeerde hem. Op 25 november 2011, omstreeks 20:30 uur, belde [verdachte] mijn ouders. Hij wilde mij spreken. Mijn vader hing weer op. Op 30 november 2011 liep hij bij de flat. Op 1 december 2011 ‘s avonds liep hij over de parkeerplaats bij de flat. Op 8 december 2011 mailde hij me of ik op msn wilde komen. Dit heb ik niet gedaan. Op 9 december 2011 zag ik hem rond 12:30 uur, toen ik van college kwam, uit de flat lopen. Hij zag me niet en ik reed nog een rondje om. Toen ik 10 minuten later thuis was, lag er een kerstkaart in m’n brievenbus. Op 9 december 2011 kwam ik hem tegen op weg naar het station. Ik negeerde hem en fietste door. Toen ik op het station was, kwam hij het station op lopen. Op 14 december 2011 stond hij voor de deur en belde drie keer aan. Rond 18:40 uur belde hij me. Op 15 december 2011 heeft iemand hem rond 19:00 uur de flat zien inlopen en dit gemeld bij de hoofdbewoonsters. Deze kwamen het mij melden en hebben in de flat gezocht. Later heeft hij de hoofdbewoonsters een mail gestuurd waarin hij vroeg om een gesprek. Een half uur later belde hij bij één van de hoofdbewoonsters aan. Hij wilde weten waarom er een waarschuwingsbrief in de flat hangt met signalement. Met de andere hoofdbewoonsters hebben ze hem weg kunnen sturen. Uiteindelijk bleek de waarschuwing aan de binnenkant van onze gangdeur ook verdwenen te zijn, wat betekent dat hij de gang van de derde verdieping op moet zijn geweest. Op 19 december 2011 kwam ik [verdachte] tegen bij de [straat 3] (naast de flat). Op 20 december 2011 kwam ik [verdachte] tegen op weg naar huis. Op 22 december 2011 ontving ik een brief of ik contact op wilde nemen met hem. Op 11 januari 2011 werd [verdachte] rond de flat gezien. Op 13 januari 2011 werd hij op de parkeerplaats van de flat gezien. Op 14 januari 2012 was [verdachte] bij de flat en sprak hij iemand aan over de waarschuwingsbrief, hij wilde weten wat er in de mail stond die is rondgestuurd. Op 17 januari 2012 kreeg ik een e-mail van [verdachte] waarin hij me uitnodigt voor zijn verjaardag. Op 19 januari 2012 liep hij rond de flat en belde ook bij mij aan (beneden). Op 20 januari 2012, omstreeks 12:00 uur, werd mijn buurmeisje beneden aangesproken over of ik naast haar woonde. Rond 17:00 uur kwam ik hem tegen bij de [straat 3] . Rond 18:00 uur kreeg ik een mail dat hij in en rondom de flat liep. Op 21 januari 2012, omstreeks 14:10 uur, heeft de hoofdbewoonster hem in de portiek van de flat gezien. Rond 18:00 uur was er politie aan de deur, [verdachte] was namelijk weer in de flat geweest om alle waarschuwingsbrieven van de deuren te halen. De politie vertelde me dat [verdachte] beneden stond, dat ze hem weg stuurden en dat ze zeiden dat hij weg moest blijven. De politie is op 31 januari 2012 bij [verdachte] thuis geweest en heeft hem een waarschuwing gegeven dat hij niet welkom is in de flat en dat ik niets met hem te maken wil hebben. Op 5 februari 2012 belde hij mijn ouders om mij te spreken, hij wilde me wat vragen. Mijn vader nam op en zei dat ik hem niet wilde spreken en als hij wat te zeggen

had, hij dat maar op moest schrijven. Op 6 februari 2012 lag er een brief in m’n brievenbus met de vraag of ik contact met hem kon opnemen omdat hij me wat wilde vragen. De brief heeft hij zelf gebracht. De schoonmaker heeft hem gezien en er zat geen postzegel op. Op 8 februari 2012 werd hij weer bij de flat gezien. Op 9 februari 2012 stuurde ik de aangetekende brief waarin ik schreef dat hij geen contact meer met me op moest nemen. Op 13 februari 2012 kreeg ik een brief terug als reactie, waar op stond "persoonlijk in de brievenbus gedaan", wat betekent dat hij weer bij de flat is geweest. Op 27 februari 2012 werd hij bij de flat gezien. Op 25 maart 2012 zag ik hem toen ik bij de flat kwam. Op 27 maart 2012 ontving ik een brief via de post of ik contact met hem op wilde nemen. Op 2 april 2012, omstreeks 14:00 uur, belde hij me mobiel. Op 2 april 2012, omstreeks 18:06 uur, ontving ik een mail of ik contact op wilde nemen. Rond 19:30 uur nam [verdachte] contact op met mijn vader, waarbij hij aangaf me te willen spreken en vragen te hebben. Rond 20:15 uur belde hij bij mijn huis in [pleegplaats] aan. Op 3 april 2012 belde hij bij me aan. Ik deed niet open en zag hem weer weglopen. Op 4 april 2012 belde [verdachte] bij me aan. Ik zag hem staan bij het bellenbord bij de flat. Op 5 april 2012 belde [verdachte] mijn ouders. Ik was op dat moment bij ze. Ze namen niet op aangezien ze het nummer van [verdachte] herkennen. Op 7 april 2012 sms'te hij me dat hij in [plaats 2] was. Op 11 april 2012 belde hij bij me aan. Ik zag hem bij het bellenbord bij de flat staan. Op 12 april 2012 stond hij bij het bellenbord bij de flat. Iemand heeft hem gezien en de politie gebeld. Dezelfde avond belde [verdachte] ook mijn ouders. Mijn ouders namen niet op. Op 14 april 2012 belde [verdachte] naar mijn ouders. Ze namen niet op. Op 15 apri1 2012 belde [verdachte] , rond 13:30 uur en 14:15 uur. Ik heb niet opgenomen. Op 18 april 2012, rond 14:00 uur, belde hij m’n ouders. Deze hebben niet opgenomen. ‘s Avonds, rond 20:00 uur, belde hij m’n ouders met een afgeschermd nummer en vroeg ze of hij contact met me mocht opnemen. Mijn moeder zei dat dit niet mocht en hing weer op. Op 19 april 2012 ontving ik een brief of ik contact op wilde nemen. Op 20 april 2012 zag ik [verdachte] rond 12:45 uur vanuit mijn kamer op de parkeerplaats bij de school rechts naast mijn flat lopen. Hij liep heel langzaam en keek steeds naar mijn raam. Rond 13:15 uur klopte een ganggenoot bij me aan. Ze had [verdachte] net op de brug voor de

flat gezien met zijn camera.

Deze stalking heeft veel impact op mijn leven. Als ik [verdachte] zie, wanneer er bij me wordt aangebeld en wanneer de telefoon gaat, roept dat angst bij me op. Mijn lichaam reageert daar heel sterk op met misselijkheid, buikpijn, hartkloppingen en trillen. Vaak heb ik er dan ook nachtmerries over. Ik ben bang dat hij me dwingt om met hem te praten, met hem mee te gaan of weer bij mijn flat naar binnendringt. Ik pas mijn leven aan op de situatie. Ik pas dagelijkse gebeurtenissen aan. Vanaf de [locatie 2] probeer ik nooit alleen terug te fietsen. Als ik met de trein vanuit [plaats 1] kom, probeer ik erg in tijden te wisselen, zodat er geen regelmaat in zit en ik op die manier minder kans heb dat [verdachte] mij opwacht. Alleen in de stad lopen doe ik niet meer, hierbij voel ik mij te kwetsbaar en angstig. Ik heb inmiddels al een hele tijd een nieuw nummer.

1.2.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KG 2012039076-5, d.d. 4 mei 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 26 april 2012 in de middag is [verdachte] weer gezien bij de flat. Ik werd hiervan via e-mail op de hoogte gesteld. Omstreeks 19:30 uur heb ik [verdachte] weer bij de flat gezien. Op 27 april 2012 fietste ik naar huis vanaf mijn stage bij het [bedrijfsnaam 4] . Ik zag dat bij de [straat 3] (naast de flat) [verdachte] op mij stond te wachten. Ik zag hem van afstand al en ben toen een zijstraat ingeslagen. Daar heb ik één van de hoofdbewoonsters gebeld, die samen met haar vriend naar buiten is gekomen. Ik dacht dat hij dan misschien niet mee zou lopen en ik gewoon naar binnen zou kunnen gaan. Ik zag dat [verdachte] wel meeliep. [verdachte] schreeuwde tegen mij. Hij kwam agressief over. Ik hoorde dat hij dingen schreeuwde als: "Jij doet nu hetzelfde, jij laat mij vallen, ik heb jou nooit laten vallen, het is allemaal jouw schuld." Ik was bang en heb geprobeerd hem zoveel mogelijk te negeren. De hoofdbewoonster heeft de politie gebeld. Ik hoorde dat [verdachte] steeds zei dat ik met hem moet praten. Toen de politie kwam, hebben ze besloten hem mee te nemen. Op zaterdag 28 april is hij weer bij de flat geweest. Ik kreeg een mail via de hoofdbewoonster dat hij daar foto's stond te maken van de flat. Op 2 mei 2012, omstreeks 17:00 uur, ging ik vanaf het ziekenhuis [bedrijfsnaam 4] naar huis. Ongeveer op de helft van de route stond [verdachte] op mij te wachten. Hij fietste met me mee. Hij begon er weer over dat ik met hem moest praten. Ik heb een aantal keer gezegd dat hij weg moest gaan. Ik ben de [bedrijfsnaam 3] , gelegen aan de [straat 2] , binnengegaan. Toen ik weer naar buiten kwam, zag ik [verdachte] eerst niet. Uiteindelijk zag ik [verdachte] staan. Ik ben weer naar binnen gelopen bij [bedrijfsnaam 3] en ik zag dat [verdachte] mij achterna kwam. Ik heb gelijk bij de kassa gezegd dat hij me lastig viel. Ik hoorde dat [verdachte] zei tegen de meneer van de kassa dat hij me alleen wat wilde vragen. De meneer van de winkel stuurde [verdachte] de winkel uit en heeft de politie gebeld.

1.2.5.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KG 2012039076-6, d.d. 14 mei 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 1] :

Ik woon aan de [straat 4] te [pleegplaats] . Dit is een studentenflat. In oktober had ik al een aantal keer, ik denk zeker wel drie keer, een man met licht haar, grijs of blond en een blauwe jas rond onze flat gezien. Op 23 oktober 2011, omstreeks 21:30 uur, kwam ik bij de flat aan. Ik zag dat er een man in het trappenhuis op de derde verdieping bij de deur stond te wachten. Deze man wilde graag met mij mee naar binnen lopen. Ik vertrouwde het niet en probeerde meteen de deur stevig achter mij dicht te doen, maar ik merkte dat de man zijn hand tussen de deur deed. Ik zei meteen "nee" tegen de man. Ik heb toen de deur stevig achter mij dicht gedaan. [slachtoffer 1] vertelde mij dat ze al een tijdje werd lastig gevallen door een man. Deze man was eerder die middag met [slachtoffer 1] mee naar binnen gelopen en was zelfs op haar kamer geweest. Ik vroeg of de man een blauwe jas, lichtkleurig haar en tussen de 40 à 50 jaar was. [slachtoffer 1] geloofde het in eerste instantie niet. Ik heb de hoofdbewoonsters op de hoogte gebracht van het feit dat [slachtoffer 1] werd lastig gevallen. Daarnaast heb ik ook de huismeesters op de hoogte gebracht. Ik heb toen een briefje gemaakt voor op de binnenkant van de deur van de derde verdieping. Hierin vroeg ik de aandacht aan de bewoonsters om alert te zijn op een man welke mee naar binnen zou lopen. In dit briefje stond tevens dat men goed moest opletten dat de deur achter hun dicht zou vallen. Daarnaast stond er een omschrijving van de man, welke [slachtoffer 1] lastig valt. Ik heb bij de hoofdbewoonsters aangegeven dat het misschien goed was om briefjes door de hele flat te hangen zodat iedereen alert zou zijn. Op deze manier zou de man misschien beneden al tegen gehouden worden waardoor de kans kleiner was dat hij weer bij ons op de verdieping kwam. Toen deze briefjes in de flat hingen, sprak [verdachte] bewoonsters van de flat aan. Hij wilde dat de briefjes werden weggehaald. Vanaf oktober 2011 tot aan februari/maart 2012 heb ik [verdachte] met regelmaat bij de flat gezien. Met regelmaat werd [verdachte] bij de flat aangetroffen, dat was zeker één keer in de week. Ik kreeg vaak via e-mail het bericht dat [verdachte] weer was gesignaleerd bij de flat. Soms kwamen bewoonsters mij in persoon vertellen dat ze hem weer hadden gezien. Ik gaf dit altijd door aan [slachtoffer 1] , meestal per e-mail en soms in persoon. Al die keren dat ik [verdachte] heb gezien, droeg hij die lichtblauwe jas en had hij een zwarte cameratas bij zich. [verdachte] stond meestal bij de flat te wachten. Ik heb [verdachte] meerdere keren doordeweeks tussen 17:00 uur en 18:00 uur voor de flat gezien. In januari 2012 kwam er een bewoonster van de derde verdieping bij mij. Ze vertelde dat ze was aangesproken door [verdachte] . [verdachte] had tegen haar gezegd: “Jij woont toch op nummer 212 of 218?” Op 21 januari 2012 kwamen twee ganggenoten bij mij. Ze vertelden mij dat ze [verdachte] tegen waren gekomen in het trappenhuis. Met z’n drieën hebben ze [verdachte] ongeveer 20 minuten aan de praat gehouden totdat er politie kwam. Naar aanleiding van die keer heeft de politie gezegd dat als ze hem opnieuw in de flat zouden aantreffen, dat hij dan een proces-verbaal zou krijgen. Halverwege apri1 2012 hoorde ik van de andere bewoonsters dat [verdachte] weer met regelmaat was gesignaleerd bij de flat. Op 20 april 2012 heb ik [verdachte] op de brug gezien. Op 28 april 2012 16:30 uur kwam ik een ganggenoot tegen. Zij vertelde mij dat [verdachte] weer voor de flat stond en dat ze hem de dag ervoor ook al had gezien. Ik liep vervolgens naar beneden de flat uit en ik zag dat [verdachte] in de [straat 5] stond. Precies op de hoek van de oprit welke naar de flat toe gaat. Op 28 april 2012 belde [slachtoffer 1] mij. Ze vertelde mij dat [verdachte] er weer stond. [slachtoffer 1] vertelde mij later die avond dat de politie [verdachte] had meegenomen zodat [slachtoffer 1] de flat binnen kon en vervolgens veilig weer weg kon gaan. Ik heb gehoord dat [verdachte] na deze datum weer gezien is.

1.2.6.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KG 2012039076-9, d.d. 18 mei 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 3] :

Ik verricht als huismeester werkzaamheden in en om de flat aan de [straat 4] . Ik ben daar vier dagen per week aanwezig. Ergens in juni 2011 zag ik een man in de omgeving van de flat aan de [straat 4] lopen. Het was een man die ik daar toen voor het eerst zag. Ik zag dat de man een fotocamera bij zich had. Na deze keer zag ik de man steeds vaker rondom de flat lopen. Hij liep daar regelmatig foto’s te maken van de omgeving en van de flat zelf. Ik denk in 2011 sprak [naam 1] mij aan. Zij vertelde mij dat een bewoonster lastig gevallen werd door een man die regelmatig bij en in de flat kwam. De man zou een fotocamera bij zich hebben. Ik wist toen om welke man het ging. Ik heb deze man in de periode hierna diverse keren aangesproken op het moment dat hij zich bij de flat ophield en verzocht weg te gaan, omdat hij daar niets te zoeken had. De man ging regelmatig met mij in discussie. Ergens in februari of maart 2012 kwam ik de man ook weer bij de flat tegen. Ik verzocht hem weer om weg te gaan, maar hij wilde dat niet. Uiteindelijk heb ik de man weg moeten duwen bij de flat. [slachtoffer 1] verzocht mij om camerabeelden te bewaren van de momenten dat de man weer bij de flat of haar was geweest. Op 25 april 2012 is de man op camerabeelden te zien. Op 26 april 2012 is de man wederom op camerabeelden te zien. Op 1 mei 2012 is de man opnieuw op camerabeelden te zien.

1.2.7.

een uitdraai van een aantal e-mailberichten, gevoegd bij het onder 1.2.3. genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Onder meer de tekst van acht e-mailberichten van " [verdachte] " aan " [slachtoffer 1] " in de periode van 22 september 2011 tot en met 2 april 2012, waaronder:

Datum: 22-09-2011 16:16

Lieve [slachtoffer 1]

Hier een mail van mij dus.

Ja, ik zit maar te denken over wat je als laatste zei tegen mij. "GA WEG."

(…)

Ik wil je ZEKER NIET stalken en ik ga je echt niet opwachten. Ik zal ook zeker uit [pleegplaats] weggaan.

(…)

[verdachte]

Datum: 12-10-2011 20:51

Lieve [slachtoffer 1]

Hier een mail van mij.

Ja ik stuurde je vandaag een sms en je gaf aan dat niet te willen.

(…)

[verdachte]

Datum: 23-10-2011 20:39

Lieve [slachtoffer 1]

(…)

Ja ik zit met vragen aan jou en probeer ze steeds te stellen.

Al een langere tijd probeer ik je de persoonlijke vragen te stellen.

Ik snap dat het is afgelopen.

Kan ik je nog mailen en lees jij je mails van dit mailadres nog wel?

Je hebt je telefoon van je flat laten afsluiten, begrijp ik, en je mobiel is ook niet te bereiken.

(…)

Liefs [verdachte]

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 1. ten laste gelegde

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 1. ten laste gelegde omdat de frequentie en intensiteit van de gedragingen van verdachte niet zodanig waren dat kan worden gesproken van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Daartoe is aangevoerd dat verdachte en het slachtoffer samen een hele voorgeschiedenis hebben. Volgens de verdediging moet onderscheid worden gemaakt tussen de periode van maart 2011 tot en met oktober 2011 en de periode daarna. In de eerstgenoemde periode onderhield het slachtoffer - blijkens haar eigen verklaring - nog contact met verdachte. Zij heeft hem in die periode nog vele berichten gestuurd, waardoor verdachte werd gesterkt in zijn idee dat er nog sprake was van een relatie of in ieder geval van vriendschappelijk contact. In de periode vanaf november 2011 heeft verdachte weinig contact gehad met het slachtoffer en het contact dat er nog was, had te maken met de hem betreffende pamfletten die in het flatgebouw van het slachtoffer waren opgehangen en een aantal zaken die nog tussen hen speelden. Verdachte kwam in die periode niet naar de flat om contact met het slachtoffer te hebben, maar om de pamfletten - die grote gevolgen hadden voor verdachtes persoonlijke levenssfeer - weg te halen, aldus de verdediging.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Sr van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De rechtbank acht met de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat gedurende de eerste maanden van de ten laste gelegde periode sprake was van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Daartoe overweegt de rechtbank dat in het dossier aanwijzingen zijn te vinden dat het slachtoffer in deze periode nog regelmatig heeft gereageerd op de berichten die verdachte haar stuurde. Ook blijkt uit het dossier niet dat het slachtoffer verdachte in deze periode ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven dat zij niet langer gediend was van de door verdachte gezochte toenadering.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat deze situatie (in ieder geval) is gewijzigd met ingang van 18 september 2011. Uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat zij op die datum meerdere malen tegen verdachte heeft gezegd dat hij haar met rust moest laten, dat hij haar niet meer lastig moest vallen en dat zij anders de politie zou bellen. Deze verklaring vindt steun in het e-mailbericht dat verdachte het slachtoffer op 22 september 2011 heeft gestuurd. In dit e-mailbericht heeft verdachte geschreven dat het laatste wat het slachtoffer tegen hem heeft gezegd "ga weg" is, dat hij haar niet wil stalken, dat hij haar niet zal opwachten en dat hij zal weggaan uit [pleegplaats] . Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze verklaring en dit e-mailbericht worden afgeleid dat de relatie tussen verdachte en het slachtoffer (in ieder geval) op dat moment was beëindigd en het slachtoffer niet langer gediend was van de toenaderingen van verdachte en dat dit ook duidelijk moet zijn geweest voor verdachte. Ook nadien heeft zij hem dit nog meerdere malen te kennen gegeven.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte desondanks in de periode van 18 september 2011 tot en met 2 mei 2012 zeer vaak toenadering heeft gezocht tot het slachtoffer, door haar een groot aantal malen te bellen en haar een groot aantal e-mailberichten, sms-berichten en brieven te sturen. Verder blijkt daaruit dat verdachte het slachtoffer een aantal keren heeft opgewacht, is gevolgd en/of heeft aangesproken op het station en elders in [pleegplaats] . Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte zich in deze periode een groot aantal keren heeft bevonden in en bij het flatgebouw waarin het slachtoffer op dat moment woonde, waarbij hij enkele keren een medebewoonster heeft aangesproken.

De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer zodanig zijn geweest dat - ook objectief bezien - sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer.

Het is de rechtbank duidelijk dat de redenen waarom verdachte deze gedragingen heeft verricht erin waren gelegen dat hij meende dat hij nog enkele zaken met het slachtoffer moest bespreken, dat hij enkele goederen van haar terug wilde krijgen en dat hij wilde dat de hem betreffende pamfletten werden weggehaald. Dit gaf hem echter niet het recht om op een dergelijke indringende en obsessieve wijze te proberen met het slachtoffer in contact te komen, terwijl hij wist dat zij dit contact niet (langer) wenste. Ten aanzien van de pamfletten geldt voorts dat deze pas eind oktober of begin november 2011 zijn opgehangen, naar aanleiding van een ongewenst bezoek dat verdachte kort daarvoor had gebracht aan de flat van het slachtoffer. Verdachte is daar - naar zijn eigen zeggen - achter gekomen toen hij het slachtoffer een kerstkaartje bracht. Uit de verklaring van het slachtoffer kan worden afgeleid dat dit op 9 december 2011 moet zijn geweest. Op dat moment was de relatie tussen verdachte en het slachtoffer al minimaal twee en een halve maand beëindigd en moet verdachte al twee en een halve maand hebben geweten dat het slachtoffer niet langer gediend was van zijn toenaderingen. Ook gedurende die twee en een halve maand heeft verdachte echter al tientallen malen toenadering gezocht tot het slachtoffer, heeft hij haar meerdere malen opgewacht op het station en is hij meerdere malen in en bij haar flat geweest.

Dat het slachtoffer verdachte niet alle keren dat hij in en bij haar flat is geweest zelf heeft waargenomen, doet er niet aan af dat verdachte door deze gedragingen een inbreuk heeft gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De gedragingen behoeven zich niet louter uit te strekken tot het slachtoffer en uit de bewijsmiddelen blijkt dat zij wel op de hoogte is gebracht van deze bezoeken.

Door zijn gedragingen heeft verdachte het slachtoffer gedwongen contact met hem te hebben en hem aan te horen en heeft hij haar gedwongen te dulden dat hij contact met haar zocht.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van 18 september 2011 tot en met 2 mei 2012 aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt. Dit betekent dat het verweer faalt.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 2. ten laste gelegde

De rechtbank past bij de beoordeling van het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 2. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

2.1.

De door verdachte op de terechtzitting van 28 januari 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 22 juli 2013 meerdere keren gebeld met [bedrijfsnaam 1] .

2.2.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2013075137, gesloten op 21 november 2013, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KE 2013075137-1, d.d. 24 juli 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 5] :

Ik ben werkzaam bij het advocatenkantoor [bedrijfsnaam 1] te [pleegplaats] . Al geruime tijd wordt mijn kantoor lastig gevallen door de [verdachte] . Hij is de ex-partner van een cliënte van één van onze advocaten, mr. [naam 2] . [verdachte] is al meerdere malen op ons kantoor gekomen. Wij hebben hem toen keer op keer verzocht het pand te verlaten. De zaak van [naam 2] is in de visie van onze cliënte afgedaan. Wij hebben meneer [verdachte] dan ook niets meer te zeggen en willen niet dat hij contact zoekt. Op 16 en 17 januari 2013 is [verdachte] meerdere malen op kantoor geweest. Dat was overigens niet de eerste keer. Wij hebben uiteindelijk de politie gebeld. Daarop is [verdachte] vertrokken. Op (ik meen) 15 mei 2013 was hij weer op kantoor geweest. Op het moment dat de politie er was, had [verdachte] net het pand verlaten. Op 15 juli heeft [verdachte] meermalen gebeld. Daarover heeft hij [naam 2] een mail gestuurd. In die mail heeft [naam 2] , [verdachte] verzocht niet meer te bellen. Dat is eerder ook al verzocht. Desondanks heeft [verdachte] op 22 juli enorm vaak mijn kantoor gebeld. Wij schatten dat hij ongeveer 100 keer heeft gebeld. Ik weet wel dat hij één van onze medewerksters, mevrouw [getuige 6] , heeft gefeliciteerd met het feit dat zij het 80ste telefoontje van de dag heeft aangenomen. Andere medewerkers heeft hij bijvoorbeeld gezegd: “Vervelend hè, dat ik alweer bel? Ik vind het ook niet leuk, maar ja.” en “Ik kan tot 17:00 uur bellen geloof ik vandaag, dan ga ik morgen wel weer verder.” Onze medewerkers hebben meermalen gezegd niet te willen dat hij nog belt. Zij vinden het vervelend dat hij belt, met name ook omdat zij hierdoor niet aan hun reguliere werkzaamheden toekomen. Het verstoort de organisatie en geeft veel druk.

2.2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KE 2013075137-4, d.d. 30 oktober 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 6] :

Ik ben werkzaam als secretaresse bij het Advocatenkantoor [bedrijfsnaam 1] te [pleegplaats] . Op 22 juli 2013 was ik aan het werk. Die dag was ik onder andere werkzaam van 12:30 uur tot 14:30 uur aan de balie van ons kantoor. Daarbij hoort ook het beantwoorden van de telefoon. De genoemde dag heb ik vijftig tot vijfenvijftig keer telefonisch gesproken met [verdachte] . Ik had die ochtend al begrepen van mijn collega dat [verdachte] al heel vaak had gebeld. In de ochtend had [verdachte] gevraagd of hij doorverbonden kon worden met de heer [naam 2] . In de paar uurtjes dat ik aan de balie heb gewerkt, heb ik ruim vijftig keer telefoon gehad. Toen ik opnam hoorde ik dat [verdachte] zijn naam noemde. Elke keer heb ik, zoals we hadden afgesproken, meteen weer de hoorn opgelegd. [verdachte] belde ongeveer elke twee minuten. Ik weet dat mijn collega in de ochtend nog met [verdachte] heeft gesproken en hem heeft gezegd niet weer te bellen.

2.2.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KE 2013075137-5, d.d. 4 november 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 7] :

Ik ben als receptioniste/telefoniste werkzaam bij advocatenkantoor [bedrijfsnaam 1] te [pleegplaats] . Op 22 juli 2013 was ik aan het werk. Die dag werd ik vele tientallen malen gebeld door de [verdachte] . De man verzocht om doorverbonden te worden met mr. [naam 2] . Dit gebeurde zo vaak, soms met seconden of minuten ertussen, dat we overleg hebben gehad met de advocaten. Ik kreeg de opdracht om als [verdachte] weer zou bellen, te zeggen dat we het gesprek gingen beëindigen. Daarna moest ik de verbinding verbreken. Dat heb ik die maandag tientallen keren gedaan. Het was namelijk zo dat [verdachte] maar bleef bellen. Onophoudelijk. Hij belde ook met een afgeschermd nummer. Op die manier kon ik niet zien of [verdachte] belde of een gewone cliënt. Daarom moest ik steeds de telefoon aannemen. Elke keer heb ik hem gezegd dat ik de verbinding moest verbreken en heb daarna de telefoon opgelegd. Door deze grote hoeveelheid telefoontjes kon ik niet aan mijn reguliere werkzaamheden toekomen. Ik vond het erg storend dat [verdachte] steeds belde. Het onderbrak mijn werkritme. Ik kon nauwelijks andere telefoontjes aannemen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 2. ten laste gelegde

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 2. ten laste gelegde omdat de duur en de frequentie van de contacten die verdachte met het advocatenkantoor [bedrijfsnaam 1] heeft gehad onvoldoende zijn om te kunnen spreken van belaging. Daartoe is aangevoerd dat verdachte een zakelijke relatie had met het advocatenkantoor, dat hij een aantal keren op het kantoor is geweest en dat hij in een korte periode een aantal keren met het kantoor heeft gebeld, waarbij hij steeds vriendelijk is gebleven en de medewerksters van het kantoor de verbinding steeds na korte tijd hebben verbroken.

Ook in dit geval stelt de rechtbank voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Daarbij is voorts van belang dat de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer zich niet alleen uitstrekt tot (de directe omgeving van) diens eigen woning, maar ook tot openbare ruimtes en de werkomgeving, mits het slachtoffer in die omgeving redelijkerwijs aanspraak kon maken op (een zekere mate van) privacy en de inbreuk voldoende indringend is. De rechtbank verwijst in dit kader naar een arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL8642).

In dit geval heeft verdachte enkel contact gezocht met de medewerkers van advocatenkantoor [bedrijfsnaam 1] , terwijl zij zich bevonden in hun werkomgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de gedragingen van verdachte voorafgaand en na 22 juli 2013 en anderzijds de gedragingen van verdachte op 22 juli 2013.

Uit het dossier blijkt dat verdachte in de periode voorafgaande aan 22 juli 2013 enkele keren bij advocatenkantoor [bedrijfsnaam 1] is geweest. Tijdens die bezoeken is hem telkens verzocht het pand te verlaten en is ook enkele malen de politie gebeld en ter plaatse gekomen. Nadat verdachte op 15 juli 2013 meerdere malen met het advocatenkantoor had gebeld, is hem verzocht niet meer te bellen. Op 23 juli 2013 heeft verdachte ten minste eenmaal met het advocatenkantoor gebeld. Er zijn aanwijzingen dat hij die dag veel vaker heeft gebeld, maar dit blijkt onvoldoende uit de bewijsmiddelen.

De rechtbank is van oordeel dat de frequentie van de gedragingen van verdachte in de periode voorafgaande aan en na 22 juli 2013 niet zodanig hoog is en de aard daarvan niet zo indringend is dat in die periode kan worden gesproken van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers van het advocatenkantoor [bedrijfsnaam 1] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte op enig moment een zakelijk relatie heeft gehad met dit advocatenkantoor en de medewerkers hem te woord stonden in hun hoedanigheid van receptionist, telefoniste of advocaat.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte twee medewerkers van het advocatenkantoor op 22 juli 2013 - ieder afzonderlijk - tientallen malen heeft gebeld.

Hoewel deze handelingen zich hebben beperkt tot een periode van niet meer dan ongeveer acht uren (de tijd dat het kantoor op de desbetreffende datum geopend was), kan naar het oordeel van de rechtbank - ook objectief bezien - toch worden gesproken van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers van het advocatenkantoor. Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte in deze periode zo vaak met de beide telefonistes van het advocatenkantoor heeft gebeld dat zij bijna voortdurend bezig waren met het afhandelen van zijn telefoontjes, waardoor zij op een zeer indringende wijze werden gehinderd in hun dagelijkse werkzaamheden. Doordat verdachte belde vanaf een afgeschermd nummer konden zij niet zien dat hij degene was die belde, waardoor zij telkens genoodzaakt waren de telefoon op te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt een dergelijke uitzonderlijk hoge frequentie van contactpogingen naar algemene ervaringsregels tot onaangename gevoelens van stress en irritatie en is de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de medewerksters daardoor zo indringend, dat zij zich daartegen - ook in hun werkomgeving - beschermd mochten achten. Gelet op de gebeurtenissen voorafgaand aan 22 juli 2013 en de omstandigheid dat verdachte ook op die dag zelf meerdere malen is verzocht niet meer te bellen, moet het voor verdachte zonder meer duidelijk zijn geweest dat de medewerkers van het advocatenkantoor [bedrijfsnaam 1] niet met hem wensten te spreken. Dit geldt te meer nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in de telefoongesprekken een medewerker heeft gefeliciteerd met het feit dat zij het 80ste telefoontje van de dag heeft aangenomen en dat hij heeft gezegd: "Vervelend hè, dat ik alweer bel?" en "Ik kan tot 17:00 uur bellen geloof ik vandaag, dan ga ik morgen wel weer verder." Hier leidt de rechtbank uit af dat het doel van verdachte was (de medewerkers van) het advocatenkantoor lastig te vallen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de medewerkers dit ook zo hebben ervaren. Dat verdachte in zijn contacten met de medewerkers vriendelijk bleef en dat zij hem vanaf een bepaald moment niet meer te woord stonden, maar het contact met hem meteen verbraken, doet hier niet aan af.

Door zijn gedragingen heeft verdachte de medewerkers van het advocatenkantoor gedwongen contact met hem te hebben en hem aan te horen en heeft hij hen gedwongen te dulden dat hij contact met hen zocht.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 22 juli 2013 aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt. Dit betekent dat het verweer faalt.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/830311-14 onder 1. ten laste gelegde

De rechtbank past bij de beoordeling van het in de zaak met parketnummer 18/830311-14 onder 1. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

3. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2014089730, gesloten op 29 september 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

3.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KD-2014089730-20, d.d. 17 augustus 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte, afgelegd op 17 augustus 2014:

(Vraag verbalisanten: We willen graag beginnen over wat gisteren gebeurd is. Je bent gisteren naar de [bedrijfsnaam 2] aan de [adres] in [pleegplaats] gegaan. Hoe laat ben je daarheen gegaan?) Ik ben naar de [bedrijfsnaam 2] gelopen en naar binnen gegaan. Ik ben naar de uitgang van de winkel gelopen. Ik werd ineens van achteren vastgepakt of iets dergelijks. Uit reactie heb ik met mijn rechterarm naar achteren geslagen. Ik maakte deze beweging omdat ik weg wilde. Toen ik achter mij keek, zag ik ineens die kassière op de grond liggen. Ik zag dat ze een bloedneus had.

3.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KC-2014089730-1, d.d. 17 augustus 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik ben werkzaam als kassière bij de [bedrijfsnaam 2] te [pleegplaats] . Op zaterdag 16 augustus 2014, omstreeks 13.25 uur, bevond ik mij in bedoelde winkel. Ik zag dat de man naar de poort liep, die geldt als ingang in de winkel. Hij wilde kennelijk de winkel uit. [slachtoffer 3] stond voor de man. Ik zag vervolgens dat deze man ineens [slachtoffer 3] duwde of sloeg. Ik ben er vervolgens tussen gesprongen. Direct daarna voelde ik ineens dat ik keihard op mijn neus werd geraakt. Ik voelde direct heel veel pijn. Ik zag direct niks meer en alles was een grote vlek. Even later ontdekte ik, dat ik op de grond lag. Ik was even een stuk van de film en van het gebeuren kwijt. Ik had een bloedneus.

3.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KE-2014089730-6, d.d. 16 augustus 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 8] :

Op 16 augustus 2014, omstreeks 13:30 uur, was ik in de [bedrijfsnaam 2] te [pleegplaats] . Ik zag dat de man naar buiten liep. Ik zag dat twee medewerksters van de [bedrijfsnaam 2] achter de man aanliepen. Ik zag dat de man één van de medewerksters wegduwde. Ik zag dat de andere medewerkster achter hem stond. Ik zag dat de man zijn rechterarm naar voren bewoog. Ik zag dat de man de arm in gehoekte stand, met volle snelheid naar achteren bewoog. Ik zag dat de man zijn elleboog midden in het gezicht van de medewerkster belandde. Ik zag dat het meisje door de elleboogstoot achterover viel. Ik zag dat zij bloedde uit haar hoofd.

3.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KD-2014089730-12, d.d. 16 augustus 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 9] :

Op 16 augustus 2014 was ik, omstreeks 13:30 uur, bij de [bedrijfsnaam 2] in [pleegplaats] . Ik zag dat de man bij de uitgang was en dat de medewerkster voor hem ging staan. Ik zag dat de man de eerste medewerkster die voor hem stond wegduwde. Toen dit gebeurde, kwam de tweede medewerkster er ook tussen. Op het moment dat ze naar de man greep, zag ik dat hij met zijn rechterarm naar achter bewoog en vervolgens, kennelijk met kracht, met zijn elleboog de medewerkster in het gezicht sloeg en daadwerkelijk raakte. Ik zag namelijk dat de medewerkster door de klap achteruit viel en op haar rug tegen de grond viel. Ik heb gezien dat zij bloed aan en in haar gezicht had.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/830311-14 onder 1. ten laste gelegde

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18/830311-14 onder 1. ten laste gelegde omdat niet kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer in het gezicht heeft geraakt, laat staan dat het opzet van verdachte was gericht op het mishandelen van het slachtoffer. Daartoe is primair aangevoerd dat uit de beelden van de bewakingscamera's blijkt dat niet verdachte maar een andere medewerkster van de [bedrijfsnaam 2] het slachtoffer in het gezicht heeft geraakt. Subsidiair is aangevoerd dat verdachte niet de bedoeling had het slachtoffer te raken en haar pijn of letsel toe te brengen. Verdachte wist volgens de verdediging niet dat het slachtoffer achter hem stond en hij kon dit ook niet vermoeden.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze verweren het volgende.

De rechtbank heeft de beelden van de bewakingscamera's ter terechtzitting van 28 januari 2016 bekeken en heeft waargenomen dat daarop niet goed te zien is wat er precies is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van deze beelden niet worden vastgesteld dat het slachtoffer is geraakt door een andere medewerkster van de [bedrijfsnaam 2] , maar kan op basis daarvan ook niet worden uitgesloten dat verdachte het slachtoffer met zijn elleboog in het gezicht heeft geraakt.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank echter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer in het gezicht heeft geraakt en dat zij daardoor pijn heeft ondervonden en letsel heeft opgelopen.

Uit het dossier en hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard, kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte de bedoeling heeft gehad om het slachtoffer in het gezicht te raken en haar pijn en/of letsel toe te brengen. Daarom moet worden beoordeeld of verdachte voorwaardelijk opzet had op dit gevolg.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval het toebrengen van letsel en/of pijn - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van verdachte en/of eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over wat ten tijde van de gedraging in verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen, waaronder met name de verklaring die verdachte zelf bij de politie heeft afgelegd, leidt de rechtbank af dat verdachte heeft gemerkt dat iemand hem vastpakte, hem probeerde vast te pakken of hem aanraakte en dat hij dus wist dat zich op zeer korte afstand achter hem iemand bevond. Ook leidt de rechtbank daaruit af dat verdachte bewust zijn elleboog naar achteren heeft bewogen met de bedoeling om weg te komen en dat hij dit met kracht heeft gedaan. Verder blijkt uit deze bewijsmiddelen dat verdachte het slachtoffer met zijn elleboog in het gezicht heeft geraakt, dat zij hierdoor is gevallen, dat zij hierdoor een bloedneus heeft opgelopen en dat zij hierdoor pijn heeft ondervonden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door opzettelijk en met kracht zijn elleboog naar achter te bewegen, terwijl hij wist dat er iemand vlak achter hem stond, bewust de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans aanvaard dat hij die persoon met zijn elleboog zou raken en daardoor pijn en/of letsel zou toebrengen. Dat verdachte niet wist welke persoon zich achter hem bevond, doet hier niet aan af.

Daarom acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het mishandelen van het slachtoffer. Dit betekent dat de verweren falen.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat zij:

in de zaak met parketnummer 18/192987-13 bewezen acht dat:

1.

hij in de periode van 18 september 2011 tot en met 2 mei 2012 te [pleegplaats] , in de gemeente Groningen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen en te dulden, bestaande uit:

- het meermalen telefonisch contact zoeken met die [slachtoffer 1] ;

- het verzenden van een groot aantal e-mail- en sms-berichten aan die [slachtoffer 1] ;

- het verzenden van een aantal brieven aan die [slachtoffer 1] ;

- het zich meermalen ophouden nabij de woning/flat van die [slachtoffer 1] ;

- het meermalen aanspreken van (een) medebewoner(s) van de woning/flat van die [slachtoffer 1] ;

- het meermalen opwachten en aanspreken van die [slachtoffer 1] op het station en elders te [pleegplaats] ;

2. ( ter berechting gevoegd parketnummer 18/820564-13)

hij op 22 juli 2013 te [pleegplaats] , in de gemeente Groningen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van medewerkers van het

advocatenkantoor [bedrijfsnaam 1] , met het oogmerk die medewerkers te dwingen iets te doen en te dulden, immers heeft hij, verdachte, meermalen telefonisch contact opgenomen met die medewerkers van het advocatenkantoor [bedrijfsnaam 1] ;

en in de zaak met parketnummer 18/830311-14 dat:

1.

hij op 16 augustus 2014 te [pleegplaats] , in de gemeente Groningen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] met kracht een elleboogstoot tegen het gezicht heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/192987-13:

1. belaging;

2. belaging;

in de zaak met parketnummer 18/830311-14:

1. mishandeling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim een half jaar een ex-vriendin belaagd. Hij heeft haar veelvuldig gebeld, ge-e-maild en ge-sms't. Ook heeft hij haar brieven geschreven, zich veelvuldig opgehouden in de nabijheid van haar woning/flat, een aantal van haar medebewoonsters aangesproken en haar meerdere malen opgewacht en aangesproken. Dit alles terwijl hij wist dat zij geen contact meer met hem wilde hebben. Ook heeft verdachte enkele medewerkers van een advocatenkantoor belaagd door hen gedurende één dag zo vaak te bellen dat zij niet of nauwelijks aan andere werkzaamheden toekwamen. Daarnaast heeft verdachte een medewerkster van een bouwmarkt mishandeld. Hij heeft opzettelijk met zijn elleboog naar achter gestoten, terwijl zij vlak achter hem liep. Zij is hierdoor ten val gekomen, is even bewusteloos geweest, heeft een bloedneus opgelopen en is per ambulance afgevoerd.

Door beide gevallen van belaging heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn slachtoffers. Verdachte heeft alleen oog gehad voor de door hemzelf gevoelde drang om bepaalde zaken met zijn ex-vriendin en de medewerkers van het advocatenkantoor te bespreken en heeft niet gerespecteerd dat zowel zijn ex-vriendin als de medewerkers van het advocatenkantoor duidelijk hadden aangegeven op geen enkele manier contact te willen. Dit heeft vooral een grote impact gehad op het leven van zijn ex-vriendin. Uit haar schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 20 juni 2014 blijkt dat de belaging lange tijd haar leven heeft beheerst, dat zij ten gevolge daarvan veel lichamelijke en geestelijke (stress) klachten heeft ondervonden en dat zij ook in 2014 nog gevoelens van angst en onmacht had als zij aan de belaging werd herinnerd. Door de mishandeling heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de medewerkster van de [bedrijfsnaam 2] en heeft hij haar veel pijn bezorgd.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de redelijke termijn voor vervolging ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 1. ten laste gelegde feit is overschreden. Verdachte is voor dat feit aangehouden op 27 april 2012 en sindsdien zijn meer dan twee jaren verstreken. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging in die zin dat dit moet leiden tot strafvermindering. De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat de redelijke termijn voor vervolging ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 2. ten laste gelegde feit niet is overschreden. Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte voor dit feit niet is aangehouden en dat de dagvaarding in deze zaak eerst in mei 2014 is uitgebracht.

De rechtbank acht het in de eerste plaats van groot belang dat wordt voorkomen dat verdachte opnieuw vergelijkbare strafbare feiten zal plegen. Daarom acht zij de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaar passend en geboden. Gelet op de aard van het eerste bewezenverklaarde feit (belaging), de omstandigheid dat verdachte naar zijn eigen zeggen dagelijks bezig is met de lopende gerechtelijke procedures en de omstandigheid dat zijn ex-vriendin in twee van deze procedures door advocaten is of zal worden benaderd, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens zijn ex-vriendin en/of haar ouders. Daarom acht de rechtbank een contactverbod met de ex-vriendin en haar ouders op zijn plaats. De rechtbank zal dit verbod - conform de eis van de officier van justitie - opleggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van twee jaar met een vervangende hechtenis van twee weken voor elke keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan en zij zal bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het opleggen van een contactverbod met de andere door de officier van justitie genoemde personen, noch voor het opleggen van een locatieverbod voor de [bedrijfsnaam 2] . Daartoe overweegt zij dat sinds de desbetreffende feiten anderhalf tot twee en een half jaar zijn verstreken, dat niet is gebleken dat verdachte sindsdien contact met de desbetreffende personen heeft gezocht en dat zij - voor zover de rechtbank bekend - ook niet zijn betrokken bij de door verdachte gestarte procedures. Gezien het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten en de voormelde overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank - anders dan de officier van justitie - ook geen aanleiding om naast de voorwaardelijke gevangenisstraf en de vrijheidsbeperkende maatregel nog een taakstraf op te leggen.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte in de zaak met parketnummer 18/830311-14 onder 1. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat een deel van de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Dit betreft de kosten voor het gebruik van een ambulance ten bedrage van € 353,13. Uit de bij de vordering gevoegde "nota eigen risico" d.d. 29 september 2014 blijkt dat de ziektekostenverzekeraar dit bedrag niet aan de benadeelde partij heeft vergoed. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer geen sprake is. De rechtbank acht dit deel van de vordering dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

De rechtbank is van oordeel dat het overige deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat zij daardoor over onvoldoende informatie beschikt om dit deel van de vordering te kunnen beoordelen. Ten aanzien van het ziekengeld en het bedrag dat is betaald aan " [naam 3] " geldt dat uit de vordering en de daarbij gevoegde bijlagen niet blijkt dat dit kosten zijn die ten laste zijn gekomen van de benadeelde partij. Ten aanzien van de gevorderde kosten van fysiotherapie geldt dat uit de bijgevoegde stukken niet kan worden afgeleid of deze bedragen al dan niet zijn vergoed door de ziektekostenverzekeraar. Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor gemiste contracturen geldt dat uit het bijgevoegde loonstrookje van november 2014 niet blijkt dat de benadeelde partij in de voorgaande maanden loon is misgelopen, laat staan dat dit is veroorzaakt door de mishandeling. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van dit deel van de gestelde schade alsnog te doen aantonen, omdat dit zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering en zij kan dit slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte in de zaak met parketnummer 18/830311-14 onder 2. ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en zij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/830311-14 onder 2. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/192987-13 onder 1. en 2. ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/830311-14 onder 1. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

1. [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] ;

2. de vader van [slachtoffer 1] ;

3. de moeder van [slachtoffer 1] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 353,13 (zegge: driehonderd en drieënvijftig euro en dertien eurocent).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 353,13 (zegge: driehonderd en drieënvijftig euro en dertien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van zeven dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. D.M. Schuiling en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 februari 2016.

Mr. Brinksma en mr. Van Emst zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 353,13 (zegge: driehonderd en drieënvijftig euro en dertien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van zeven dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. D.M. Schuiling en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 februari 2016.

Mr. Brinksma en mr. Van Emst zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Schuiling

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Jongsma

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

locatie Groningen,