Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:47

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-01-2016
Datum publicatie
25-01-2016
Zaaknummer
C/17/97518 / HA ZA 09-536
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beoordeling of afspraak uit samenwerkingsovereenkomst afstuit op bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/97518 / HA ZA 09-536

Vonnis in de hoofdzaak van 6 januari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LUDINGA VASTGOED B.V.,

gevestigd te Harlingen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. W. Sleijfer, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HARLINGEN,

zetelend te Harlingen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. J.J. Veldhuis, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna Ludinga Vastgoed en de gemeente genoemd worden.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1

Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

  • -

    het tussenvonnis in de hoofdzaak van 10 juni 2015;

  • -

    de akte na tussenvonnis van Ludinga Vastgoed;

  • -

    de akte na tussenvonnis, tevens wijziging van eis, van de gemeente;

  • -

    de antwoordakte na tussenvonnis van Ludinga Vastgoed;

  • -

    de antwoordakte na vonnis van de gemeente;

  • -

    de antwoordakte na overlegging producties 4 en 5 van Ludinga Vastgoed.

1.2

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

2.1

De rechtbank verwijst voor wat betreft de reeds genomen beslissingen naar de inhoud van haar tussenvonnis van 10 juni 2015 (hierna: het tussenvonnis). De rechtbank blijft bij hetgeen zij in dat vonnis heeft overwogen en beslist, tenzij zij in hetgeen in de aktes na het tussenvonnis is aangevoerd (waaronder de daarin opgenomen eiswijzigingen in reconventie) aanleiding ziet om hierop terug te komen. In het navolgende zal bij de afzonderlijke geschilpunten, voor zover aan de orde, hierop worden ingegaan.

in conventie

2.2

De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen en beslist (zie rechtsoverweging 4.5.4) dat de gemeente zich met artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst niet jegens Ludinga Vastgoed heeft verplicht om woningbouw binnen de gemeente (dan wel alleen de stad) Harlingen in planologisch opzicht uitsluitend in het plangebied Ludinga mogelijk te maken. Gelet op het verweer van de gemeente dat op 30 augustus 2006 een akkoord met Ludinga Vastgoed tot stand is gekomen, dat inhoudt dat uitbreidingsplannen in de stad Harlingen wél onder de reikwijdte van artikel 6 voornoemd vallen, heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4.5.5 vervolgens geoordeeld dat de gemeente door de wijze waarop zij artikel 6 sindsdien uitlegt, de verplichting op zich heeft genomen om dienovereenkomstig te handelen. Dit oordeel brengt mee dat de rechtbank - die daarmee het mindere van het meerdere zoals gevorderd onder I-a zal toewijzen - voor recht zal verklaren dat artikel 6 aldus moet worden uitgelegd dat daaronder uitbreidingsplannen in de stad Harlingen vallen. Voor het overige zal de vordering onder I-a worden afgewezen.

2.3

In het tussenvonnis is reeds beslist dat de vorderingen onder I-b en II (rechtsoverweging 4.6.2) en onder III (rechtsoverweging 4.10.5) zullen worden afgewezen.

2.4

Ludinga zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van de gemeente worden tot op heden vastgesteld op:

- griffierecht € 262,00

- salaris gemachtigde € 1.808,00 (4 punten x tarief € 452,00)

totaal € 2.070,00.

in reconventie

2.5

In het tussenvonnis heeft de rechtbank voor wat betreft de nummering van de vorderingen de nummering aangehouden zoals vermeld in de akte na pleidooi van de gemeente (zie rechtsoverweging 3.4). Bij akte na tussenvonnis heeft de gemeente haar vorderingen opnieuw gewijzigd. Na eiswijziging, waarbij de rechtbank de hiervoor genoemde nummering zal blijven aanhouden (althans de hoofdnummering in romeinse cijfers), vordert de gemeente dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. ten aanzien van de opvaart:

primair: Ludinga Vastgoed zal veroordelen om de opvaart in het zuidelijke plangedeelte alsmede in het aansluitende gedeelte tot aan de (bestemmingsplan)grens van het artikel 11 WRO-uitleggebied en (binnen de bestemmingsplangrenzen van) het te gelegenertijd nog te realiseren uitleggebied, tot

20 meter op de waterlijn te verbreden dan wel aan te leggen, met dien verstande dat de opvaart ter hoogte van de (de rechtbank leest) kavel(s) gesitueerd aan de Kop van de Oostmeep, kruising Schuitenzand voor een gedeelte langszij en voorlangs deze kavel(s) over een totale lengte van circa 120 meter minder breed kan worden uitgevoerd, in dier voege dat Ludinga Vastgoed binnen vier weken na het te dezen te wijzen vonnis een aanvang dient te maken met de werkzaamheden en dat Ludinga Vastgoed die werkzaamheden binnen een termijn van twee maanden dient te hebben afgerond;

subsidiair: Ludinga Vastgoed zal veroordelen om de opvaart in het zuidelijke plangedeelte alsmede in het aansluitende gedeelte tot de (bestemmingsplan)grens van het artikel 11 WRO-uitleggebied en (binnen de bestemmingsplangrenzen van) het te gelegenertijd te realiseren uitleggebied, tot 20 meter op de waterlijn te verbreden dan wel aan te leggen, met dien verstande dat de opvaart ter hoogte van de kavel gesitueerd aan de Kop van de Oostmeep, kruising Schuitenzand voor een gedeelte langszij en voorlangs deze kavel(s) over een totale lengte van circa 120 meter minder breed kan worden uitgevoerd, in dier voege dat Ludinga Vastgoed uiterlijk bij de oplevering van fase 1 van het plangebied Ludinga de werkzaamheden dient te hebben afgerond;

II. ten aanzien van de persleiding:

Ludinga Vastgoed zal veroordelen om mee te werken aan het verlijden van de notariële akte overeenkomstig het concept van de notaris d.d. 25 augustus 2009 (conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, productie 8) en te bepalen dat bij gebreke aan tijdige voldoening aan de te dezen uit te spreken veroordeling binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, dit vonnis in de plaats zal treden van de medewerking van Ludinga Vastgoed aan vorenbedoelde akte, met dien verstande dat de volgende, in artikel IX van de concept-notariële akte opgenomen, passage kan vervallen:

Partijen komen overeen, dat het recht van de grondeigenaar dan wel diens rechtsopvolger op (toekomst)schade als bedoeld in artikel 1 van de "Bepalingen" en artikel V lid 2 sub c en artikel VI van de "Algemene voorwaarden" voor rekening en risico van verkoper blijft. Verkoper vrijwaart koper voor iedere aanspraak terzake.

III. ten aanzien van verrekening van vorderingen over en weer:

Ludinga Vastgoed zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de gemeente te betalen een bedrag van € 73.792,40 (inclusief omzetbelasting), vermeerderd met primair de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW althans subsidiair de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 28 juni 2008, althans vanaf de dag van de dagvaarding, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening;

IV. ingetrokken;

V. ingetrokken;

VI. ingetrokken;

VII. ingetrokken;

VIII. ten aanzien van het onderhoud van het openbaar gebied:

a. voor recht zal verklaren dat Ludinga Vastgoed, voorzover dat (delen van) het openbaar gebied in het woonplan Ludinga betreft dat (nog) niet door haar aan de gemeente in woonrijpe staat is overgedragen, gehouden is dat (deel van het) openbaar gebied te onderhouden, en wel zodanig dat er steeds sprake dient te zijn

van een veilige situatie, zowel voor het verkeer als ook daarbuiten, dit op straffe van een dwangsom voor iedere overtreding van € 5.000,00 met een voorlopig maximum van € 250.000,00. Onder "een overtreding" in vorenbedoelde zin dient te worden verstaan iedere gevaarzettende situatie, zowel op de openbare weg als daarbuiten in het openbaar gebied, waarin sprake is van het door Ludinga Vastgoed - zijnde de private partij die (op grond van de Samenwerkingsovereenkomst d.d.

8 oktober 2004) in opdracht van de gemeente het betreffende onderhoud van de openbare wegen en het openbaar gebied dient te verrichten - niet of onvoldoende in acht nemen van de zorgplicht, die een overheid als wegbeheerder op grond van de Wegenwet heeft dan wel als beheerder van openbaar gebied in acht dient te nemen;

b. Ludinga Vastgoed zal veroordelen aan de gemeente de navolgende bedragen te betalen, terzake welke de gemeente noodzakelijke kosten van onderhoud heeft gemaakt omdat Ludinga Vastgoed met dergelijk onderhoud, na sommatie, in gebreke bleef, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf navermelde data tot en met de dag van de algehele voldoening:

i. € 11.589,95 (inclusief omzetbelasting); ingangsdatum rente 7 oktober 2009 (datum conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie);

ii. € 18.525,88 (inclusief omzetbelasting); ingangsdatum rente 8 januari 2014 (datum conclusie van dupliek in conventie, conclusie van repliek en eiswijziging in reconventie);

ten aanzien van het woonrijp maken van het openbaar gebied:

a. Ludinga Vastgoed zal veroordelen aan de gemeente te betalen de kosten terzake het woonrijp maken van de Pollendam, totaal bedragende € 289.839,13, vermeerderd met rente, overeenkomstig de inhoud van artikel 6:119a BW (subsidiair artikel 6:119 BW), waarbij als ingangsdatum voor de verschuldigde rente steeds geldt 31 dagen na datum factuur aannemer;

b. Ludinga Vastgoed zal veroordelen aan de gemeente te betalen de kosten terzake het woonrijp maken van de "Noordelijke stadsuitleg Fase 2", totaal bedragende

€ 584.296,83, vermeerderd met rente, overeenkomstig de inhoud van artikel 6:119a BW (subsidiair artikel 6:119 BW), waarbij als ingangsdatum voor de verschuldigde rente steeds geldt 31 dagen na datum factuur aannemer, een en ander onder de verplichting voor de gemeente de facturen van de aannemer steeds binnen 14 dagen na ontvangst aan Ludinga Vastgoed toe te zenden en bij gebreke daarvan de uit deze veroordeling voortvloeiende verplichting tot betaling van de betreffende - nog niet door Ludinga Vastgoed ontvangen - factuur eerst aanvangt op de vijftiende dag na de dag dat deze factuur door Ludinga Vastgoed van de gemeente is ontvangen;

c. te verklaren voor recht (overeenkomstig artikel 3:302 BW) dat Ludinga Vastgoed met haar hiervoor sub a. en b. vermelde betalingsverplichtingen de door haar gestelde "opschortingsschade" niet mag verrekenen;

d. Ludinga Vastgoed zal veroordelen om het perceel kadastraal bekend gemeente Harlingen, sectie D, nummer 2878, voorzover dat onder de Pollendam is gesitueerd - zonodig rechtstreeks via de aan Ludinga Vastgoed gelieerde vennootschap Grondbank Harlingen B.V. - aan de gemeente in eigendom over te (doen) dragen, binnen 14 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, dit op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat Ludinga Vastgoed hiermee in gebreke blijft, dit met een voorlopig maximum van € 50.000,00;

IX. ingetrokken;

X. Ludinga Vastgoed zal veroordelen in de proceskosten.

2.6

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat Ludinga Vastgoed geen bezwaar heeft gemaakt tegen de wijzigingen van eis, zoals vermeld in de akte na tussenvonnis van de gemeente. Immers, zij heeft niet conform artikel 2.6 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken bezwaar gemaakt bij de rolrechter tegen deze eiswijzigingen en evenmin heeft zij in haar antwoordakte naar voren gebracht dat deze eiswijzigingen in strijd komen met de regels van een goede procesorde. Wel heeft zij ten aanzien van de eiswijziging die betrekking heeft op de kosten van het woonrijp maken (de vordering onder VIII-a en -b) een aantal opmerkingen gemaakt. De rechtbank zal op die opmerkingen ingaan bij de (verdere) beoordeling van dit onderdeel van de vordering van de gemeente. Voor het overige (dat wil zeggen: alle eiswijzigingen als vermeld in de akte na tussenvonnis van de gemeente, met uitzondering van de vorderingen vermeld onder VIII-a en -b) wordt thans reeds overwogen dat de rechtbank ook ambtshalve geen termen aanwezig acht voor het oordeel dat de eiswijzigingen in strijd zijn met de regels van de goede procesorde, zodat in zoverre in ieder geval recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

De opvaart (vordering I)

2.7

Zoals in het tussenvonnis overwogen, is tussen partijen in geschil of de vordering tot - kort gezegd - het aanleggen van een opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter dient af te stuiten op - zoals Ludinga Vastgoed tot haar verweer heeft aangevoerd - de voorschriften van het geldende bestemmingsplan en/of de feitelijke onuitvoerbaarheid. De rechtbank heeft bij het tussenvonnis de gemeente opgedragen om nader te reageren op het verweer ten aanzien van de planologische uitvoerbaarheid en heeft tevens verzocht om de relevante planvoorschriften en plantoelichting in het geding te brengen. Ludinga Vastgoed is op haar beurt opgedragen om zich nader uit te laten over de (on)mogelijkheid tot feitelijke nakoming, gelet op de eigendomsverhoudingen en de verkaveling ter plaatse.

2.8.1

Beide partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht en hun wederzijdse standpunten bij akte nader toegelicht. Ludinga Vastgoed heeft in dit verband onder andere naar voren gebracht dat de rechtbank haar verweer ten aanzien van de opvaart niet goed heeft verstaan. Ludinga Vastgoed heeft niet erkend dat zij zich jegens de gemeente heeft verbonden tot het aanleggen van een opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter, zo blijkt uit de conclusie van dupliek onder randnummer 2.7. Van een contractuele grondslag is dan ook geen sprake, aldus Ludinga Vastgoed. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. In de conclusie van dupliek in reconventie heeft Ludinga Vastgoed weliswaar betwist dat zij op grond van de samenwerkingsovereenkomst reeds de verplichting jegens de gemeente op zich had genomen om een opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter te realiseren, maar in deze conclusie heeft zij ook melding gemaakt van haar akkoordverklaring met de brief van de gemeente van 30 november 2007 (waarvan de inhoud, voor zover relevant, onder de vaststaande feiten in randnummer 2.22 van het tussenvonnis is opgenomen), waarin de gemeente onder meer heeft geschreven:

(…) Omtrent de kwestie kanaalbreedte is reeds eerder, uitvoerig tussen Ludinga en het gemeentebestuur overlegd. Overeengekomen is dat het kanaal zodanig wordt uitgevoerd dat het over de volledige planlengte een waterlijnbreedte krijgt van 20 meter. De start van de uitvoering van een en ander, binnen de plangrenzen van Ludinga fase I, zal volgens afspraak nog dit jaar plaatsvinden, dit met uitzondering van een klein gedeelte van de vaart. Ter hoogte van de kavel gesitueerd aan de kop van de Oostmeep, kruising Schuitenzand, kan de vaart voor het gedeelte langszij en voorlangs deze kavels(s), over een totale lengte van ca. 120 m1 (zie hiervoor de bijgevoegde situatieschets) minder breed worden uitgevoerd. (…)

In het tussenvonnis is onder de vaststaande feiten tevens opgenomen (randnummer 2.24) dat Ludinga Vastgoed de inhoud van de brief van 30 november 2007 op 24 januari 2008 voor akkoord heeft getekend en aan de gemeente heeft geretourneerd, waarbij zij heeft aangegeven dat zij nader wil overleggen over het tijdstip van de uitvoering van het kanaal. Letterlijk staat in deze brief:

In principe gaan wij akkoord met het gestelde in uw bovengenoemde brieven, dit met uitzondering van het tijdstip van uitvoering van de verbreding van het kanaal. Graag zouden wij nader met u willen overleggen over het tijdstip van uitvoering.

Op de brief van 30 november 2007 heeft Ludinga Vastgoed de volgende opmerking geplaatst:

Getekend onder het voorbehoud dat over tijdstip van uitvoering van de werkzaamheden overleg zal plaatsvinden en overeenstemming wordt bereikt.

Ludinga Vastgoed heeft in haar conclusie van dupliek ook verwezen naar haar instemming met de brief van 30 november 2007. Vervolgens heeft zij betoogd dat haar voorwaarde over het tijdstip van uitvoering van de werkzaamheden niet uit de lucht is komen vallen, maar dat een deel van de werkzaamheden buiten het plangebied zal moeten plaatsvinden en dat daarvoor een bestemmingswijziging is vereist. De (verdere) aanleg van de opvaart was hiervan afhankelijk. De vordering van de gemeente mist aldus een contractuele grondslag, aldus nog steeds Ludinga Vastgoed in de conclusie van dupliek.

2.8.2

De rechtbank heeft, niettegenstaande de conclusie van Ludinga Vastgoed dat er geen sprake zou zijn van een contractuele grondslag, haar verweer anders begrepen en wel in die zin dat Ludinga Vastgoed de verplichting als zodanig niet betwist, maar wel de planologische en feitelijke uitvoerbaarheid. Voor zover de rechtbank het verweer van Ludinga Vastgoed al anders - in de door Ludinga Vastgoed voorgestane zin - had moeten verstaan, is de rechtbank van oordeel dat het verweer geen doel kan treffen. Voor de volledigheid voegt zij daarom aan haar eerdere overwegingen op dit punt thans toe dat uit de expliciete instemming met de brief van 30 november 2007 reeds volgt dat Ludinga Vastgoed zich jegens de gemeente heeft verbonden om een opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter aan te leggen. Weliswaar heeft Ludinga Vastgoed aan haar instemming een voorwaarde verbonden, maar deze voorwaarde ziet enkel op het tijdstip van uitvoering. Uit de wijze waarop Ludinga Vastgoed haar voorbehoud heeft geformuleerd, kan zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat dit verband hield met bestemmingswijzigingen die nog moesten plaatsvinden, zoals zij bij dupliek naar voren heeft gebracht. De rechtbank blijft daarom bij haar oordeel dat Ludinga Vastgoed zich met haar akkoordverklaring van 24 januari 2008 jegens de gemeente heeft verbonden om over de volledige planlengte een opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter aan te leggen, dit evenwel met uitzondering van een gedeelte van circa 120 meter ter hoogte van de Kop van de Oostmeep, kruising Schuitenzand. Overigens kan in dit verband ook nog worden gewezen op de stukken die de gemeente bij antwoordakte na tussenvonnis in het geding heeft gebracht, in het bijzonder de bestektekeningen van 28 januari 2008 (productie 3), die door Ludinga Vastgoed op 19 maart 2008 voor akkoord zijn ondertekend. Op deze tekeningen is - met uitzondering van de hiervoor bedoelde 120 meter waar de opvaart smaller kan worden uitgevoerd - een waterlijnbreedte van 20 meter aangegeven, zoals de gemeente heeft aangevoerd en Ludinga Vastgoed vervolgens niet heeft bestreden. Ook hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat Ludinga Vastgoed de contractuele verplichting op zich heeft genomen om een opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter aan te leggen.

2.9.1

Voor wat betreft de vraag of het, zoals Ludinga Vastgoed heeft betoogd, feitelijk onmogelijk is om de opvaart aan te leggen op de wijze zoals door de gemeente gevorderd, overweegt de rechtbank als volgt. Ludinga Vastgoed heeft in haar akte na tussenvonnis aangevoerd dat op één plek de opvaart "absoluut niet verbreed kan worden op basis van de huidige eigendomsverhoudingen". Deze plek betreft de "bocht in de opvaart", ter hoogte van de kavels die reeds zijn verkocht, zoals vastgelegd in productie A bij deze akte. De gemeente heeft bij antwoordakte hierover naar voren gebracht dat haar vordering geen betrekking heeft op dit gedeelte van de opvaart, dat een lengte heeft van ongeveer 120 meter. De vordering ziet op de gehele planlengte van de opvaart, met uitzondering van het gedeelte waar dit feitelijk niet mogelijk is (Kop van de Oostmeep, kruising Schuitenzand), aldus de gemeente. Ludinga Vastgoed heeft vervolgens in haar antwoordakte na overlegging producties 4 en 5 enkel over dit onderwerp nog opgemerkt dat, nu de vordering volgens haar reeds op planologische gronden moet worden afgewezen, aan de discussie over de feitelijke uitvoerbaarheid voorbij kan worden gegaan.

2.9.2

De rechtbank stelt vast dat Ludinga Vastgoed niet heeft gesteld dat op andere plaatsen dan ter hoogte van de kavel(s) aan de Kop van de Oostmeep, kruising Schuitenzand, de aanleg van een opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter feitelijk niet uitvoerbaar is. Nu vaststaat dat de vordering van de gemeente juist ten aanzien van dit gedeelte van de opvaart een uitzondering behelst (in die zin dat de opvaart hier minder breed kan worden uitgevoerd) faalt het verweer van Ludinga Vastgoed dat de vordering tot nakoming van haar verplichtingen ten aanzien van de opvaart wegens de feitelijke onmogelijkheid om na te komen, moet worden afgewezen.

2.10

Ludinga Vastgoed heeft in haar antwoordakte na overlegging producties 4 en 5 nog opgemerkt:

(…) dat zij de rechtbank er nog op (wil) wijzen, dat nu een deel van de opvaart smaller is dan overige delen van de opvaart, de vraag rijst welk belang ex art. 3:303 BW de gemeente nog heeft bij een bredere opvaart op andere delen. Immers, de opvaart is 'zo breed' als het smalste stuk.

Voor zover Ludinga Vastgoed hiermee heeft bedoeld het verweer te voeren dat de vordering dient af te stuiten op het bepaalde in artikel 3:303 BW ("geen belang, geen actie") moet dit verweer worden verworpen. Partijen hebben een overeenkomst gesloten, die Ludinga Vastgoed verplicht om (behoudens de in de vorige rechtsoverweging bedoelde uitzondering) over de volle planlengte een opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter aan te leggen. Op grond van artikel 3:296 BW wordt, tenzij uit de wet, uit de aard van de verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt, hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten. daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, veroordeeld. De rechter dient terughoudend te zijn met het afwijzen van een vordering op de grond dat er niet voldoende belang bestaat. De enkele omstandigheid dat de opvaart ter hoogte van de kavel(s) bij de Kop van de Oostmeep, kruising Schuitenzand, noodzakelijkerwijs smaller moet worden uitgevoerd dan elders in het plangebied, is bepaald onvoldoende om aan de zijde van de gemeente een gebrek aan belang bij toewijzing van haar vordering vast te stellen.

2.11.1

Voor wat betref de vraag of toewijzing van de vordering zal leiden tot strijd met de bepalingen van het geldende bestemmingsplan overweegt de rechtbank dat zij in het tussenvonnis (zie rechtsoverweging 4.7.5) heeft overwogen dat de vordering zal worden afgewezen indien het verweer van Ludinga Vastgoed op dit punt slaagt. De rechtbank is van oordeel dat zij een partij niet tot nakoming kan veroordelen indien dit zou leiden tot handelen in strijd met een wettelijk voorschrift.

2.11.2

De gemeente heeft ter uitvoering van het verzoek van de rechtbank om nadere informatie over het bestemmingsplan in het geding te brengen, onder meer een "memo" van 17 juni 2015, opgesteld door [A] die is verbonden aan Rho, adviseurs voor leefruimte, in het geding gebracht. Rho (althans haar rechtsvoorgangster Buro Vijn) is betrokken geweest bij het opstellen van het bestemmingsplan Harlingen-Ludinga, dat ten grondslag ligt aan de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen. Uit de inhoud van de akte na tussenvonnis van de gemeente blijkt dat op 10 juni 2015 voor het plangebied Ludinga een nieuw bestemmingsplan voor de duur van zes weken ter visie is gelegd, waartegen eerder geen zienswijzen waren ingediend, althans niet voor zover het om de gronden gaat waarop de opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter volgens de gemeente moet worden aangelegd. De rechtbank acht de kans reëel dat dit nieuwe bestemmingsplan inmiddels vigerend is en zal daarom in haar beoordeling zowel het oorspronkelijke als het recentere plan betrekken. Beide bestemmingsplannen dragen de naam "Harlingen-Ludinga". De rechtbank zal hierna, ter voorkoming van verwarring, het oorspronkelijke bestemmingsplan aanduiden als het "bestemmingsplan 2004" en het recent vastgestelde als het "bestemmingsplan 2015".

2.11.3

Op basis van de memo van Woudstra en de (nadere) informatie van de gemeente stelt de rechtbank vast dat de opvaart, uitgaande van een waterlijnbreedte van 20 meter, gerealiseerd zal worden op gronden die ingevolge het "bestemmingsplan 2004", voor zover dit bestemmingsplan nog geldend is, de bestemmingen "water", "woondoeleinden" (ten westen van de bestemming water) en "cultuurgrond" (ten oosten van de bestemming water) hebben. De bijbehorende bestemmingsomschrijvingen luiden als volgt:

artikel 15 Water

(…)

A. De op de kaart voor water aangewezen gronden zijn bestemd voor:

1. waterlopen en waterpartijen;

2. oevers;

en in beperkte mate voor:

3. aanleggelegenheid

4. groenvoorzieningen;

5. paden;

6. tuinen en erven;

met de daarbijbehorende:

7. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, duikers en/of dammen

(…)

artikel 4 Woondoeleinden

A. De op de kaart voor woondoeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

1. woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een vrij beroep;

2. bijgebouwen;

3. woonstraten;

4. parkeervoorzieningen;

5. groenvoorzieningen;

6. paden;

7. speelvoorzieningen;

8. waterlopen en waterpartijen;

9. aanleggelegenheid;

met de daarbijbehorende:

10. tuinen, erven en terreinen;

11. bouwwerken, geen gebouwen zijnde

(…)

artikel 10 Cultuurgrond

(…)

A. De op de kaart voor cultuurgrond aangewezen gronden zijn bestemd voor:

1. cultuurgrond;

2. werken ten behoeve van de waterkering, indien en voor zover de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "waterkering",

en in beperkte mate voor:

3. paden;

4. water;

met de daarbijbehorende;

5. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

(…)

Uit de plankaart blijkt - zoals de gemeente ook onbestreden bij conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek en wijziging van eis in reconventie heeft aangevoerd - dat de gronden met de bestemming "Cultuurgrond" zijn voorzien van de aanduiding "waterkering".

2.11.4

Op grond van het "bestemmingsplan 2015" rusten, voor zover dit bestemmingsplan al geldend is, op de in geding zijnde gronden de bestemmingen "Water", "Woongebied" (ten westen van de bestemming water), "Agrarisch - Cultuurgrond" met dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" (ten oosten van de bestemming water). De bijbehorende bestemmingsomschrijvingen luiden als volgt:

artikel 9 Water

(…)

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. waterlopen en waterpartijen

b. oevers;

met daaraan ondergeschikt:

c. aanleggelegenheid;

d. wegen en paden:

e. groenvoorzieningen;

f. tuinen en erven;

met de daarbijbehorende:

g. nutsvoorzieningen;

a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers

(…)

artikel 4 Woongebied

(…)

De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woonhuizen al dan niet in combinatie met ruimte voor een vrij beroep;

b. bijgebouwen;

met de daarbijbehorende:

c. woonstraten en paden;

d. parkeervoorzieningen;

e. groenvoorzieningen;

f. waterlopen;

g. tuinen, erven en terreinen;

h. aanleggelegenheid;

i. nutsvoorzieningen;

j bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers.

(…)

artikel 3 Agrarisch - Cultuurgrond

(…)

De voor 'Agrarisch - Cultuurgrond' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. cultuurgrond;

en in beperkte mate voor:

b. sloten, bermen en beplanting;

c. voet- en rijwielpaden;

d. nutsvoorzieningen;

met de daarbijbehorende:

e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

(…)

artikel 16 Waterstaat - Waterkering

(…)

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

a. werken ten behoeve van de waterkering;

met de daarbijbehorende:

b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

(…)

2.11.5

Woudstra voornoemd heeft ten aanzien van de bestemmingsomschrijvingen die in het "bestemmingsplan 2004" zijn opgenomen, in zijn memo opgemerkt:

(…) Op zich verzetten deze bestemmingen zich niet tegen de aanleg van water of walkanten. Dus het is niet zo dat ook de walkant binnen de bestemming Water moet worden gerealiseerd.

Voor wat betreft het "bestemmingsplan 2015" heeft Woudstra opgemerkt dat de bestemmingen globaal dezelfde zijn als in het vorige bestemmingsplan en overigens geen specifieke opmerkingen gemaakt. De gemeente heeft in de akte, voor zover het om de beweerde strijd met het bestemmingsplan gaat, ter onderbouwing van haar standpunt naar de memo van Woudstra verwezen. Ludinga Vastgoed heeft in haar antwoordakte haar verweer gehandhaafd dat de aanleg van een opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter in strijd komt met de bestemmingsomschrijvingen, onder andere omdat volgens haar de oevers van de opvaart op grond van artikel 15 van het "bestemmingsplan 2004" binnen de bestemming "Water" moeten worden aangelegd en voorts omdat de bestemmingen die op de gronden naast de (geprojecteerde) opvaart liggen, alleen waterlopen en -partijen toestaan die behoren bij de desbetreffende bestemmingen. Het gedeeltelijk aanleggen van een opvaart op die gronden is op grond van het bestemmingsplan dan ook niet toegestaan, aldus Ludinga Vastgoed.

2.11.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat een opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter, inclusief de oevers, niet volledig kan worden gerealiseerd op de gronden met de bestemming "Water", nu uit de plankaart volgt dat deze bestemming zich slechts uitstrekt over een strook met een breedte van 20 meter. Voor wat betreft de vraag of hieraan de gevolgtrekking moet worden verbonden dat het aanleggen en aanwezig hebben van oevers behorende bij de opvaart in planologisch opzicht niet is toegestaan, wordt overwogen als volgt.

2.11.7

De rechtbank is allereerst van oordeel dat, alhoewel de artikelen 15 ("bestemmingsplan 2004") en 9 ("bestemmingsplan 2015") bepalen dat de voor "Water" bestemde gronden zijn bestemd voor onder meer oevers, hieruit niet noodzakelijkerwijs volgt dat de oevers per definitie binnen deze bestemming aangelegd moeten worden. Indien het zo zou zijn, zoals de gemeente stelt, dat de bestemmingsomschrijvingen die van toepassing zijn op de naastgelegen gronden de aanleg van oevers van de opvaart (ook) toestaan, is er geen grond voor het oordeel dat de vordering van de gemeente wegens strijd met het bestemmingsplan moet worden afgewezen.

2.11.8

De rechtbank volgt de gemeente niet in bedoeld standpunt voor zover het om de gronden ten westen van de bestemming "Water" gaat. Voor wat betreft de bestemmingsomschrijvingen die van toepassing zijn op deze gronden, te weten "Woondoeleinden" ("bestemmingsplan 2004") dan wel "Woongebied" (bestemmingsplan 2015") geldt weliswaar dat "waterlopen en waterpartijen" respectievelijk "waterlopen" zijn toegestaan, maar de rechtbank is van oordeel dat het dan wel moet gaan om waterlopen en waterpartijen die behoren bij de desbetreffende bestemming. In het "bestemmingsplan 2015" is dit in artikel 4 ook expliciet bepaald. Van de oevers van een opvaart, die in het bestemmingsplan als grotere waterpartij afzonderlijk zijn bestemd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat deze behoren bij een woondoeleindenbestemming. Aan de westzijde van de bestemming "water" is de aanleg van de oevers derhalve niet toegestaan, noch op grond van het 'bestemmingsplan 2004", noch op grond van het "bestemmingsplan 2015".

2.11.9

Voor wat betreft de oostzijde geldt dat op grond van het "bestemmingsplan 2004" op de gronden die zijn voorzien van de aanduiding "waterkering toegestaan" - wat hier blijkens de plankaart het geval is - werken ten behoeve van de waterkering zijn toegestaan. Ingevolge het "bestemmingsplan 2015" geldt voor deze gronden een dubbelbestemming ("Agrarisch - Cultuurgrond" en "Waterstaat - Waterkering"), op grond waarvan eveneens werken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een waterkering is toegestaan. Deze bestemmingen zien op een strook grond, direct gelegen naast de gronden met de bestemming "Water", welke strook een breedte heeft van circa tien meter, zoals de gemeente onbestreden bij conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek en wijziging van eis in reconventie, randnummer 101) heeft gesteld. Uit de (niet-bindende) plantoelichting bij beide bestemmingsplannen leidt de rechtbank af dat de planwetgever met deze bestemmingen heeft beoogd om aan deze gronden mede een waterkerende functie toe te kennen. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat op deze gronden de aanleg van oevers wél is toegestaan. Nu Ludinga Vastgoed zich blijkens haar brief aan de gemeente van 19 juni 2006 (productie 13 bij conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie) op het standpunt stelt dat bij een nat wateroppervlak van 14.90 meter de opvaart inclusief oevers nog binnen de bestemming "Water" zou vallen en zij aldus 5.10 meter rekent voor de aanleg van de oevers, moet hieraan de gevolgtrekking worden verbonden dat de opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter en inclusief de oevers voor wat betreft het "bestemmingsplan 2004" binnen de bestemmingen "Water" en "Cultuurgrond" (met aanduiding "waterkering") en voor wat betreft het "bestemmingsplan 2015" binnen de bestemming "Waterstaat - waterkering" kan worden aangelegd en dus in planologisch opzicht op grond van beide bestemmingsplannen (ook) mogelijk is. Zoals hiervoor vermeld, staat immers vast dat laatstbedoelde bestemming zich uitstrekt over een strook grond met een breedte van circa tien meter, terwijl de bestemming "Water" betrekking heeft op een stuk grond met een breedte van twintig meter. Aldus is 30 meter beschikbaar voor de aanleg van de opvaart op de overeengekomen wijze, inclusief oevers. Binnen deze bestemmingen kan - anders dan Ludinga Vastgoed in haar antwoordakte heeft aangevoerd - naar het oordeel van de rechtbank ook een eventuele kade worden aangelegd, gelet op de waterkerende functie hiervan. De rechtbank kan Ludinga Vastgoed dan ook niet volgen in haar standpunt dat voor de aanleg van de opvaart in de door de gemeente gevorderde zin, zowel de gronden ten westen als ten oosten van de bestemming "Water" benodigd zijn. Weliswaar kan aan Ludinga Vastgoed worden toegegeven dat Woudstra voornoemd in zijn memo op pagina 7 melding maakt van de omstandigheid dat aan de westzijde van de opvaart reeds gronden zijn uitgegeven, als gevolg waarvan op die plek geen water meer kan worden gerealiseerd, maar uit de tekening op pagina 8 van deze memo blijkt dat hij hierbij het oog heeft op het gedeelte bij de Kop van de Oostmeep, kruising Schuitenzand, waarop - zoals hiervoor reeds besproken - de vordering van de gemeente geen betrekking heeft.

2.11.10

Ludinga Vastgoed heeft verder tot haar verweer aangevoerd dat het begrip "waterlijn" niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd. Aangezien zomer- en winterpeil van elkaar verschillen, is niet duidelijk wat de gemeente precies van Ludinga Vastgoed verlangt. De planvoorschriften dienen evenwel objectieve criteria te bevatten, waaraan (bouw)werken en werkzaamheden moeten voldoen. De rechtbank kan Ludinga Vastgoed hierin niet volgen. Een bestemmingsplan is immers een instrument van zogenoemde toelatingsplanologie. Dit betekent dat op grond van het bestemmingsplan op Ludinga Vastgoed niet de verplichting rust om een opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter aan te leggen. Het bestemmingsplan geeft enkel aan wat de maximale maten zijn van de aan te leggen opvaart. Zoals hiervoor overwogen is er voor de opvaart inclusief oevers in totaal 30 meter beschikbaar. Weliswaar is op de plankaart een maximale breedte van de opvaart (het watergedeelte) van 20 meter ingetekend, maar de rechtbank is van oordeel dat geen strijd optreedt met de bestemming "Cultuurgrond" (met aanduiding "waterkering") dan wel de bestemming "Waterstaat - Waterkering" indien een beperkt gedeelte van het wateroppervlak zich soms ook uitstrekt over deze gronden. Inherent aan waterkeringen is immers dat zich op die plekken ook water kan bevinden. Het zomer- en winterpeil kan dus fluctueren, zonder dat strijd ontstaat met de maximaal toegestane afmetingen van de opvaart ingevolge het "bestemmingsplan 2004" dan wel het "bestemmingsplan 2015". Overigens overweegt de rechtbank onder verwijzing naar het vorenstaande dat Ludinga Vastgoed zich verbintenisrechtelijk heeft verplicht tot het aanleggen van een opvaart met een waterlijnbreedte van 20 meter, wat er verder ook zij van mogelijke peilverschillen door het jaar heen.

2.11.11

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat de aanleg van een opvaart met een waterlijnbreedte van twintig meter, inclusief oevers (en een eventuele kade) zowel op grond van het "bestemmingsplan 2004" als het "bestemmingsplan 2015" mogelijk is, zodat - daargelaten de vraag welk bestemmingsplan thans het vigerende plan is - het verweer van Ludinga Vastgoed faalt.

2.12

Nu Ludinga Vastgoed voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank de primaire vordering, zoals deze luidt na de laatste eiswijziging, toewijzen. Hierbij zij opgemerkt dat Ludinga Vastgoed niet tot haar verweer heeft aangevoerd dat de termijnen, zoals opgenomen in de primaire vordering, voor haar niet uitvoerbaar zijn en er om die reden een ruimere termijnstelling zou moeten plaatsvinden. De vordering zal daarom integraal worden toegewezen.

Het onderhoud van het openbaar gebied (vordering VIII, onder a. en b.)

de vordering onder a.

2.13

In het tussenvonnis heeft de rechtbank met betrekking tot deze vordering, zoals die luidde toen voor het eerst in deze procedure vonnis werd gevraagd, kort samengevat overwogen dat deze vordering toewijsbaar is, met uitzondering van de gevorderde dwangsommen omdat de gemeente onvoldoende had gesteld en omschreven aan welk specifiek en concreet gebod of verbod een dwangsom zou moeten worden verbonden. De rechtbank is er daarbij van uitgegaan dat de gemeente had bedoeld een gebod te vorderen, ook al was de vordering in de vorm van een verklaring voor recht gegoten. De gemeente is in de gelegenheid gesteld om bij haar akte haar vordering nader te specificeren.

2.14.1

Alvorens in te gaan op de vraag of de nadere specificatie door de gemeente voldoende is om de vordering thans wel toe te kunnen wijzen, overweegt de rechtbank dat Ludinga Vastgoed in haar antwoordakte na tussenvonnis heeft opgemerkt dat deze beslissing van de rechtbank volledig uit de lucht komt vallen omdat zij tegen deze vordering verweer heeft gevoerd, de beslissing niet is gemotiveerd en bovendien in strijd is met de inhoud van het incidenteel vonnis van 12 december 2012, waarin is overwogen dat de gemeente niet aannemelijk heeft gemaakt dat op haar, Ludinga Vastgoed, een onderhoudsverplichting rust ten aanzien van de openbare wegen en het openbaar groen. Hieromtrent wordt overwogen als volgt.

2.14.2

De vordering van de gemeente is gebaseerd op de artikelen 5 en 8 van de samenwerkingsovereenkomst. Kort gezegd is in artikel 8 vastgelegd dat elk gedeelte van het plangebied, dat niet bestaat uit uitgeefbare kavels, wordt aangemerkt als openbaar gebied en dat tot aan de "(op)levering" aan de gemeente elke fase ten laste van en voor rekening en risico van de grondexploitatie komt. In artikel 5 is bepaald wat partijen onder grondexploitatie verstaan. Bij de oorspronkelijke eis in reconventie heeft de gemeente verschillende vorderingen ten aanzien van, zoals zij dat noemde, het "blauw, groen en grijs" jegens Ludinga Vastgoed ingesteld. De gemeente heeft vervolgens, nog voordat Ludinga Vastgoed in de hoofdzaak had geantwoord op de eis, een incidentele conclusie genomen, waarbij zij een provisionele eis ex artikel 223 Rv heeft ingesteld, die strekte tot het - kort samengevat - veroordelen van Ludinga Vastgoed tot het herstel en/of onderhoud van bepaalde, in het petitum vermelde situaties en gevallen. De rechtbank heeft deze vordering bij provisioneel vonnis van 12 december 2012 afgewezen. Ludinga Vastgoed heeft bij conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie, verwezen naar haar conclusie van antwoord in het incident en de overwegingen van de rechtbank, met het verzoek om het aldaar gestelde als herhaald en ingelast te beschouwen. Zij vervolgt dan met de opmerkingen (zie randnummer 133 van genoemde conclusie):

Niettemin heeft Ludinga besloten de betreffende werkzaamheden zelf te doen laten uitvoeren. De betreffende eis van de gemeente, kan derhalve hier verdere onbesproken worden gelaten.

De gemeente is vervolgens bij conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek en wijziging van eis in reconventie zeer uitvoerig op de volgens haar contractuele onderhoudsverplichting van Ludinga Vastgoed ingegaan en heeft haar eis gewijzigd. Bij dupliek in reconventie (randnummer 9.1) heeft Ludinga Vastgoed vastgesteld dat de eis is gewijzigd en is zij vervolgens enkel nog ingegaan op de bedragen, die de gemeente voor wat betreft het onderhoud onder VIII onder b vordert. Geconstateerd moet dan ook worden dat Ludinga Vastgoed, nadat de gemeente bij repliek in reconventie uitvoerig had toegelicht waarop zij de vordering onder VIII-a (onderhoud) baseert, hierop in het geheel niet meer is ingegaan en in zoverre moet dan ook worden geconstateerd dat zij haar verweer niet gemotiveerd heeft gehandhaafd. Dit heeft de rechtbank ertoe gebracht om te overwegen zoals zij in rechtsoverweging 4.9.6 heeft gedaan. Ter nadere onderbouwing van deze beslissing moge het voorgaande dienen. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat zij zich bij haar beoordeling niet hoeft te richten naar een beslissing op grond van artikel 223 Rv. Deze bepaling is er immers enkel op gericht om een maatregel van voorlopige aard voor de duur van het geding te verkrijgen en de rechter in de hoofdzaak is niet gebonden aan deze (voorlopige) beslissing.

2.15

Zoals hiervoor vermeld heeft de gemeente haar vordering (nogmaals) gewijzigd, in die zin dat zij nu heeft gedefinieerd wat volgens haar onder 'overtreding' verstaan moet worden. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de vordering, zoals deze thans luidt, nog steeds te ruim en te vaag is om hierin een voldoende concreet gebod te kunnen lezen, waaraan een dwangsom kan worden verbonden. De rechtbank zal daarom de vordering in die zin toewijzen dat een verklaring voor recht wordt uitgesproken, nu deze eveneens in de vordering ligt besloten. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen. Het verbinden van een dwangsom aan een declaratoir vonnis is immers niet mogelijk.

de vordering onder b.

2.16

Deze vordering betreft de kosten die de gemeente heeft gemaakt in verband met de kosten van onderhoud van het openbaar gebied. De gemeente heeft er bij akte na tussenvonnis terecht op gewezen dat in het tussenvonnis nog niet is beslist op dit onderdeel van haar vordering. De rechtbank zal hiertoe thans alsnog overgaan.

2.17.1

De gemeente vordert allereerst een bedrag in hoofdsom van € 11.589,95 (in welk bedrag de door betaalde btw is verwerkt). Dit bedrag houdt verband met kosten die de gemeente in 2009 heeft gemaakt voor het aanbrengen van drempelelementen, groenonderhoud, onderhoud verhardingen, watergangen en bijkomende kosten (zie de calculatie van de gemeente van 9 juni 2009, productie 19 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie). Uit de calculatie blijkt dat het hierbij onder meer gaat om onderhoudskosten aan bomen bij de Pollendam. Ludinga Vastgoed heeft in haar conclusie van repliek in conventie, tevens aanvulling van eis en conclusie van antwoord in reconventie betoogd dat de gemeente op geen enkele wijze heeft onderbouwd op grond waarvan zij gehouden zou zijn om genoemd bedrag aan de gemeente te betalen. Zoals hiervoor vermeld heeft de gemeente in haar conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek en wijziging van eis in reconventie uitvoerig uiteengezet waarop zij de contractuele verplichting van Ludinga Vastgoed baseert, die volgens haar inhoudt dat laatstgenoemde tot aan de overdracht van het openbaar gebied gehouden aan haar is om het onderhoud voor haar rekening en risico uit te voeren. Bij dupliek in reconventie heeft Ludinga Vastgoed volstaan met een verwijzing naar haar antwoord in reconventie. Zoals hiervoor bij de bespreking van de vordering onder VIII-a al is overwogen, heeft Ludinga Vastgoed hiermee haar verweer ten aanzien van de op haar rustende contractuele onderhoudsverplichting tot aan de oplevering aan de gemeente naar het oordeel van de rechtbank niet gemotiveerd gehandhaafd. Aldus moet als vaststaand worden aangenomen dat deze verplichting (als zodanig) daadwerkelijk op haar rust.

2.17.2

Verder heeft Ludinga Vastgoed tot haar verweer aangevoerd dat in een bespreking van de Stuurgroep op 12 december 2005 is afgesproken dat het beheer en onderhoud van de bomen en bermen langs de Pollendam (ook wel Allee genoemd) vanaf einde 2005 door de gemeente is overgenomen, welke afspraak volgens haar is bevestigd tijdens een vergadering van de Stuurgroep van 29 juni 2006 (productie 6 bij conclusie van antwoord in het incident). In het verslag van deze vergadering wordt, voor zover hier van belang, vermeld:

Bomen

De afspraak is geweest. Allee 1e fase is gereed en akkoord bevonden door [B] . De gemeente neemt deze nu mee in het onderhoud/beheer.

De rechtbank stelt vast dat de gemeente op dit verweer in het geheel niet is ingegaan. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat partijen in 2005 een afspraak hebben gemaakt in de door Ludinga Vastgoed bedoelde zin, aldus dat het beheer en onderhoud van de bomen c.a. aan de Pollendam vanaf dat moment voor rekening van de gemeente kwam. In zoverre is de vordering niet toewijsbaar. Uit de calculatie van de gemeente blijkt dat hiermee een bedrag van € 2.565,42 en € 409,85, ofwel in totaal een bedrag van € 2.975,27 (exclusief 19% btw) gemoeid is. Inclusief btw gaat het om een bedrag van € 3.540,57.

2.17.3

Daarnaast heeft Ludinga Vastgoed opgemerkt dat het gebied, waarin de werkzaamheden door de gemeente zijn verricht, op 9 januari 2008 gereed was om overgedragen te worden omdat zij dit woonrijp had gemaakt. Het betreft het gebied Omdraai/gedeelte Molenrak/gedeelte Boontjes. De in het opleveringsverslag vermelde punten zijn door haar afgehandeld, maar de gemeente weigert desondanks om dit gedeelte van de openbare ruimte over te nemen. De onderhoudskosten moeten daarom voor rekening van de gemeente blijven, aldus Ludinga Vastgoed. De rechtbank constateert dat Ludinga Vastgoed zich beroept op een niet-ondertekend opleveringsverslag van 9 januari 2008 (productie 8 bij incidentele conclusie van antwoord). De door/namens partijen ondertekende versie hiervan bevindt zich als productie 15 bij conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek en wijziging eis in reconventie. In dit verslag wordt vermeld dat het woonrijp maken van de Omdraai, gedeelte Molenrak en gedeelte Boontjes gereed is en dat de nog af te werken punten uiterlijk in week 3 gereed moeten zijn. De gemeente heeft niet gereageerd op het verweer van Ludinga, noch bij conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek en wijziging eis in reconventie, noch bij gelegenheid van de pleidooien. Desalniettemin ziet de rechtbank aanleiding om het gevorderde bedrag toe te wijzen, nu door de gemeente bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie reeds is toegelicht dat Ludinga Vastgoed volgens haar in januari 2009 nog steeds nalatig was met het treffen van bepaalde maatregelen die tot aan de overdracht nog ten laste van de grondexploitatie zouden komen, waarop zij Ludinga Vastgoed ook heeft aangesproken (zie haar brieven van 7 januari 2009 en 2 februari 2009, respectievelijk productie 17 en 18 bij voormelde conclusie). De enkele omstandigheid dat er een opleveringsverslag van 9 januari 2008 voorhanden is, kan daarmee niet voldoende verklaren dat deze kosten, die nog voor de overdracht zijn gemaakt, niet meer voor rekening van Ludinga Vastgoed behoren te komen. Daar komt bij dat Ludinga Vastgoed niet onderbouwd heeft gesteld dat de gemeente (op onjuiste gronden) weigerde om mee te werken aan de levering van dit gebied. Het verweer faalt in zoverre.

2.17.4

Gelet op het vorenstaande is van dit onderdeel van de vordering een bedrag van

€ 8.049,38 toewijsbaar (€ 11.589,95 - € 3.540,57), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente nu hiertegen geen zelfstandig verweer is gevoerd.

2.18

De gemeente vordert voorts aan onderhoudskosten een bedrag van € 18.525,88. Zij heeft deze kosten onderbouwd met haar producties 14 en 14a tot en met 14c en volgende bij conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek en wijziging eis in reconventie (een specificatie met onderliggende facturen). Hieruit blijkt dat het gaat om kosten van straatwerk, herstellen brandkranen, maaien en het egaliseren van het gronddepot. Ludinga Vastgoed heeft hiertegen aangevoerd dat zij de werkzaamheden die de gemeente blijkens haar provisionele eis van haar verlangde (kort gezegd herstel c.q. uitvoering van 122 punten uit de rapportage van KOAC-NPC) onverplicht heeft verricht. In het kader van de uitvoering van die werkzaamheden heeft de gemeente zelf besloten om aanvullende werkzaamheden uit te laten voeren, die blijkens haar incidentele vordering kennelijk niet nodig waren. Voor deze kosten ontbreekt dan ook een contractuele basis, aldus Ludinga Vastgoed. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van Ludinga Vastgoed moet worden verworpen. Zoals reeds overwogen neemt de rechtbank als vaststaand aan dat op Ludinga Vastgoed de contractuele verplichting rust om tot aan de oplevering aan de gemeente voor het onderhoud in het openbaar gebied zorg te dragen. De incidentele vordering is op 12 september 2012 ingesteld. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat - met uitzondering van een bedrag van € 479,20 (factuur van de Vermolen Groep) - alle kosten in 2013 zijn gemaakt, ofwel na het instellen van het incident. Reeds om die reden valt niet in te zien dat het om werkzaamheden ging die de gemeente kennelijk eerst niet nodig vond. Voor wat betreft het hiervoor vermelde bedrag van € 479,20 overweegt de rechtbank dat uit de factuur blijkt dat deze werkzaamheden al in 2010 zijn uitgevoerd, zodat het verweer van Ludinga Vastgoed in zoverre eveneens niet opgaat. Zij zal dan ook worden veroordeeld om het gevorderde bedrag aan de gemeente te voldoen, inclusief de gevorderde rente nu daartegen geen zelfstandig verweer is gevoerd.

Het woonrijp maken van het openbare gebied (vorderingen VIII, onder a. tot en met d.)

2.19

De rechtbank stelt vast dat de gemeente bij akte na tussenvonnis haar eis heeft gewijzigd, in die zin dat de oorspronkelijke vordering onder b. (zoals deze luidde na een eerdere eiswijziging) thans is genummerd als vordering a. en niet langer "een vaststelling" (zie rechtsoverweging 4.9.7 van het tussenvonnis) behelst, maar een vordering tot betaling van € 289.839,13 betreft. De oorspronkelijke vordering onder a. (zoals deze luidde na een eerdere eiswijziging), waarbij in algemene zin betaling werd gevorderd van de kosten van het woonrijp maken, is vervallen en in plaats daarvan vordert de gemeente thans onder b. betaling van een concreet bedrag (€ 584.296,83). Op de toelaatbaarheid van deze eiswijzigingen zal de rechtbank in het onderstaande ingaan.

de vordering onder a.

2.19.1

Zoals reeds overwogen in rechtsoverweging 4.9.2 van het tussenvonnis is tussen partijen niet in geschil dat zij in december 2013 hebben afgesproken dat de kosten van het woonrijp maken voor rekening van Ludinga Vastgoed komen (per abuis staat in deze overweging vermeld dat deze afspraak ook zou zien op de onderhoudskosten). Wel was in debat of was afgesproken dat Ludinga Vastgoed andere vorderingen, die zij pretendeert op de gemeente te hebben, mag verrekenen met het door de gemeente gevorderde bedrag en wel in die zin dat tezijnertijd een afrekening tussen partijen plaats zal vinden, waarbij ook onderhavige vordering wordt betrokken. De rechtbank heeft in het tussenvonnis beslist dat Ludinga Vastgoed onvoldoende heeft gesteld om bij de verdere beoordeling van het geschil van deze beweerde afspraak uit te kunnen gaan. Tevens is geoordeeld dat een algemeen beroep op verrekening afstuit op het bepaalde in artikel 6:136 BW.

2.19.2

Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van dit onderdeel van de vordering (rechtsoverweging 4.9.7) overwogen dat het haar niet duidelijk is wat de gemeente bedoelde met haar vordering voor zover deze inhoudt dat de rechtbank "vast zal stellen dat deze kosten (de kosten ter zake het woonrijp maken als bedoeld onder a, zoals de vordering na de voorlaatste eiswijziging luidde, toevoeging rechtbank) gelijk zijn aan hetgeen waartoe de aannemer, aan wie middels - de door Ludinga Vastgoed te begeleiden - aanbesteding dit woonrijp maken wordt gegund, op basis van de betreffende aannemingsovereenkomst, toekomt, en deze kosten voor wat betreft het woonrijp maken van de Pollendam

€ 289.839,13 bedragen." De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat zij vermoedt dat bedoeld is om een verklaring voor recht te vorderen en, voor zover dat niet het geval is, de vordering zal worden afgewezen. De gemeente heeft vervolgens bij haar laatste eiswijziging de vordering niet in de vorm van een verklaring voor recht gegoten, maar (in hoofdsom) betaling van voormeld bedrag gevorderd.

2.19.3

Ludinga Vastgoed heeft bij antwoordakte aangevoerd dat het, gelet op hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 4.9.7 van het tussenvonnis heeft aangevoerd, "duidelijk" is dat de vordering thans moet worden afgewezen. Voorts heeft zij opgemerkt:

(…) dat zij er in beginsel van uit mag gaan dat de rechtbank niet terugkomt op haar oordeel, nu het hier een zogenaamde bindende eindbeslissing betreft, zodat zij verder geen inhoudelijk verweer zal voeren tegen de eiswijziging en eisvermeerdering, met maar liefst

€ 584.296,83 euro (!) en de ineens gevorderde wettelijke handelsrente. Indien uw rechtbank meent, dat voornoemde vorderingen toch inhoudelijk behandeld kunnen worden, dan gaat Ludinga ervan uit, dat zij nog in de gelegenheid wordt gesteld inhoudelijk verweer te voeren. Te meer daar het voor voornoemd bedrag om een geheel nieuwe vordering gaat, wat ook geldt voor de gevorderde wettelijke handelsrente.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Het hiervoor bedoelde betoog dat betrekking heeft op de "bindende eindbeslissingen" gaat er ten onrechte aan voorbij dat de enige reden voor de in het vooruitzicht gestelde afwijzing was dat het Burgerlijk Wetboek niet de mogelijkheid kent van een "vaststelling" door de rechter. De desbetreffende overweging in het tussenvonnis hield dan ook geen verband met een inhoudelijke afwijzingsgrond, zoals ook volgt uit de hiervoor weergegeven samenvatting van de inhoud van het tussenvonnis. Voor zover in het tussenvonnis een bindende eindbeslissing op dit punt is genomen zag dat alleen op de vordering tot "vaststelling" zoals hiervoor bedoeld. Dit kon en moest voor Ludinga Vastgoed ook volkomen helder zijn, gelet op de in het tussenvonnis gebezigde bewoordingen. Zoals uit het vorenstaande blijkt, vordert de gemeente thans niet langer "een vaststelling", maar betaling van het bedrag van € 289.839,13, welk bedrag reeds werd vermeld in de vordering zoals deze ten tijde van het tussenvonnis luidde. Nu het wijzigen van de eis in beginsel mogelijk is totdat de rechter een eindvonnis heeft gewezen, mocht en kon de gemeente dit ook doen, tenzij geoordeeld zou moeten worden - naar aanleiding van een bezwaar door Ludinga Vastgoed dan wel ambtshalve - dat deze eiswijziging in strijd komt met de regels van een goede procesorde. De rechtbank stelt vast dat Ludinga Vastgoed heeft nagelaten om conform artikel 2.6 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken bezwaar te maken bij de rolrechter tegen de door de gemeente gewenste eiswijziging. In haar antwoordakte heeft zij hiertegen evenmin bezwaar gemaakt, in die zin dat zij daarin stelt dat deze eiswijziging in strijd komt met de regels van een goede procesorde. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de eiswijziging - die in de kern vrijwel neerkomt op hetgeen eerder al werd gevorderd - af moet stuiten op de regels van een goede procesorde. De rechtbank zal dan ook recht doen op de gewijzigde eis.

2.19.4

Voor wat betreft de vraag of Ludinga Vastgoed nog de mogelijkheid moet worden geboden om inhoudelijk verweer te voeren is de rechtbank van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zij overweegt daartoe dat Ludinga Vastgoed de kans heeft gehad om inhoudelijk te reageren in het kader van haar antwoordakte, welke mogelijkheid zij vervolgens zonder goede gronden ongebruikt voorbij heeft laten gaan. Er is geen rechtsregel die de rechter gebiedt om, wanneer een partij er zelf voor kiest om op het aangewezen moment niet inhoudelijk te reageren, deze partij alsnog die mogelijkheid te bieden. Ludinga Vastgoed zal daarom niet nogmaals in de gelegenheid worden gesteld om een antwoordakte te nemen teneinde daarin alsnog inhoudelijk verweer te kunnen voeren tegen de vordering. Overigens stelt de rechtbank vast dat Ludinga Vastgoed kennelijk de facturen van WMR, die op het woonrijp maken van "de Pollendam" zien, nog steeds niet heeft betaald, in weerwil van de omstandigheid dat deze facturen reeds geruime tijd geleden opeisbaar zijn geworden.

2.19.5

Gelet op het vorenstaande is de vordering onder (thans) a., conform de bindende eindbeslissingen die in het tussenvonnis al zijn genomen en met inachtneming van de laatste wijziging van eis, toewijsbaar. De rechtbank volgt Ludinga Vastgoed dan ook niet in haar standpunt, zoals uiteengezet in haar antwoordakte na tussenvonnis, dat deze vordering nog inhoudelijk beoordeeld zou moeten worden. De rechtbank zal tevens de vordering tot vergoeding van de wettelijke (handels)rente toewijzen. De gemeente heeft ten aanzien van dit onderdeel gesteld dat de (in afwijking van de samenwerkingsovereenkomst gemaakte) nadere afspraak tussen partijen over het woonrijp maken kwalificeert als een overeenkomst in de zin van artikel 6:119a BW en aldus de wettelijke handelsrente is verschuldigd als Ludinga Vastgoed in verzuim is met de voldoening van de verschuldigde bedragen. Ludinga Vastgoed heeft in haar antwoordakte weliswaar laten doorklinken dat zij het niet eens is met de vordering voor zover het om de wettelijke handelsrente gaat, maar zij heeft vervolgens

- zoals blijkt uit het vorenstaande - nagelaten om hiertegen verweer te voeren. Dit onderdeel van de vordering zal daarom als zijnde onweersproken eveneens worden toegewezen.

de vordering onder b.

2.20

De gemeente heeft bij akte na tussenvonnis gesteld dat zij inmiddels ook het woonrijp maken van de "Noordelijke stadsuitleg fase 2" heeft aanbesteed en dat dit werk overeenkomstig de uitkomst van de betreffende aanbestedingsprocedure is gegund aan Nota Straatmakers B.V. bij voorlopige gunning van 19 mei 2015 en definitieve opdrachtverlening van 8 juni 2015. Tijdens de aanbesteding bleek dat Nota Straatmakers B.V. had ingeschreven voor een bedrag van € 447.748,00, waarmee zij de laagste inschrijver was. De aanbesteding heeft (net als bij "de Pollendam") plaatsgevonden in overleg met Ludinga Vastgoed, die aanwezig was bij de aanbesteding en ook heeft ingestemd met de gunning aan vermeld bedrijf. Zowel de gemeente als Ludinga Vastgoed heeft het bestek voor de uit te voeren werkzaamheden geaccordeerd. Uit de controleverklaring is gebleken dat er een post meerwerk is van € 35.141,94. Daarmee is aan Nota Straatmakers B.V. een bedrag van

€ 584.296,83 (inclusief btw) verschuldigd, aldus nog steeds de gemeente, die thans tevens betaling van dit bedrag (in hoofdsom) door Ludinga Vastgoed vordert.

2.21.1

Het standpunt van Ludinga Vastgoed ten aanzien van deze eiswijziging ligt besloten in het hiervoor, onder rechtsoverweging 2.19.3, opgenomen citaat. De rechtbank stelt vast dat Ludinga Vastgoed ook ten aanzien van deze eiswijziging formeel dus geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om ambtshalve te oordelen dat deze eiswijziging in strijd is met de regels van een goede procesorde. Weliswaar is deze vordering in een laat stadium van de procedure ingediend en gaat het om een aanzienlijk bedrag, maar daar staat tegenover dat deze vordering (in hoofdsom) volledig in lijn is met de tussen de partijen vaststaande afspraak dat de gemeente het woonrijp maken ter hand zal nemen en zal voorfinancieren en dat Ludinga Vastgoed de hiermee gemoeide kosten heeft te dragen. Daar komt bij dat de omvang van de kosten van het woonrijp maken van dit gedeelte van het plangebied - zo volgt uit hetgeen de gemeente onbetwist heeft aangevoerd - pas bekend is geworden nadat (voor de eerste keer) vonnis was gevraagd in de hoofdzaak. Aldus zal ook op dit punt recht worden gedaan op grond van de gewijzigde eis.

2.21.2

Zoals uit het hiervoor bedoelde citaat blijkt, is Ludinga Vastgoed er bij het opstellen van haar antwoordakte van uitgegaan dat zij ook ten aanzien van dit onderdeel van de gewijzigde vordering nog de gelegenheid zou moeten krijgen om inhoudelijk verweer te voeren. Op dezelfde gronden als hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat Ludinga Vastgoed deze mogelijkheid niet meer behoort te worden geboden. Dit brengt mee dat de vordering, waartegen inhoudelijk geen enkel verweer is gevoerd, zal worden toegewezen op de wijze zoals deze door de gemeente is geformuleerd, inclusief de (eventueel) verschuldigde wettelijke handelsrente. De rechtbank verwijst voor wat betreft dit laatste punt naar rechtsoverweging 2.19.5.

de vordering onder c.

2.22

In het tussenvonnis is ten aanzien van dit onderdeel van de vordering door de rechtbank overwogen (rechtsoverweging 4.9.7) dat de vordering toewijsbaar is in zoverre dat Ludinga Vastgoed de door haar gestelde "opschortingsschade" niet mag verrekenen (met de kosten van het woonrijp maken) en voor het overige niet voor toewijzing in aanmerking komt omdat de vordering verder te algemeen en onbegrensd is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het haar niet duidelijk is wat de gemeente met de vordering bedoelt voor zover zij "een vaststelling" vordert, maar dat zij vermoedt dat het om een verklaring voor recht gaat. De gemeente is in de gelegenheid gesteld om zich hierover nader uit te laten. De gemeente heeft vervolgens haar vordering in de vorm van een verklaring voor recht gegoten. Ludinga Vastgoed heeft in haar antwoordakte opgemerkt dat zij, gelet op hetgeen de rechtbank in het tussenvonnis over de "opschortingsschade en verrekening" heeft overwogen, geen bezwaar heeft tegen de wijziging van eis, niettegenstaande de omstandigheid dat zij het met het oordeel van de rechtbank omtrent dit geschilpunt niet eens is. De rechtbank zal de vordering, zoals deze thans luidt, dan ook toewijzen.

de vordering onder d.

2.23

De rechtbank heeft ten aanzien van dit onderdeel van de vordering in het tussenvonnis overwogen (rechtsoverweging 4.9.8) dat het haar niet duidelijk is aan wie Ludinga Vastgoed het in de vordering bedoelde deel van "de Pollendam" moet overdragen en zij heeft de gemeente in de gelegenheid gesteld om haar vordering nader te specificeren. De gemeente heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Zij heeft uiteengezet dat het in geding zijnde perceel nog steeds eigendom is van de aan Ludinga Vastgoed gelieerde vennootschap Grondbank Harlingen B.V. en dat het perceel aan haar, de gemeente, moet worden overgedragen, indien nodig in de vorm van een zogenoemde ABC-akte. Ludinga Vastgoed heeft in haar antwoordakte opgemerkt dat zij geen bezwaar heeft tegen toewijzing van de vordering. De vordering zal dan ook worden toegewezen voor zover het de hoofdveroordeling betreft.

2.24

Voor wat betreft de eveneens gevorderde dwangsom is de rechtbank van oordeel dat deze dient te worden afgewezen, nu Ludinga Vastgoed heeft verklaard dat zij vrijwillig zal meewerken aan het passeren van de notariële akte tot levering en voordien ook nimmer heeft aangegeven dat zij niet tot medewerking bereid is. De rechtbank betrekt hierbij dat uit de processtukken blijkt dat de enige reden voor deze vordering is dat uit kadastrale recherche is gebleken dat de gemeente alleen van dit stuk, nog woonrijp te maken, grond nog geen eigenaar is (zie conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek en wijziging eis in reconventie, randnummer 225).

Proceskostenveroordeling

2.25

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de rechtbank als volgt. Bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie heeft de gemeente tien (hoofd) vorderingen tegen Ludinga Vastgoed ingesteld, waarbij de gemeente bovendien een aantal vorderingen heeft opgesplitst in (sub)vorderingen. Meest in het oog springend hierbij is hoofdvordering VIII, die de gemeente heeft opgesplitst in tien vorderingen (a. tot en met j.). Bij conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek en wijziging van eis in reconventie heeft de gemeente drie (hoofd)vorderingen ingetrokken, namelijk de vorderingen V (depotrekening planschade), VII (maatschap Kingma) en IX (dwangsommen). Bij akte na pleidooi heeft de gemeente vervolgens nog twee (hoofd)vorderingen ingetrokken, namelijk de vorderingen IV (bouwvolumes, informatieverplichting, depotrekening) en VI (driehoek nabij de Batting). De gemeente heeft dus na pleidooi de helft van haar oorspronkelijke hoofdvorderingen ingetrokken. Hier staat tegenover dat de gemeente de door haar gehandhaafde vorderingen gaandeweg de procedure (nader) heeft gewijzigd, geconcretiseerd en aangepast, met name de vorderingen ten aanzien van de kosten van het onderhoud en woonrijp maken van het openbaar gebied. Gaandeweg de procedure is immers steeds meer duidelijk geworden welke kosten (nog) gemoeid zijn met dit onderhoud en woonrijp maken. Het partijdebat heeft met name betrekking gehad op deze geschilpunten alsmede over (de breedte van) de opvaart. In dat opzicht kunnen de andere vorderingen, bijvoorbeeld ten aanzien van de persleiding en het meewerken aan de overdracht van een perceel (liggende onder de Pollendam), als ondergeschikt worden beschouwd. De rechtbank stelt vast dat de gemeente ten aanzien van de vorderingen waarover partijen in hoofdzaak het debat over hebben gevoerd, namelijk de opvaart en de kosten van het onderhoud en het woonrijp maken, in het gelijk zal worden gesteld. Dit betekent dat Ludinga Vastgoed als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij heeft te gelden. Ludinga Vastgoed zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten.

2.26

Voor wat betreft de vaststelling van het liquidatietarief neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de processtukken tot aan de akte na tussenvonnis gewaardeerd worden in tarief VI. Dit levert vier punten in dit tarief op, ofwel wel een bedrag van € 8.000,00. De akte na tussenvonnis en de antwoordakte na vonnis zullen worden gewaardeerd in tarief VII, hetgeen leidt tot één punt in dit tarief (een bedrag van € 2.580,00). De kosten van de gemeente, zoals tot op heden gevallen, worden dus vastgesteld op een bedrag van

€ 10.580,00.

3 De beslissing

De rechtbank:

in conventie

3.1

verklaart voor recht dat artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst aldus uitgelegd moet worden dat dit artikel uitsluitend betrekking heeft op uitbreidingsplannen in de stad Harlingen;

3.2

wijst het meer of anders gevorderde af;

3.3

veroordeelt Ludinga Vastgoed in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden vastgesteld op € 2.070,00;

3.4

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

3.5

veroordeelt Ludinga Vastgoed om de opvaart in het zuidelijke plangedeelte alsmede in het aansluitende gedeelte tot aan de grens van het artikel 11 WRO-uitleggebied en in het te gelegener tijd nog te realiseren uitleggebied, tot 20 meter op de waterlijn te verbreden dan wel aan te leggen, met dien verstande dat de opvaart ter hoogte van de kavel(s) gesitueerd aan de Kop van de Oostmeep, kruising Schuitenzand, voor een gedeelte langszij en voorlangs deze kavel(s) over een totale lengte van circa 120 meter minder breed kan worden uitgevoerd, in dier voege dat Ludinga Vastgoed binnen vier weken na het wijzen van dit vonnis een aanvang dient te maken met de werkzaamheden en dat Ludinga Vastgoed die werkzaamheden binnen een termijn van twee maanden dient te hebben afgerond;

3.6

veroordeelt Ludinga Vastgoed om mee te werken aan het verlijden van de notariële akte overeenkomstig het concept van de notaris d.d. 25 augustus 2009, met dien verstande dat hiervan geen deel zal uitmaken de navolgende, in artikel IX van de concept-notariële akte (conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie d.d. 7 oktober 2009, productie 8), opgenomen passage (blz. 10 bovenaan):

Partijen komen overeen, dat het recht van de grondeigenaar dan wel diens rechtsopvolger op (toekomst)schade als bedoeld in artikel 1 van de "Bepalingen" en artikel V lid 2 sub c en artikel VI van de "Algemene voorwaarden" voor rekening en risico van verkoper blijft. Verkoper vrijwaart koper voor iedere aanspraak terzake;

3.7

veroordeelt Ludinga Vastgoed tot betaling aan de gemeente van een bedrag van

€ 31.070,39, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 28 juni 2008 tot de dag van de algehele betaling;

3.8

verklaart voor recht dat Ludinga Vastgoed, voor zover dat (delen van) het openbaar gebied in het woonplan Ludinga betreft dat/die (nog) niet door haar aan de gemeente in woonrijpe staat is/zijn overgedragen, gehouden is dat (deel van het) openbaar gebied te onderhouden, en wel zodanig dat er steeds sprake dient te zijn van een veilige situatie, zowel voor het verkeer als ook daarbuiten;

3.9

veroordeelt Ludinga Vastgoed tot betaling aan de gemeente van een bedrag van

€ 8.049,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 oktober 2009 tot de dag van de algehele betaling;

3.10

veroordeelt Ludinga Vastgoed tot betaling aan de gemeente van een bedrag van

€ 18.525,88, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 januari 2014 tot de dag van de algehele betaling;

3.11

veroordeelt Ludinga Vastgoed aan de gemeente te betalen de kosten terzake het woonrijp maken van "de Pollendam", totaal bedragende € 289.839,13, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW, waarbij als ingangsdatum voor de verschuldigde rente steeds geldt 31 dagen na datum factuur aannemer;

3.12

veroordeelt Ludinga Vastgoed aan de gemeente te betalen de kosten terzake het woonrijp maken van de "Noordelijke stadsuitleg Fase 2", totaal bedragende

€ 584.296,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW, waarbij als ingangsdatum voor de verschuldigde rente steeds geldt 31 dagen na datum factuur aannemer, een en ander onder de verplichting voor de gemeente de facturen van de aannemer steeds binnen veertien dagen na ontvangst aan Ludinga Vastgoed toe te zenden en bij gebreke daarvan de uit deze veroordeling voortvloeiende verplichting tot betaling van de betreffende - nog niet door Ludinga Vastgoed ontvangen - factuur eerst aanvangt op de vijftiende dag na de dag dat deze factuur door Ludinga Vastgoed van de gemeente is ontvangen;

3.13

verklaart voor recht dat Ludinga Vastgoed met haar hiervoor onder 3.11 en 3.12 vermelde betalingsverplichtingen de door haar gestelde "opschortingsschade" niet mag verrekenen;

3.14

veroordeelt Ludinga Vastgoed om het perceel kadastraal bekend gemeente Harlingen, sectie D, nummer 2878, voorzover dat onder de Pollendam is gesitueerd

- zonodig rechtstreeks via de aan Ludinga Vastgoed gelieerde vennootschap Grondbank Harlingen B.V. - aan de gemeente in eigendom over te (doen) dragen, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;

3.15

veroordeelt Ludinga Vastgoed in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente vastgesteld op € 10.580,00;

3.16

verklaart de beslissingen onder 3.5, 3.6, 3.7, 3.9, 3.10, 3.11, 3.12, 3.14 en 3.15 uitvoerbaar bij voorraad;

3.17

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman, mr. J. Smit en mr. E.Th.M. Zwart-Sneek en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2016.1

1 fn 85