Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:4612

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
21-10-2016
Zaaknummer
5370584
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering werknemer tot tewerkstelling en rectificatie, hangende ontslagprocedure wegens reorganisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1171
AR 2016/3054

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 5370584 \ CV EXPL 16-10527

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 5 Rv d.d. 19 oktober 2016

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr. M. de Jong,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRF HOLLAND B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

gemachtigde: mr. B.H.E. Veldmaat,

Partijen zullen hierna [eiser] en BRF Holland worden genoemd.

Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- producties aan de zijde van beide partijen,

- de mondelinge behandeling d.d. 3 oktober 2016,

- pleitaantekeningen van de gemachtigden van beide partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

2.1.

In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.2.

BRF Holland maakt deel uit van een wereldwijd opererende organisatie, die zich bezighoudt met het bewerken en verwerken van voedingsmiddelen, in het bijzonder pluimvee- en vleesartikelen. BRF Holland houdt zich daarnaast bezig met handel, zowel voor wat betreft de import van grondstoffen als de export van het eindproduct. BRF Holland is statutair gevestigd te 's-Hertogenbosch.

2.3.

[eiser] is op 26 maart 2001 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) BRF Holland. [eiser] vervulde laatstelijk de functie van [functienaam] vanuit de vestiging van BRF Holland te Oosterwolde tegen een maandsalaris van € 5.021,09 bruto, te vermeerderen met vakantiebijslag. Tevens is op de arbeidsrelatie een bonusregeling van toepassing, op grond waarvan [eiser] aanspraak maakt op een bonus, welke bonus wordt berekend aan de hand van de verrichtingen van het team waarin hij is ingedeeld. [eiser] werkt uit hoofde van zijn functie onder andere (samen) met [A] , [functienaam] bij BRF Holland (hierna: [A] ) en met [B] , [functienaam] (hierna: [B] ).

2.4.

Op 30 augustus 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] , [C] , [functienaam] (hierna: [C] ) en [D] ,

HR Business Partner (hierna: [D] ). In dit gesprek is aan [eiser] medegedeeld dat zijn functie per 31 januari 2017 zal komen te vervallen als gevolg van een wijziging in de Europese bedrijfsstructuur, waarbij de focus zal worden verlegd van het werken in "regions" naar het werken in "channels". Tijdens dit gesprek is aan [eiser] het voorstel gedaan om te komen tot een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van het dienstverband tussen hem en BRF Holland in der minne. Als onderdeel van de overeenkomst zou [eiser] na ondertekening hiervan worden vrijgesteld van zijn werkzaamheden met behoud van salaris tot aan de datum van beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Daarnaast is aan [eiser] een ontslagvergoeding aangeboden. Het voorgaande is bevestigd bij brief van

30 augustus 2016 van [C] aan [eiser] , met daarbij gevoegd een vaststellingsovereenkomst, die reeds door [C] namens BRF Holland was ondertekend.

2.5.

In aansluiting op het gesprek van 30 augustus 2016 heeft [A] , na overleg met [C] en [D] , per e-mail gericht aan de afdeling "Customer Service" het navolgende bericht verzonden:

"From this moment [voornaam] is not available. If any questions concerning customers and/or deliveries please contact me."

2.6

[eiser] heeft de vaststellingsovereenkomst niet getekend.

2.7.

Bij brief van 8 september 2016 heeft de gemachtigde van [eiser] aan BRF Holland het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Cliënt maakt bezwaar tegen de boventalligheid per 31 januari 2017, waarop in een eventuele ontslagprocedure door mij verweer zal worden gevoerd.

Op dit moment wend ik me echter tot u over het navolgende. In de aan cliënt voorgelegde

vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat cliënt wordt vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van salaris na ondertekening van de overeenkomst. Cliënt heeft deze overeenkomst niet ondertekend noch is de boventalligheid reeds ingegaan. Desalniettemin heeft cliënt bemerkt dat hij is afgesloten van het systeem en bij geen toegang meer had tot zijn email. De toegang tot de e-mail is weer hersteld, na een melding van cliënt aan u, maar cliënt kan nog altijd niet bij zijn bestanden. Cliënt is gebleken dat documenten van hem door BRF zijn verwijderd. Inmiddels zijn de Duitse klanten van BRF, relaties van cliënt, geïnformeerd over het vertrek (structuurwijziging) van cliënt. Cliënt bemerkt daarnaast dat diverse mensen door BRF op de hoogte zijn gesteld nu hij door hen benaderd wordt over het vertrek. Cliënt wordt ook niet meer uitgenodigd voor conference calls c.q. meetings. Dit is volstrekt ontoelaatbaar en prematuur. Het is maar zeer de vraag een ontslagvergunning zal worden verkregen bij het UWV WERKbedrijf. Bovendien heeft BRF zelf aangegeven dat de boventalligheid zal ingaan per 31 januari 2017, zodat er geen reden is cliënt nu al van projecten te halen en hem het werken onmogelijk te maken. Ik ga ervan uit dat u ermee bekend bent dat een ontslagaanzegging onvoldoende grond is voor een non-actiefstelling.

Hierbij verzoek - en zo nodig sommeer ik u - om cliënt met onmiddellijke ingang weer toe te laten tot zijn werkzaamheden, hem toegang te verlenen tot zijn e-mail en bestanden en relaties te informeren over zijn aanwezigheid en betrokkenheid in de hem aangaande kwesties. (…)"

2.8.

In reactie hierop heeft [D] namens BRF Holland bij e-mailbericht van

9 september 2016 aan mr. de Jong laten weten dat het account van [eiser] weer is geopend en dat geprobeerd wordt zijn bestanden terug te halen. Verder heeft [D] in deze e-mail vermeld dat geen externe klanten zijn ingelicht, dat [eiser] niet van projecten is gehaald en dat hij gewoon wordt uitgenodigd voor calls en meetings.

2.9.

Bij e-mailbericht van 16 september 2016 heeft [eiser] aan BRF Holland geschreven - voor zover van belang -:

"Inmiddels zijn de meeste klanten geïnformeerd (al ruim voor ons telefoon gesprek op 7 september over mijn door jullie gewenste vertrek) o.a. door collega [B] . Volgens de nieuwe klantindeling waarin ik niet meer voorkom zijn de volgende klanten met uitzondering van Helal en Holland Import geïnformeerd over de overname van mijn werk door [B] . (zie mail [B] ) De namen van Duitse klanten volgens de lijst zijn: [opsomming] (neem aan ook mijn pas geworven nieuwe klant [naam] ). Daarmee is het grootste deel van mijn functie overgeheveld naar iemand anders en dan vergeet ik er ook nog wel een paar. Dit is voor mij niet acceptabel. Ik heb al meerder malen uitgelegd waarom.

Met behulp van mijn advocaat word ik blijkbaar nu weer geaccepteerd als collega, maar ik wil ook weer toegelaten worden tot de klanten die ik tot voor kort bediende en gewoon mijn werk kunnen doen zoals voorheen. Daarnaast zouden ook mijn naaste collega's, de Binnendienst en overige ondersteunende functies een bericht dienen te krijgen dat ik weer normaal kan functioneren. Voor mij is essentieel dat ik mijn werk weer kan uitvoeren zoals ik dit tot voor twee weken heb gedaan. Zonder tegenbericht van jullie ga ik mijn klanten weer benaderen dat ik weer voor ze werk. Ik zal ze vervolgens ook een email bericht

sturen. Is dit akkoord? (…)"

2.10.

In reactie hierop heeft [D] namens BRF Holland per e-mailbericht van

19 september 2016 het volgende - voor zover hier van belang aan [eiser] bericht:

As explained you can perform your activities in exactly the same manner as you did before we informed you that you are redundant.

Nevertheless, we would like to emphasise once more that - as previously had been explained - we believe that it is in your own interest that you should take garden leave in order to digest the news, to discuss the new situation with your family and to seek legal advice to try to reach a decent settlement. This has also our strong preference. (…)

2.11.

Bij e-mailbericht van 29 september 2016 heeft een applicatiemedewerker van BRF Holland desgevraagd aan [D] meegedeeld dat de toegang voor [eiser] tot zijn

e-mail account hersteld is en dat [eiser] sinds 21 september 2016 weer de volledige toegang heeft tot al zijn bestanden. Bij e-mailbericht van dezelfde datum heeft [C] aan [D] bericht - voor zover van belang -:

"With regard to [voornaam] I can inform you that he is invited to all meetings and calls in order to perform his activities like he used to, please see proof attached.

With regard tot he German clients we are indeed transferred some clients to Tim in order to already prepare for the redundancy as from the beginning of next year.(…)"

De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en bij wijze van een voorlopige voorziening:

Primair:

I. BRF zal veroordelen om [eiser] binnen 24 uur na betekening van het in deze

te wijzen vonnis zonder belemmeringen in staat te stellen zijn werkzaamheden als Accountmanager weer uit te oefenen op de gebruikelijke tijdstippen en voorwaarden en met de gebruikelijke faciliteiten, zoals toegang tot al zijn klanten zoals hij die voor

30 augustus 2016 had, en daarbij te bepalen dat BRF een dwangsom verbeurt van € 5.000,-- voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij nalaat aan deze veroordeling te voldoen;

II. BRF zal veroordelen om binnen 2 dagen na betekening van het in deze te wijzen

vonnis na overleg met [eiser] intern (collega’s) binnen haar organisatie en extern

(klanten/relaties/prospects) een rectificatie te verspreiden en te berichten dat [eiser]

weer met zijn taken als [functienaam] is belast, een en ander op straffe van verbeurte van

een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagde niet aan het

te wijzen vonnis voldoet;

III. BRF zal veroordelen om alle arbeidsvoorwaarden (inclusief bonus) aan [eiser] door te betalen tot het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst;

Subsidiair:

Zodanige voorzieningen zal treffen als de kantonrechter in goede justitie gerechtvaardigd

acht.

Primair en subsidiair:

BRF zal veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen een bedrag voor

salaris advocaat.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vorderingen het volgende - kort gezegd en zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd. [eiser] kan niet akkoord gaan met een ontslag en hij zal tegen de aangekondigde ontslagaanvraag door BRF Holland bij UWV verweer gaan voeren. [eiser] betwist namelijk dat er sprake is van een reorganisatie, omdat hij kennelijk de enige op het kantoor is die hierdoor wordt geraakt, terwijl voor zover er al wijzigingen gaan worden doorgevoerd die maken dat zijn functie per 31 januari 2017 gaat vervallen, nog totaal niet is komen vast te staan dat er geen mogelijkheden zijn om hem elders te herplaatsen. BRF Holland heeft bovendien recentelijk twee werknemers die voor bepaalde tijd in dienst waren een contract voor onbepaalde tijd verstrekt. [eiser] heeft overigens tot op de dag van de mondelinge behandeling nog niets vernomen van UWV Werkbedrijf over een door BRF Holland ingediende aanvraag. Intussen wordt hem sinds de ontslagaankondiging het werken feitelijk zeer moeilijk tot onmogelijk gemaakt, hetgeen blijkt uit de e-mail d.d. 30 augustus 2016 van zijn collega [A] aan de collega's van de binnendienst ("Customer Service"), het overhevelen van zijn werk en zijn klanten in Duitsland (op twee na) aan [B] , het informeren van Duitse klanten daarover, het blokkeren van de toegang tot zijn e-mails en bestanden (inmiddels hersteld) en het voor spek en bonen uitnodigen van [eiser] voor meetings en conference calls, dan wel hem uitnodigen maar niet daarbij ook de (volledige) achterliggende informatie te verstrekken. Ook wordt [eiser] , door de algemene bekendmaking van zijn voorgenomen ontslag, ondertussen min of meer genegeerd door collega's, die kennelijk niet meer weten wat ze wel of niet mogen vertellen tegen hem, zodat ze hun mond maar houden, of hem slechts zeer beperkt bij zaken betrekken.

3.3.

[eiser] stelt voorts dat hij zich, op verzoek van BRF Holland, vanaf 1 april 2016 voornamelijk heeft beziggehouden met enerzijds het onderbrengen van werkzaamheden en kleine klanten in Nederland en België bij grotere distributeurs (omdat BRF Holland die klanten niet meer zelf rechtstreeks wenste te bedienen) en dat hij zich anderzijds heeft ingezet als accountmanager van kipproducten voor de Duitse markt. BRF Holland wenst de markt voor kipproducten in Duitsland aanzienlijk uit te breiden. Daartoe heeft [eiser] zich eerst gericht op het samenstellen van de juiste producten portfolio voor die markt en vervolgens was het zijn taak om die producten bij Duitse klanten te introduceren. Het is met name dat deel van zijn werk dat zijn collega [B] (en ook [A] ) nu uitvoert en waar [eiser] niet meer bij betrokken wordt, terwijl de overheveling van de klanten in Nederland en België naar distributeurs ondertussen al zodanig ver is afgerond dat daar nog nauwelijks werkzaamheden uit voortvloeien. Dit maakt dat [eiser] nog maar werk heeft voor hooguit twee à drie uur per dag, terwijl hij, zoals voorheen gebruikelijk, gewoon een volle werkweek wil maken. [eiser] heeft klantenlijsten overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat zijn voormalige Duitse klanten zo goed als allemaal zijn ondergebracht (onder het kopje KAM) bij [B] en/of [A] .

Het verweer

4.1.

BRF Holland heeft tot haar verweer het volgende - kort gezegd en zakelijk weergegeven - naar voren gebracht. De functie van [eiser] komt per 31 januari 2017 te vervallen, maar in de periode hiernaar toe zullen zijn werkzaamheden beetje bij beetje al minder worden. Het klopt dat er Duitse klanten zijn die inmiddels door collega's van [eiser] worden bediend. Het werk dat voor [eiser] nog resteert terzake van de activiteiten in Nederland en België, plus het werk voor de Duitse klanten die hij nog wel bedient, geven hem echter nog steeds meer dan voldoende te doen om een volledige werkweek te vullen. Het is verder de insteek van BRF Holland geweest om een goed schikkingsvoorstel aan [eiser] te doen, waarmee hij kon worden vrijgesteld van werk. BRF is het niet gewend dat een werknemer niet wil onderhandelen maar de uitkomst van de UWV-procedure wil afwachten en schatte in dat partijen snel tot overeenstemming zouden komen. Helaas is echter geen schikking tot stand gekomen. BRF Holland heeft op vrijdag 30 september jl. een volledige ontslagaanvraag ingediend bij UWV dus [eiser] zal snel wat van horen van UWV. BRF Holland heeft in die aanvraag toegelicht dat in Europa de gehele laag van accountmanagers in het zogenaamde channel "food-service" komt te vervallen en dat de werkzaamheden van de accountmanagers belegd zullen worden bij de zogenaamde key-accountmanagers. [B] en [A] vervullen reeds de functie van key-accountmanager of doen dat werk naast andere werkzaamheden.

4.2.

BRF Holland heeft verder aangevoerd dat de aanvankelijke afsluiting van het account van [eiser] per abuis is geschied en inmiddels is hersteld en dat [eiser] weer gewoon wordt uitgenodigd voor meetings en calls. De gedeeltelijke overdracht van werkzaamheden (klanten van [eiser] zijn ondergebracht bij [B] ) heeft plaatsgevonden uit oogpunt van efficiency. Deze overdracht heeft volgens BRF Holland te maken met de veranderende organisatie en is niet tegen te houden. Het behoort tot de ondernemersvrijheid om hiertoe te beslissen.

De beoordeling

5.1

De kantonrechter overweegt dat hetgeen door [eiser] is aangevoerd voldoende grond oplevert voor het aannemen van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen. Weliswaar heeft BRF Holland die spoedeisendheid betwist, maar nu die betwisting gebaseerd is op het verweer van BRF Holland dat [eiser] nog steeds gewoon zijn werk mag doen, terwijl de vraag of dat zo is nu juist (mede) onderwerp van geschil is, gaat dit verweer niet op. Voorts geldt dat aangelegenheden betreffende de dagelijkse werkzaamheden van een werknemer voor die werknemer wel van zodanig belang zijn dat het spoedeisend karakter daarvan in beginsel is gegeven, terwijl er door BRF Holland geen omstandigheden zijn aangevoerd waarom dat in dit geval anders zou zijn. Het enkele feit dat loon wordt doorbetaald en dat [eiser] de toegang tot de werkplek (en de e-mail) niet wordt ontzegd, maakt niet dat hij geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat de toewijsbaarheid van een vordering van een werknemer om in de gelegenheid gesteld te worden de overeengekomen arbeid te verrichten, moet worden beoordeeld aan de hand van de algemene maatstaf van artikel 7:611 BW, die verwijst naar wat een goed werkgever behoort te doen en na te laten. Deze maatstaf brengt in het algemeen gesproken mee dat de toewijsbaarheid afhangt van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid en van de bijzondere omstandigheden van het geval (vgl. HR 12 mei 1989, LJN AC2497, NJ 1989/801). Daarbij dient naar

het voorlopig oordeel van de kantonrechter als uitgangspunt te worden genomen dat van een werkgever, als goed werkgever, gevergd mag worden dat hij de werknemer tegen diens wil slechts de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten wanneer de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft en dat die grond voldoende zwaar dient te wegen, gelet op het in beginsel zwaarwegend te achten belang van de werknemer om de bedongen arbeid te kunnen blijven verrichten. (vgl. Gerechtshof Leeuwarden 29 november 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BU6253).

5.3

Bij haar beoordeling acht de kantonrechter het in de eerste plaats van belang dat voldoende aannemelijk is geworden dat er na 30 augustus 2016 werkzaamheden bij [eiser] zijn weggehaald, die vervolgens zijn ondergebracht bij collegae, alsmede dat er daarnaast ook werkzaamheden zijn weggevallen of verminderd. BRF Holland heeft dit als zodanig ook niet betwist. Anders dan door BRF Holland is gesteld is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk geworden dat het daarbij niet gaat om slechts een klein gedeelte van de werkzaamheden van [eiser] dat bij hem is weggehaald. Ter zitting is immers onweersproken gebleven dat [eiser] vanaf 1 april 2016 actief is geworden als accountmanager in kipproducten op de Duitse markt en dat hij zich daarnaast heeft beziggehouden met het onderbrengen van werkzaamheden en kleine klanten in Nederland en België bij grotere distributeurs. Voorts is niet weersproken dat [eiser] momenteel niet of nauwelijks nog werkzaamheden op de Duitse markt verricht, hetgeen bovendien wordt bevestigd in de overgelegde klantenlijsten, waarin zijn naam als verantwoordelijk accountmanager niet (meer) wordt genoemd, in tegenstelling tot de namen van zijn collega's [A] en [B] . Evenmin is weersproken dat de werkzaamheden in België in omvang inmiddels sterk zijn afgenomen. Daar komt tot slot nog bij dat BRF Holland de onderbouwde stelling van [eiser] dat deze veranderingen er intussen toe hebben geleid dat hij nog slechts voor twee tot drie uur per dag werk heeft, slechts heeft betwist doordat [D] in reactie daarop mondeling heeft verklaard dat zij van [C] (die niet op de vestiging waar [eiser] werkt kantoor houdt, en evenmin ter zitting aanwezig was) heeft vernomen dat er voor [eiser] nog genoeg te doen is als hij zich blijft richten op Nederland en België. Dit alles bij elkaar maakt dat de kantonrechter het vooralsnog voldoende aannemelijk acht dat [eiser] een substantieel gedeelte van de werkzaamheden die hij tot 30 augustus 2016 verrichtte niet meer doet. Het feit dat [eiser] inmiddels weer beschikt over zijn e-mailaccount en toegang heeft tot zijn bestanden doet hieraan niet af. Verder is de kantonrechter er voldoende van overtuigd dat [eiser] inmiddels weer wordt uitgenodigd voor conference calls en meetings, maar onder de gegeven omstandigheden kan de kantonrechter begrijpen dat [eiser] daarbij het gevoel heeft er voor spek en bonen bij te zitten.

5.4.

Met betrekking tot het verweer van BRF Holland dat zij een deel van de werkzaamheden Van [eiser] alvast heeft overgedragen aan [B] met het oog op de voorgenomen reorganisatie en de te behalen efficiencyslag en dat dat tot haar vrijheid als ondernemer behoort, overweegt de kantonrechter het volgende. De kantonrechter moet een afweging maken tussen de vrijheid van de werkgever om zijn organisatie in te richten naar eigen wensen en het in beginsel gerechtvaardigde belang van de werknemer om de bedongen arbeid te kunnen verrichten. In dit geval ziet de kantonrechter niet een voldoende zwaarwegend belang aan de zijde van de werkgever om, vooruitlopend op de procedure bij UWV, [eiser] feitelijk al grotendeels buiten spel te zetten, terwijl de grond daarvoor (de gestelde opheffing van zijn functie) nog niet eens is komen vast te staan. De kantonrechter merkt op dat het momenteel immers nog volstrekt onduidelijk is waarom de functie van [eiser] (als enige accountmanager functie in Nederland) zou komen te vervallen (hieromtrent zijn geen stukken in het geding gebracht) en of UWV in verband hiermee de gevraagde toestemming voor het ontslag van [eiser] zal verlenen, nu [eiser] heeft aangegeven daartegen inhoudelijk verweer te gaan voeren. Ook de toets van UWV naar de mogelijke herplaatsbaarheid van [eiser] , al dan niet in het licht van het tegelijkertijd omzetten van bepaalde tijd contracten naar onbepaalde tijd contracten van andere werknemers, moet nog volledig plaatsvinden. BRF Holland loopt met haar handelen dan ook in vergaande mate vooruit op de procedure bij UWV en schendt daarmee de belangen van [eiser] , terwijl zij hem ook nog bemoeilijkt in zijn verweer bij UWV doordat bepaalde zaken mogelijk straks als "fait accompli" zullen kunnen gaan gelden. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter vooralsnog van oordeel dat het belang van [eiser] bij behoud van zijn werkzaamheden zwaarder dient te wegen dan het belang van BRF Holland bij het - uit oogpunt van efficiency - alvast wegnemen van een substantieel deel van het werk bij [eiser] .

5.5.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de BRF Holland naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet als goed werkgever heeft gehandeld door [eiser] niet langer in staat te stellen zijn bedongen arbeid in een substantiële omvang te verrichten, waarbij de kantonrechter in het bijzonder het oog heeft op het wegnemen van de Duitse klanten bij [eiser] . Dit betekent dat de kantonrechter het primair gevorderde onder I zal toewijzen, in die zin dat BRF Holland zal worden veroordeeld om [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis zonder belemmeringen in staat te stellen zijn werkzaamheden als accountmanager weer uit te oefenen op de gebruikelijke tijdstippen en voorwaarden en met alle gebruikelijke faciliteiten, hetgeen tevens omvat de verplichting om [eiser] toegang te geven tot de Duitse markt voor wat betreft kipproducten, een en ander zoals nader in het dictum bepaald. In het handelen van BRF Holland ziet de kantonrechter voorts aanleiding om, zoals gevorderd, daaraan een dwangsom te koppelen van € 5.000,00 voor elke dag of gedeelte van een dag dat BRF Holland nalaat aan deze veroordeling te voldoen tot een maximum van € 100.000,00.

5.6.

De vordering om intern een rectificatie te sturen met de mededeling dat [eiser] weer belast is met zijn taken als accountmanager - waar de kantonrechter duidelijkheidshalve aan zal toevoegen dat dit tevens omvat de verantwoordelijkheid voor de Duitse markt voor wat betreft kipproducten - is eveneens toewijsbaar, temeer nu BRF Holland heeft toegestaan dat [A] , zonder overleg met [eiser] , rauwelijks op 30 augustus 2016 een bericht aan Customer Service heeft gezonden waaruit volgt dat [eiser] in de toekomst überhaupt niet meer beschikbaar zal zijn. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om tevens te bepalen dat in die rectificatie dient te worden vermeld dat de indruk die uit dat e-mailbericht naar voren komt niet juist is. De kantonrechter zal ook aan deze veroordeling een dwangsom verbinden van € 5.000,00 voor elke dag of gedeelte van een dag dat BRF Holland nalaat aan deze veroordeling te voldoen tot een maximum van € 100.000,00. De kantonrechter ziet evenwel geen aanleiding om BRF Holland tevens te veroordelen tot het versturen van een externe rectificatie aan "andere relaties/klanten/prospects". De kantonrechter kan aan de hand van de overgelegde stukken namelijk niet nagaan welke externe relaties van [eiser] bericht hebben gehad over het niet langer beschikbaar zijn van [eiser] als [functienaam] , zodat dit deel van de vordering als onvoldoende gespecificeerd wordt afgewezen. Voorts weegt daarbij mee dat uit de veroordeling tot tewerkstelling reeds volgt dat BRF Holland gehouden is om, voor zover [eiser] in zijn externe contacten met klanten belemmeringen zou ondervinden van eerdere mededelingen van of namens BRF Holland over zijn positie, BRF Holland, op straffe van een dwangsom, gehouden is om die belemmeringen weg te nemen.

5.7.

Dat BRF Holland niet voldoet aan haar verplichting om alle arbeidsvoorwaarden (inclusief bonus) aan [eiser] te betalen, is bij betwisting door BRF Holland niet aannemelijk geworden. De hierop gerichte vordering zal de kantonrechter daarom afwijzen wegens gebrek aan belang.

5.8.

BRF Holland zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op:

- explootkosten € 94,08

- griffierecht € 79,00

- salaris gemachtigde € 600,00

totaal € 773,08.

Beslissing

De kantonrechter:

rechtdoende in kort geding

6.1

veroordeelt BRF Holland om [eiser] , binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zonder belemmeringen in staat te stellen zijn werkzaamheden als [functienaam] weer uit te oefenen, op de gebruikelijke tijdstippen en voorwaarden en met de gebruikelijke faciliteiten, hetgeen tevens omvat het toegang krijgen tot alle klanten die hij vóór 30 augustus 2016 onder zijn verantwoordelijkheid had, alsmede het bedienen van (bestaande en eventuele nieuwe) klanten op de Duitse markt voor wat betreft kipproducten;

6.2.

bepaalt dat BRF Holland een dwangsom verbeurt van € 5.000,00 voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij nalaat aan de veroordeling onder 6.1. te voldoen, tot een maximum van € 100.000,00;

6.3.

veroordeelt BRF om binnen 2 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis een interne rectificatie te verspreiden binnen de gehele organisatie en te berichten dat, in tegenstelling tot eerdere berichten, waaronder een e-mailbericht van [A] aan Customer Service van 30 augustus 2016, [eiser] belast is met de taken als accountmanager en als zodanig ook verantwoordelijkheid heeft over de Duitse markt voor wat betreft kipproducten;

6.4.

bepaalt dat BRF Holland een dwangsom verbeurt van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij nalaat aan de veroordeling onder 6.3. te voldoen, tot een maximum van € 100.000,00;

6.5.

veroordeelt BRF Holland tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 773,08;

6.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.7.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 518