Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:4611

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
5289301
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

ontbinding op g-grond op verzoek werkgever na ingetrokken ontbindingsverzoek werknemer op g-grond. Werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht. Billijke vergoeding aan werknemer van

€ 20.000,-- bruto

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1245
AR 2016/3201

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummers: 5289301 \ AR VERZ 16-171 en 5396417 \ AR VERZ 16-205

beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671b lid 1 BW d.d. 19 oktober 2016

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

[verzoekster] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek,

verwerende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. L.A. Stormezand,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij in de zaak van het verzoek,

verzoekende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. J. Keizer.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en [verweerster] worden genoemd.

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan, ingekomen ter griffie op 9 augustus 2016, om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden en wel op een eerder tijdstip dan bij regelmatige opzegging het geval zou zijn, zonder toekenning van de transitievergoeding.

1.2.

[verweerster] heeft een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie op 5 september 2016, tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek tot toekenning van een transitie- en een billijke vergoeding, alsmede betaling van een factuur ad € 1.015,00 ex BTW. Daarnaast heeft [verweerster] een, met de onderhavige procedure samenhangende, dagvaarding in kort geding d.d. 16 augustus 2016 bij deze rechtbank aangebracht, waarin zij - samengevat - loon heeft gevorderd alsmede aanpassing van haar werkplek, waartegen [verzoekster] verweer heeft gevoerd. De kort geding procedure is in behandeling genomen onder zaaknummer 5295424 CV EXPL 16-9430 en het vonnis in voormelde procedure zal, gelet op de materiële samenhang tussen beide zaken, tegelijkertijd met de onderhavige beschikking worden uitgesproken.

1.3.

Op 14 september 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij om proceseconomische redenen tevens voormelde procedure in kort geding is behandeld. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, aan de zijde van [verzoekster] deels mede aan de hand van pleitnotities. De griffier heeft van het ter zitting verhandelde aantekeningen gemaakt.

1.4.

Tot slot is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

2.1.

[verzoekster] is een machinefabriek die machines, apparaten en daarmee samenhangende constructies vervaardigt, repareert, reviseert, construeert en ontwerpt, en draai- en freeswerk verricht.

2.2.

[verweerster] , geboren op 9 mei 1955, is sinds 12 mei 1997 bij [verzoekster] werkzaam, aanvankelijk als uitzendkracht en aansluitend per 1 september 1997 in dezelfde functie als medewerker boekhouding en salarisadministratie voor 24 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Metaal en Techniek van toepassing.

2.3.

[verweerster] heeft gehoorproblemen en draagt een medisch aangepast gehoorapparaat. In overleg met [verzoekster] is in december 2014 een afspraak gemaakt met Pento Audiologisch Centrum Friesland (hierna: het audiologisch centrum) om uitleg te geven aan [verzoekster] over het gehoor van [verweerster] . In december 2014 heeft het audiologisch centrum een onderzoek gedaan naar de werkplek van [verweerster] . In het aan [verweerster] gerichte schriftelijk advies van

16 januari 2015 dat het audiologisch centrum naar aanleiding van voormeld werkplekonderzoek heeft opgesteld staat, voor zover thans van belang, vermeld dat er storende bijgeluiden in de werkruimte van [verweerster] zijn die afkomstig zijn vanuit de fabriekshal waar metaal wordt bewerkt, alsmede dat er een zoemend geluid is, afkomstig van een printer bij [verweerster] in de werkruimte. Het audiologisch centrum adviseert vervolgens, voor zover thans van belang, om advies op maat te verkrijgen door inschakeling van Adviesbureau Plan Plan (hierna: Plan Plan).

2.4.

Bij e-mailbericht van 11 december 2014 heeft Plan Plan een offerte gestuurd naar [verweerster] voor een eerste oriënterend bezoek om te kijken naar mogelijke oplossingen voor de werkplek. [verweerster] heeft voormelde offerte ten bedrage van € 423,50 bij mail van 16 december 2014 aan [verzoekster] doorgestuurd met het verzoek de offerte, indien akkoord, te ondertekenen. Op 3 maart 2015 heeft [verzoekster] voormelde offerte ondertekend.

2.5.

Op 21 april 2015 heeft Plan Plan een oriënterend eerste bezoek aan [verzoekster] gebracht, waarbij zij de werkplek van [verweerster] heeft bekeken en knelpunten ten aanzien van de slechthorendheid van [verweerster] heeft geïnventariseerd. Bij haar verslag d.d. 29 april 2015 van voormeld oriënterend bezoek heeft Plan Plan aangegeven dat nader onderzoek nodig zou zijn, waarbij ook een proefopstelling zou kunnen worden getest, alvorens zij tot concrete adviezen zou kunnen komen. Bij het verslag heeft Plan Plan een offerte ten bedrage van € 770,70 voor het vervolgonderzoek gevoegd. [verzoekster] heeft voormelde offerte niet voor akkoord getekend.

2.6.

Op 7 september 2015 heeft [verweerster] zich ziek gemeld en heeft, op verzoek van [verweerster] , een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] en de bedrijfsarts. In het (preventieve) advies aan [verzoekster] dat de bedrijfsarts naar aanleiding van voormeld gesprek heeft opgesteld staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"(…) en U heeft een offerte gekregen hoe de werkplek in te richten. (…) Ik adviseer U dus de adviezen op te volgen die U gegeven zijn en raad U aan de vervolgstappen te nemen die U geadviseerd zijn. (…)".

Op 18 september 2015 heeft, op verzoek van [verweerster] , opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] en de arbodienst, naar aanleiding waarvan de bedrijfsarts in zijn advies, voor zover thans van belang, het volgende heeft geschreven:

"(…) Zoals reeds eerder aan U gemeld raad ik U aan werkplekaanpassingen te doen opdat mevrouw goed kan functioneren. Ik heb mevrouw geadviseerd om even afstand te houden van het werk, ik acht haar nu ziek om bovengenoemde redenen van concentratiegebrek en emotionele stabiliteit. na een rustperiode van twee weken acht ik haar om andere reden dan ziekte niet geschikt te werken en raad ik U een extern bemiddeling aan. Mevrouw wil daar graag aan deelnemen.

Afspraken:

Ik adviseer een time out van twee weken en acht daarna de klachten sterk gerelateerd aan het ontstane conflict en raad U mediation aan. (…)".

2.7.

Van 21 september 2015 tot 2 oktober 2015 heeft [verweerster] vakantie gehad.

2.8.

Bij e-mailbericht van 14 oktober 2015 heeft [A] , statutair directeur van [verzoekster] , (hierna: de heer [A] ) aan [verweerster] het volgende geschreven:

"Goedemiddag [verweerster] ,

Ik wil jou graag aanstaande maandag uitnodigen voor een gesprek bij mij op het kantoor. Mijn voorstel is om 10.30 uur met zijn tweeën te praten.

Ik ga ervan uit dat je er bent.

Met vriendelijke groet,".

Bij e-mail bericht van 15 oktober 2015 heeft [verweerster] aan de heer [verzoekster] , voor zover thans van belang, het volgende geschreven:

"Op 14 oktober 2015 ontving ik jou uitnodiging voor een gesprek op maandag a.s. (19 oktober 2015) in goede orde.

Op basis van de uitnodiging begrijp ik dat je mij uitnodigt voor een één op één gesprek met jou.

Via deze mail stel ik je hierbij op de hoogte van het feit, dat ik 19 oktober a.s. niet zal verschijnen. De reden hiervoor is dat de Arbo-arts geadviseerd heeft eerst een mediation-gesprek plaats te laten vinden. Dit wacht ik graag af, alvorens ik één op één met jou in gesprek ga.

(…)".

2.9.

Op 23 oktober 2015 heeft [verweerster] een deskundigenoordeel over haar arbeidsongeschiktheid aangevraagd bij UWV. In voornoemd deskundigenoordeel, dat gedateerd is op 28 oktober 2015, heeft UWV geoordeeld dat [verweerster] op 7 september 2015 niet in staat was haar werk bij [verzoekster] te verrichten.

2.10.

Bij brief van 30 oktober 2015 heeft de gemachtigde van [verweerster] [verzoekster] gesommeerd om achterstallige loonbetalingen inclusief reiskostenvergoeding over oktober en september 2015 te voldoen, hetgeen [verzoekster] nadien heeft gedaan. Tevens heeft de gemachtigde van [verweerster] in voormeld schrijven [verzoekster] gesommeerd maatregelen te nemen om de werkplek van [verweerster] aan te passen en daarbij vermeld dat een 'één-op-één-gesprek' zoals [verzoekster] heeft aangegeven, geen oplossing biedt.

2.11.

Eveneens op 30 oktober 2015 heeft mevrouw [B] , verbonden aan hetzelfde kantoor als de gemachtigde van [verzoekster] , Alfa Accountants, [verweerster] uitgenodigd met haar in gesprek te gaan. [verweerster] heeft voornoemde uitnodiging afgewezen.

2.12.

Bij brief van 10 november 2015 heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] onder meer geschreven dat zij een contra-expertise heeft aangevraagd aangaande eventuele aanpassingen van de werkplek en dat [verzoekster] zich afvraagt in hoeverre een voortzetting van het dienstverband, [verweerster] - gelet op haar gehoorproblemen - daadwerkelijk gelukkig zal maken. In dit verband heeft [verzoekster] het volgende geschreven:

"(…) Gelet op het bovenstaande staat cliënte open voor een ongedwongen gesprek over beëindiging van het dienstverband en de wijze waarop (..). Dit om eventueel onnodige spanningen en irritaties te voorkomen.

Cliënte verneemt graag van uw cliënte of zij hiervoor openstaat, en onder welke voorwaarden deze beëindiging zou kunnen plaatsvinden. (..)".

2.13.

Bij brief van 17 november 2015 heeft (de gemachtigde van) [verweerster] aan [verzoekster] , voor zover thans van belang, geschreven dat zij primair wenst dat haar werkplek wordt aangepast en zij haar dienstverband kan voortzetten maar dat zij onder voorbehoud van alle rechten en weren en geheel sans préjudice bereid is een eventueel voorstel van [verzoekster] over beëindiging van het dienstverband aan te horen.

2.14.

Bij brief van 30 november 2015 heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] een beëindigingsvoorstel aan [verweerster] gedaan en bij non-acceptatie van dit voorstel [verweerster] uitgenodigd voor een gesprek met de heer [verzoekster] op 3 december 2015.

2.15.

Bij e-mailbericht van 2 december 2015 heeft (de gemachtigde van) [verweerster] , voor zover thans van belang, het beëindigingsvoorstel van [verzoekster] van de hand gewezen en geschreven geen gevolg te zullen geven aan de uitnodiging voor het gesprek met de heer [verzoekster] op 3 december 2015. Terzake heeft de gemachtigde van [verweerster] geschreven:

"(…) Cliënte ziet al met al niet in wat een gesprek met haar persoonlijk op de werkvloer kan toevoegen, behoudens wellicht dat uw cliënte verdere druk op cliënte kan leggen en erop aandringen vooral wel in te stemmen met einde dienstverband. Cliënte zal dan ook niet aan de uitnodiging om morgen te verschijnen gevolg geven. (…)"

Voorts heeft [verweerster] in voormeld schrijven aangekondigd een deskundigenoordeel bij UWV te zullen vragen omtrent de re-integratie inspanningen van [verzoekster] .

2.16.

Bij e-mailbericht van 7 december 2015 met als onderwerp "interventie bij onderzoek werkplek, kantoor met omgevingsgeluiden" heeft [verzoekster] contact opgenomen met de organisatie "5xBeter" om bij wijze van contra-expertise advies in te winnen over de ontstane situatie rond de werkplek van [verweerster] en haar ziekmelding. Tot een second opinion door "5xBeter" is het niet gekomen.

2.17.

Bij e-mailbericht van 15 december 2015 heeft de gemachtigde van [verzoekster] het volgende, voor zover van belang, aan de gemachtigde van [verweerster] geschreven:

"(…) De contra expertise is aangevraagd en loopt op dit moment. Ondertussen kan werkhervatting in aangepaste vorm plaatsvinden. Dit zal tijdelijk op een andere plaats zijn, namelijk bij medeaandeelhouder de heer [C] (firma [D] aan de Wagenmakersstraat 14 te [woonplaats] ). Het betreffen voorkomende administratieve werkzaamheden.

Uw cliënte wordt uitgenodigd op maandag 21 december om 9.00 uur het werk te hervatten. (…)".

2.18.

Bij e-mailbericht van 16 december 2015 heeft de gemachtigde van [verweerster] , voor zover van belang, aan [verzoekster] geschreven dat zijn cliënte geen gevolg zal geven aan de "uitnodiging" om op 21 december "het werk" bij een andere werkgever aan te vangen.

2.19.

Op 10 december 2015 heeft [verweerster] een deskundigenoordeel bij UWV aangevraagd inzake de re-integratie inspanningen van [verzoekster] . In voornoemd deskundigenoordeel, dat gedateerd is op 21 december 2015, heeft UWV geoordeeld dat [verzoekster] onvoldoende heeft meegewerkt aan de re-integratie van [verweerster] , met de nodige toelichting daarbij.

2.20.

Bij e-mailbericht van 31 december 2015 heeft [verweerster] aangekondigd een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te zullen dienen, welk verzoekschrift op 1 februari 2016 bij deze rechtbank is ingekomen.

2.21.

Op 9 maart 2015 heeft de mondelinge behandeling van voormeld verzoekschrift plaatsgevonden. Naar aanleiding van hetgeen ter mondelinge behandeling is besproken is, op verzoek van partijen, de beschikking aangehouden en zijn partijen een mediationtraject aangegaan. Gedurende dit traject hebben drie gezamenlijke gesprekken plaatsgevonden. Tevens heeft [verweerster] een informatief gesprek over outplacement gehad. Op 3 juni 2016 is de mediation beëindigd, zonder dat partijen tot elkaar zijn gekomen, waarna partijen de kantonrechter hebben verzocht beschikking te wijzen.

2.22.

Bij beschikking van 20 juli 2016 heeft de kantonrechter het ontbindingsverzoek van [verweerster] toegewezen, echter zonder daarbij te bepalen dat aan [verweerster] een transitievergoeding en/of de door [verweerster] verzochte billijke vergoeding toekomt. [verweerster] heeft haar verzoek daarop bij brief van 22 juli 2016, binnen de daarvoor bepaalde termijn van veertien dagen, ingetrokken. Bij brief en e-mailbericht van 22 juli 2016 heeft de gemachtigde van [verweerster] aan de gemachtigde van [verzoekster] , ten aanzien van de intrekking van het verzoek, bericht:

"Een en ander betekent dat het dienstverband blijft doorlopen. Cliënte zegt toe dat zij zich zodanig zal opstellen dat dit wat haar betreft ook het geval zal kunnen blijven."

In voormelde brief heeft [verweerster] tevens verzocht het sinds juni 2016 niet ontvangen salaris/ziekengeld zo spoedig mogelijk aan haar over te maken.

2.23.

Op 2 augustus 2016 heeft [verweerster] (opnieuw) een deskundigenoordeel bij UWV aangevraagd over de re-integratie inspanningen van [verzoekster] . UWV heeft [verweerster] bij brief van 8 augustus 2016 meegedeeld dat geen nieuw deskundigenoordeel kan worden gegeven, nu UWV reeds op 22 december 2015 zijn oordeel met betrekking tot dezelfde kwestie heeft gegeven en [verweerster] geen nieuwe informatie bij de tweede aanvraag heeft verstrekt.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW (verstoorde arbeidsverhouding). Tevens verzoekt [verzoekster] om een verklaring voor recht dat geen transitievergoeding is verschuldigd en om te bepalen dat geen billijke vergoeding is verschuldigd. Voorts wordt de kantonrechter verzocht te bepalen dat de ontbindingstermijn wordt verkort, althans dat de opzegtermijn niet in acht dient te worden genomen en wordt veroordeling van [verweerster] in de proceskosten verzocht.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat sprake is van - kort gezegd - een verstoorde arbeidsverhouding die zodanig is dat van [verzoekster] redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren alsmede dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerster] . Ter onderbouwing daarvan heeft [verzoekster] het volgende naar voren gebracht.

3.3.

Omdat [verweerster] het eerder door haar ingediende verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft ingetrokken, is [verzoekster] thans genoodzaakt zelf een ontbindingsverzoek in te dienen. De mogelijkheden om tot herstel van de - geheel en al aan [verweerster] te wijten - verstoorde arbeidsrelatie te komen, zijn namelijk inmiddels geheel uitgeput, hetgeen blijkt uit het stuklopen van de mediation waarin is geconstateerd dat de standpunten van partijen te ver uiteenlopen en dat de basis voor een verdere vruchtbare samenwerking tussen partijen ontbreekt. Mede gelet op deze uitkomst van het mediationtraject is de daaropvolgende intrekking van het verzoekschrift door [verweerster] en haar mededeling daarbij dat zij zich zodanig zal opstellen dat haar dienstverband kan blijven doorlopen, ongeloofwaardig. [verweerster] mist reeds langere tijd aansluiting bij haar (jongere) collega's, is ontevreden over haar (kleinere) nieuwe werkplek in het zicht van de heer [verzoekster] en over haar aanvullende taken. Voorts verwijt [verzoekster] [verweerster] dat zij na haar vakantie van 21 september 2015 tot en met 2 oktober 2015 niet is teruggekeerd op haar werkplek terwijl ze, blijkens het advies van de bedrijfsarts van 18 september 2015 (r.o. 2.6.), niet ziek was, keer op keer heeft geweigerd hierover met [verzoekster] danwel met een door [verzoekster] voorgedragen mediator in gesprek te gaan, maar in plaats daarvan een advocaat in de arm heeft genomen. Ook wordt [verweerster] verweten dat zij binnen enkele dagen na het deskundigenoordeel van 22 december 2015, terwijl [verzoekster] nog bezig was met een contra-expertise, heeft aangekondigd een ontbindingsprocedure te starten. Het is duidelijk dat [verweerster] het dienstverband niet wilde voortzetten maar enkel gebruik maakte van de mogelijkheid tot intrekking van haar verzoekschrift om verdere tijdwinst te boeken en [verzoekster] onder druk te zetten. Door vroegtijdig een advocaat in te schakelen heeft [verweerster] getracht een verstoorde arbeidsrelatie te forceren en de arbeidsovereenkomst te doen eindigen onder toekenning van een zo hoog mogelijke vergoeding, omdat zij ongetwijfeld heeft ingezien dat haar toekomst, als medewerker met een verergerend gehoorprobleem in een machinefabriek, bij [verzoekster] moeilijk zou worden.

[verweerster] spreidt een weigerachtige houding ten toon en neemt zelf geen enkel initiatief om tot herstel van de verhouding of tot het oppakken van werkzaamheden over te gaan. In feite heeft [verweerster] , in elk geval vanaf oktober 2015, pertinent geweigerd haar werkzaamheden op te pakken c.q. in gesprek met [verzoekster] te treden alsmede te re-integreren waarmee zij [verzoekster] - die vanaf het begin als ook wederom ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij in gesprek met [verweerster] wilde - onnodig aan het lijntje heeft gehouden. Hiermee heeft [verweerster] niet aan haar re-integratieverplichtingen voldaan en is er sprake van ernstige verwijtbaarheid, waardoor thans sprake is van een blijvend verstoorde arbeidsrelatie. [verzoekster] is dan ook geen transitievergoeding verschuldigd en voor zover dit wel het geval zou zijn is - anders dan wat [verweerster] stelt - de MKB-regeling van toepassing, zodat de transitievergoeding - conform de als productie 10 overgelegde berekening - in dat geval € 16.238,62 bruto zou bedragen.

3.4.

Reagerend op het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerster] , voert [verzoekster] nog aan dat de kantonrechter in zijn beschikking van 20 juli 2016 reeds heeft vastgesteld dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verzoekster] zodat dit - gelet op het beginsel van ne bis in idem - in rechte is komen vast te staan en er geen sprake kan zijn van een door [verzoekster] aan [verweerster] te betalen billijke vergoeding. Voor zover nodig wordt tevens - evenals in de vorige ontbindingsprocedure tussen partijen - het habe wenig/habe nichts -verweer gevoerd, onder verwijzing naar in het geding gebrachte financiële stukken.

4 Het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek

4.1.

[verweerster] verweert zich tegen het verzoek en stelt (primair) dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Zij voert daartoe - samengevat - het volgende aan. Het onderhavige verzoekschrift houdt nauw verband met de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] als gevolg van haar gehoorprobleem en de aan de hand daarvan ontstane discussie tussen partijen over de aanpassing van de werkplek in het kader van de re-integratieverplichtingen van [verzoekster] . Bovendien is [verzoekster] thans herstellende van een nieroperatie en daarmee arbeidsongeschikt. Alleen al vanwege (de reflexwerking van) het opzegverbod tijdens ziekte, dient de verzochte ontbinding dan ook te worden afgewezen.

Voorts geldt blijkens de beschikking van 20 juli 2016 dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst toen op verzoek van [verweerster] heeft ontbonden maar daarbij niet heeft vastgesteld dat sprake was van een (onherstelbaar) verstoorde arbeidsverhouding maar daarentegen partijen juist heeft gemaand tot mediation om de arbeidsovereenkomst te kunnen voortzetten. Ook nu geldt dat als de werkplek van [verweerster] wordt aangepast, zij, eventueel nogmaals, met behulp van mediation, gewoon weer aan het werk kan bij [verzoekster] . Er is geen sprake van de g-grond dan wel van enige andere valide ontbindingsgrond.

4.2.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerster] (subsidiair) bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek om toekenning van een transitievergoeding van primair € 30.369,00 bruto danwel subsidiair € 17.328,00 bruto. Tevens verzoekt [verweerster] alsdan om toekenning van een billijke vergoeding van € 113.988,52 bruto dan wel enig ander door de kantonrechter te bepalen bedrag, waarop de toe te kennen transitievergoeding in mindering kan strekken. Daarnaast verzoekt [verweerster] dat [verzoekster] veroordeeld wordt tot betaling van de factuur van [x] Pensioenconsultancy ad € 1.015,00 exclusief BTW ter zake de berekening van haar pensioenschade. [verweerster] voert ter onderbouwing van haar voorwaardelijke tegenverzoeken - samengevat - het volgende aan.

4.3.

[verweerster] maakt aanspraak op de transitievergoeding aangezien er geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan haar zijde. De stelling van [verzoekster] dat [verweerster] niet zou hebben voldaan aan de op haar rustende re-integratieverplichting wordt uitdrukkelijk betwist. Bovendien had [verzoekster] in dat geval een deskundigenoordeel ter zake bij UWV kunnen aanvragen, hetgeen zij heeft nagelaten. [verzoekster] heeft daarentegen 'gewoon' het loon aan [verweerster] doorbetaald. Bij de berekening van de transitievergoeding dient te worden uitgegaan van een maandloon van € 2.146,21. Dit maandloon bestaat uit:

- het kale maandloon per november 2015 (€ 1.787,94) met daarbij opgeteld twee cao verhogingen van 1,75 % (= € 1.851,07);

- een looncomponent (€ 142,04) met daarbij opgeteld twee cao verhogingen van 1,75 % (= € 147,05);

- de vakantiebijslag (8 % van € 1.851,07 = € 148,09).

Voorts is van belang voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding dat - anders dan [verzoekster] stelt - de MKB-regeling niet van toepassing is. Er is geen sprake van een bedrijfseconomisch ontslag ex artikel 7:673d BW en het bedrijf van [C] moet met [verzoekster] als een groep worden aangemerkt. Het aantal werknemers van beide voornoemde bedrijven samen bedraagt meer dan 25, zodat - uitgaande van 1 december 2016 als datum ontbinding - [verweerster] aanspraak maakt op een transitievergoeding van € 30.405,00 bruto. Indien geoordeeld wordt dat de MKB-regeling wel van toepassing is, leidt dat tot een transitievergoeding van € 17.349,00 bruto.

4.4.

Voorts stelt [verweerster] zich op het standpunt dat zij recht heeft op een billijke vergoeding omdat, zoals [verweerster] in haar eerdere verzoekschrift al heeft aangegeven, er sprake is van ernstige verwijtbaarheid zijdens [verzoekster] op de volgende gronden:

- [verzoekster] heeft in strijd met de wet gehandeld door, ondanks meerdere sommaties daartoe, te weigeren de werkplek van [verweerster] aan te passen, terwijl dit redelijkerwijs van [verzoekster] kan worden gevergd. Bovendien heeft [verzoekster] [verweerster] gedurende lange tijd aan het lijntje gehouden door - ondanks toezeggingen daartoe en in strijd met de adviezen van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van UWV - geen stappen te nemen om de werkplek van [verweerster] aan te passen terwijl [verzoekster] wist dat het [verweerster] steeds zwaarder viel haar werkzaamheden uit te oefenen.

- [verzoekster] heeft voorts getracht de arbeidsrelatie verder op scherp te zetten c.q. een verstoorde arbeidsrelatie te forceren door:

  • -

    in reactie op het eerdere ontbindingsverzoek van [verweerster] - zonder enige onderbouwing - voor het eerst aan te voeren dat [verweerster] niet goed zou functioneren;

  • -

    vervolgens de discussie te openen omtrent beëindiging van het dienstverband omdat dit ook in het belang van [verweerster] zou zijn;

  • -

    ineens en na ziekmelding minder dan het gebruikelijke loon te betalen;

  • -

    in weerwil van het mediationadvies van de bedrijfsarts [verweerster] (ruim een maand nadat voormeld advies is gegeven) te sommeren te verschijnen bij één-op-één-gesprekken louter om druk te willen uitoefenen om [verweerster] te bewegen in te stemmen met einde dienstverband;

  • -

    in strijd met de wettelijke plicht van [verzoekster] de werkplek aan te passen, [verweerster] te sommeren werkzaamheden te gaan verrichten bij een ander bedrijf, zonder te onderzoeken of deze werkzaamheden, gelet op de beperkingen van [verweerster] , wel passend zijn;

  • -

    fouten in de loonbetalingen te laten continueren en vanaf de ziekmelding geen loonspecificaties meer te verstrekken;

  • -

    ook na het laatste deskundigenoordeel over de tekortschietende re-integratie inspanningen van [verzoekster] en ondanks sommatie daartoe geen aanstalten te maken om de arbeidsplaats van [verweerster] alsnog aan te passen.

Daarbij komt nu dat [verweerster] - van wie, gelet op beide deskundigenrapporten van UWV, vaststaat dat zij wel degelijk arbeidsongeschikt is op medische gronden - sinds het najaar van 2015 vanwege haar arbeidsongeschiktheid door haar gehoorprobleem, geen bedrijfsarts meer heeft gezien, zodat [verzoekster] ook op dit punt verwijtbaar heeft gehandeld. Voorts valt [verzoekster] volgens [verweerster] te verwijten dat zij aanvankelijk in juni 2016 gestopt is met haar loonbetalingen aan [verweerster] en deze eerst in het zicht van de mondelinge behandeling en na toezending van de concept dagvaarding van de door [verweerster] aangespannen procedure in kort geding, (gedeeltelijk) heeft hervat zonder afgifte van salarisspecificaties.

4.5.

Voornoemde handelswijze van [verzoekster] moet volgens [verweerster] als ernstig verwijtbaar worden gekwalificeerd, zodat [verweerster] ex artikel 671b lid 8 sub c BW recht heeft op een billijke vergoeding. Voor de hoogte van het bedrag van de billijke vergoeding acht [verweerster] richtinggevend de loon- en pensioenschade die zij lijdt door de handelwijze van [verzoekster] , temeer omdat haar kansen op een nieuwe baan op de arbeidsmarkt, gezien haar leeftijd en gehoorstoornis, als nihil dienen te worden aangemerkt. Uitgaande van 1 december 2016 als datum ontbinding berekent [verweerster] haar inkomensschade op € 49.002,02 bruto en haar pensioenschade op € 50.000,00. Daarnaast strekt de billijke vergoeding volgens [verweerster] in redelijkheid ook tot vergoeding van de door [verweerster] geleden immateriële schade, die € 15.000,00 bedraagt en ter onderbouwing waarvan [verweerster] een verklaring van haar behandelend psycholoog in het geding heeft gebracht.

5 De beoordeling in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden en zo ja, per wanneer. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of er - zoals [verzoekster] heeft gesteld - aanleiding is [verweerster] de transitievergoeding te onthouden en zo nee wat de hoogte van de aan [verweerster] toekomende transitievergoeding is alsmede of [verweerster] daarnaast ook nog aanspraak heeft op een billijke vergoeding. Ten slotte ligt de vraag voor of [verweerster] recht heeft op de door haar verzochte betaling van de factuur ter zake de berekening van haar pensioenschade.

Opzegverbod

5.2.

De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerster] momenteel ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte. Daarbij spelen zowel haar gehoorproblemen als haar herstel vanwege een nieroperatie een rol. Dit opzegverbod staat in casu, gezien het bepaalde in artikel 7:671b lid 6 onder a BW, echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van [verweerster] . Het verzoek is immers gebaseerd op een verstoorde arbeidsverhouding en dat staat los van de ongeschiktheid van [verweerster] wegens ziekte. Weliswaar is de verstoring van de arbeidsverhouding begonnen met een verschil van inzicht over de re-integratieverplichtingen van met name [verzoekster] die verband houden met de gehoorproblemen van [verweerster] , maar vervolgens hebben zich zovele feiten en omstandigheden voorgedaan - waaronder een ontbindingsprocedure en een in het kader daarvan gevolgd - afgebroken - mediationtraject - dat de conclusie niet gerechtvaardigd is dat het thans voorliggende ontbindingsverzoek verband houdt met de ziekte van [verweerster] . De kantonrechter volgt [verweerster] dan ook niet in haar stelling dat in de onderhavige zaak sprake zou zijn van (reflexwerking van) het opzegverbod.

5.3.

Voorts wordt vooropgesteld dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling). Uit artikel 7:699 lid 3 onder g BW volgt dat van de hierin genoemde "redelijke grond" voor een ontbinding slechts sprake is indien een arbeidsverhouding zodanig is dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Uitgangspunt voor de kantonrechter is dat er sprake moet zijn van een ernstige en duurzame verstoring. Het is daarbij in beginsel niet van belang wat de oorzaak van de verstoorde arbeidsverhouding is, en ook niet aan wie die te wijten is. Dit neemt niet weg dat de kantonrechter de nodige terughoudendheid zal betrachten in gevallen waarin de verstoorde verhouding(en) in overwegende mate is (zijn) veroorzaakt door de werkgever. In een dergelijk geval zal niet snel worden geoordeeld dat in redelijkheid niet van de werkgever gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Verstoorde arbeidsverhouding

5.4.

[verzoekster] voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in een verstoorde arbeidsverhouding, die zodanig is dat van [verzoekster] als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [verzoekster] voert daartoe kort gezegd aan dat [verweerster] , door het indienen van haar ontbindingsverzoek - ter gelegenheid waarvan [verweerster] vele onterechte en ernstige verwijten aan het adres van [verzoekster] heeft gericht - en de gebeurtenissen die hieraan vooraf zijn gegaan ter zake haar ziekmelding, de verhoudingen zodanig heeft verstoord, dat een onherstelbare structurele vertrouwensbreuk is ontstaan. Dat [verweerster] vervolgens haar ontbindingsverzoek heeft ingetrokken maakt dit niet anders, temeer omdat uit de mislukte mediationpoging die daaraan vooraf is gegaan, is gebleken dat een verdere vruchtbare samenwerking tussen partijen niet langer mogelijk is. Dat [verweerster] thans stelt dat zij haar dienstverband bij [verzoekster] wil continueren is dan ook zeer ongeloofwaardig volgens [verzoekster] .

5.5.

[verweerster] betwist dat sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie en heeft in dat verband het volgende aangevoerd. Betwist wordt dat in het mediationtraject is vastgesteld dat er geen vruchtbare samenwerking tussen partijen meer mogelijk is. Blijkens de beschikking van de kantonrechter van 20 juli 2016 is de ontbinding destijds niet uitgesproken op basis van de vaststelling dat er sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding maar vanwege het enkele feit dat [verzoekster] had aangegeven zich niet te zullen verzetten tegen een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De stelling van [verzoekster] dat de intrekking van de door [verweerster] verzochte ontbinding ongeloofwaardig is wordt gemotiveerd weersproken. [verzoekster] heeft voornoemd standpunt niet onderbouwd. [verweerster] , die slechts gebruik maakt van haar wettelijke bevoegdheid, heeft nimmer kritiek gehad op haar functioneren, was wel degelijk ziek na haar vakantie, hetgeen ook blijkt uit het deskundigenoordeel van UWV van 29 oktober 2015 (r.o. 2.9.), en heeft inderdaad terecht een gesprek met [verzoekster] geweigerd omdat de bedrijfsarts de inschakeling van een onafhankelijke mediator had geadviseerd. Het verwijt van [verzoekster] dat [verweerster] met een vooropgezet plan vroegtijdig een einde dienstverband heeft geprobeerd te forceren om ten koste van [verzoekster] financieel gewin te behalen blijkt nergens uit en wordt uitdrukkelijk betwist.

5.6.

De door [verzoekster] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden leveren naar het oordeel van de kantonrechter een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW. Daartoe wordt als volgt overwogen. Tussen partijen is verschil van inzicht ontstaan over de wijze waarop [verzoekster] invulling heeft gegeven aan haar re-integratieverplichtingen als werkgever. Door het daaropvolgende ontbindingsverzoek van [verweerster] en de verwijten die partijen elkaar hierin over en weer hebben gemaakt is de arbeidsrelatie verder verstoord geraakt. De inhoud van het, naar aanleiding van het eerdere ontbindingsverzoek van [verweerster] ingezette, mediationtraject is voor de kantonrechter onbekend en de enkele - betwiste - stelling van [verzoekster] dat uit het traject is gebleken dat een verdere vruchtbare samenwerking tussen partijen niet langer mogelijk was, acht de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Desalniettemin kan wel worden vastgesteld dat het kennelijk ook met behulp van mediation niet is gelukt om het verschil van inzicht tussen [verzoekster] en [verweerster] zodanig te overbruggen dat in overleg tot een aanvaardbare oplossing kon worden gekomen. Het enkele verweer van [verweerster] dat geen sprake is van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie omdat de kantonrechter niet een verstoorde arbeidsverhouding ten grondslag heeft gelegd aan zijn ontbindingsbeschikking van 20 juli 2016 kan haar niet baten. Nog daargelaten dat de kantonrechter in voormelde beschikking niet expliciet geoordeeld heeft over het al dan niet duurzaam en ernstig verstoord zijn van de arbeidsrelatie, maakt - gelet op de nieuwe door partijen naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, waaronder met name verwijten - het eerdere oordeel van de kantonrechter niet dat thans, in een volgende procedure, niet geoordeeld zou kunnen worden dat sprake is van een duurzame verstoring. Het standpunt van [verweerster] dat de arbeidsrelatie onder omstandigheden nog wel kan worden voortgezet, deelt de kantonrechter niet, juist omdat deze omstandigheden - voor zover [verweerster] hiermee de aanpassing van de werkplek heeft bedoeld - de kern vormen van de vertrouwensbreuk tussen partijen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [verweerster] desgevraagd, naar aanleiding van de uitlatingen van haar werkgever over de onherstelbaarheid van de vertrouwensbreuk, ter zitting heeft aangegeven dat naar haar indruk de arbeidsrelatie met behulp van verdere mediation wel weer zou kunnen worden hersteld, waarmee zij zich kennelijk ook op het standpunt stelt dat de enkele aanpassing van de werkplek - zo [verzoekster] hiertoe zou overgaan - niet voldoende is om tot herstel van de arbeidsrelatie te komen, maar dat hiervoor toch wat meer nodig is.

5.7.

De kantonrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verstoring van de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig is, dat van [verzoekster] , onder de gegeven omstandigheden, in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De suggestie van [verweerster] dat verdere mediation nog een bijdrage zou kunnen leveren aan het normaliseren van de verhoudingen wordt gepasseerd. Mede gezien de voorgeschiedenis - de aanhouding van het eerdere ontbindingsverzoek vanwege een ingezet mediationtraject dat is vastgelopen - en hetgeen ter zitting is toegelicht door partijen over de verhoudingen, is de kantonrechter van oordeel dat hernieuwde mediationpogingen weinig tot geen kans van slagen zullen hebben en daarom niet van [verzoekster] hoeven te worden gevergd. Voorts is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast komen te staan dat [verzoekster] niet (voldoende) aan haar re-integratieverplichtingen als werkgever heeft voldaan, hetgeen wordt bevestigd door het deskundigenoordeel van UWV (r.o. 2.19.) en dat [verzoekster] in die zin verwijtbaar heeft gehandeld. Dat de verstoring van de arbeidsrelatie aan [verzoekster] te wijten is - die immers tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen - staat aan een ontbinding op de g-grond naar het oordeel van de kantonrechter in de onderhavige zaak niet in de weg. In de Beleidsregels UWV over de verstoorde arbeidsverhouding - waaraan deze ontslaggrond zoals gezegd is ontleend - is geen aanwijzing te vinden dat het verzoek om toestemming tot ontslag zou moeten worden geweigerd indien de verstoring (grotendeels) aan de werkgever te wijten is. In onderdeel 8 van hoofdstuk 27 van de Beleidsregels UWV wordt met zoveel woorden opgemerkt dat de schuldvraag bij de ontslaggrond verstoorde arbeidsrelatie geen toetsingscriterium is, omdat deze geen element vormt blijkens het Ontslagbesluit. Ook in de wetsgeschiedenis van de Wwz is geen aanwijzing te vinden dat de omstandigheid dat de verstoring van de arbeidsrelatie grotendeels aan de werkgever te wijten is, een grond zou behoren te zijn voor afwijzing van een ontbindingsverzoek. Ook met inachtneming van de in r.o. 5.3. vermelde benodigde terughoudendheid, komt de kantonrechter tot het oordeel dat het in het onderhavige geval in redelijkheid niet van [verzoekster] kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Herplaatsing

5.8.

De kantonrechter is voorts van oordeel dat herplaatsing van [verweerster] - gelet op de geringe omvang van de organisatie en de werkrelatie met de heer [A] en de aard van het daaraan ten grondslag liggende conflict - niet realistisch kan worden geacht. [verzoekster] is immers een kleine onderneming, waarbinnen partijen op welk niveau dan ook met de verstoring van de arbeidsverhouding zullen worden geconfronteerd.

Ontbinding

5.9.

Nu er, zoals hiervoor is overwogen, een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is terwijl herplaatsing van [verweerster] niet in de rede ligt, zal de kantonrechter het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toewijzen.

(Geen) ernstige verwijtbaarheid [verweerster]

5.10.

[verzoekster] heeft zich op het standpunt gesteld dat [verweerster] geen aanspraak heeft op de transitievergoeding omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door niet aan haar re-integratieverplichtingen als werknemer te voldoen. Voornoemde stelling van [verzoekster] is hiervoor reeds verworpen. Zoals daarbij is overwogen is het juist [verzoekster] die niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan, en niet [verweerster] . De enkele stelling van [verzoekster] dat [verweerster] met een vooropgezet plan heeft getracht door het indienen van een ontbindingsverzoek een einde dienstverband te forceren en daarbij financieel voordeel te behalen acht de kantonrechter onvoldoende onderbouwd en blijkt ook niet uit de geschetste gang van zaken. Uit die gang van zaken blijkt naar het oordeel van de kantonrechter veeleer dat het niet-voldoen van de re-integratieverplichtingen door [verzoekster] - in de vorm van (medewerking verlenen aan een (vervolg)onderzoek naar mogelijkheden tot) aanpassing van de werkplek - ten grondslag lag aan het door [verweerster] ingediende ontbindingsverzoek. Dat [verweerster] zich door het handelen c.q. nalaten van [verzoekster] genoodzaakt voelde een ontbindingsverzoek in te dienen waarin partijen elkaar over en weer verwijten zijn gaan maken kan haar niet worden tegengeworpen. De enkele stelling van [verzoekster] in dit verband dat [verweerster] al langere tijd aansluiting mist bij haar collega's, ontevreden is over haar werkzaamheden en haar werkplek of anderszins niet goed zou functioneren, acht de kantonrechter zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende. Ook de stellingen van [verzoekster] dat [verweerster] geweigerd heeft haar werkzaamheden op te pakken, in gesprek met [verzoekster] te treden alsmede te re-integreren worden verworpen. Daartoe neemt de kantonrechter in aanmerking dat - gelet op de ziekte van [verweerster] - er geen sprake was van werkweigering door [verweerster] . De stelling van [verzoekster] in dit verband dat [verweerster] niet ziek zou zijn enkel omdat de bedrijfsarts dit op 18 september 2015 heeft geschreven (r.o. 2.6.), acht de kantonrechter - gelet op onder andere het deskundigenoordeel van 29 oktober 2015 (r.o. 2.9.) en dat van 22 december 2015 (r.o. 2.19.) - niet aannemelijk. Voorts komt het de kantonrechter niet onredelijk voor dat [verweerster] , gelet op het (herhaalde) advies van de bedrijfsarts om tot mediation over te gaan, niet één-op-één in gesprek met [verzoekster] wilde treden, een gesprek met een niet-onafhankelijke mediator heeft geweigerd en een advocaat in de arm heeft genomen omdat zij geen salaris meer ontving. Dat [verweerster] ook niet is ingegaan op de uitnodiging van [verzoekster] voor een gesprek op 3 december 2015 valt haar wellicht (licht) te verwijten, maar is gelet op de koppeling met het door [verzoekster] gedane beëindigingsvoorstel (r.o. 2.14.) aan de andere kant ook wel voorstelbaar. Voorts wordt in dit verband van belang geacht dat [verweerster] , zoals zij onweersproken ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft gesteld, aanvankelijk - op 16 september 2015 - het initiatief heeft genomen met [verzoekster] in gesprek te gaan. Dat [verweerster] na het intrekken van haar ontbindingsverzoek [verzoekster] niet heeft uitgenodigd met haar in gesprek te gaan acht de kantonrechter evenmin verwijtbaar. Het had juist op de weg van [verzoekster] als werkgever gelegen om, na de toezegging van [verweerster] zich in te willen zetten voor voortzetting van het dienstverband, hierop richting [verweerster] te reageren. Niet gesteld of gebleken echter is dat [verzoekster] na ontvangst van de desbetreffende melding van [verweerster] enig initiatief richting [verweerster] heeft getoond. Tenslotte wordt in aanmerking genomen dat de stelling van [verzoekster] dat [verweerster] niet aan haar re-integratieverplichtingen zou hebben voldaan ook niet onderbouwd wordt door een deskundigenrapport van UWV, terwijl het op de weg van [verzoekster] had gelegen dit wel te doen. Gelet op het voorgaande concludeert de kantonrechter dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerster] .

Ontbindingsdatum

5.11.

Het verzoek van [verzoekster] om de termijn van ontbinding te verkorten wordt afgewezen omdat - zoals hiervoor is geoordeeld - het niet [verweerster] is maar juist [verzoekster] die verwijtbaar heeft gehandeld ter zake van het niet-naleven van de re-integratieverplichtingen. Met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal als datum van ontbinding worden gehanteerd de datum van 1 maart 2017. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging - uitgaande van de niet in geschil zijnde geldende opzegtermijn van vier maanden - zou zijn geëindigd. Gelet op de - verderop te bespreken - ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verzoekster] , wordt de proceduretijd niet in mindering gebracht op de opzegtermijn.

Transitievergoeding

5.12.

Nu, zoals hiervoor is geoordeeld, geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerster] , volgt uit de wet (artikel 7:673 lid 1 BW) dat [verweerster] aanspraak heeft op een transitievergoeding. [verweerster] heeft verzocht om toekenning van een transitievergoeding. Nu een aanspraak op transitievergoeding - indien aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan - uit de wet volgt kan van een toekenning daarvan door de kantonrechter in formele zin geen sprake zijn. De kantonrechter begrijpt het verzoek van [verweerster] evenwel aldus dat wordt verzocht om een verklaring voor recht betreffende de aanspraak van [verweerster] op een transitievergoeding van (primair) € 30.369,00 bruto en (subsidiair) € 17.328,00 bruto, alsmede dat wordt verzocht [verzoekster] te veroordelen tot betaling daarvan.

Ten aanzien van de hoogte van de verschuldigde transitievergoeding heeft [verzoekster] (subsidiair) aangevoerd dat de MKB-regeling van toepassing is, hetgeen [verweerster] heeft betwist. In dit verband heeft [verweerster] onder meer aangevoerd dat het aantal werknemers van [verzoekster] meer dan 25 bedraagt omdat die van het bedrijf van Molenmaker erbij zouden moeten worden geteld. Met [verzoekster] is de kantonrechter van oordeel dat dit niet het geval is, nu [verweerster] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat beide bedrijven als één groep moeten worden aangemerkt. De enkele stelling van [verweerster] - die overigens tijdens de mondelinge behandeling zelf haar tewerkstelling bij Molenmaker heeft gekwalificeerd als 'werk bij een derde' - dat het gaat om gelijksoortige bedrijven op geringe afstand van elkaar die kennelijk onderling zaken uitwisselen (omdat [verweerster] werd verzocht voorlopig bij Molenmaker aan het werk te gaan) acht de kantonrechter onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een concernverband. Ook de omstandigheid dat Molenmaker aandeelhouder is in zowel zijn bedrijf als in [verzoekster] brengt niet met zich dat daarom sprake zou zijn van een groep. De kantonrechter oordeelt dan ook dat [verzoekster] kwalificeert als een 'kleine' werkgever met minder dan 25 werknemers als omschreven in artikel 7:673a lid 2 BW, zodat het aldaar bepaalde van kracht is en geen extra vergoeding wordt berekend over de dienstjaren waarin [verweerster] de leeftijdsgrens van vijftig jaar is gepasseerd. Het verweer van [verweerster] dat geen sprake is van bedrijfseconomisch ontslag wordt gepasseerd, nu het criterium van bedrijfseconomisch ontslag ziet op de toepasselijkheid van - het thans niet in geschil zijnde - artikel 7:673d BW.

5.13.

[verzoekster] heeft subsidiair, met toepassing van artikel 7:673a lid 2 BW, de transitievergoeding berekend op € 16.238,62 bruto, terwijl [verweerster] , bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek, subsidiair om een bedrag van € 17.349,00 bruto heeft verzocht. Blijkens de als productie 10 door [verzoekster] overgelegde berekening van de transitievergoeding is [verzoekster] daarbij uitgegaan van een basis bruto maandloon van € 1.787,94, met als datum indiensttreding 1 september 1997 en datum uitdiensttreding 1 september 2016. [verweerster] heeft daartegen aangevoerd dat er nog twee maal een cao verhoging van 1,75 % bij het door [verzoekster] gehanteerde basis bruto maandloon, de looncomponent en de vakantiebijslag moet worden opgeteld, hetgeen [verzoekster] onweersproken heeft gelaten, zodat de kantonrechter daar bij haar berekening van uit gaat. Zoals ook [verweerster] heeft berekend, heeft [verweerster] volgens de berekening van de kantonrechter, uitgaande van 1 maart 2017 als ontbindingsdatum, aanspraak op een transitievergoeding van € 17.349,00 bruto waarbij - onder verwijzing naar het in artikel 7:673 lid 4 onderdeel b (laatste zin) BW bepaalde - rekening wordt gehouden met de periode waarin zij als uitzendkracht heeft gewerkt.

[verzoekster] heeft nog aangevoerd dat de salarisbetalingen vanaf de beschikkingsdatum van 20 juli 2016 in mindering dienen te worden gebracht op de transitievergoeding, omdat het intrekkingsverzoek van [verweerster] ongeloofwaardig zou zijn en enkel bedoeld was om tijd te winnen. Voornoemde stelling van [verzoekster] wordt - wat daar ook van zij - door de kantonrechter verworpen bij gebreke van enige wettelijke grondslag tot het in mindering brengen van salarisbetalingen op de transitievergoeding. Voor zover [verzoekster] heeft bedoeld te verwijzen naar het bepaalde in artikel 5 van het 'Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding' is aan de aldaar vermelde voorwaarde (het hanteren van een langere opzegtermijn dan de wettelijke of overeengekomen) met het door [verzoekster] aangevoerde argument niet voldaan. Evenmin is gesteld of gebleken dat de, ingevolge artikel 2 van voornoemd Besluit, vereiste schriftelijke instemming door [verweerster] met het in mindering brengen van gespecificeerde kosten op de transitievergoeding is verleend.

Billijke vergoeding

5.14.

De kantonrechter dient vervolgens te beoordelen of er aanleiding is om aan [verweerster] , naast de transitievergoeding, een billijke vergoeding toe te kennen, zoals door [verweerster] is verzocht. Gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren of als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier naar het oordeel van de kantonrechter voor. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.15.

In de eerste plaats neemt de kantonrechter in aanmerking dat [verzoekster] het advies tot inschakeling van mediation van de bedrijfsarts niet serieus heeft genomen in die zin dat zij, nadat het advies was uitgebracht, eerst ruim een maand heeft gewacht alvorens een kantoorgenoot van de gemachtigde van [verzoekster] naar voren te schuiven, die - wat er ook zij van haar kwaliteiten als mediator - niet kan worden beschouwd als een onafhankelijke derde. Vervolgens heeft [verzoekster] niets meer ondernomen op dit gebied en vindt pas na het dringend advies van de kantonrechter in het kader van de vorige - door [verweerster] geïnitieerde - ontbindingsprocedure daadwerkelijk mediation plaats. Hoewel [verzoekster] ter terechtzitting tijdens voormelde ontbindingsprocedure vervolgens nog uitdrukkelijk heeft verklaard geen noodzaak te zien voor ontbinding en de arbeidsrelatie met [verweerster] te willen voortzetten, gooit zij nu - zoals ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken - na slechts drie mediationgesprekken, de deur volledig dicht, terwijl [verweerster] daarentegen thans weer aangeeft graag juist verder te willen bij [verzoekster] , maar dan wel op voorwaarde dat aanpassing van de werkplek plaatsvindt. De stelling van [verzoekster] in dit verband dat de wens van [verweerster] om haar arbeidsrelatie voort te zetten bij [verzoekster] ongeloofwaardig is acht de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Daartoe wordt overwogen dat de enkele omstandigheid dat [verweerster] een ontbindingsverzoek heeft ingediend dat zij later, op grond van haar wettelijke bevoegdheid hiertoe, weer heeft ingetrokken onder de mededeling dat zij de arbeidsrelatie wil voortzetten, niet maakt dat er reden is om aan te nemen dat voormelde mededeling onder de op dat moment geldende omstandigheden niet gemeend zou zijn.

5.16.

Voorts wordt van belang geacht dat [verzoekster] , aanvankelijk zonder enige toelichting aan [verweerster] omtrent haar beweegredenen, heeft nagelaten de (tweede) offerte van Plan Plan van 29 april 2015 (voor een vervolgonderzoek) te ondertekenen. Bovendien acht de kantonrechter de, eerst ter gelegenheid van de vorige door [verweerster] aangespannen procedure, gegeven verklaring voor het niet tekenen van de offerte - namelijk irritatie over de opdrachtverlening aan Plan Plan door [verweerster] - weinig overtuigend, mede gelet op het feit dat het bedrag van de offerte (€ 770,00) te overzien was. Het voorgaande klemt te meer, nu niet (voldoende) gesteld of gebleken is dat [verzoekster] vóór het e-mailbericht op 7 december 2015 (r.o. 2.16.) aan "5xBeter" - waarvan [verweerster] betwist dat dit een serieuze poging van [verzoekster] was om tot een contra-expertise te komen - enige actie heeft ondernomen tot onderzoek van aanpassing van de werkplek van [verweerster] . De enkele stelling in de brief van 10 november 2015 (r.o. 2.12.) van de gemachtigde van [verzoekster] dat zij een contra-expertise heeft aangevraagd acht de kantonrechter - mede gelet op de betwisting ervan door [verweerster] - in dit verband onvoldoende. Wat er ook zij van pogingen van [verzoekster] om na vergeefse inschakeling van "5xBeter" een ander bureau in te schakelen om de werkplek van [verweerster] te onderzoeken, vast is komen te staan dat [verzoekster] vanaf het moment van de offerte van Plan Plan in maart 2015 tot (in ieder geval) het einde van het jaar, nog geen enkel concreet aanstalten heeft gemaakt met enig onderzoek in het kader van werkplekaanpassing van [verweerster] . Het valt [verzoekster] te verwijten dat zij gedurende lange tijd de adviezen van zowel de bedrijfsarts als de arbodeskundige ter zake de werkplekaanpassing in de wind heeft geslagen, alsmede dat zij niet bereid is geweest nader onderzoek te laten verrichten naar aanleiding van de tweede offerte van Plan Plan voor (slechts) € 770,00.

5.17.

Daarbij komt nog dat [verzoekster] vanaf juni 2016 zonder enige vooraankondiging of toelichting aanvankelijk het loon niet meer aan [verweerster] heeft betaald en geen salarisspecificaties aan haar heeft afgegeven. Vervolgens heeft [verzoekster] - zoals [verweerster] onweersproken heeft gesteld - in het zicht van de mondelinge behandeling en na toezending van de concept-dagvaarding van het kort geding op 11 augustus 2016 opeens wel loonbetalingen over juni en juli 2016 verricht en - daags voor de zitting - salarisspecificaties verstrekt, die evenwel niet bleken te kloppen. Dat de desbetreffende salarisbetalingen zijn gedaan nog juist voordat de kort-geding dagvaarding werd betekend, zoals [verzoekster] heeft gesteld, maakt niet dat [verzoekster] niet als werkgever tekort is geschoten in zijn (hoofd)verplichting tot salarisbetaling. Bovendien heeft [verzoekster] niet aan haar verplichtingen als werkgever voldaan nu [verweerster] - zoals zij onweersproken heeft gesteld - sinds oktober 2015 niet meer door de bedrijfsarts is gezien.

5.18.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [verzoekster] - die, mede blijkens het deskundigenoordeel van UWV van 22 december 2015 (r.o. 2.19.) dat, naar [verweerster] onweersproken heeft gesteld, wegens ongewijzigde omstandigheden nog steeds geldt, niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen - als werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld als bepaald in artikel 7:671b lid 8 sub c BW, zodat [verweerster] in beginsel recht heeft op een billijke vergoeding. Daarbij wordt het verweer van [verzoekster] over het ne bis in idem beginsel gepasseerd, nu het oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] niet slechts gebaseerd is op feiten en omstandigheden die reeds ter beoordeling voor lagen ten tijde van het eerste ontbindingsverzoek, maar dat er daarnaast thans nog extra verwijten aan het adres van [verzoekster] worden gemaakt, die die conclusie rechtvaardigen. Voor de vraag of deze ernstige verwijtbaarheid daadwerkelijk leidt tot een billijke vergoeding, spelen ook overige omstandigheden - behoudens voor zover verdisconteerd in de transitievergoeding (het 'gevolgencriterium') - een rol. In dat verband heeft [verzoekster] het habe wenig/ habe nichts verweer gevoerd en daartoe de jaarstukken over 2013 en 2014 in het geding gebracht. De kantonrechter acht deze onderbouwing onvoldoende, nu de stukken zoals [verweerster] ook heeft gesteld, slechts zien op de periode 2012 tot en met 2014 en niet op het meest recente jaar 2015. Tevens heeft [verzoekster] verzuimd een onderbouwde prognose af te geven. Op basis van de overgelegde stukken is de kantonrechter er wel van overtuigd dat [verzoekster] - dat ook nog een relatief kleine onderneming is - niet geacht kan worden ruim in haar (financiële) jasje te zitten, maar de kantonrechter ziet onvoldoende aanleiding om te concluderen dat [verzoekster] zich in een dermate penibele financiële situatie bevindt dat sprake is van betalingsonmacht die het toekennen van een billijke vergoeding in de weg staat.

5.19.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding - naar haar aard - in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van [verzoekster] , en niet tot de gevolgen van het ontslag voor [verweerster] (zie: Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 7, pag. 91). Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In de billijke vergoeding kan niet tot uitdrukking komen of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, omdat dit al is verdisconteerd in de transitievergoeding. In dit licht bezien wordt de door [verweerster] onderbouwde schadebegroting (grotendeels) gepasseerd. De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband geen rol hoeven te spelen. De kantonrechter heeft bij de bepaling van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding in dit geval mee laten wegen het ernstige verwijt dat [verzoekster] gemaakt kan worden ter zake het niet voldoen aan haar re-integratieverplichtingen. Voorts heeft de kantonrechter ook rekening gehouden met de financiële situatie van [verzoekster] , waarvan - zoals hiervoor is overwogen - niet vast is komen te staan dat deze aanleiding geeft tot het afwijzen van een billijke vergoeding, maar waarvan - gelet op de stellingen van [verzoekster] - wel kan worden aangenomen dat deze aanleiding geeft om de hoogte van de billijke vergoeding te matigen. Tevens acht de kantonrechter in dit verband van belang dat er uiteindelijk wel tot mediation is overgegaan door [verzoekster] en dat niet gesteld of gebleken is dat [verzoekster] zich, toen het mediationtraject eenmaal liep, hier niet serieus voor heeft ingezet. Alles afwegende ziet de kantonrechter in het onderhavige geval aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op € 20.000,00 bruto.

Factuur [x] Pensioenconsultancy

5.20.

De kosten die [verweerster] heeft gemaakt ter onderbouwing van haar vordering worden geacht te zijn begrepen in het bedrag van de vergoedingen. De gevorderde betaling van de factuur van [x] Pensioenconsultancy zal dan ook worden afgewezen.

5.21.

Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal [verzoekster] , gelet op artikel 7:686a lid 6 BW, in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

5.22.

De kantonrechter ziet gelet op de uitkomst van de onderhavige procedure aanleiding om - zowel in geval van intrekking als van handhaving van het verzoek - de proceskosten voor rekening van [verzoekster] te laten komen. De proceskosten aan de zijde van [verweerster] worden tot op heden vastgesteld op € 600,00 voor salaris gemachtigde.

6 De beslissing

in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

De kantonrechter:

6.1.

stelt partijen in kennis van het voornemen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken onder toekenning van een billijke vergoeding;

6.2.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen [verzoekster] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) [verweerster] ), zal lopen tot en met vrijdag 28 oktober 2016;

Bij handhaving van het verzoek:

in de zaak van het verzoek

6.3.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2017;

6.4.

wijst af het anders of meer verzochte;

in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek

6.5.

verklaart voor recht dat [verweerster] aanspraak heeft op een transitievergoeding ten bedrage van € 17.328,00 bruto en veroordeelt [verzoekster] tot betaling daarvan;

6.6.

veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerster] een billijke vergoeding te betalen van € 20.000,00 bruto;

6.7.

wijst af het anders of meer verzochte;

en voorts in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

6.8.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten, tot op heden vastgesteld op € 600,00 aan salaris gemachtigde;

6.9.

verklaart deze beschikking voor wat betreft het onder 6.5. (voor zover het de veroordeling betreft), 6.6. en 6.8. bepaalde uitvoerbaar bij voorraad;

bij intrekking van het verzoek:

6.10.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten, tot op heden vastgesteld op € 600,00 aan salaris gemachtigde;

6.11.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2016 door mr. E.Th.M. Zwart- [woonplaats] , kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c: 426.