Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:4589

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
LEE 15/ 2531 en LEE 15/3369
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser gaat, ten onrechte, uit van informatie die hij via de belastingtelefoon heeft gekregen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Aan het dispositievereiste wordt voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2805 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2016/2459
V-N 2017/2.16.14
Mr. M. Akhloufi annotatie in NTFR 2017/437

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 15/2531 en LEE 15/3369

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst CA/kantoor Apeldoorn, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. Bonhof).

Procesverloop

Verweerder heeft voor kenteken [kenteken 1] over het tijdvak 14 november 2014 tot en met 13 februari 2015 en over het tijdvak 14 februari 2015 tot en met 13 mei 2015 naheffingsaanslagen in de motorijtuigenbelasting (hierna: MRB) opgelegd ten bedrage van respectievelijk € 201 en € 280.

Bij uitspraken op bezwaar van 22 juni 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslagen ongegrond verklaard.

Verweerder heeft voor kenteken [kenteken 2] over het tijdvak 29 oktober 2014 tot en met 28 januari 2015 en over het tijdvak 29 januari 2015 tot en met 28 april 2015 naheffingsaanslagen in de MRB opgelegd ten bedrage van respectievelijk € 31 en € 100.

Bij uitspraken op bezwaar van 31 augustus 2015 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de naheffingsaanslagen ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2016. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door

mr. J.E. van de Peppel. De zaken zijn gezamenlijk behandeld op zitting.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is vanaf 26 juli 2014 houder van het motorrijtuig van het merk GMC, met kenteken [kenteken 1] (hierna: auto 1). Deze auto is een oldtimer als bedoeld in artikel 84a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB).

1.2.

Eiser is vanaf 25 juli 2014 houder van het motorrijtuig van het merk Mercedes Benz, met kenteken [kenteken 2] (hierna: auto 2). Deze auto is een oldtimer als bedoeld in artikel 84a van de Wet MRB.

1.3.

Aan eiser is met dagtekening 16 februari 2015 een rekening MRB voor auto 1 gezonden voor het tijdvak 14 november 2014 tot en met 13 februari 2015, berekend over de periode 1 januari 2015 tot en met 13 februari 2015, tot een bedrag van € 201. Voorts is op 16 februari 2015 een rekening MRB gezonden voor het tijdvak 14 februari 2015 tot en met 13 mei 2015, tot een bedrag van € 421. Wegens export van de auto is laatstgenoemde rekening verlaagd tot een bedrag van € 280. Volgens deze rekeningen moest de over beide tijdvakken verschuldigde MRB uiterlijk 19 maart 2015 worden betaald.

1.4.

Aan eiser is met dagtekening 16 februari 2015 een rekening MRB voor auto 2 gezonden voor het tijdvak 29 oktober 2014 tot en met 28 januari 2015, berekend over de periode 1 januari tot en met 28 januari 2015, tot een bedrag van € 31. Voorts is op 16 februari 2015 een rekening MRB gezonden voor het tijdvak 29 januari 2015 tot en met 28 april 2015, tot een bedrag van € 100. Volgens deze rekeningen moest de over beide tijdvakken verschuldigde MRB uiterlijk 19 maart 2015 worden betaald.

1.5.

De bij 1.3 en 1.4 genoemde rekeningen zijn onbetaald gebleven.

1.6.

Met dagtekening 4 mei 2015 zijn aan eiser de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd vanwege het niet tijdig betalen van de verschuldigde MRB.

1.7.

De belastingdienst heeft op 7 mei 2015 het bezwaarschrift omtrent de naheffingsaanslagen inzake auto 1 van eiser ontvangen.

1.8.

De belastingdienst heeft op 8 juni 2015 het bezwaarschrift omtrent de naheffingsaanslagen inzake auto 2 van eiser ontvangen.

1.9.

Bij uitspraak op bezwaar van 22 juni 2015 heeft verweerder de bewaren van eiser van 7 mei 2015 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser op 30 juni 2015 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd als LEE 15/2531.

1.10.

Bij uitspraak op bezwaar van 31 augustus 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser van 8 juni 2015 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser op 28 augustus 2015 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd als LEE 15/3369.

1.11.

Eiser heeft in de periode november 2014 – april 2015 in Portugal verbleven.

1.12.

Eiser heeft medio 2014 gebeld met de belastingtelefoon inzake de MRB voor auto 1 en auto 2.

Geschil en beoordeling

2. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of eisers beroep op het vertrouwensbeginsel kan leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslagen.

Relatieve competentie rechtbank Noord-Nederland

3.1.

Eiser woont en woonde ten tijde van de indiening van het beroepschrift in [woonplaats] , gemeente Staphorst. Volgens artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is ten aanzien van de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van verweerder, de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan eiser zijn woonplaats heeft bevoegd. Gezien artikel 8, tweede lid, van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak is daarom Rechtbank Gelderland bevoegd te oordelen over het beroep van eiser.

3.2.

Deze bevoegdheidskwestie is door de rechtbank pas kort voorafgaand aan de zitting onderkend. Om redenen van proceseconomie kiest de rechtbank ervoor om haar onbevoegdheid niet uit te spreken. Zij neemt hierbij mede in overweging dat partijen ter zitting desgevraagd te kennen hebben gegeven waarde te hechten aan een spoedige afhandeling van de zaak, dat zij de rechtbank ter zitting toestemming hebben gegeven om uitspraak te doen en dat voor het gerechtshof in gevolge artikel 27s van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de mogelijkheid bestaat de onbevoegdheid voor gedekt te verklaren.

Het vertrouwensbeginsel

4.1.

Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat tijdens het gesprek in de zomer van 2014 met de belastingtelefoon, de medewerker van de belastingtelefoon hem uitgebreid vragen heeft gesteld. Daarbij is eiser meegedeeld dat hij in aanmerking kon komen voor de overgangsregeling van artikel 84a van de Wet MRB) indien hij een automatische incasso zou afgeven. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hem een formulier voor automatische incasso is toegestuurd, dat hij dit heeft ingezonden en vervolgens niks meer van de Belastingdienst heeft vernomen tot het moment waarop hij voor 5 maanden naar Portugal vertrok. Bij thuiskomst in april 2015 trof hij brieven aan waarin stond vermeld dat voor oldtimers niet automatisch kan worden betaald.

4.2.

Verweerder stelt dat een inlichting zoals door eiser is gesteld nooit gegeven kan zijn. In de instructie van de medewerkers van de belastingtelefoon auto is opgenomen dat een automatische incasso niet mogelijk is bij een rekening op grond van artikel 84a van de Wet MRB, de zogenaamde overgangsregeling voor oldtimers. Verweerder acht het daarom niet aannemelijk dat een medewerker van de belastingtelefoon zou hebben gesteld dat de rekening door middel van een automatische incasso kon worden voldaan. Bovendien is ook op de internetsite van de belastingdienst aangegeven dat de overgangsregeling van toepassing is als de rekening tijdig en volledig is betaald.

4.3.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat eiser inderdaad een algemene automatische incasso heeft afgegeven. Deze was vanaf 5 juni 2014 geldig.

4.4.

De rechtbank overweegt ten aanzien van eisers beroep op het vertrouwensbeginsel als volgt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 26 september 1979, nr. 19.250, ECLI:NL:HR:1979:AM4918, BNB 1979/311, volgt dat de belastingdienst zijn voorlichtende taak over de inhoud van wettelijke regels, of andere door de belastingdienst in acht te nemen algemene regels, zoveel mogelijk onbelemmerd moet kunnen vervullen. Dit brengt mee dat het risico van een onjuiste inlichting in de regel voor rekening van de betrokken belastingplichtige blijft. Hiervan kan worden afgeweken als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze doen zich voor indien de inlichtingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de betrokken belastingplichtige redelijkerwijs die onjuistheid had kunnen en moeten beseffen en daarnaast de belastingplichtige, afgaande op die onjuiste inlichtingen, een handeling heeft verricht of heeft nagelaten, ten gevolge waarvan hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting moest betalen, maar bovendien schade lijdt (dispositievereiste).

4.5.

De bewijslast voor het in rechte te beschermen vertrouwen ter zake van de onjuiste inlichting van de belastingtelefoon rust op eiser. Eiser stelt dat hij in de zomer van 2014 met de belastingtelefoon heeft gebeld over de wijze waarop hij tijdige betaling van de MRB voor zijn oldtimers, en daarmee het verlaagde tarief van de overgangsregeling, kon bewerkstelligen. Naar aanleiding van de verstrekte inlichting, heeft hij een automatische incasso afgegeven door middel van het door de belastingdienst toegezonden formulier. Op basis van eisers verklaring ter zitting over de inhoud van het gesprek met de belastingtelefoon, bezien in samenhang met de door verweerder op 5 juni 2014 ontvangen machtiging voor automatische incasso, acht de rechtbank aannemelijk dat de medewerker van de belastingtelefoon de door eiser gestelde, onjuiste, inlichting heeft verstrekt. De rechtbank acht de door verweerder overgelegde inhoud van de interne instructie van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen. Indien, zoals verweerder stelt, de medewerker van de belastingtelefoon zou hebben gehandeld volgens deze interne instructie, zou er immers geen aanleiding zijn geweest om eiser het formulier voor automatische incasso toe te zenden. De rechtbank neemt daarbij bovendien in aanmerking dat uit onderzoek van de Consumentenbond en de belastingdienst in 2014 volgt, dat de antwoorden van de belastingtelefoon in een niet onaanzienlijk deel van de gevallen onjuist blijken te zijn.

4.6.

Nu uit het voorgaande volgt dat aan eiser onjuiste informatie is verstrekt, dient voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vervolgens beoordeeld te worden of de inlichting van de medewerker van de belastingtelefoon aan eiser zo duidelijk in strijd was met een juiste wetstoepassing, dat eiser dit had kunnen of moeten beseffen. Uit eisers verklaring volgt dat bij hem onduidelijkheid bestond omtrent de wijze waarop hij in aanmerking kon komen voor de overgangsregeling voor oldtimers. Hij belde daarom met de belastingtelefoon om daarover inlichtingen in te winnen. Nu noch is gesteld noch is gebleken dat eiser fiscaal onderlegd is, kan van hem redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij de onjuistheid van de aldus verkregen inlichting had moeten beseffen.

4.7.

Tot slot dient volgens het bij 4.4. vermelde arrest nog beoordeeld te worden of aan het dispositievereiste is voldaan. Aan eiser is door de onjuiste inlichting de mogelijkheid ontnomen om in aanmerking te komen voor de overgangsregeling van artikel 84a van de Wet MRB. Eiser is hierdoor het normale tarief van de motorrijtuigenbelasting verschuldigd in plaats van het begunstigde tarief dat geldt volgens de overgangsregeling. Het hierdoor opgetreden nadeel acht de rechtbank bijkomende schade in de zin van het dispositievereiste.

5. Gelet op het voorgaande slaagt eisers beroep op het vertrouwensbeginsel en dienen de naheffingsaanslagen te worden vernietigd. De beroepen zijn gegrond.

6. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden eisers reiskosten vergoed op basis van de kosten van openbaar vervoer. Uitgaande van de reisafstand tussen het adres van eiser en de Rechtbank Noord Nederland, zittingsplaats Groningen, bedragen de kosten van een enkele reis met een OV-chipkaart

€ 17,46, zodat een bedrag van € 34,92 voor vergoeding in aanmerking komt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen tegen de naheffingsaanslagen MRB gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslagen;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffiegeld van in totaal € 90 (€ 45 in elke zaak) aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 34,92.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Fn 09