Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:4578

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
5273668
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontbinding o.g.v. 669 lid 3g BW

Wel transitievergoeding, geen billijke vergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1163
AR 2016/3009

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 5273668 \ AR VERZ 16-159

beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671b lid 1 BW d.d. 5 oktober 2016

inzake

de stichting

STICHTING ZORGGROEP OUDE EN NIEUWE LAND,

gevestigd te Steenwijk,

verzoekster,

gemachtigde: mr. A.E. Doornbos,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

procederende met toevoeging,

gemachtigde: mr. Y. van der Horst.

Partijen zullen hierna ZONL en [verweerster] worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

ZONL heeft een verzoek ingediend, ingekomen ter griffie op 29 juli 2016, om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Bij faxbericht van 2 september 2016 heeft ZONL nog een aanvullende productie (16) toegezonden.

1.2.

[verweerster] heeft een verweerschrift ingediend, tevens inhoudende een voorwaardelijk tegenverzoek, ingekomen ter griffie op 2 september 2016.

1.3.

Op 5 september 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. Namens ZONL waren hierbij aanwezig mevrouw [naam 1] , leidinggevende van [verweerster] (hierna te noemen: [leidinggevende van verweerster] ) en mevrouw [naam 2] , P&O adviseur, bijgestaan door mr. Doornbos. Voorts was bij de zitting aanwezig [verweerster] , bijgestaan door mr. Van der Horst. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, aan de zijde van ZONL deels aan de hand van een pleitnota. De griffier heeft van het ter zitting verhandelde aantekeningen gemaakt.

1.4.

Vervolgens is de zaak tot het einde van de week aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Partijen hebben de rechtbank bij faxberichten van 9 en 12 september 2016 bericht dat de onderhandelingen niet tot een positief resultaat hebben geleid, waarna beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren [geboortedatum] , is op 16 juni 1997 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) ZONL. De functie die [verweerster] aldaar laatstelijk vervulde, is die van Thuisbegeleider voor 24 uur per week, met een salaris van € 1.810,22 bruto per maand exclusief 5,7 % eindejaarsuitkering en vakantiebijslag. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg.

2.2.

ZONL biedt diverse vormen van zorg- en dienstverlening en behandeling aan inwoners in de gemeenten Noordoostpolder, Urk en Steenwijkerland. De doelgroep van ZONL bestaat uit cliënten of gezinnen met psychiatrische en/of psychosociale problematiek en/of een verstandelijke beperking in alle leeftijdscategorieën. Er werken ongeveer 1.800 mensen bij ZONL. De werkzaamheden van [verweerster] als Thuisbegeleider bestaan uit het bieden van begeleiding aan cliënten en het verrichten van begeleidende werkzaamheden, gericht op gedragsverandering en/of het bereiken van stabilisatie van de zelfredzaamheid van cliënten. Daarnaast wordt door de Thuisbegeleider pedagogische ondersteuning verleend aan ouders/voogden en wordt met cliënten en samenwerkende instanties een begeleidingsplan opgesteld.

2.3.

Medio 2001 heeft [verweerster] zich wegens overspannenheidsklachten enige tijd ziek gemeld. In 2005 is de verstandhouding tussen [verweerster] en haar toenmalige leidinggevende, mevrouw [naam 3] , enige tijd stroef verlopen. Op 8 september 2009 is [verweerster] - na het overlijden van haar partner - arbeidsongeschikt geworden en is ze circa een jaar uit de roulatie geweest. Vanaf september 2011 heeft gedurende driekwart jaar een - door ZONL gefinancierd - coachingstraject plaatsgevonden.

2.4.

Begin 2015 zijn er spanningen ontstaan tussen [verweerster] en de inzetplanner bij ZONL, mevrouw [naam 4] (hierna: de planner), die (als enige in de organisatie) verantwoordelijk is voor het opstellen van de roosters voor de Thuisbegeleiders. Op 18 maart 2015 heeft [verweerster] zich ziek gemeld. Op 13 april 2015 heeft [verweerster] het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht, die de navolgende, voor zover thans van belang, schriftelijke terugkoppeling aan ZONL, heeft gegeven:

"(…) - Wat is de aanleiding voor de verzuimmelding?

Uw medewerkster ervaart in toenemende mate lichamelijke en psychische klachten die te maken hebben met de interne communicatie en met afstemming rond haar werkrooster. Betrokkene ervaart het als pesten.

Welke factoren spelen mee?

- medische klachten hebben geleid tot bezoek aan huisarts

- werkgerelateerde aspecten lijken hier op de voorgrond te staan.

(…)

- Prognose t.a.v. het probleem?

Dat hangt sterk af van het werken aan een oplossing op communicatief gebied. Werkt in thuisbegeleiding en naar ik begrijp soms ook op interieurverzorging.

- Advies (en antwoord op eventuele specifieke vraagstelling):

Mijn advies is om de verzuimadviseur hierbij te betrekken en zo spoedig mogelijk in gesprek te gaan over de problemen en de ontstane situatie. Bij bereiken van een stuk ontspanning in de verhoudingen verwacht ik dat uw medewerkster haar werk snel volledig kan hervatten.

(…)".

2.5.

In het voorjaar van 2015 heeft naar aanleiding van dit advies een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] , [leidinggevende van verweerster] (de leidinggevenden van [verweerster] ) en een medewerkster van P&O, gevolgd door een gesprek met [verweerster] , de planner en een medewerkster van P&O. Beide gesprekken hebben niet tot een oplossing geleid.

2.6.

Op 15 juni 2015 heeft [verweerster] (opnieuw) met de bedrijfsarts gesproken. In het naar aanleiding van dit gesprek opgestelde rapport, adviseert de bedrijfsarts het werk verder op te bouwen met 2 tot 3 uur per 1 tot 2 weken en wordt als verzuimoorzaak vermeld dat sprake is van een 'medische reden, werkgerelateerd' met als prognose 'goed tav volledige inzetbaarheid'. Voorts heeft de bedrijfsarts [verweerster] , op verzoek van ZONL, aangemeld bij het bedrijfsmaatschappelijk werk.

2.7.

Vervolgens is een bedrijfsmaatschappelijk werker van het GIMD begonnen met begeleiding van [verweerster] . Op 14 juli 2015 heeft zich tijdens het teamoverleg een incident voorgedaan tussen [verweerster] enerzijds en de planner en [leidinggevende van verweerster] anderzijds. In een e-mail bericht van 15 juli 2015 van [leidinggevende van verweerster] aan [verweerster] en de bedrijfsmaatschappelijk werker heeft [leidinggevende van verweerster] aangegeven dat ze, gelet op de gebeurtenissen tijdens het teamoverleg van de dag ervoor, wil dat een aantal punten wordt besproken tussen de bedrijfsmaatschappelijk werker en [verweerster] . Voorts heeft [leidinggevende van verweerster] in dat verband, voor zover thans van belang, het volgende geschreven:

"(…) Je reageerde erg emotioneel nadat we met het team gekeken hadden wie wanneer voor een nieuwe casus beschikbaar kon zijn.

(…)

Je gaf aan dat [naam 4] , onze inzetplanner, jou doelbewust niet nieuwe cliënten of uren toekent. Daarop heb ik je aangesproken; dat ik niet accepteer dat je dit zo zegt omdat ik geen enkel signaal ken dat daarop duidt.

- Jij gaf aan dat dit al verschillende jaren het geval is, dat teamleden de details niet kennen en dat jij bewijzen hebt waarmee je kunt aantonen dat [naam 4] jou bewust niet uren of cliënten toekent.

- Jij gaf aan dat je pas gelukkig zou zijn als je wist dat je "per gisteren een andere baan zou hebben".

- Daarop heb ik je het advies gegeven dit mee te nemen in het gesprek met [bedrijfsmaatschappelijk werker] ; je gaf mij te kennen dat ik "dan gelukkig zou zijn". Dat vind ik erg jammer dat je dat zo ziet; ik gun jou een baan met werkplezier; en ik zie langs alle kanten dat je dat al geruime tijd binnen ZONL niet hebt.

(…)

Als het wenselijk is om een keer met zijn drieën in gesprek te zijn ben ik daar gaarne toe bereid, die overweging laat ik bij jullie.(…)".

2.8.

In een gesprek op 17 augustus 2015 tussen de bedrijfsmaatschappelijk werker, [leidinggevende van verweerster] en [verweerster] is voormeld incident aan de orde geweest. In het door de bedrijfsmaatschappelijk werker opgestelde verslag van de bijeenkomst van 17 augustus 2015 staat, voor zover thans van belang:

"(…) [verweerster] had in deze teamvergadering o.a. gezegd per gister een andere baan te willen hebben. Dit was in een emotionele ontlading. [leidinggevende van verweerster] geeft aan dat wanneer [verweerster] werkelijk geen werkplezier meer heeft zij ook hier over in gesprek kunnen gaan, maar op een manier die recht doet aan alle partijen. [verweerster] had in het begin v.h gesprek al aangegeven het jammer te vinden dat het op die manier is gegaan in de teamvergadering en dat zij dat ook wil voorkomen. (…)".

2.9.

Op 29 september 2015 heeft een incident plaatsgevonden tussen [verweerster] en de planner over de beschikbaarheid en de inzet van uren. Bij e-mail bericht van 30 september 2015 met als onderwerp 'incident gisteren' heeft [leidinggevende van verweerster] , in dit verband, het volgende, voor zover van belang, aan [verweerster] geschreven:

"Dag [verweerster] ,

(…)

Het spijt me erg dat ik je moet melden dat ik daarover zeer ontstemd ben en teleurgesteld. Het is wat mij betreft een vergelijkbaar incident met wat er medio juli is gebeurd. Wat mij betreft onacceptabel. Reden waarom ik daar een melding van doe in je personeelsdossier en ook bij [bedrijfsmaatschappelijk werker] . Ik denk nog na en ga daarover in gesprek met P&O of [Lid MT] (MT) wat consequenties zijn."

Bij e-mailbericht van 2 oktober 2015 heeft [verweerster] , voor zover van belang, de volgende reactie aan [leidinggevende van verweerster] gestuurd:

"Dag [leidinggevende van verweerster] ,

Ik vind dat ik een meningsverschil had met [naam 4] de planner over beschikbaarheid/inzet uren waarop [naam 4] reageerde op een manier die ik niet begrijp en waar ik mij niet in kan vinden.

Je hebt het één en ander van een ander vernomen en daarop gelijk je conclusie getrokken zonder mij of collega's hierover te horen.

Graag zou ik van jou willen weten, wat dan (het incident) is geweest en dat jij mijn kant van het verhaal ook hoort en van de collega's die hier bij aanwezig waren.".

2.10.

Per 5 oktober 2015 is [verweerster] volledig hersteld.

2.11.

Op 6 oktober 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] , [leidinggevende van verweerster] en een P&O adviseur van ZONL. In het - naar aanleiding van dit gesprek door ZONL opgestelde en in het geding gebrachte - verslag staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

"Aanleiding van dit gesprek is een opstapeling van gebeurtenissen waardoor het voor [leidinggevende van verweerster] niet meer werkbaar is. Voorafgaand aan dit gesprek hebben er de afgelopen maanden zich al meerdere zaken voorgedaan. Het zijn met name zaken rondom de communicatie met planner, team en [verweerster] .

(…)

Vraag is hoe we verder moeten. Het blijkt toch wel een patroon te zijn wat al jaren aan de gang is en waarvan we ons de vraag stellen of we dit patroon kunnen doorbreken.

(…)

[leidinggevende van verweerster] geeft aan dat per vandaag [verweerster] haar werkzaamheden kan neerleggen en dat we de komende tijd gebruiken om te kijken hoe verder. We besluiten om een vervolgafspraak te plannen op maandag 19 oktober om 13:00 uur. (…)".

2.12.

Op 19 oktober 2015 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden, waarbij naast [verweerster] , [leidinggevende van verweerster] en de P&O adviseur ook de (toenmalige) gemachtigde van [verweerster] , de heer Alting van de FNV, aanwezig was. In het door ZONL opgestelde en in het geding gebrachte verslag van dit vervolggesprek staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"We hebben [verweerster] de boodschap gegeven dat ze niet meer terug kan in haar functie als thuisbegeleider en dat we samen op zoek gaan naar een oplossing. Ook dhr. Alting kon zich hierin vinden. Wel benadrukte hij dat hij het belangrijk vond om eerst binnen ZONL op zoek te gaan naar een passende functie. Mocht dit na onderzoek niet mogelijk zijn, dan zal gekeken worden naar een outplacement traject.

Omdat dit nieuws voor [verweerster] toch wel erg binnen kwam, is het gesprek beëindigd met de volgende afspraken:

[verweerster] gaat dit bericht laten landen en probeert na te denken over wat ze zelf zou willen, waar liggen haar kwaliteiten, waar krijgt ze energie van en ook, zijn er functies binnen ZONL die [verweerster] aanspreken en welke ondersteuning verwacht ze hierbij van ZONL.

[verweerster] heeft hier max 3 weken de tijd voor gekregen. Voor 9 november 2015 zal [verweerster] aan [leidinggevende van verweerster] en [P&O adviseur] laten weten dat ze toe is aan de volgende stap en gaan wij kijken wat er nodig is. In de tussentijd wordt [verweerster] vrijgesteld van werk en zal haar salaris gewoon uitbetaald worden. (…)".

2.13.

Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen, waarop zij op 7 december 2015 een mediationovereenkomst hebben gesloten. Tijdens het hierna gestarte mediationtraject, dat een half jaar heeft geduurd, heeft [verweerster] van januari 2016 tot en met juni 2016 kortstondig op vijf verschillende plekken binnen ZONL gewerkt om zich te oriënteren op de functie van helpende/verzorgende. Hierna heeft [verweerster] aangegeven dat haar voorkeur uitging naar de functie van Verzorgende IG. Voor voornoemde functie is een diploma vereist, waarover [verweerster] niet beschikt. ZONL heeft [verweerster] aangeboden om, met behoud van haar salaris, de tweejarige opleiding tot Verzorgende IG te volgen, waarbij zij de daarbij benodigde stages binnen ZONL zou kunnen volgen en waarbij ZONL op voorhand 75 % van de kosten van de opleiding voor haar rekening zou nemen, met de restrictie dat aan [verweerster] na afloop van de opleiding geen baangarantie door ZONL kon worden gegeven. [verweerster] heeft dit aanbod niet aanvaard.

2.14.

Het mediationtraject is afgebroken en ZONL heeft op 12 juli 2016 een voorstel gedaan aan [verweerster] tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2016, neergelegd in een concept vaststellingsovereenkomst. [verweerster] heeft geweigerd voornoemde vaststellingsovereenkomst te ondertekenen.

3 Het verzoek

3.1.

ZONL verzoekt - na aanpassing van haar verzoek ter gelegenheid van de mondelinge behandeling - de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel

7:669 lid 3, onderdeel g BW op de kortst mogelijke termijn en zonder een vergoeding, dan wel (subsidiair) door het toekennen van alleen de transitievergoeding van € 22.898,00 bruto.

3.2.

Aan dit verzoek legt ZONL ten grondslag dat sprake is van - kort gezegd - een verstoorde arbeidsverhouding die zodanig is dat van ZONL redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft ZONL het volgende naar voren gebracht. [verweerster] heeft diverse conflicten gehad met verschillende collega's en met minimaal twee leidinggevenden. [verweerster] heeft tot nu toe niet willen inzien dat haar houding en gedrag voor veel problemen zorgt en interventies en diverse gesprekken hebben hierin geen oplossing gebracht, zodat het vertrouwen in [verweerster] inmiddels ernstig en onherstelbaar is geschaad. Dit is des te meer verwijtbaar omdat ZONL een zeer kwetsbare doelgroep heeft. [verweerster] zorgt keer op keer voor veel onrust op de werkvloer en wil niet inzien dat haar houding en gedrag - waarover meerdere cliënten en collega's hebben geklaagd - onaanvaardbaar is. Het diepe wantrouwen aan de zijde van [verweerster] - die nooit kritisch naar zichzelf kijkt - blijkt uit het feit dat ze alle gesprekken met ZONL tijdens het mediationtraject heeft opgenomen. [verweerster] controleert altijd de roosters van haar collega's om daar dan kritiek op te hebben richting de planer. Van [verweerster] mag worden verwacht dat zij flexibel inzetbaar is, maar dat is niet het geval. Ook is [verweerster] frequent ziek en heeft ze meerdere malen aangegeven niet gemotiveerd te zijn voor haar werk en op zoek te willen gaan naar iets anders. Na jaren van praten, waarbij er diverse begeleiding is aangeboden, door zowel de leidinggevende, een professionele coach, bedrijfsmaatschappelijk werk, een ziekteverzuimbegeleider en er mediation is ingezet, terwijl geen enkel vruchtbaar resultaat is behaald, is het geduld van ZONL met [verweerster] op. Gedurende maar liefst een half jaar is herplaatsing in een andere passende functie uitgebreid onderzocht. Er is veel tijd en geld geïnvesteerd in [verweerster] , die bovendien al sinds begin oktober 2015 - derhalve inmiddels bijna één jaar - is vrijgesteld van haar werkzaamheden met doorbetaling van salaris. Omdat het niet is gelukt om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen, ziet ZONL thans geen andere mogelijkheid meer dan het starten van de onderhavige gerechtelijke procedure.

4 Het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerster]

4.1.

verweert zich tegen het verzoek en stelt primair dat de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden afgewezen. Zij voert daartoe - samengevat - het volgende aan. Er is geen sprake van een verstoorde arbeidsverhouding en voor zover er al sprake zou zijn van een dergelijke verstoring, is dit zeker geen duurzame verstoring. Immers, gelet op de aard en ernst van het discussiepunt tussen [verweerster] en haar leidinggevende en de planner - dat zag op het werkrooster van [verweerster] - waren er voldoende mogelijkheden om, zo nodig met de inzet van een onafhankelijke derde of een mediator, dit punt op te lossen zodat het de verhouding tussen partijen niet langer zou verstoren. [verweerster] heeft wel degelijk oog gehad voor haar eigen rol, heeft haar goede wil getoond en is oplossingsgericht te werk gegaan. Zo heeft ze excuses aangeboden voor haar emotionele uitlating op 14 juli 2015 en heeft ze al in een eerder stadium toenadering gezocht tot de planner en [leidinggevende van verweerster] om over de wrijving te praten en afspraken te maken. Het mediationtraject van dit jaar is door ZONL niet ingezet om het dienstverband met [verweerster] te behouden maar was gericht op het toewerken door ZONL naar beëindiging van het dienstverband, door [verweerster] oriëntatieplekken en de eventueel te volgen opleiding Verzorgende IG aan te bieden. Overigens heeft [verweerster] de mediationgesprekken enkel voor zichzelf opgenomen en niet uit wantrouwen. ZONL heeft herplaatsing van [verweerster] in een andere passende functie niet onderzocht en [verweerster] is - mede gelet op de grote omvang van de organisatie - wel degelijk herplaatsbaar binnen ZONL, bijvoorbeeld als Verzorgende IG of eventueel als helpende/verzorgende. Ook naast de te volgen opleiding tot Verzorgende IG zijn er voldoende mogelijkheden (bijvoorbeeld in het kader van stages en, onder strikte voorwaarden, als Thuisbegeleider) en bovendien komen er geregeld vacatures beschikbaar. Zo stond op 28 juli 2016 de vacature van medewerker Welzijn & Activiteiten op de website van ZONL. ZONL heeft bij haar beslissing om tot beëindiging van het dienstverband over te willen gaan, geen of althans onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden van [verweerster] , die gedurende haar dienstverband van 19 jaar grotendeels probleemloos heeft gefunctioneerd en alleenstaand kostwinner is en financiële problemen heeft, waarvan ZONL op de hoogte is. [verweerster] heeft dan ook een groot belang bij een inkomen uit arbeid en daarmee bij behoud van haar dienstverband. Daarbij komt dat [verweerster] een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt inneemt vanwege haar leeftijd, opleiding en de bezuinigingen in de zorg. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.2.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerster] subsidiair bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek om toekenning van de transitievergoeding van - uitgaande van datum uitdiensttreding per 1 februari 2017 - € 23.415,00 bruto, alsmede een billijke vergoeding van € 46.830,00, althans een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding. Voorts verzoekt [verweerster] in geval van ontbinding - samengevat - rekening te houden met de geldende opzegtermijn zonder aftrek van de proceduretijd, alsmede ZONL te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de transitievergoeding en over de billijke vergoeding.

4.3.

Ten slotte verzoekt [verweerster] primair en subsidiair ZONL te veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen ook de nakosten, en de wettelijke rente daarover.

4.4.

Aan haar voorwaardelijk tegenverzoek om een billijke vergoeding legt [verweerster] ten grondslag dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen c.q. nalaten van ZONL, hetgeen volgens [verweerster] blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden:

- ZONL heeft [verweerster] ten onrechte niet langer in haar functie gehandhaafd en heeft [verweerster] de mogelijkheid ontnomen om het relatief beperkte probleem, namelijk de discussie over inroostering, dat speelde op te lossen, bijvoorbeeld door middel van mediation;

- ZONL heeft nagelaten [verweerster] in een andere functie te plaatsen, al dan niet met behulp van scholing. Onder de gegeven omstandigheden had dit van een redelijk handelend werkgever mogen worden verwacht, temeer omdat hiervoor nog voldoende mogelijkheden waren en [verweerster] bereid was zich in dat verband constructief op te stellen;

- Als ZONL van oordeel was dat [verweerster] haar eigen functie als Thuisbegeleider niet langer kon vervullen had zij ingevolge artikel 7:611a BW [verweerster] in staat dienen te stellen om haar met behulp van scholing in een andere functie te plaatsen, hetgeen ZONL heeft nagelaten. ZONL heeft derhalve in strijd met artikel 7:611a BW gehandeld.

5 De beoordeling van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen dient te worden ontbonden. In geval van ontbinding dient ook te worden beoordeeld of [verweerster] , zoals door ZONL aangevoerd, daarbij geen transitievergoeding dient te worden toegekend of dat [verweerster] , zoals door haar bij wijze van tegenverzoek is aangevoerd, wel aanspraak heeft op de transitievergoeding alsmede of alsdan aan haar ook een billijke vergoeding dient te worden toegekend, alsmede de wettelijke rente over beide vergoedingen.

5.2.

Gesteld noch gebleken is dat het verzoek verband houdt met één van de opzegverboden van artikel 7:670 BW of met enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

5.3.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

Verstoorde arbeidsverhouding

5.4.

ZONL voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in een verstoorde arbeidsverhouding, die zodanig is dat van ZONL als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. ZONL voert daartoe, kort gezegd, het volgende aan. [verweerster] kan, gelet op met name haar terugkerende problematische houding en gedrag, niet meer in haar functie van Thuisbegeleider functioneren. Gedurende de afgelopen jaren heeft ZONL veel tijd en geld geïnvesteerd om [verweerster] binnen de organisatie aan het werk te houden maar dit heeft niets opgeleverd. Ook heeft ZONL gedurende een half jaar intensief onderzoek gedaan naar herplaatsingsmogelijkheden voor [verweerster] , hetgeen niet is gelukt.

Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door ZONL in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.5.

Vooropgesteld wordt dat de kantonrechter van oordeel is dat hetgeen vóór 2015 tussen partijen is voorgevallen dermate lang geleden is dat deze gebeurtenissen - wat daar ook van zij - niet relevant zijn voor de vraag of de arbeidsverhouding thans zodanig verstoord is dat niet langer van ZONL kan worden gevergd haar voort te laten duren. Hetgeen partijen over voormelde periode naar voren hebben gebracht zal bij de verdere beoordeling dan ook geen rol spelen.

5.6.

Gelet op de stellingen van partijen is de vraag of [verweerster] kan terugkeren in de functie van Thuisbegeleider naar het oordeel van de kantonrechter inmiddels een gepasseerd station. [verweerster] geeft weliswaar - met name in het kader van de door haar verzochte billijke vergoeding - aan dat zij ten onrechte uit haar functie is gezet maar niet (voldoende) gesteld of gebleken is dat zij zich op enig moment op het standpunt heeft gesteld terug te kunnen keren in haar functie als Thuisbegeleider. In dit verband acht de kantonrechter ook van belang het verweer van [verweerster] , inhoudende dat ZONL ervoor had kunnen kiezen om [verweerster] onder zeer strikte voorwaarden en met duidelijke afspraken op beperkte wijze - tijdelijk - als Thuisbegeleider in te zetten, naast het volgen van de opleiding Verzorgende IG, waarmee [verweerster] kennelijk ook zelf erkent dat terugkeren 'sec' als Thuisbegeleider op reguliere basis niet (meer) aan de orde is.

5.7.

Het verweer van [verweerster] dat het discussiepunt tussen [verweerster] enerzijds en de planner en de leidinggevende anderzijds slechts de inroostering betrof, en met de inzet van een onafhankelijke derde/mediator zou kunnen worden opgelost, wordt verworpen. Immers, blijkens het onweersproken verslag van de bedrijfsarts (r.o. 2.4.) hadden de klachten van [verweerster] tevens met interne communicatie te maken en had [verweerster] het gevoel dat ze gepest werd. Bovendien is het - ondanks de gesprekken die er zijn geweest in het voorjaar van 2015 (r.o. 2.5.) en de begeleiding van het bedrijfsmaatschappelijk werk (r.o. 2.7.) kennelijk niet gelukt een oplossing te vinden voor het - volgens [verweerster] relatief eenvoudige en afgebakende - discussiepunt tussen partijen. Het voorgaande klemt te meer nu er zich, tijdens de extra ingezette begeleiding door de bedrijfsmaatschappelijk werker, opnieuw een tweetal incidenten heeft voorgedaan tussen [verweerster] en de planner c.q. [leidinggevende van verweerster] (r.o. 2.7., 2.8., 2.9.). Het enkele verweer van [verweerster] dat het mislukken van de pogingen om de vertroebelde verhoudingen tussen partijen vlot te trekken samenhing met de beperkte rol van de bedrijfsmaatschappelijk werker - die er met name op gericht was om [verweerster] te ondersteunen en weerbaarder te maken - wordt verworpen, nu [leidinggevende van verweerster] in haar e-mailbericht van 15 juli 2015 (r.o. 2.7.) juist expliciet heeft gevraagd het incident dat zich had voorgedaan tijdens het teamoverleg van 14 juli 2015 te bespreken met de maatschappelijk werker ( [bedrijfsmaatschappelijk werker] ), hetgeen ook is gebeurd. Ook hetgeen [verweerster] als verweer heeft aangevoerd ter zake haar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid tijdens de periode waarin de incidenten hebben plaatsgevonden, kan haar niet baten. Immers, voornoemde omstandigheid brengt niet met zich dat er daarom (meer) begrip zou moeten zijn voor het gedrag van [verweerster] op de werkvloer, nog daargelaten dat het laatste incident (op 29 september 2015) slechts enkele dagen voor de algehele herstelmelding van [verweerster] (op 5 oktober 2015) heeft plaatsgevonden. Ook de enkele stelling van [verweerster] dat zij tijdens haar arbeidsongeschiktheid, ondanks haar verzoek daartoe, geen begeleiding bij het bedienen van haar grote cliëntenbestand zou hebben gekregen en niet minder cliënten toebedeeld kreeg, kan haar - mede gelet op de betwisting ervan door ZONL - niet baten. Dat [verweerster] spijt heeft betuigd, oplossingsgericht was en van goede wil, en toenadering zou hebben gezocht tot de planner en [leidinggevende van verweerster] neemt - wat daar ook van zij - niet weg dat de verhoudingen ondertussen - ondanks de inzet van de bedrijfsarts, maatschappelijk werk en gesprekken tussen partijen onderling - dusdanig waren verstoord dat ZONL geen toekomst meer zag in een verdere samenwerking tussen [verweerster] en de planner (die als enige binnen ZONL verantwoordelijk is voor de inroostering). De kantonrechter kan ZONL, gezien alle inspanningen die zij zich heeft getuigd om de relatie tussen [verweerster] en de planner weer vlot te trekken, wel volgen in dit standpunt. Hetzelfde geldt voor het standpunt van ZONL ter zake de onmogelijkheid van een verdere samenwerking tussen [verweerster] en haar leidinggevende, [leidinggevende van verweerster] , waarbij de kantonrechter voldoende aannemelijk acht dat voormelde incidenten (die immers tijdens het teamoverleg en een intervisiebijeenkomst hebben plaatsgevonden) en de houding en het gedrag van [verweerster] , hun weerslag op het gehele team hebben gehad.

5.8.

Uitgaande van hetgeen partijen hebben gesteld over de gebeurtenissen vanaf begin 2015 tot de indiening van het verzoekschrift is naar het oordeel van de kantonrechter voorts voldoende komen vast te staan dat ZONL zich als werkgever voldoende inspanningen heeft getroost om [verweerster] tegemoet te komen en te trachten haar op een andere functie binnen de organisatie aan te stellen, toen het werken als Thuisbegeleider voor [verweerster] niet meer in de rede lag. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat na de gesprekken in oktober 2015 (r.o. 2.11. en 2.12.) een mediationtraject is gestart, ter gelegenheid waarvan [verweerster] door ZONL ruimschoots de mogelijkheid is geboden zich te oriënteren op een - op basis van een eigen keuze van [verweerster] door haar toen gewenste - functie van helpende/verzorgende en dat haar zelfs nadien is aangeboden de hiervoor benodigde tweejarige opleiding Verzorgende IG te volgen en deze grotendeels voor haar te financieren. Dat ZONL daarbij niet op voorhand kon of wilde garanderen dat er na voltooing van de tweejarige opleiding ook daadwerkelijk een vacature als Verzorgende IG voor [verweerster] bij ZONL zou zijn, acht de kantonrechter niet onredelijk en het standpunt van [verweerster] dat hieruit volgt dat ZONL enkel uit zou zijn geweest op beëindiging van het dienstverband deelt de kantonrechter niet, omdat dit niet volgt uit de geschetste gang van zaken. Dat [verweerster] bij gebreke van een 'baangarantie' geen gebruik wenste te maken van de aangeboden opleiding, is een keuze van [verweerster] die dan ook voor haar eigen rekening dient te blijven. [verweerster] heeft nog als verweer aangevoerd dat het mediationtraject - tegen haar zin - werd afgebroken ten gevolge van voornamelijk een misverstand/communicatieruis. Bij gebreke van een nadere onderbouwing door [verweerster] en gelet op hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht omtrent het te volgen traject na de mediation (het ontbreken van baangarantie), wordt voornoemd verweer van [verweerster] gepasseerd.

Herplaatsing

5.9.

De kantonrechter is verder van oordeel dat herplaatsing van [verweerster] in een andere passende functie binnen een redelijke termijn niet mogelijk is. Het verweer van [verweerster] dat zij - gelet op de omvang van ZONL - wel degelijk herplaatsbaar is wordt verworpen. De in dat verband door [verweerster] geopperde functie van Verzorgende IG is, gelet op de duur van de opleiding van twee, of - zoals [verweerster] heeft gesteld - eventueel te beperken tot één jaar, niet te duiden als een passende functie. Immers, de verplichting tot herplaatsing (al dan niet met behulp van scholing) van artikel 7:669 lid 1 BW geldt voor zover herplaatsing van een werknemer binnen een redelijke termijn mogelijk is. Zoals in de Memorie van Toelichting bij de Wwz al is aangegeven en in artikel 10 Ontslagregeling en de daarop gebaseerde uitvoeringsregels van UWV is vastgelegd, is die redelijke termijn gelijk aan de wettelijke opzegtermijn die door de werkgever in acht moet worden genomen. Niet in geschil tussen partijen is dat deze in dit geval vier maanden bedraagt. Evenmin wordt het verweer van [verweerster] gehonoreerd dat er, naast de te volgen opleiding, alvast enkele Verzorgende IG taken door haar zouden kunnen worden uitgevoerd, nu [verweerster] immers zelf heeft besloten - onder de door ZONL gestelde voorwaarden, die door de kantonrechter niet als onredelijk zijn beoordeeld - geen gebruik te maken van het aanbod van ZONL om voornoemde opleiding te gaan volgen. Het enkele verweer van [verweerster] dat zij herplaatst zou kunnen worden in de eventuele functie van helpende/verzorgende wordt zonder nadere onderbouwing, nu deze ontbreekt, verworpen. [verweerster] heeft nog aangevoerd dat er op 28 juli 2016 een geschikte vacature in zo'n functie voor haar was. Ook dit verweer kan [verweerster] niet baten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [verweerster] , blijkens haar verklaring ter zitting, niet alleen niet heeft gesolliciteerd op de betreffende vacature, maar ook niet eerder dan in het verweerschrift kenbaar heeft gemaakt dat zo'n functie mogelijk passend voor haar zou zijn, terwijl - zoals ZONL ook heeft gesteld - van [verweerster] verwacht mocht worden initiatieven ter zake te ontplooien. Voorts is van belang de (niet door [verweerster] betwiste) stelling van ZONL ter zitting dat er binnen ZONL diverse boventallig verklaarde medewerkers waren die in aanmerking kwamen voor de desbetreffende functie en dat de vacature inmiddels is vervuld door een zodanige boventallige medewerker. Andere passende functies heeft [verweerster] niet aangegeven.

Ontbinding

5.10.

Gelet op het vorenstaande heeft de kantonrechter geconstateerd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Tussen partijen is immers verschil van inzicht ontstaan over de wijze waarop [verweerster] invulling heeft gegeven aan haar functie als Thuisbegeleider en haar functioneren binnen het team van ZONL. Ondanks inspanningen van partijen is het niet gelukt om het verschil van inzicht te overbruggen en in overleg tot een aanvaardbare oplossing te komen. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan aan geen van partijen in het bijzonder een verwijt kan worden gemaakt.

5.11.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van de werkgever zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 december 2016. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging - uitgaande van de geldende opzegtermijn van vier maanden - zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure (te weten: vier maanden vanaf 5 oktober 2016 = 5 februari 2017, verminderd met negen weken en drie dagen is 30 november 2016, gerekend naar het einde van de kalendermaand). Daarbij ziet de kantonrechter geen aanleiding het verzoek van [verweerster] te honoreren om de proceduretijd niet in aftrek te nemen van de opzegtermijn, nu [verweerster] voormeld verzoek - behoudens haar hierna (r.o. 5.13.) te bespreken beroep op ernstige verwijtbaarheid van ZONL - niet nader heeft onderbouwd.

Transitievergoeding

5.12.

ZONL heeft primair verzocht om een ontbinding uit te spreken zonder een vergoeding toe te kennen. ZONL heeft dit verzoek niet nader onderbouwd. Voor zover ZONL geacht wenst te worden dit verzoek te baseren op het in artikel 7:673 lid 7 sub c. BW bepaalde (dat bepaalt dat de transitievergoeding niet verschuldigd is als het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer) verwijst de kantonrechter naar hetgeen hiervoor (r.o. 5.10.) is geoordeeld ter zake het ontbreken van een verwijt bij [verweerster] , zodat dit verzoek wordt afgewezen.

ZONL heeft (subsidiair) verzocht om toekenning van een transitievergoeding van € 22.898,00 bruto. Nu een aanspraak op een transitievergoeding - indien aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan - uit de wet volgt (artikel 7:673 lid 1 BW) kan van een toekenning daarvan door de kantonrechter in formele zin geen sprake zijn. De kantonrechter begrijpt het verzoek van ZONL evenwel aldus dat wordt verzocht om een verklaring voor recht betreffende de eventuele aanspraak van [verweerster] op een transitievergoeding, alsmede de omvang daarvan. Nu ZONL geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] heeft aangevoerd en dit ook anderszins niet is komen vast te staan, volgt uit de wet dat [verweerster] recht heeft op een transitievergoeding in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst. ZONL heeft de verschuldigde transitievergoeding berekend - uitgaande van 1 december 2016 als datum ontbinding - op een bedrag van € 22.898,00 bruto, terwijl [verweerster] , bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek, om toekenning van een bedrag van € 23.415,00 bruto heeft verzocht, uitgaande van 1 februari 2017 als datum ontbinding. Nu de kantonrechter 1 december 2016 heeft bepaald als ontbindingsdatum, bedraagt de transitievergoeding € 22.898,00 bruto, zoals door ZONL berekend, welk bedrag - behoudens wat betreft de datum ontbinding - niet als zodanig is weersproken door [verweerster] . De kantonrechter zal dit bedrag aan transitievergoeding in het dictum vaststellen als het bedrag waarop [verweerster] aanspraak heeft en het verzoek van [verweerster] om toekenning van een transitievergoeding lezen als een verzoek om veroordeling van ZONL tot betaling van de transitievergoeding.

Billijke vergoeding

5.13.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om, zoals door [verweerster] verzocht, aan haar een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Daarbij wordt in aanmerking genomen de vele gesprekken die zijn gevoerd, deels met inschakeling van derden en de mediation ter gelegenheid waarvan [verweerster] uitgebreid de gelegenheid heeft gekregen zich te oriënteren op een andere functie binnen ZONL, alsmede de in dat verband door ZONL aangeboden scholing, terwijl het salaris van [verweerster] sinds oktober 2015, ondanks haar vrijstelling van werk en de haar daarbij geboden oriëntatiemogelijkheden, steeds is doorbetaald. Van schending van artikel 7:611a BW door ZONL is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, nu ZONL [verweerster] uitgebreid de gelegenheid heeft gegeven zich te oriënteren op een andere functie binnen ZONL en de daartoe benodigde scholing zelfs grotendeels heeft willen betalen. Het standpunt dat ZONL geen, althans onvoldoende rekening houdt met de omstandigheden van [verweerster] , deelt de kantonrechter - bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de inspanningen aan de zijde van ZONL - niet. In dit verband kan ook hetgeen [verweerster] nog heeft aangevoerd ter zake haar verlies van aanspraak op de wachtgeldregeling (in geval van reorganisatie) bij een ontbinding door de kantonrechter haar niet baten.

5.14.

Nu aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden is geen sprake van de omstandigheid als omschreven in artikel 7:686a lid 6 BW, zodat geen termijn hoeft te gesteld binnen welke de werkgever de bevoegdheid heeft het verzoek in te trekken.

Wettelijke rente

5.15.

[verweerster] heeft voorts nog bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek, in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, verzocht ZONL te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van de wettelijke rente over de transitievergoeding en de billijke vergoeding vanaf zeven dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag der algehele voldoening. Nu - zoals hiervoor is geoordeeld - geen billijke vergoeding wordt toegekend, kan van wettelijke rente daarover evenmin sprake zijn. Ten aanzien van de transitievergoeding geldt dat ingevolge het bepaalde in artikel 7:686a lid 1 BW wettelijke rente verschuldigd is over de transitievergoeding vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zodat de wettelijke rente over de transitievergoeding door ZONL pas verschuldigd zal zijn per 1 januari 2017. ZONL heeft tegen dit verzoek geen (inhoudelijk) verweer gevoerd. De toewijzing zal dan ook per die datum gelden.

5.16.

[verweerster] zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van ZONL worden tot op heden vastgesteld op:

griffierecht € 117,00

salaris gemachtigde € 600,00

Totaal: € 717,00.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2016;

in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

6.2.

verklaart voor recht dat [verweerster] aanspraak heeft op een transitievergoeding ten bedrage van € 22.898,00 bruto en veroordeelt ZONL tot betaling daarvan, alsmede tot betaling van de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.3.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van ZONL vastgesteld op € 717,00;

6.4.

verklaart deze beschikking voor wat betreft hetgeen onder 6.2. en 6.3. is bepaald uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2016 door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c: 426