Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:4444

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
12-10-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3717
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Huisvestingsverordening, urgentieverklaring, hennepconvenant

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/3717

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 oktober 2016 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers] , te Groningen, verzoekers

(gemachtigde: mr. T.J.J. Bodewes),

en

het college van Burgemeester en Wethouders van Groningen, verweerder

(gemachtigden: M. Ekkers en drs S.J. Krajenbrink).

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2016 heeft verweerder de aanvraag om een urgentie voor woonruimte afgewezen.

Op 13 september 2016 hebben verzoekers een bezwaarschrift ingediend. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2016. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voorts is verschenen [naam] van het Leger des Heils

Overwegingen

1.1

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers een spoedeisend belang hebben als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, omdat verzoekers geen geschikte woonruimte kunnen vinden en om die reden belang hebben bij een urgentieverklaring.

1.3

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1

Op 21 juli 2016 heeft [naam] van het Leger des Heils namens verzoekers een aanvraag om urgentie als woningzoekende ingediend. Verzoekers hebben aangegeven dat zij in december 2015 hun woning hebben moeten verlaten naar aanleiding van een inval in de woning waarbij een hennepkwekerij is aangetroffen. Op vordering van woningbouwstichting De Huismeesters is de huurovereenkomst met betrekking tot de woning [adres] te Groningen ontbonden door de Kantonrechter. Sindsdien woont het gezin op verschillende adressen. Zij kunnen geen geschikte woonruimte vinden. Verzoekers wonen thans op een bootje op het Paterswoldse meer. Zij zullen dit bootje binnenkort moeten verlaten. Ze moeten rondkomen van een Wajong-uitkering. Verder hebben verzoekers aangegeven dat de heer [verzoeker] herstellende is van een operatie in verband met een hersentumor, dat mevrouw [verzoekster] erg is afgevallen en maag- en darmproblemen heeft en dat de drie minderjarige kinderen het moeilijk hebben. De kinderen gaan naar het speciaal onderwijs.

2.2

Verweerder heeft bij besluit van 18 augustus 2016 de aanvraag om een urgentie afgewezen. Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat de gezamenlijke corporaties hebben besloten om niet af te wijken van het oordeel van de rechter in de ontruimingszaak. Zowel in het vonnis van 17 november 2015 als in het vonnis van 9 december 2015 benoemt de rechter dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden van mevrouw [verzoekster] , niet af te willen wijken van de afspraken uit het Hennepconvenant. De corporaties vinden het belangrijk het afgesproken beleid omtrent hennep te handhaven. Ondanks de schrijnende situatie van de familie [verzoekers] houden de corporaties vast aan het beleid.

2.3

Verzoekers zijn het niet eens met de beslissing en hebben bezwaar gemaakt. Kort weergegeven en voor zover hier van belang hebben verzoekers aangegeven dat zij voldoen aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 14 van de huisvestigingsverordening en dat verweerder om die reden de aanvraag om urgentie ten onrechte heeft afgewezen. Verder wijzen verzoekers op de schrijnende situatie waarin het gezin thans verkeert. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek ligt ter beoordeling van de voorzieningenrechter voor.

3.1

Ingevolge artikel 2 van de Huisvestingsverordening 2015 van de gemeente Groningen (hierna: de huisvestingsverordening) kan van de bevoegdheid tot woonruimteverdeling en van de afhandeling van de bezwaarprocedure mandaat worden verleend aan de corporaties.

3.2

Artikel 14 van de huisvestigingsverordening bepaalt, voorzover hier van belang, het volgende.

  1. Woningzoekenden kunnen een urgentie aanvragen.

  2. Er is sprake van urgentie als een huishouden in een zodanige noodsituatie verkeert dat verhuizen op zeer korte termijn noodzakelijk is. De situatie kenmerkt zich door een plotseling karakter. Betrokkenen dienen daarbij aannemelijk te maken zelf niet in staat te zijn binnen drie maanden andere, gezien het probleem, geschikte woonruimte te vinden.

  3. (…).

  4. Urgentie kan verleend worden op basis van de volgende factoren: sociale indicatie, medische redenen, (…).

  5. (…).

  6. Ingeval van zeer bijzondere omstandigheden, (…) kan het college woningen direct toewijzen.

3.3

De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat Woonurgentie Groningen de aanvraag van verzoekers namens verweerder heeft afgewezen. Desalniettemin gaat de voorzieningenrechter ervan uit, en dat zoals door de gemachtigden van verweerder ter zitting van de voorzieningenrechter ook is bevestigd, verweerder mandaat heeft verleend aan Woonurgentie Groningen voor wat betreft het nemen van besluiten ten aanzien van aanvragen van woningzoekenden omtrent urgentie. De voorzieningenrechter merkt op dat Woonurgentie er goed aan zou doen dit in haar besluiten tot uitdrukking te brengen, door te vermelden dat de beslissing “namens burgemeester en wethouders” is genomen.

3.4

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat uit de huisvestigingsverordening volgt dat verweerder urgentie kan verlenen indien een woningzoekende voldoet aan de voorwaarden als genoemd in artikel 14 van de huisvestigingsverordening. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat in de huisvestigingsverordening geen afwijzingsgronden zijn neergelegd.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, omdat onbestreden is dat verzoekers voldoen aan voornoemde voorwaarden en omdat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een schrijnende situatie, verweerder ten onrechte het verzoek om urgentie heeft afgewezen. Dat wat verweerder aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.2, kan niet aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd, omdat in artikel 14 van de huisvestingsverordening geen afwijzingsgronden zijn neergelegd.

3.5

Het standpunt van verweerder dat uit het Hennepconvenant en het Protocol tweedekansbeleid en stedelijke registratie Groningen (het Protocol) volgt dat de urgentie terecht is afgewezen, volgt de voorzieningenrechter niet. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat in de huisvestingsverordening geen bevoegdheid is opgenomen om ten aanzien van urgentieverklaringen nadere regels vast te stellen. Het Hennepconvenant en het Protocol bieden daarom niet de wettelijke grondslag om de aanvraag om urgentie af te wijzen.

3.6

Omdat het bezwaarschrift gelet op het voorgaande grote kans van slagen heeft en ter zitting van de voorzieningenrechter is gebleken dat de behandeling van het bezwaarschrift pas op 8 november 2016 zal plaatsvinden en omdat het gezin van verzoekers zich thans in een schrijnende situatie bevindt, ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Bij wijze van voorlopige voorziening bepaalt de voorzieningenrechter dat verzoekers worden behandeld als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring.

4.1

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen.

4.2

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

4.3

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat dat verzoekers worden behandeld als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van

€ 992.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter , in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.