Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:437

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
25-04-2016
Zaaknummer
4341208 \ CV EXPL 15-5866
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Matiging boete ex art. 6:94 lid 1 BW; ROZ-bepalingen

Omstandigheden van het geval. Verhuurder tolereert vele jaren achtereen te laat betalen van de huur zonder aanspraak te maken op de boete. Beleidswijziging moet van tevoren worden aangekondigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/258
WR 2016/102
UDH:TvHB/13530 met annotatie van mr. J.M. Winter-Bossink en mr. N. Amiel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 4341208 \ CV EXPL 15-5866

vonnis van de kantonrechter van 16 februari 2016

in de zaak van

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres],

hierna te noemen: [eiseres] ,

gevestigd te [postcode eiseres] [vestigingsplaats eiseres] , [adres eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. N. Akgul,

tegen

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] ,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gevestigd te [postcode gedaagde] [vestigingsplaats gedaagde] , [adres gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. T. van der Meeren.

De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 13 oktober 2015, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

1.2

Ter uitvoering van dit tussenvonnis heeft op 14 december 2015 een comparitie na antwoord plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt dat bij de stukken zit.

Ter voorbereiding op de comparitie heeft [eiseres] bij akte van 1 december 2015 stukken overgelegd. In overleg met partijen is de zaak naar de rol verwezen van 5 januari 2016 voor akte aan de zijde van [eiseres] .

1.3

Vervolgens hebben partijen nog de volgende proceshandelingen verricht:

- een akte van [eiseres] van 5 januari 2016;

- een antwoordakte van [gedaagde] van 19 januari 2016.

1.4

Ten slotte is het vonnis nader bepaald op vandaag.

De vaststaande feiten

2.1

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

2.2

[eiseres] is eigenaresse van het bedrijfspand en omliggend perceel met onder meer parkeergelegenheid staande en gelegen aan de [adres gedaagde] , kadastraal bekend als [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] te ( [postcode gedaagde] ) [vestigingsplaats gedaagde] , hierna te noemen: het gehuurde.

2.3

[gedaagde] exploiteert in het gehuurde een onderneming onder de naam “Integron”. [gedaagde] houdt zich bezig het uitoefenen van een onderneming op het gebied van gas- en olie-equipment en drijft een groothandel in en reparatie van apparaten en installaties ten behoeve van de gas- en oliewinning.

2.4

[eiseres] is een familiebedrijf waarvan tot december 1997 ook de besloten

vennootschap [gedaagde] deel uitmaakte. Dit familiebedrijf was in eigendom van en stond onder bestuur van de heer [bestuurder] . [bestuurder] heeft in december 1997 zijn aandelen in (onder meer) de vennootschap [gedaagde] overgedragen aan een andere vennootschap, waarna de aandelen in [gedaagde] uiteindelijk in 2005 zijn overgenomen door de Integron Group B.V. Het onroerend goed heeft [eiseres] echter altijd aangehouden. In dat kader is er rond 1997/1998 een huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] tot stand gekomen.

2.5

Tussen [eiseres] en [gedaagde] is op 12 oktober 2010 een nieuwe huurovereenkomst tot stand gekomen, inhoudende dat [gedaagde] met ingang van 1 januari 2010 van [eiseres] het gehuurde huurt. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing verklaard de ‘Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte en andere Bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW’ krachtens het ROZ-model d.d. 11 juli 2003 (hierna te noemen: de “Algemene Bepalingen”).

2.6

De eerste termijn van het huurcontract is blijkens artikel 3.1 van de geldende huurovereenkomst van 12 oktober 2010 in samenhang met de bijbehorende allonge gesloten voor de duur van vijf jaren, ingaande op 1 januari 2010 en lopende tot en met 31 december 2014. De tweede termijn van het huurcontract is ingegaan op 1 januari 2015 en loopt tot en met 31 december 2019. De huidige huurverplichting bedraagt per maand € 3.293,55 inclusief BTW. Op grond van artikel 4.10 van de huurovereenkomst is [gedaagde] gehouden de verschuldigde huurpenningen iedere maand bij vooruitbetaling te voldoen.

2.7

Op grond van artikel 18.2 van de Algemene Bepalingen verbeurt de huurder een boete van € 300,00 per kalendermaand wanneer de huur niet op de vervaldatum is voldaan. Daarbij heeft elke ingetreden maand op grond van de Algemene Bepalingen als een volle maand te gelden.

2.8

Tussen partijen hebben zich sinds 2005 enkele (juridische) verwikkelingen voorgedaan met betrekking tot de verhuur door [gedaagde] van een perceel grond naast het gehuurde en de opzegging door [gedaagde] van de huurovereenkomst. In brieven van de gemachtigde van [eiseres] wordt gesproken van onnodige kosten en schade in dit verband.

2.9

Sinds 2010 heeft [gedaagde] de huur 33 keer te laat betaald. Ook voordien betaalde [eiseres] niet altijd op tijd. In de regel nam de heer [bestuurder] dan telefonisch contact op over de te late huurbetaling.

2.10

Bij brief van 8 januari 2015 maakt [eiseres] voor het eerst aanspraak op de contractuele boete van art. 18.2 van de Algemene Bepalingen. De boete wordt met terugwerkende kracht - en in verband met de verjaringstermijn van vijf jaar - gevorderd vanaf 2010.

2.11

Bij (onder meer) brief van 25 maart 2015 van haar gemachtigde maakt [gedaagde] bezwaar tegen de gevorderde boetes.

De vordering en het verweer, samengevat en zakelijk weergegeven

3.1

[eiseres] vordert bij vonnis van de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad:

1) [gedaagde] te veroordelen om - tegen behoorlijk bewijs van kwijting - ter zake van de contractuele boete ex artikel 4.10 van de huurovereenkomst juncto artikel 18.2 van de Algemene Bepalingen te voldoen aan [eiseres] de somma van € 9.900,00, althans uiterst subsidiair [gedaagde] te veroordelen tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, in alle gevallen te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag dezer dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

2) [gedaagde] te veroordelen om - tegen behoorlijk bewijs van kwijting - ter zake van buitengerechtelijke kosten ex artikel 17.1 van de Algemene Bepalingen en conform het bepaalde in de WIK aan [eiseres] te voldoen de somma van € 1.052,70 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag dezer dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

3) [gedaagde] (ex artikel 17.2 van de Algemene Bepalingen) te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ad

€ 131,00, vermeerderd met € 68,-- per exploot ingeval van betekening, alsmede met de bepaling dat indien de aldus verschuldigde proceskosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis, [gedaagde] vanaf het verstrijken van de genoemde termijn de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten verschuldigd is.

3.2

[eiseres] beroept zich voor haar vordering op de vaststaande feiten en stelt daartoe nog het volgende. Uit de als productie 4 overgelegde bankafschriften blijkt dat de maandelijks verschuldigde huurpenningen - in weerwil van het bepaalde in artikel 4.10 van de huurovereenkomst en ondanks aanmaning en sommatie - al sinds maart 2010 niet meer op tijd aan [eiseres] worden voldaan. De heer [bestuurder] van [eiseres] heeft bijna maandelijks moeten bellen met [gedaagde] om te informeren waarom de betaling te laat was en wanneer de huur zou worden betaald. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in brieven van 8 januari en 3 februari 2015 van de raadsman van [eiseres] aan [gedaagde] met het verzoek om de huurpenningen op tijd te voldoen. Aan dit verzoek is geen gehoor gegeven. [eiseres] heeft zich uiteindelijk genoodzaakt gevoeld een beroep te doen op artikel 18.2 van de toepasselijke Algemene Bepalingen. Aangaande deze contractueel verbeurde boetes heeft [eiseres]

[gedaagde] meermaals - onder meer op 11 maart, 27 maart 2015 en via de raadsman van [eiseres] (confraterneel) op 17 april 2015 - aangeschreven en gesommeerd tot betaling van de verbeurde boetes over te gaan.

Al eerder zijn er juridische verwikkelingen geweest tussen partijen in verband met het onrechtmatig verhuren door [gedaagde] van een stuk braakliggend grond naast het gehuurde en een onrechtmatige beëindiging van de huurovereenkomst door opzegging van de zijde van [gedaagde] . Dit heeft tot een beschadigd vertrouwen geleid bij [eiseres] en tot schade in de vorm van kosten wegens juridische bijstand en buitengerechtelijke kosten. De laatste vijf contractjaren heeft [gedaagde] maar liefst 33 maanden de huur te laat betaald. In verband met het door [gedaagde] voortdurend en welbewust handelen in strijd met het bepaalde in het huurcontract, stelt

[eiseres] zich op het standpunt dat de verbeurde boetes volledig moeten worden voldaan en dat er geen matigingsgrond bestaat. De hoogte van de maandelijks verbeurde boetes staat in proportionele verhouding tot de hoogte van de maandelijkse huurprijs, zodat ook om die redenen de vordering van [eiseres] niet moet worden gematigd. Tevens is [eiseres] de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

3.3

[gedaagde] heeft verweer gevoerd met als conclusie afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd.

3.4

De activiteiten van [gedaagde] worden al sinds 1985 vanuit het gehuurde uitgevoerd. Eind 1997 is [gedaagde] door de heer [bestuurder] verkocht aan de toenmalige bedrijfsleider, de heer [toenmalige bedrijfsleider] . Sindsdien bestaat er een huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] . In 2005 heeft de Integron Group B.V. [gedaagde] van de heer [toenmalige bedrijfsleider] overgenomen. Partijen doen dus al langer zaken met elkaar dan sinds 2010. Sinds 1997/1998 is er nooit sprake is geweest van een (contractuele) boete, zoals nu aan de orde is. In de periode maart 2010 tot en met maart 2015 is het weliswaar voorgekomen dat de huur niet op de vervaldag is betaald, maar van het ‘steeds later in de betreffende maand’ betalen is geen sprake. Dit blijkt uit het door

[gedaagde] overgelegde overzicht. Ook het ‘bijna maandelijks moeten bellen’ om naar de betaling te informeren, is niet aan de orde (geweest). De keren dat de heer

[bestuurder] contact met [gedaagde] heeft opgenomen, was sprake van open communicatie en wederzijds respect. De heer [bestuurder] heeft ook aan [gedaagde] medegedeeld dat hij als geen ander weet hoe moeilijk het is om in tijden van crisis ervoor te zorgen dat alle crediteuren tijdig worden betaald. [eiseres] heeft dus in de periode maart 2010 tot en met maart 2015 nooit aanspraak gemaakt op een boete; partijen zijn telkenmale een nadere betalingstermijn overeengekomen. Van te late betaling is dan geen sprake. Er zijn inderdaad juridische verwikkelingen geweest, die overigens verband hielden met door [gedaagde] gewenste aanpassingen/verbeteringen aan het gehuurde. Begin 2015 hebben partijen een allonge opgesteld en ondertekend; dit had te maken met een onduidelijkheid in het huurcontract. Dit staat evenwel geheel los van de gevorderde boetes. In eerste instantie maakte [eiseres] aanspraak op maar liefst

€ 18.000,00 boetes; later werd dit in een schikkingsvoorstel € 14.000,00 en weer later

€ 12.000,00 wegens 'geleden schade'. In deze procedure wordt € 9.900,00 gevorderd.

[gedaagde] betwist dat [eiseres] een dergelijke schade heeft geleden door te late betalingen. De schade bestaat eventueel uit de wettelijke handelsrente en bedraagt hooguit € 463,36, rekening houdend met de verjaring van enkele boetes. De boetes over de maanden maart, april, mei en juni 2010 zijn verjaard. [eiseres] heeft de verjaring immers niet gestuit en de dagvaarding dateert van 29 juli 2015. Gelet op het buitensporige verschil tussen het gefixeerde boetebedrag en de werkelijke schade van

[eiseres] bestaat aanleiding tot matiging. Dat een buitensporig verschil een grond voor matiging is, volgt ook uit HR 11 februari 2000, NJ 2000, 277. Al aan de orde is gekomen dat [eiseres] nooit een beroep op artikel 18.2 van de Algemene Bepalingen heeft gedaan. [eiseres] heeft [gedaagde] nooit gewaarschuwd dat zij een boete verschuldigd zou zijn. Dit verhoudt zich niet met het feit dat [eiseres] pas in 2015 voor het eerst een beroep op 18.2 van de Algemene Bepalingen heeft gedaan en met terugwerkende kracht meent recht te hebben op een boetebedrag van € 9.900,--. Dit staat ook haaks op de nadere (mondelinge) afspraken die partijen gedurende de looptijd van de huurovereenkomst over de betaling van de huurprijs hebben gemaakt. [gedaagde] wijst in dit verband op een uitspraak van de Rechtbank Haarlem, sector kanton, van 12 maart 2008 (LJN BC7074).

De beoordeling

4. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten vordert [eiseres] € 9.900,00 aan boetes wegens te late betaling, vermeerderd met rente en (incasso-)kosten. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de boetes dienen te worden gematigd. De kantonrechter overweegt het navolgende.

5. Een boete kan op grond van artikel 6:94 lid 1 BW worden gematigd, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Aan deze voorwaarde kan voldaan zijn in het geval dat de bedongen boete in verhouding tot de schade als gevolg van de overtredingen buitensporig is. De maatstaf in artikel 6:94 lid 1 BW brengt mee dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Daarbij zal de rechter moeten letten op alle omstandigheden van het geval, waaronder (a) de aard van de overeenkomst, (b) de inhoud en de strekking van het beding, (c) de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, (d) de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen en (e) de hoedanigheid van partijen.

6.1

In dit verband is van belang dat sprake is van een huurovereenkomst tussen gelijkwaardige bedrijfsmatige partijen. In deze huurmarkt zijn de gehanteerde

ROZ-bepalingen algemeen bekend en gebruikelijk. Daarbij komt dat [gedaagde] zelf ook een bedrijfsmatige (onder-)verhuurder is. De inhoud van de

ROZ-bepalingen en het ingeroepen beding van art. 18.2 van deze bepalingen konden dan ook aan [gedaagde] bekend zijn. Het verweer van [gedaagde] dat

[eiseres] haar er eerst op had moeten aanspreken om de boete te kunnen opeisen, acht de kantonrechter in zijn algemeenheid onjuist. De strekking van het beding is om een huurder aan te sporen tot tijdige betaling van de huur. Teneinde deze aansporing van voldoende gewicht te laten zijn, valt een boete van enige omvang te billijken. Een boete van € 300,00 per te late betaling acht de kantonrechter, afgezet tegen de hoogte van de maandelijkse huur, niet te hoog. Weliswaar is het totaal van de boetes in de verhouding tot de werkelijke schade wegens te late betaling (te begroten op de wettelijke rente) aanzienlijk, maar daarbij moet worden bedacht dat het om 33 overtredingen gaat.

6.2

Van doorslaggevend belang acht de kantonrechter evenwel de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen. Partijen zijn al sinds 1997/1998 elkaars verhuurder dan wel huurder. Niet eerder dan in januari 2015 heeft [eiseres] het boetebeding ingeroepen. Enkel in verband met de verjaringstermijn van vijf jaar gaat zij niet verder terug dan 2010, maar blijkbaar is er voordien ook geregeld te laat betaald. Vast staat dat de heer [bestuurder] vele malen bij te late betaling contact opnam met [gedaagde] om aan te sporen tot betaling. Niet is komen vast te staan dat de heer [bestuurder] daarbij heeft gewezen op of aanspraak heeft gemaakt op de verbeurde boetes. Van de aangeboden bewijsmogelijkheid op dit punt heeft [eiseres] geen gebruik gemaakt. Aldus heeft, gelet op dit lange tijdsverloop en de onderlinge band tussen beide BV's, bij [gedaagde] het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontstaan dat niet de boetes maar de telefoontjes als aansporing dienden om de huur op tijd te betalen, zonder enig verder gevolg. Onder deze omstandigheden had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [eiseres] gelegen om [gedaagde] vooraf erop te wijzen dat dit beleid zou wijzigen, alvorens de boetes, nota bene met terugwerkende kracht, in rekening te brengen. Daarbij komt dat uit de stukken in het dossier en het besprokene tijdens de comparitie na antwoord blijkt dat niet de te late betalingen, maar het gedrag van [gedaagde] - in de beleving van [eiseres] - met betrekking tot de onrechtmatige verhuur en het opzeggen van de huurovereenkomst aanleiding is voor het inroepen van het beding. Het heeft er alle schijn van dat [eiseres] langs deze weg probeert de juridische kosten die zij heeft gemaakt op [gedaagde] te verhalen. Daarbij wordt dit beding gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is. In deze omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de boete zodanig te matigen dat aan

[eiseres] toekomt een bedrag dat vergelijkbaar is met haar werkelijke schade, te begroten conform de verschuldigde wettelijke rente. De kantonrechter acht daarvoor toewijsbaar het door [gedaagde] berekende bedrag van € 615,15, welk bedrag door [eiseres] inhoudelijk niet is bestreden. De kantonrechter verwerpt in dit verband het beroep op verjaring van [gedaagde] betreffende de termijnen van maart, april, mei en juni 2010 omdat [eiseres] in januari 2015 al een beroep heeft gedaan op het boetebeding.

7. Gelet op art. 17.1 van de toepasselijke ROZ-bepalingen en het bepaalde in de Wet Incassokosten zal de kantonrechter aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag toewijzen van 15% van het toegewezen bedrag, ofwel het minimumbedrag van € 40,00

(art. 2 lid 2 WIK).

8. De kantonrechter ziet in de uitkomst aanleiding om de kosten van deze procedure te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 655,15, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 615,15 vanaf heden tot aan de dag van de volledige betaling;

compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten dient te dragen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. G.J.J. Smits en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2016.

typ/conc: 552 / GJJS