Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:4355

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-09-2016
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
C/17/145319 / HA ZA 15-358
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onteigening: vergoeding kosten deskundige bijstand;

kosten bewindvoerder van de onteigende op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/145319 / HA ZA 15-358

Vonnis van 28 september 2016

in de zaak van

de rechtspersoon naar publiekrecht de GEMEENTE LEEUWARDEN,

zetelend te Leeuwarden,

eiseres,

advocaat mr. J.J. Veldhuis te Leeuwarden,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. GEERT BENEDICTUS, in diens hoedanigheid van bewindvoerder in de schuldsanering van [gedaagde sub 1],

kantoorhoudende te Garyp,

gedaagden,

advocaat mr. M.J.H. van Baalen te Wageningen,

in welke zaak is tussengekomen:

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

tussenkomende partij,

advocaat mr. T.J.P. Jager te Amsterdam.

Eiseres zal hierna de gemeente worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde sub 1] en Benedictus en gezamenlijk [gedaagden sub 1 en 2] worden genoemd. De tussenkomende partij zal hierna de ING worden genoemd.

1 Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 januari 2016;

- het ter griffie van de rechtbank gedeponeerde rapport van de deskundigen van 20 april 2016;

- het e-mailbericht van 4 mei 2016 aan de rechtbank en de advocaat van [gedaagden sub 1 en 2] waarin namens de gemeente is aangegeven dat zij afziet van pleidooi;

- de e-mailberichten van 10 en 23 mei 2016 aan de rechtbank en de advocaat van de gemeente van de zijde van [gedaagden sub 1 en 2] ;

- het e-mailbericht van 23 mei 2016 van de rechtbank aan de advocaten van partijen en aan mr. Van Hoogmoed dat het op 13 juni 2016 geplande pleidooi geen doorgang zal vinden en dat aan de zijde van [gedaagden sub 1 en 2] een akte mag worden genomen, waarna aan de zijde van de gemeente een antwoordakte mag worden genomen en de rechtbank zich zal beraden of een comparitie zal worden bepaald dan wel vonnis zal gewezen;

- de akte van de zijde van [gedaagden sub 1 en 2] ;

- de akte uitlating inzake kosten ex artikel 50 Onteigeningswet van de zijde van de gemeente.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 27 januari 2016 is de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken. Voornoemd tussenvonnis is op 22 februari 2016 in de openbare registers ingeschreven. Bij dit vonnis is tevens het voorschot op 100% van de aangeboden schadeloosstelling vastgesteld, zijnde een bedrag van € 36.000,00. Omdat destijds geen overeenstemming tussen [gedaagden sub 1 en 2] en de ING was bereikt, heeft de rechtbank ingevolge artikel 43, lid 2 Ow het bedrag van € 36.000,00, dat als schadeloosstelling door de gemeente was aangeboden, in zijn geheel toegewezen aan de tussengekomen hypotheekhouder, zijnde de ING. De rechtbank moet nog beslissen over de definitieve schadeloosstelling en de kosten.

2.2.

In hun rapport van 20 april 2016 hebben de deskundigen de schadeloosstelling ter zake de onderhavige onroerende zaak als volgt begroot:

- werkelijke waarde € 8.370,00

- vergoeding waardevermindering overblijvende € 27.630,00 +

totaal € 36.000,00,

te vermeerderen met een P.M.-post aan deskundigenkosten.

2.3.

De bevindingen van de deskundigen zijn niet bestreden, zodat de rechtbank, in navolging van de deskundigen, de schadeloosstelling zal vaststellen op een bedrag van

€ 36.000,00. Omdat de definitieve schadeloosstelling overeenkomt met het bij tussenvonnis van 27 januari 2016 bepaalde voorschot is vergoeding van wettelijke rente niet aan de orde.

2.4.

Omdat de rechtbank niet gebleken is dat [gedaagden sub 1 en 2] en de in deze procedure tussengekomen hypotheekhouder ING overeenstemming omtrent de verdeling als bedoeld in artikel 43, lid 2 Ow hebben bereikt, zal de rechtbank ingevolge genoemd artikel de definitieve schadeloosstelling in zijn geheel aan de ING toewijzen.

2.5.

Met betrekking tot de kosten van het proces stelt de rechtbank vast dat partijen verdeeld worden gehouden ter zake de deskundigenkosten aan de zijde van [gedaagden sub 1 en 2] heeft zich met betrekking tot de door hem gemaakte deskundigenkosten ten bedrage van in totaal € 41.835,88 - samengevat - op het standpunt gesteld dat alle door hem geclaimde kosten de dubbele redelijkheidstoets doorstaan, dat ook pre-processuele kosten voor vergoeding in aanmerking komen, dat de gemeente niet van gedachten heeft willen wisselen over de schadeloosstelling en dat zij de onderhandelingen met [gedaagden sub 1 en 2] heeft gestaakt toen [gedaagden sub 1 en 2] niet meeging in de wijze van onderhandelen van de gemeente. Voorts heeft [gedaagden sub 1 en 2] gesteld dat de gemeente niet heeft geconcretiseerd welke kosten en uren onnodig zijn gemaakt door de door [gedaagden sub 1 en 2] ingeschakelde deskundigen. [gedaagden sub 1 en 2] heeft verder gesteld dat de bewindvoerder van [gedaagde sub 1] niet gelijk gesteld kan worden met [gedaagde sub 1] van wie als onteigende eigen tijd niet wordt vergoed. De bewindvoerder is, aldus [gedaagden sub 1 en 2] , in dezen een deskundige wiens kosten volledig voor vergoeding in aanmerking komen. Volgens [gedaagden sub 1 en 2] heeft de gemeente voorts ten onrechte een vergelijking gemaakt tussen de door de rechtbankdeskundigen in rekening gebrachte bedragen en de door [gedaagden sub 1 en 2] gevraagde vergoeding aan deskundigenkosten en heeft de gemeente tevens ten onrechte aangevoerd dat met het belang van de zaak rekening dient te worden gehouden bij de bepaling van de vergoeding aan deskundigenkosten. Ten aanzien van de nota van Edkron te Gytsjerk heeft [gedaagden sub 1 en 2] gesteld dat deze voor volledige vergoeding in aanmerking komt, nu deze nota ziet op kosten die in redelijkheid zijn gemaakt om de logistieke gevolgen van de eigendomsontneming in beeld te brengen en de deskundigen het rapport van Edkron in hun rapport hebben opgenomen. Tot slot heeft [gedaagden sub 1 en 2] gesteld dat over de deskundigenkosten ook de verschuldigde BTW dient te worden vergoed.

2.6.

De gemeente heeft ten verwere - samengevat - aangevoerd dat de kostenopgaaf van [gedaagden sub 1 en 2] de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat, omdat de tijdsbesteding door alle betrokken kantoren buitensporig is. Volgens de gemeente heeft [gedaagden sub 1 en 2] geen recht op de volledige vergoeding van de door hem gemaakte kosten gezien de wijze waarop hij zich zowel in het minnelijke overleg als in de gerechtelijke procedure heeft opgesteld. Daar komt, aldus de gemeente, bij dat het financiële belang van de zaak gering is, gezien het feit dat de totale schadeloosstelling € 36.000,00 bedraagt, terwijl initieel is uitgegaan van een schadeloosstelling ten bedrage van € 33.740,00. Ten aanzien van de door Wijmenga Makelaars & Taxateurs (hierna te noemen: Wijmenga) en A&S Advocaten geclaimde kosten heeft de gemeente aangevoerd dat de werkzaamheden waarop de tijdsbesteding ziet zich in belangrijke mate aan het zicht van de gemeente hebben onttrokken en geen noemenswaardige bijdrage aan de rechtspositie van [gedaagde sub 1] dan het wel het minnelijke onderhandelingsproces hebben geleverd. Ten aanzien van de door Edkron geclaimde kosten heeft de gemeente aangevoerd dat deze kosten voor een significant deel zien op een niet aangekondigde en overbodige demonstratie met een vrachtwagencombinatie ter gelegenheid van de plaatsopneming en dat deze kosten om die reden de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Met betrekking tot de kosten van de bewindvoerder heeft de gemeente zich op het standpunt gesteld dat deze kosten primair niet zijn te beschouwen als kosten van rechtsbijstand of andere deskundige bijstand in de zin van artikel 50, lid 4 Ow en subsidiair dat deze kosten de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan, omdat zowel de omvang van de tijdsbesteding en het daarvoor gehanteerde tarief niet redelijk zijn.

2.7.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat de gemeente aanvankelijk op 7 mei 2015 aan [gedaagden sub 1 en 2] een aanbod ten bedrage van € 33.740,00 heeft gedaan. Naar aanleiding van het voorlopig deskundigenoordeel heeft de gemeente bij dagvaarding een bedrag van € 36.000,00 aan [gedaagden sub 1 en 2] aangeboden. De rechtbank neemt aan dat de gemeente zonder het voorlopig deskundigenoordeel bij dagvaarding het initiële aanbod zou hebben gehandhaafd. In de omstandigheid dat de definitieve schadeloosstelling het bedrag van het aan [gedaagden sub 1 en 2] ten processe gedane aanbod overtreft, zal de gemeente

worden veroordeeld in de kosten van het geding, die van de rechtbankdeskundigen daaronder begrepen.

2.8.

De door de rechtbank benoemde deskundigen hebben in dezen een bedrag van

€ 3.657,23 gedeclareerd. De gemeente heeft ingestemd met de nota's van de rechtbankdeskundigen, zodat de rechtbank de gemeente in deze kosten zal veroordelen.

2.9.

[gedaagden sub 1 en 2] heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de volgende door hem ingeschakelde deskundigen:

1. Edkron € 1.530,65 (inclusief BTW)

2. Benedictus € 6.388,80 (inclusief BTW)

3. Wijmenga € 12.960,19 (inclusief BTW)

4. A&S Advocaten € 20.956,24 (inclusief BTW)

2.10.

In dezen dient de vraag beantwoord te worden wat onder de kosten van het proces moet worden verstaan. Als uitgangspunt geldt dat de door een partij gemaakte (preprocessuele) kosten en proceskosten voor volledige vergoeding in aanmerking komen indien en voor zover het ten minste redelijk was die kosten te maken en indien en voor zover die kosten binnen een redelijke omvang zijn gebleven. Dat het redelijk is dat [gedaagden sub 1 en 2] zich heeft voorzien van rechtskundige bijstand, is niet in geschil zodat de redelijk gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen. In zijn arrest van 6 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:250) heeft de Hoge Raad overwogen dat de kosten van bijstand in de bestuurlijke procedure die uitmondt in het onteigeningsbesluit op grond van artikel 50, lid 4 Ow voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betekent overigens niet dat de kosten van bijstand in de bestuurlijke fase van de onteigeningsprocedure steeds (in volle omvang) dienen te worden vergoed. De onteigeningsrechter toetst immers of dergelijke kosten redelijkerwijs zijn gemaakt en of deze binnen een redelijke omvang zijn gebleven. De rechter heeft daarbij een grote vrijheid, terwijl artikel 50, lid 4 Ow hem in belangrijke mate ontheft van zijn motiveringsplicht (HR 6 maart 1991, NJ 1991/818 en HR 18 januari 2013, NJ 2013/303). Artikel 50 Ow laat echter geen ruimte voor vergoeding van kosten wegens de door de onteigende zelf aan de procedure bestede tijd. (HR 3 januari 2001, ECLI:NL:PHR:2001: AA9973 - Baris/NS Railinfrabeheer).

2.11.

Ten aanzien van de kosten van Edkron overweegt de rechtbank het volgende. Op 15 juni 2015 heeft de heer E. Kronemeijer van Edkron (hierna te noemen: Kronemeijer) aan Wijmenga een rapport uitgebracht, waarin hij een beoordeling heeft gegeven van de logistieke mogelijkheden ten aanzien van de onderhavige onroerende zaak. In bedoeld rapport heeft Kronemeijer geconcludeerd dat door de beperking van de ruimte vóór het pand ten gevolge van de onteigening de mogelijkheden voor vrachtwagens om te manoeuvreren en daarmee de mogelijkheid om vrachtwagens te laden en te lossen beperkter zijn. Kronemeijer heeft zijn conclusie onderbouwd met diverse foto's en schetsen van de huidige en toekomstige situatie. Naar het oordeel van de rechtbank had met het rapport van Kronemeijer kunnen worden volstaan om de verkeersituatie ten aanzien van vrachtwagens ter plaatse toe te lichten. De ter gelegenheid van de descente met een vrachtwagen gegeven demonstratie heeft naar het oordeel van de rechtbank ten opzichte van dat rapport niet bijgedragen aan het beeld van de verkeerssituatie ter plaatse. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van deze demonstratie niet als redelijk gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Blijkens de overgelegde nota met urenverantwoording bedroeg de huur van de vrachtwagencombinatie € 125,00. Voor de descente op 16 juli 2015 heeft Kronemeijer 4,5 uren gerekend. De rechtbank rekent daarvan 1 uur toe aan de demonstratie met de vrachtwagen, zodat dit uur in mindering zal worden gebracht op de toe te wijzen vergoeding. De rechtbank heeft voor het overige geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door Edkron opgestelde nota. Het voorgaande betekent dat op de nota van Edkron een bedrag van € 220,00 (€ 125,00 +

€ 95,00) in mindering zal worden gebracht, zodat een bedrag van € 1.045,00 (exclusief BTW; € 1.264,45 inclusief BTW) zal worden toegewezen.

2.12.

Ten aanzien van de kosten van bewindvoerder Benedictus overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 316 van de Faillissementswet (Fw) is de bewindvoerder belast met het toezicht op de naleving door de schuldenaar van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling en met het beheer en de vereffening van de boedel. Naar het oordeel van de rechtbank vallen de door de bewindvoerder in dezen gemaakte kosten niet onder de schade die de onteigende [gedaagde sub 1] rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van (een deel van) zijn onroerende zaak. De kosten die de bewindvoerder in dezen heeft gemaakt, hebben weliswaar te maken met de onderhavige procedure, maar zijn het gevolg van de schuldsaneringsregeling die op [gedaagde sub 1] van toepassing is verklaard. Indien op [gedaagde sub 1] geen schuldsaneringsregeling van toepassing zou zijn verklaard, zou [gedaagde sub 1] deze kosten zelf hebben gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kosten van de bewindvoerder gelijk moeten worden gesteld aan de eigen kosten van de onteigende. De kosten van de bewindvoerder ten bedrage van € 6.388,80 (inclusief BTW) komen daarmee niet voor vergoeding in aanmerking.

2.13.

Met betrekking tot de kosten van partijdeskundige Wijmenga overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens de urenverantwoording heeft Wijmenga 79,34 uren besteed aan de onderhavige procedure. Het gehanteerde uurtarief bedraagt € 135,00. Bij brief van 23 mei 2016 aan mr. Van Baalen heeft de heer W.J. Ebbers, werkzaam bij Wijmenga (hierna te noemen: Ebbers) nader toegelicht welke werkzaamheden hij in dezen heeft verricht. Gezien deze toelichting en de urenverantwoording is de rechtbank van oordeel dat van een buitensporige tijdsbesteding, zoals door de gemeente gesteld, geen sprake is. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de gemeente dit weliswaar in het kader van haar verweer tegen de deskundigenkosten aan de zijde van [gedaagden sub 1 en 2] heeft gesteld, maar dat zij haar verweer - in het licht van de onderbouwing door [gedaagden sub 1 en 2] - onvoldoende heeft onderbouwd. Het voorgaande geldt eveneens voor de door A&S Advocaten gedeclareerde kosten. Mr. van Baalen (en twee collega's) heeft blijkens zijn urenverantwoording 87,15 uren aan de onderhavige zaak besteed tegen een uurtarief van € 220,00/€ 230,00 (één collega heeft voor een intern juridisch overleg van 20 minuten tegen een uurtarief van

€ 265,00 gedeclareerd). Ten aanzien van het door mr. Van Baalen gehanteerde uurtarief overweegt de rechtbank dat een dergelijk tarief niet ongebruikelijk is voor een gespecialiseerde advocaat. De rechtbank gaat dan ook uit van het door mr. Van Baalen gehanteerde tarief. Van een onvoldoende voor ogen houden van het financiële belang van de zaak en van een scheve verhouding tussen de bestede tijd en het belang van de onderhavige zaak (vgl. Rechtbank Noord-Nederland 8 juli 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:3357) is de rechtbank in dezen onvoldoende gebleken. Dat de gemeente dan wel [gedaagden sub 1 en 2] zich niet constructief zou hebben opgesteld - hetgeen volgens partijen zou moeten meewegen in de bepaling van de vergoeding van de deskundigenkosten aan de zijde van [gedaagden sub 1 en 2] - heeft de rechtbank buiten beschouwing gelaten, nu partijen elkaar daarvan over en weer verwijten maken en niet is komen vast te staan wie daarin het gelijk aan zijn zijde heeft. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de door Wijmenga en mr. Van Baalen gedeclareerde kosten ten bedrage van in totaal € 33.916,43 voor vergoeding in aanmerking brengen. Het voorgaande betekent dat de gemeente aan [gedaagden sub 1 en 2] een bedrag van

€ 35.180,88 (inclusief BTW) dient te vergoeden.

2.14.

De ING is als tussenkomende partij in de onderhavige procedure betrokken. Ter rolle van 13 januari 2016 heeft de advocaat van de ING een conclusie van antwoord genomen. De rechtbank zal vanwege deze conclusie en gelet op hetgeen hiervoor omtrent de proceskosten is overwogen de gemeente voorts veroordelen in de proceskosten van de ING, zijnde een bedrag van € 1.192,00, bestaande uit een bedrag van € 613,00 aan griffierecht en een bedrag van € 579,00 aan advocaatkosten (overeenkomstig het geldende liquidatietarief behorende bij het vast te stellen bedrag van € 36.000,00 aan schadeloosstelling) x 1,0 punt.

2.15.

Gelet op het bepaalde in artikel 50, lid 5 Ow komen de kosten van bekendmaking voor rekening van de onteigenende partij. De griffier zal daartoe aan de gemeente een acceptgiro zenden.

2.16.

De rechtbank zal de Leeuwarder Courant aanwijzen als nieuwsblad waar de griffier van deze rechtbank dit vonnis bij uittreksel zal plaatsen.

3 De beslissing

3.1.

stelt de schadeloosstelling vast op een bedrag van € 36.000,00 en wijst dit bedrag toe aan de ING;

3.2.

wijst de Leeuwarder Courant aan als het nieuwsblad waarin overeenkomstig artikel 54 Ow een uittreksel van dit vonnis geplaatst dient te worden;

3.3.

veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagden sub 1 en 2] vastgesteld op een bedrag van € 35.180,88;

3.4.

veroordeelt de gemeente in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een bedrag van € 3.657,23;

3.5.

veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de ING vastgesteld op een bedrag van € 1.192,00;

3.6.

verklaart dit vonnis wat de veroordelingen tot betaling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.K. Hoogslag, mr. A. van der Meer en mr. M. Griffioen, en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 28 september 2016 in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Ambachtsheer.1

1 type: coll: 613.