Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:4040

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
05-09-2016
Zaaknummer
Awb 16/4758
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het ambtshalve verlagen van de bijstandsuitkering aan de kostendelersnorm is een belastend besluit en op verweerder rust de bewijslast ten aanzien van de vraag of sprake is van kostendelers. In geschil is of sprake is van een schriftelijke huurovereenkomst en van betalingsbewijzen van de huur. Eiser heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een schriftelijke huurovereenkomst en een commerciële huurprijs. De in dat kader overgelegde documenten zijn daartoe onvoldoende. De op de achterzijde van de overgelegde huurovereenkomst, gedateerd 10 februari 2013, met de pen geschreven verklaring dat de huur vanaf 1 mei 2015 wordt verhoogd naar € 275,- per maand, kan niet gelden als een schriftelijke huurovereenkomst in de zin van artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw. Ook de op 22 april 2015 gedateerde en getekende verklaring van de verhuurder over de huurverhoging per 1 mei 2015 naar een bedrag van € 275,- per maand kan niet als zodanig gelden. De verklaring is te weinig specifiek en concreet omdat daarin essentiële kenmerken ontbreken om als een huurovereenkomst aan te kunnen merken. Verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat niet is gebleken dat de per 1 mei 2015 overeengekomen huur van € 275,- daadwerkelijk wordt betaald omdat onvoldoende betaalbewijzen of kwitanties zijn overgelegd. Verder zijn geen bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat voorafgaande aan de betaling van de huur bedragen contant worden opgenomen van de bankrekening. De overmaking per bank strookt niet met de in de huurovereenkomst overeengekomen wijze van betaling van de huur en daarnaast hebben de overgelegde overschrijvingen van de huur alleen betrekking op de huurbetaling over twee maanden van het jaar 2015. De situatie van eiser valt derhalve niet onder de uitzondering van artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw, zodat de kostendelersnorm van toepassing is. De uitkering is terecht per 1 juli 2015 verlaagd. Het beroep is ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/4758

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 augustus 2016 in de zaak tussen

[naam eiser] , te Emmen, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, verweerder

(gemachtigde: P. Bethlehem).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2015, verzonden op 9 juli 2015, (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 juli 2015 met toepassing van de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Pw gewijzigd naar een bedrag van netto € 686,31.

Bij besluit van 11 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 4 februari 2016 heeft de gemachtigde, mr. J. Sinnema, de rechtbank bericht dat zij zich als gemachtigde aan de zaak onttrekt.

Bij brief van 5 februari 2016 heeft de rechtbank eiser bericht dat zij zonder tegenbericht er vanuit gaat dat hij de procedure zelf wenst voort te zetten en dat alle correspondentie in het vervolg aan eiser zal worden toegestuurd. Eiser heeft hierop niet gereageerd. De griffier heeft eiser bij aangetekende brief van 19 mei 2016 op het door hem opgegeven adres, Nijkampenweg 202, 7815 GV Emmen, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. De brief is niet ter griffie terugontvangen. Volgens het zogenoemde Track & Trace systeem van PostNL is de aangetekende brief bezorgd op vrijdag 20 mei 2016 om 13:22 uur en eiser heeft voor ontvangst daarvan getekend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2016. Eiser is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Uit het in de onderhavige zaak ingelaste dossier met zaaknummer LEE 15/2661 blijkt dat eiser vanaf 13 september 2010 een kamer huurt bij [naam eigenaar voluit] , zijnde de verhuurder, aan de [adres] (het adres). Eiser ontvangt al geruime een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, met een toeslag van 10%, laatstelijk op grond van de Pw. In 2012 betaalde eiser voor de kamer een huur van € 100,- per maand, later € 150,- per maand en in 2013 een huur van € 185,- per maand, zoals blijkt uit een door [naam eigenaar kort] in februari 2013 ondertekende verklaring en uit overgelegde kwitanties. [naam medebewoner] huurde vanaf medio 2014 zonder een schriftelijke huurovereenkomst een kamer bij [naam eigenaar kort] op genoemd adres tegen een overeengekomen huurprijs van € 275,- per maand.

1.2.

In april 2015 heeft verweerder onderzoek gedaan naar de woonsituatie van eiser in verband met de per 1 januari 2015 in artikel 22a, eerste lid, van de Pw opgenomen kostendelersnorm. Bij besluit van 13 april 2015 heeft verweerder meegedeeld de uitkering van eiser met ingang van 1 juli 2015 te wijzigen door toepassing te geven aan de in artikel 22a, eerste lid, van de Pw vermelde kostendelersnorm en eisers uitkering met ingang van die datum vastgesteld op € 594,80 per maand, inclusief vakantietoeslag. Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 9 juni 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is namens eiser ingetrokken.

1.3.

Met een wijzigingsformulier van 19 juni 2015 heeft eiser aangegeven dat [medebewoner kort] per

1 juni 2015 is verhuisd naar een ander adres. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder onderzoek verricht naar de verblijfplaats van [medebewoner kort] . Op 23 juni 2015 heeft verweerder geconstateerd dat [medebewoner kort] op een ander adres woont, alwaar hij per 1 juni 2015 een kamer huurt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 juli 2015.

1.4.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser per 1 juli 2015 gewijzigd en de hoogte van de uitkering vastgesteld op een bedrag van netto € 686,31 per maand, inclusief vakantiegeld. Hieraan is ten grondslag gelegd dat [medebewoner kort] is vertrokken van het adres en dat eiser alleen nog met [naam eigenaar kort] in een woning woont. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dat standpunt gehandhaafd.

2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat de kostendelersnorm van artikel 22a, eerste lid, van de Pw op eisers bijstandsuitkering moet worden toegepast. Dit omdat eiser vanaf 1 juni 2015 met [naam eigenaar kort] op het adres woont en dat hij de kosten alleen met haar kan delen. Volgens verweerder is geen sprake van een commerciële relatie. Verweerder heeft voor de motivering daarvan verwezen naar het onder 1.2 genoemd besluit op bezwaar van 9 juni 2015 en daarin overwogen dat de huurprijs die eiser betaalt geen commerciële prijs is en dat er geen schriftelijke overeenkomst is.

3. Eiser voert – samengevat weergegeven – aan dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de kostendelersnorm. Eiser doet een beroep op artikel 22a, vierde lid, aanhef onder b, van de Pw en stelt in dat verband dat een huurovereenkomst met [naam eigenaar kort] is opgesteld en dat hij tegen een commerciële prijs huurt, omdat de huurprijs meer bedraagt dan 20% van de echtparennorm van € 1.372,62. Eiser voert voorts aan dat voldoende is onderbouwd dat hij de huur maandelijks per bank aan [naam eigenaar kort] overmaakt.

4. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder naar voren gebracht dat verweerder betwist dat er een geldig huurcontract is en dat niet geloofwaardig is dat er door eiser huur aan [naam eigenaar kort] is betaald. In dat verband heeft verweerders gemachtigde aangegeven dat eiser het op 10 februari 2013 ondertekende huurcontract pas heeft overgelegd na een gesprek met eiser over de kostendelersnorm. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat er voorafgaande aan de contante betaling van de huur geen bankopnames door eiser zijn gedaan.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6. Op grond van artikel 22a, eerste lid, van de Pw, zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding, is de kostendelersnorm van toepassing indien belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft.

Op grond van artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw, zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding, worden tot de personen in het eerste lid niet gerekend: de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.

7. Op grond van artikel 22a, vijfde lid, van de Pw , zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding, legt de belanghebbende op verzoek van het college de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b of onderdeel c, over en toont hij de betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling.

8. Vooraf merkt de rechtbank op dat het in deze zaak gaat om de ambtshalve aanpassing van de bijstandsuitkering aan de kostendelersnorm, zodat ten aanzien van de vraag of sprake is van kostendelers, de bewijslast op verweerder rust. Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een schriftelijke huurovereenkomst en van betalingsbewijzen van de huur.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser ter onderbouwing van de gestelde huurovereenkomst en betalingsbewijzen van de huur de volgende documenten heeft overgelegd:

- een huurcontract van februari 2013 in de vorm van een handgeschreven verklaring, waarin is vermeld dat [naam eigenaar kort] een gestoffeerde kamer aan eiser verhuurt voor € 185,- per maand en dat de kamer TV, internet, een tv tafel, een kast, tafel en stoel en een compleet bed heeft, die toebehoren aan verhuurder [naam eigenaar kort] .

- kwitanties van de betaalde huur over de maanden april, mei, juni, augustus, september, november en december 2013, van januari en februari 2014 en van januari tot en met april 2015.

- een op 10 februari 2013 door [naam eigenaar kort] en eiser ondertekende schriftelijke huurovereenkomst, waarin is overeengekomen dat [naam eigenaar kort] , die de woning zelf huurt van woningstichting Lefier, aan eiser een kamer van ongeveer 9 m² gelegen op de eerste verdieping aan de achterkant van de woning aan de [adres] voor onbepaalde tijd verhuurt. In die huurovereenkomst is vermeld dat [naam eigenaar kort] het medegebruik van de eigen keuken, eigen douche/bad, eigen wc en het gebruik van TV, internet, spiegel, tafel, stoel, bed en beddengoed aan eiser verleend. In de huurovereenkomst is verder vermeld dat de huur bij aanvang van de huurovereenkomst € 185,- bedraagt en dat de huurprijs maandelijks voor de eerste van de betreffende maand contant geschiedt tegen afgifte van een getekende kwitantie.

- een nieuw huurcontract in de vorm van een handgeschreven brief, gedateerd 22 april 2015, waarin is vermeld dat [naam eigenaar kort] een gestoffeerde kamer verhuurt aan eiser voor € 275,- per maand op het adres [adres] en dat de kamer TV, internet, een kast, een stoel, een tafel, spiegels, beddegoed en gordijnen heeft. Verder is daarin vermeld dat de huurverhoging geldt vanaf 1 mei 2015 en dat de huur aan het begin van de maand wordt betaald en dat alle wettige overeenkomsten tussen huurder en verhuurder gelden voor dit huurcontract.

- afschriften van girale betalingen van € 275,- ter zake van de huur van de woning over de maanden september 2015 en december 2015 door eiser aan H. [naam eigenaar kort] .

- kwitanties waaruit volgt dat H. [naam eigenaar kort] van eiser € 275 huur heeft ontvangen voor de maanden mei, juni en juli 2015.

10. Uit artikel 22a, vijfde lid, van de Pw volgt dat het bestaan van de huurovereenkomst en de commerciële prijs aan de hand van schriftelijke stukken moet kunnen worden aangetoond en dat een belanghebbende betalingsbewijzen moet kunnen overleggen. De rechtbank is van oordeel dat eiser tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een schriftelijke huurovereenkomst en een commerciële huurprijs tussen eiser en [naam eigenaar kort] . De onder 9 vermelde documenten leiden niet tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat op de achterzijde van de eerst bij brief van 1 september 2015 overgelegde huurovereenkomst van 10 februari 2013 door [naam eigenaar kort] met de pen is geschreven dat vanaf 1 mei 2015 de huur wordt verhoogd naar

€ 275,- per maand, maar dat alle andere overeenkomsten van dit huurcontract hetzelfde blijft, zoals het ondertekend was. Dit kan niet worden aangemerkt als een schriftelijke huuroverkomst in de zin van artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw. Dat geldt evenzeer voor de op 22 april 2015 gedateerde en de door [naam eigenaar kort] en eiser getekende handgeschreven verklaring over de huurverhoging per 1 mei 2015 naar een bedrag van

€ 275,- per maand. Die verklaring acht de rechtbank te weinig specifiek en concreet om als een nieuwe huurovereenkomst te kunnen gelden. Daarbij is van belang dat daarin bepaalde essentiële kenmerken ontbreken, zoals een indexering van de huur, de wijze van betaling van de huur en de geldende opzegtermijn van de huur. De enkele vermelding in de verklaring van 22 april 2015 dat alle wettige overeenkomsten tussen huurder en verhuurder gelden voor dit huurcontract, is daartoe onvoldoende.

11. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet gebleken is dat eiser de per 1 mei 2015 overeengekomen huur van € 275,- per maand daadwerkelijk aan [naam eigenaar kort] heeft betaald. Daartoe zijn onvoldoende betaalbewijzen of kwitanties overgelegd, waaruit blijkt dat eiser [naam eigenaar kort] met ingang van 1 mei 2015 daadwerkelijk € 275,- per maand betaalt voor het gebruik van de kamer. Uit het dossier met zaaknummer LEE 15/2661 blijkt dat eiser maar drie kwitanties heeft overgelegd, waaruit blijkt dat voor de maanden mei, juni en juli 2015 een huur van € 275,- is betaald. Verder is van belang dat eiser geen bankafschriften heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan de betaling van de huur bedragen contant opneemt van zijn bankrekening. Eiser heeft tevens met de in beroep overgelegde overschrijvingen per bank niet aannemelijk gemaakt dat hij, zoals overeengekomen, per maand € 275,- huur aan [naam eigenaar kort] heeft overgemaakt. De overmaking van de huur door eiser per bank strookt ten eerste niet met de in artikel 6 van de huurovereenkomst van 10 februari 2013 overeengekomen wijze van betaling van de huur, waarin is bepaald dat de betaling van de huur contant plaatsvindt tegen afgifte van een getekende kwitantie. Ten tweede hebben de overgelegde overschrijvingen van de huur aan [naam eigenaar kort] alleen betrekking op de huurbetalingen over de maanden september en december 2015.

12. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de situatie van eiser niet valt onder de uitzondering van artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw, hetgeen betekent dat de kostendelersnorm van toepassing is. Verweerder heeft de uitkering van eiser dan ook terecht per 1 juli 2015 verlaagd. Hetgeen eiser ten aanzien van de commerciële prijs naar voren heeft gebracht, laat de rechtbank buiten bespreking.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.R. Bracht, voorzitter, en mr. M. van den Bosch en

mr. H.D. Tolsma, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.