Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:4029

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
4526945 CV EXPL 15-14001
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Prejudicieel verzoek
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: prejudiciële vraag; mededelingsplicht als bedoeld in artikel 5 lid 1 onderdeel c van Verordening 261/2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/473
S&S 2017/31

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 4526945 CV EXPL 15-14001

Vonnis d.d. 18 mei 2016

inzake

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser, hierna [eiser] te noemen,

procederende in persoon,

tegen

de naamloze vennootschap naar het recht van de Republiek Suriname

Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V.,

statutair gevestigd te Paramaribo, Suriname,

kantoorhoudende te 1068 GT Amsterdam aan de M. Hanenbergstraat 17 III,

gedaagde, hierna SLM te noemen,

gemachtigde mr. drs. A.J.F. Gonesh, advocaat te Amsterdam.

PROCESGANG

De procesgang blijkt uit het volgende:

- dagvaarding;

- conclusie van antwoord;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek.

Partijen hebben producties in het geding gebracht.

Vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1.1.

Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.2.

[eiser] heeft op 10 september 2014 een vliegticket geboekt via de website Gate1.nl (hierna: Gate1). Dit betrof een retourvlucht Amsterdam Schiphol naar Paramaribo met SLM (Surinam Airways). De heenvlucht stond ingeboekt op 14 november 2015 te 15:15 uur (PY 993).

1.3.

Op 4 november 2014 heeft [eiser] van Gate1 een e-mail ontvangen met een wijziging in het vluchtschema. De heenvlucht stond nu ingeboekt op 15 november 2015 te 15:15 uur (PY993).

1.4.

Op 20 december 2014 heeft [eiser] een verzoek tot schadevergoeding ingediend bij SLM.

1.5.

Op 5 maart 2015 heeft SLM het verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat de schemawijziging reeds op 9 oktober 2014 was doorgegeven aan Gate1.

1.6.

Op 12 juni 2015 heeft Tix B.V. – de exploitant van Gate1 – aan [eiser] laten weten geen aansprakelijkheid voor schade van [eiser] te erkennen. In de e-mail is opgenomen, voor zover hier van belang:

“Wanneer u een reservering maakt via onze website, trachten wij deze zo spoedig mogelijk definitief te reserveren in samenwerking met de uitvoerende luchtvaartmaatschappij. Op het moment dat er e-tickets zijn verkregen, is de reservering definitief bevestigd en gelden de vliegticketvoorwaarden van de luchtvaartmaatschappij. Met het tot stand brengen van de overeenkomst tussen u als reiziger en de uitvoerende luchtvaartmaatschappij, hebben wij onze opdracht als bemiddelaar/tussenpersoon voltooid.

Daar wij enkel als tussenpersoon fungeren, zijn wij niet verantwoordelijk voor het ontstaan van de schemawijziging. De luchtvaartmaatschappij behoudt te allen tijde haar recht een wijziging door te voeren in een (bestaand) reisschema, zoals vermeld in haar vliegticketvoorwaarden. Helaas, is dit ook voor uw reservering voorgevallen. Het informeren van de reizigers bij het ontstaan van een schemawijziging is primair de verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappij, die immers ook partij is bij de overeenkomst met de reizigers. Daar ook uw e-mailadres genoteerd staat in de reservering, had de luchtvaartmaatschappij de mogelijkheid u hier direct en tijdig over te informeren.”

1.7.

Op 12 juni 2015 heeft [eiser] zich via e-mail andermaal gewend tot SLM en de forfaitaire schadevergoeding gevorderd van € 600,00 als omschreven in artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening).

1.8.

Bij e-mail van 3 september 2015 heeft de gemachtigde van SLM de claim van [eiser] afgewezen.

1.9.

Bij e-mail van 3 september 2015 heeft [eiser] bij het uitblijven van een betaling binnen 14 dagen aanspraak gemaakt op de wettelijke rente over de schadevergoeding.

Het geschil

2.1.

[eiser] vordert dat SLM bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 1.072,11 vermeerderd met de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 8 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van de proceskosten.

2.2.

Daartoe stelt [eiser] – samengevat weergegeven – dat SLM in strijd met de Verordening [eiser] niet tijdig – tenminste twee weken voor de geplande vertrektijd – heeft geïnformeerd dat de vlucht van [eiser] met 24 uren is vertraagd en dat SLM derhalve de schadevergoeding ex artikel 7 lid 1 sub c van de Verordening aan [eiser] is verschuldigd. Omdat SLM niet tot betaling is overgegaan, vordert [eiser] de wettelijke rente over de hoofdsom. Daarnaast heeft SLM meermalen te laat of niet gereageerd op correspondentie van [eiser] en is dientengevolge een vergoeding van € 100,00 verschuldigd op grond van de redelijkheid en billijkheid. SLM dient voorts de advieskosten van [eiser] te vergoeden, begroot op € 363,00.

2.3.

SLM voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , althans tot afwijzing van zijn vordering. Daartoe voert SLM aan, samengevat weergegeven, dat [eiser] een reisovereenkomst is aangegaan met een reisagent (Gate1). Onderdeel van die reisovereenkomst is een vervoersovereenkomst die Gate1 namens [eiser] met SLM is aangegaan. SLM heeft alle reisagenten, waaronder Gate1, op 9 oktober 2014 geïnformeerd dat de vlucht van 14 november 2014 werd geannuleerd. Het is vast gebruik van luchtvaartmaatschappijen om mededelingen ten aanzien van de vlucht te richten aan degene die namens de passagiers de reis- en vervoersovereenkomst zijn aangegaan. De reisagenten informeren op hun beurt de passagiers. [eiser] heeft geen recht op schadevergoeding ex artikel 7 lid 1 sub c van de Verordening doordat de annulering hem aldus tenminste twee weken voor de geplande vertrektijd is medegedeeld. SLM betwist voorts de gevorderde rente en kosten.


De beoordeling

3.1.

Tussen SLM en [eiser] is door bemiddeling van Gate1 een vervoersovereenkomst tot stand gekomen, waarbij SLM de retourvlucht Amsterdam Schiphol naar Paramaribo zou verzorgen. De heenvlucht stond ingeboekt op 14 november 2014 te 15.15 uur.

3.2.

[eiser] heeft op 4 november via Gate1 een wijziging in het vluchtschema ontvangen. De heenvlucht was nu ingeboekt op 15 november 2014 te 15.15 uur.

3.3.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of, gelet op het recht op compensatie krachtens artikel 7 van de Verordening, de annulering krachtens artikel 5 lid 1sub c tenminste twee weken voor vertrektijd aan [eiser] is medegedeeld. Op basis van productie 3 conclusie van antwoord staat vast dat SLM de annulering op 9 oktober 2014 heeft bericht aan Gate1 en dat Gate1 op 4 november 2014 de alternatieve vlucht aan [eiser] heeft aangeboden. SLM heeft betoogd dat het gebruikelijk is in de luchtvaartbranche om wijzigingen in het vluchtschema met de passagiers te communiceren door tussenkomst van de reisagent, in dit geval Gate1.

3.4.

Partijen hebben de kantonrechter in overweging gegeven een prejudiciële vraag te stellen met betrekking tot de neergelegde mededelingsplicht in genoemd artikel 5 van de Verordening aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

3.5.

Nu noch uit de tekst van de Verordening, noch uit de toelichting daarop volgt op welke wijze de mededeling door de luchtvaartmaatschappij moet worden gedaan in het geval de vervoersovereenkomst is aangegaan via een reisagent ofwel de boeking is gedaan via een website, zal de kantonrechter de vraag als volgt formuleren:

Welke (formele en materiële) eisen moeten worden gesteld aan de uitvoering van de mededelingsplicht als bedoeld in artikel 5 lid 1 onderdeel c van Verordening 261/2004, indien de vervoersovereenkomst tot stand is gekomen via een reisagent ofwel de boeking is gedaan via een website?

3.5.

In afwachting van de beantwoording van deze vraag zal de kantonrechter verder iedere beslissing aanhouden.

BESLISSING

De kantonrechter:

stelt de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen:

Welke (formele en materiële) eisen moeten worden gesteld aan de uitvoering van de mededelingsplicht als bedoeld in artikel 5 lid 1 onderdeel c van Verordening 261/2004, indien de vervoersovereenkomst tot stand is gekomen via een reisagent ofwel de boeking is gedaan via een website?

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, kantonrechter, en op 18 mei 2016 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

ThAW