Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:4001

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
LEE 16/3411 en LEE 16/3412
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiseres is toegelaten voor de studie geneeskunde. Zij verzuimt echter de inschrijving op de voorgeschreven wijze op Studielink af te ronden, met als gevolg dat de aanmelding wordt ingetrokken. Verweerder heeft gehandeld overeenkomstig de wetgeving. Desondanks had verweerder in dit uitzonderlijke geval behoren te handelen naar analogie van de gedragslijn in geval een aanstaande student zich per ongeluk heeft afgemeld voor een opleiding. Verweerder wordt opgedragen de fout van eiseres te herstellen en haar in de gelegenheid te stellen de inschrijving af te ronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 16/3411 en LEE 16/3412

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 augustus 2016 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] , te Roden, eiseres

(gemachtigde: mr. E.F. van der Goot),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Hummel-Fekkes).

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de intrekking van de aanmelding en plaatsing van eiseres als eerstejaarsstudent voor de opleiding B Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen voor het studiejaar 2016-2017 bevestigd.

Bij besluit van 18 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1.

Bij brief van 21 januari 2016 heeft verweerder bevestigd dat eiseres zich via Studielink voor het studiejaar 2016-2017 heeft aangemeld voor de opleiding B Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. In de brief staat onder meer: ‘Je bent op grond van je vooropleiding voorlopig ingedeeld in lotingsklasse A. Je wordt geplaatst op je eerste voorkeur en je hoeft niet mee te loten’.

2.2.

Bij brief van 1 mei 2016 heeft verweerder eiseres nader geïnformeerd over de selectieprocedure studiejaar 2016-2017. In deze brief staat onder meer:

‘In de tweede helft van juli 2016 krijg je de uitslag van de selectieprocedure. Op basis van je vooropleidingsgegevens ben je ingedeeld in lotingsklasse A. De lotingsklasse is belangrijk voor deelname aan de centrale selectieprocedure. Als je je hebt aangemeld voor een opleiding met 100% decentrale selectie is deze indeling meestal niet van belang. Ga je dit jaar nog een diploma van een vooropleiding behalen? Kijk dan op www.duo.nl/loten in het schema “Informatie inzending bewijsstukken” welke data voor jou van belang zijn. In de folder “Alles over opleidingen met een loting” staat alle informatie over de selectieprocedure’.

2.3.

Op 19 juli 2016 is een mededeling voor eiseres op Studielink geplaatst. Deze mededeling luidt als volgt:

‘Beste [naam] ,

We hebben van DUO bericht ontvangen dat je bent geplaatst. Dit is je bewijs van toelating. Rond nu je verzoek tot inschrijving af door in te loggen op Studielink en de acties in je To Do lijst uit te voeren. Let op, deze actie is alleen op de desktop versie van Studielink uit te voeren (dus niet op de mobiele website).

Om te voorkomen dat je plaats vervalt, moet je deze acties voltooien binnen 14 dagen na ontvangst van je bericht.’

3.1.

Niet is in geschil dat eiseres de acties genoemd in de mededeling van 19 juli 2016 op Studielink niet heeft uitgevoerd. Deze omstandigheid heeft geleid tot het primaire besluit.

3.2.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij geen attenderingsmail heeft ontvangen dat er een mededeling op Studielink was geplaatst, dat zij op 19 juli 2016 een felicitatiemail van de Studentenbalie Geneeskunde heeft ontvangen met informatie over het komende studiejaar maar zonder informatie over het afronden van de inschrijving, dat bij haar niet de gedachte is opgekomen dat zij ook Studielink diende raad te plegen, dat de Afdeling Studenten Informatie en Administratie van de Rijksuniversiteit Groningen weliswaar op

28 juli 2016 een e-mailbericht aan haar heeft gestuurd met de waarschuwing dat zij haar plaatsingsbewijs op Studielink nog diende te ‘verzilveren’ maar dat zij dit bericht op vakantie in Frankrijk pas heeft gelezen toen de termijn van 14 dagen verlopen was.

3.3.

In artikel 4.22, eerste lid, van de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs (Regeling) is, voor zover van belang, bepaald dat de inschrijving als student voor de propedeutische fase van een opleiding waarvoor een bewijs van toelating is verstrekt, dient te beginnen binnen twee weken na dagtekening van het bewijs van toelating.

In het tweede lid is bepaald dat, als de kandidaat de procedure niet binnen de gestelde termijn is gestart, het bewijs van toelating vervalt.

3.4.

De voorzieningenrechter overweegt dat in het voorlichtingsmateriaal van verweerder duidelijk uiteengezet wordt wat op grond van artikel 4.22 van de Regeling van de aanstaande student wordt verwacht en wat de gevolgen zijn als hieraan niet voldaan wordt. Bovendien blijkt dit ondubbelzinnig uit de mededeling van 19 juli 2016 aan eiseres op Studielink.

3.5.

Ook voor het overige kan verweerder geen fout worden tegengeworpen. Volgens vaste rechtspraak is een attenderingsmail dat een mededeling op Studielink is geplaatst, slechts een onverplichte service van verweerder. Het eventueel niet ontvangen van deze mail door de betrokkenen leidt er niet toe dat de mededeling, voor zover deze een rechtsgevolg heeft zoals hier het geval is, niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

Voorts deelt de voorzieningenrechter niet de opvatting van eiseres dat uit artikel 4.13 van de Regeling, waarin staat dat aan een kandidaat ingedeeld in lotingsklasse A direct een bewijs van toelating wordt verstrekt, volgt dat verweerder reeds op 21 januari 2016 een bewijs van toelating aan eiseres had dienen te verstrekken.

3.6.

Gelet op het voorgaande kan hetgeen eiseres heeft aangevoerd niet leiden tot het oordeel dat, zoals de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft bepleit, het gestelde niet-ontvangen van het attenderingsbericht voor rekening en risico van verweerder dient te komen.

4.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd toegelicht dat het voorkomt dat aanstaande studenten zich per ongeluk afmelden voor een studie. Als zij zich vervolgens snel melden bij verweerder wordt getracht deze fout te herstellen.

4.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder in dit uitzonderlijke geval naar analogie van deze gedragslijn behoren te handelen. Naar ter zitting is besproken, heeft eiseres zich direct na het primaire besluit bij verweerder gemeld. Verder blijkt uit alle omstandigheden, zoals de tijdige aanmelding, de correspondentie van eiseres met een medewerkster van verweerder in februari 2016 en het regelen van de betaling van collegegeld, dat eiseres vast voornemens was de studie geneeskunde te gaan volgen. Van belang is voorts dat bovengenoemde brieven van 21 januari 2016 en van 1 mei 2016, evenals het primaire besluit en het bestreden besluit, per post naar het woonadres van eiseres zijn gestuurd, maar dat op 19 juli 2016 is volstaan met een mededeling op Studielink. Relevant is tevens dat in de brief van 21 januari 2016 de plaatsing als een zekerheid is gepresenteerd, wat bij eiseres de (weliswaar onjuiste) indruk kan hebben gewekt dat niet meer aan nadere formaliteiten diende te worden voldaan.

4.3.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder ten onrechte de door eiseres gemaakte fout, in dit geval in de vorm van nalaten, niet heeft hersteld. Er is geen reden om aan te nemen dat herstel van de fout enig nadeel voor anderen oplevert, terwijl het niet herstellen van de fout onmiskenbaar ingrijpende gevolgen heeft voor eiseres.

5.1.

Het beroep is gegrond wegens strijd met artikel 3:4 van de Awb. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Voorts bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder eiseres in de gelegenheid dient te stellen de procedure van inschrijving alsnog af te ronden.

5.2.

Omdat het beroep gegrond is en de zaak finaal wordt afgedaan, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

5.3.

Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

5.4.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.488 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1) en voor de door eiseres gemaakte reiskosten op € 7,82.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- draagt verweerder op eiseres in de gelegenheid te stellen de procedure van inschrijving af te ronden;

- wijst het verzoek af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 336 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.495,82.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.