Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3958

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-08-2016
Datum publicatie
26-08-2016
Zaaknummer
LEE 16-448
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenrecht. In geschil is de verplichting om gebruik te moeten maken van een dienstauto. Sprake van nieuw beleid in verband met een fusie van rijksdiensten.Terughoudende toets van het beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/448

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van der Bent).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2015 heeft verweerder beslist dat eiser uiterlijk op 7 mei 2016 dient over te stappen op een dienstauto (het primaire besluit).

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 december 2015 is het bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 6 juli 2016 behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder voorziet bij of krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1998 op een aantal manieren in een tegemoetkoming in de kosten van onder andere woon-werkverkeer.

2. Voor de op 1 januari 2012 opgerichte Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), voortgekomen uit de fusie van de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA) met de Algemene Inspectiedienst (AID) en de Plantenziektenkundige Dienst (PD), is voor de verstrekking en het gebruik van dienstauto’s aan ambtenaren werkzaam bij de NVWA, de Regeling dienstauto's NVWA (hierna: de Regeling) vastgesteld, onder verval van regelingen dienstauto's van de voormalige VWA, AID en PD. De Regeling is op 13 mei 2014 van kracht geworden, samen met het Overgangsbeleid Dienstauto's NVWA.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser op grond van de Regeling en het Overgangsbeleid dienstauto's NVWA uiterlijk op 7 mei 2016 ten behoeve van binnenlandse dienstreizen gebruik dient te maken van een dienstauto.

4.1

Eiser kan zich in de eerste plaats niet vinden in het bestreden besluit omdat, samengevat weergegeven, verweerder toepassing heeft gegeven aan een Regeling die onredelijk bezwarend is en ook niet correct tot stand is gekomen. Dit klemt te meer nu hij, aldus eiser, niet de mogelijkheid heeft gehad tegen de Regeling bezwaar te maken.

4.2

Dit betoog treft geen doel. De rechtbank stelt voorop dat de omstandigheid dat tegen de Regeling, die beleidsregels bevat, geen beroep ingesteld kan worden. onverlet laat dat eiser in deze procedure kan bepleiten dat de beleidsregel onrechtmatig is en dus geen toepassing had mogen vinden (de zogenaamde exceptieve toetsing). Verweerder voert het beleid, kort samengevat, dat ambulante medewerkers als bedoeld in artikel 1 van de Regeling (ambulante medewerkers) in het belang van veiligheid en uniformiteit in beginsel gebruik moeten maken van een dienstauto. Eiser kan zich niet vinden in deze beleidskeuze omdat hij andere uitgangspunten heeft over onder meer het gebruik van overheidsgeld en het omgaan met het milieu. Bij het tot stand brengen van beleidsregels, als hier aan de orde, is het in beginsel aan het bestuursorgaan voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen. De rechter moet -gelet op zijn positie in het staatsbestel- het resultaat daarvan respecteren. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering indien aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van de beleidsregel zodanig ernstige feilen kleven dat deze regel om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Het is daarom niet aan de rechtbank om te bepalen wat het beleid dient te zijn, maar zij kan slechts beoordelen of in redelijkheid tot deze beleidsbepaling gekomen had kunnen worden.

4.3

Gelet hierop kan de enkele omstandigheid dat eiser de beleidskeuze van verweerder niet deelt, omdat hij andere uitgangspunten heeft, die op zich zelf begrijpelijk en gerechtvaardigd geacht kunnen worden, niet meebrengen dat de beleidskeuze van verweerder reeds daarom onhoudbaar moet worden geacht. Het betoog van eiser dat het rijden met een dienstauto kosten voor hem met zich brengt, biedt zonder enige onderbouwing, hiervoor evenmin een grond. Eiser heeft die kosten niet aannemelijk gemaakt. Ook is de rechtbank onvoldoende gebleken dat de Regeling, naar eiser stelt, een ongeoorloofde inbreuk maakt op het recht op privacy zoals vervat in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Door middel van een registratiesysteem in de dienstauto worden weliswaar gegevens geregistreerd van de autoritten, waaronder privéritten, echter van een privérit wordt, naar verweerder stelt, naast het aantal privéritten enkel het aantal gereden aantal kilometers geregistreerd, zodat privacy gevoelige gegevens als de route of de eindbestemming niet worden geregistreerd. Ten slotte deelt de rechtbank niet het betoog van eiser dat de Regeling niet zorgvuldig tot stand is gekomen omdat de ondernemingsraad onvoldoende daarbij is betrokken. Vast staat vast dat de Regeling is vastgesteld ter uitvoering en in overeenstemming met de overeenkomst Arbeidsvoorwaarden NVWA, die met de ondernemingsraden en vakbonden is gesloten. Verder is in overeenstemming met de ondernemingsraad NVWA en de vakbonden het Overgangsbeleid dienstauto's NVWA vastgesteld; de ondernemingsraad NVWA heeft, anders dan eiser stelt, dit beleid onderschreven. Ook dit betoog treft geen doel.

5.1

Eiser heeft voorts betoogd dat, naar de rechtbank begrijpt, verweerder in zijn geval toepassing had moeten geven aan de in artikel 6 van de Regeling opgenomen hardheidsclausule. In dat artikel is bepaald dat, waar deze regeling niet of in redelijkheid niet voldoet, in individuele gevallen hiervan kan worden afgeweken. Bij de toepassing van dit artikel heeft verweerder beoordelings- en beleidsvrijheid, zodat de rechtbank het oordeel van verweerder hieromtrent terughoudend dient te toetsen.

5.2

Eiser heeft in dit verband gesteld dat hij vanaf 1995 verplicht is om zijn privéauto te gebruiken. In het kader van zijn benoeming per 1 juni 1995 in de functie van aspirant -controleur heeft de hoofdinspecteur hem namelijk bij brief van 14 juni 1995 meegedeeld dat indien er voor zover noodzakelijk van hem verwacht wordt zijn eigen auto te gebruiken voor het uitvoeren van dienstopdrachten. Dit betoog treft geen doel. Geen rechtsregel verzet zich er in beginsel tegen dat een afspraak als gevolg van gewijzigd beleid aangepast wordt, mits daarbij in redelijkheid rekening wordt gehouden met de belangen van betrokkenen. Vaststaat dat ter bescherming van de belangen van de medewerkers van de NVWA het Overgangsbeleid dienstauto's NVWA is vastgesteld. Hierin is onder meer bepaald dat ambulante medewerkers die nu niet beschikken over een dienstauto uiterlijk 1 jaar na de vaststelling van dit overgangsbeleid (rechtbank: 12 mei 2014) de beschikking krijgen over een dienstauto. Verder is daarin onder meer bepaald dat ambulante medewerkers hun auto onder voorwaarden kunnen verkopen aan de NVWA, die vervolgens de auto onderbrengt bij de leasemaatschappij. Eiser heeft niet gesteld noch feiten en omstandigheden daartoe aangevoerd dat het overgangsbeleid in zijn geval onvoldoende passend is en verweerder hem daarom op grond van artikel 9 van dit beleid een maatwerkoplossing had moeten aanbieden. De enkele omstandigheid dat eiser, naar hij stelt, sedert 27 jaar zonder commentaar met een privéauto heeft gereden, verplichtte verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet tot het treffen van een maatwerkoplossing. Ook heeft hij niet gesteld noch feiten en omstandigheden aangevoerd dat dit overgangsbeleid kennelijk onredelijk is.

5.3

Eiser heeft verder betoogd dat het enkele collega's, die net als hij minder dan 10.000 kilometers (km) per jaar rijden, wel toegestaan is om gebruik te maken van hun privéauto. Ter zitting heeft gemachtigde van verweerder verklaard dat verweerder niet het beleid voert dat ambulante medewerkers die minder dan 10.000 km per jaar rijden geen gebruik behoeven te maken van een dienstauto. De door eiser genoemde medewerkers zijn, aldus gemachtigde van verweerder, met toepassing van artikel 6 van de Regeling ontheven van de plicht om in een dienstauto te rijden, omdat bijvoorbeeld sprake is van parkeerproblemen in de nabijheid van de woning van de medewerker. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder, los van de vraag hoeveel kilometers eiser vanaf 7 mei 2016 vermoedelijk zal rijden, niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door eiser bij het bestreden besluit te verplichten met ingang van 7 mei 2016 gebruik te maken van een dienstauto. Ook dit betoog slaagt dus niet.

6. Eiser betoogt tenslotte dat de zogenaamde tripartiete commissie ten onrechte geen advies heeft uitgebracht voorafgaand aan het primaire besluit. Dit betoog treft geen doel. In het Overgangsbeleid Dienstauto's NVWA is bepaald dat in het geval een medewerker van mening is dat het Overgangsbeleid Dienstauto's NVWA voor hem onvoldoende passend is, dit bezwaar wordt voorgelegd aan de tripartiete commissie die vervolgens adviseert over het treffen van een maatwerkoplossing. Nu eiser niet zo'n bezwaar heeft gemaakt, bestond geen plicht tot het uitbrengen van een advies.

7. Gelet op het vorengaande ziet de rechtbank in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd geen grond om het bestreden besluit te vernietigen. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2016.

De griffier, De rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op: