Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3941

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
01-05-2017
Zaaknummer
LEE 15/5061
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:6788, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank vernietigt de aansprakelijkstelling voor naheffingsaanslagen loonheffingen. De ontvanger maakt het beloop en de juistheid van de belasting- en premieschulden niet aannemelijk. Hetzelfde geldt voor de bedragen aan invorderingsrente, verschuldigde kosten en boeten waarvoor de bestuurder aansprakelijk is gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-1092
V-N Vandaag 2017/975
mr. R.B.H. Beune annotatie in NTFR 2017/1252

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/5061

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 23 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de ontvanger van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Verweerder heeft eiser bij beschikking met dagtekening 21 april 2015 voor een bedrag van € 7.109 aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen in de loonheffingen, met invorderingsrente en kosten, opgelegd aan [A] B.V. en betrekking hebbend op de jaren 2007 en 2008.

Bij uitspraak op bezwaar van 26 november 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is enig aandeelhouder en enig bestuurder van [A] B.V.. (hierna: de B.V.). De activiteiten van de B.V. bestaan uit de vervaardiging van machines en apparaten voor algemeen gebruik, het uitvoeren van constructiewerkzaamheden, machinefabriek (apparatenbouw, bedrijfsautomatisering, bulkverladingsinstallaties) en de ontwikkeling en bouw van nieuwe prototype apparaten.

1.2.

De B.V. had twee werknemers in dienst, eiser en de heer [werknemer] .

1.3.

Eiser verzorgde de jaarstukken en aangiften loonheffing. Op 16 oktober 2008 is de Belastingdienst een boekenonderzoek gestart bij de B.V. naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006, later uitgebreid met de jaren 2004, 2005, 2007 en 2008.

1.4.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd over de jaren 2004 tot en met 2008. De daartegen gerichte bezwaren zijn ongegrond verklaard. De B.V. is tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gegaan bij de rechtbank Leeuwarden. De rechtbank Leeuwarden heeft de beroepen gegrond verklaard en de naheffingsaanslag loonheffingen 2007 verminderd tot € 2.308 en de boetebeschikking tot een bedrag van € 462. De naheffingsaanslag loonheffingen 2008 is verminderd tot een bedrag van € 2.391 en de boetebeschikking tot een bedrag van € 478 (rechtbank Leeuwarden van 19 juni 2012, nrs. 11/500, 11/1167, 11/1168, en 11/1169).

1.5.

De hoger beroepen die tegen de uitspraken van de rechtbank Leeuwarden zijn ingesteld, zijn gegrond verklaard voor zover het betrof de naheffingsaanslag 2008 en voor het overige ongegrond verklaard. De naheffingsaanslag loonheffingen 2008 is verminderd tot een bedrag van € 2.191 en de boetebeschikking tot een bedrag van € 438 (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2013, nrs. 12/00197, 12/00198, 12/00199 en 12/00200). De Hoge Raad heeft het daartegen gerichte cassatieberoep ongegrond verklaard onder verwijzing naar art. 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie (HR 28 februari 2014, nr. 13/03438).

1.6.

Op 15 april 2014 is hernieuwd bevel tot betaling gedaan en is een dwangbevel betekend, maar dit heeft niet geleid tot betaling door de B.V. van de naheffingsaanslagen.

1.7.

Bij beschikking van 21 april 2015 is eiser aansprakelijk gesteld voor de nog openstaande belastingschulden van de B.V. In de bijlage bij de beschikking is de aansprakelijkstelling als volgt gespecificeerd:

Gegevens van de aanslag

Soort belasting

Loonheffingen

Tijdvak aanslag

2007

Aanslagnummer

[aanslagnummer 1]

Dagtekening

2 maart 2010

Specificatie van de aansprakelijkheid

Bedrag van de aanslag

€ 3.039

Invorderingsrente

€ 461

Tot op heden verschuldigde kosten

€ 15

Totaal

€ 3.515

Gegevens van de aanslag

Soort belasting

Loonheffingen

Tijdvak aanslag

2008

Aanslagnummer

[aanslagnummer 2]

Dagtekening

2 maart 2010

Specificatie van de aansprakelijkheid

Bedrag van de aanslag

€ 2.911

Invorderingsrente

€ 422

Tot op heden verschuldigde kosten

€ 241

Totaal

€ 3.594

1.8.

Er is geen melding betalingsonmacht gedaan.

Geschil en beoordeling

2. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of eiser terecht en tot de juiste bedragen aansprakelijk is gesteld voor de niet betaalde naheffingsaanslagen loonheffingen en daarmee verband houdende bedragen van de BV.

3. De rechtbank overweegt dat op grond van het bepaalde in art. 36, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, voor zover hier relevant, voor de loonbelasting verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, ieder van de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk is overeenkomstig het bepaalde in de daarop volgende leden. In die daarop volgende leden is onder meer aangegeven dat -kort gezegd- het voor aansprakelijkstelling van een bestuurder zo moet zijn dat de rechtspersoon met betaling in gebreke is gebleven. Gelet op artikel 60 van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 51 van de Zorgverzekeringswet geldt het voorgaande ook ten aanzien van de premieheffing volks- en werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

4. Naar het oordeel van de rechtbank rust op verweerder de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt, dat de gestelde bedragen aan loonheffingen, rente en kosten verschuldigd gebleven zijn door de BV, en dat daarvoor eiser in het onderhavige geval terecht en tot de juiste bedragen aansprakelijk is gesteld.

5.1

Uit de stukken van het geding en hetgeen verweerder ter zitting heeft toegelicht wordt, naar het oordeel van de rechtbank, niet duidelijk voor tot welke bedragen, eiser uiteindelijk nu precies aansprakelijk is gesteld. Niet alleen heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt voor welke aanslagen, en tot welke bedragen, in beroep de aansprakelijkstelling is gehandhaafd, maar bovendien kan hij, naar ter zitting is gebleken, desgevraagd geen sluitende (cijfermatige) verklaring geven voor de door hem gestelde, door de B.V. onbetaald gebleven belasting- en premieschuld.

5.2

Daartoe acht de rechtbank mede redengevend dat verweerder ter zitting weliswaar heeft verklaard de hoogte van de belastingschuld, waarvoor eiser aansprakelijk is gesteld, te hebben afgeleid uit het systeem en de uitspraken van de rechtbank en het hof (zie 1.4), maar heeft verweerder desgevraagd geen aansluiting kunnen maken tussen die bedragen en het beloop van de aansprakelijkstelling. Verder heeft verweerder ter zitting desgevraagd geen enkel inzicht kunnen geven in welk deel van het bedrag van € 3.039 (2007) en van € 2.911 (2008) ziet op loonheffingen en welk deel van dat bedrag ziet op heffingsrente. Verweerder heeft ter zitting evenmin kunnen bevestigen noch ontkennen dat eiser tevens aansprakelijk is gesteld voor de aan de B.V. opgelegde (en later verminderde) boeten en, indien dat het geval is, welk bedrag die boete(n) beloopt of belopen. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt daardoor voldoende inzicht in de aanwezigheid dan wel de omvang van de in de onderscheiden aanslagbiljetten opgenomen nageheven loonheffingen, onderscheidenlijk heffingsrente en boetes, laat staan dat verweerder invulling heeft kunnen geven aan zijn stelplicht omtrent de vraag wel deel daarvan – na de verschillende verminderingen in (hoger) beroep – uiteindelijk onbetaald is gebleven. Op deze manier kan bovendien niet worden vastgesteld of en in hoeverre de bedragen aan heffingsrente en boete waarvoor eiser aansprakelijk is gesteld, daadwerkelijk dienovereenkomstig zijn verminderd.

5.3

Het voorgaande geldt nog sterker voor de bedragen aan invorderingsrente en verschuldigde kosten. Op geen enkele manier heeft verweerder handen en voeten kunnen geven aan de bedragen waarvoor eiser aansprakelijk is gesteld.

6. Dat klemt te meer nu eiser zowel in de bezwaarfase als in beroep meerdere malen heeft gesteld dat er teruggaven omzetbelasting hebben plaatsgevonden (of hadden kunnen plaatsvinden) die verrekend zouden (kunnen) zijn met de openstaande naheffingsaanslagen loonheffingen. Ter zitting heeft verweerder erkend dat er verrekeningen met teruggaven omzetbelasting hebben plaatsgevonden. Op de vraag van de rechtbank of en in hoeverre deze verrekeningen invloed hebben gehad op de belastingschulden waarvoor eiser aansprakelijk is gesteld, heeft verweerder het antwoord echter schuldig moeten blijven.

7.1

Nu verweerder het beloop en de juistheid van de belasting- en premieschuld waarvoor eiser aansprakelijk is gesteld, niet aannemelijk heeft gemaakt, kan naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom de aansprakelijkstelling niet in stand blijven. Met betrekking tot de daarmee verband houdende bedragen overweegt de rechtbank dat, reeds omdat verweerder het beloop van de onderscheiden bedragen niet aannemelijk heeft kunnen maken, niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 32, tweede lid, van de Invorderingswet 1990.

7.2

De rechtbank weegt in haar voorgaande oordeel mee de omstandigheid dat het een aansprakelijkstelling van een natuurlijk persoon in privé betreft voor belastingschulden, renten, kosten en (mogelijk) boeten van een ander. Uit de gang van zaken zoals hierboven beschreven leidt de rechtbank af dat bij het vaststellen van de belastingschulden in het kader van de onderhavige aansprakelijkstelling verweerder niet de in dat kader van hem te verwachten zorgvuldigheid heeft betracht. Van verweerder mag worden verlangd dat op inzichtelijke wijze wordt aangegeven hoe hij tot de bedragen is gekomen waarvoor hij de bestuurder aansprakelijk stelt. Wanneer zelfs aan een zodanig elementair vereiste niet is voldaan, komt de rechtsgrond aan de beschikking te ontvallen. Bovendien zouden de vergaande nadelige gevolgen van het handhaven van een aansprakelijkstelling voor eiser dan niet langer in verhouding staan tot de daarmee door verweerder te dienen doelen.

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de aansprakelijkstelling.

Griffierecht

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Proceskosten

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Het betreft de door eiser gemaakte reiskosten [woonplaats] – Groningen v.v., tweede klasse openbaar vervoer, voor het verschijnen ter zitting, zijnde € 8,40. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser verzochte verletkosten van de door hem ter bijstand meegebrachte [naam] niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ingevolge artikel 1, onderdeel d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen uitsluitend verletkosten van een verschenen partij zelf voor vergoeding in aanmerking. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de beschikking aansprakelijkstelling;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 8,40.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, voorzitter, en mr. A.M.A.M. Kager en mr. T. Tanghe, leden, in aanwezigheid van mr. W. Kuik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2016.

w.g. griffier

w.g. voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.