Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3819

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
Awb 15/1605
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tegen het primaire besluit, inhoudende de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering aan betrokkene met ingang van 21 juni 2012, gaat de werkgever in bezwaar, betrokkene niet. In het besluit op bezwaar heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de uitkering alsnog toegekend met ingang van 8 oktober 2014. Betrokkene heeft beroep ingesteld. De werkgever doet mee als derde belanghebbende. Eiseres had geen belang bij het maken van bezwaar, zij is ontvankelijk in beroep (artikel 6:13 van de Awb). Nu het in het primaire en het bestreden besluit gaat om een toekenning, alleen met een verschillende ingangsdatum, doet de vraag zich voor of sprake is van procesbelang; het antwoord op die vraag is bevestigend. De rechtbank heeft een deskundige benoemd. Op grond van het rapport van deze deskundige oordeelt de rechtbank dat de toekenningsdatum 21 juni 2012 de juiste is. Beroep gegrond en vernietiging van het besluit op bezwaar. Het oorspronkelijke toekenningsbesluit herleeft

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/1605 WGA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2016 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te Sneek, eiseres

(gemachtigde: mr. J.M.H. Houben),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: T.R. Vallinga).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: (Stichting) Zorgpartners Friesland, gevestigd te Leeuwarden, de werkgever van eiseres (gemachtigde: mr. J.E.M. de Boer).

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 21 juni 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering (WGA staat voor Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Tegen dit besluit heeft de werkgever van eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de werkgever gegrond verklaard. Verweerder heeft eiseres vanaf 24 juni 2010 niet doorlopend arbeidsongeschikt geacht. Verweerder heeft eiseres met ingang van 8 oktober 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij de eerste ziektedag voor de wachttijd van 104 weken is gesteld op 10 oktober 2012.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 3 juni 2015 heeft eiseres de gronden van beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 juli 2015 heeft eiseres nadere stukken ingediend.

De derde-partij heeft bij brief van 3 augustus 2015 een zienswijze ingediend.

Bij brief van 6 augustus 2015 heeft eiseres een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voorts is verschenen haar echtgenoot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij heeft zich, na voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Bij brief van 7 september 2015 heeft de rechtbank partijen en de derde-partij meegedeeld dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat de rechtbank daarom heeft besloten het onderzoek te heropenen, op grond van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft besloten een deskundige te benoemen. Partijen en de derde-partij is de concept vraagstelling aan de deskundige voorgelegd.

Partijen en de derde-partij hebben meegedeeld zich te kunnen vinden in de concept vraagstelling.

Bij brief van 14 oktober 2015 heeft de rechtbank tot deskundige voor het instellen van onderzoek benoemd W.H.J. Mutsaers, psychiater.

Op 1 februari 2016 heeft de deskundige rapport uitgebracht.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft eiseres bij brief van 1 maart 2016 meegedeeld geen op- en/of aanmerkingen op het rapport te hebben.

Verweerder heeft met de brief van 31 maart 2016 een reactie van 21 maart 2016 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het deskundigenrapport aan de rechtbank doen toekomen.

Bij brief van 5 april 2016 heeft de derde-partij laten weten geen op- en/of aanmerkingen op het deskundigenrapport te hebben.

Partijen en de derde-partij hebben toestemming verleend voor het doen van uitspraak zonder dat een nadere zitting plaatsvindt.

Bij brief van 10 mei 2016 heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres, geboren 10 januari 1971, was sinds 29 april 2008 bij de derde-partij werkzaam als medewerker ondersteuning werving en selectie P&O, voor 32 uur per week. Eiseres heeft zich na een ongeval thuis ziek gemeld op 23 juni 2010. In het kader van re-integratie heeft eiseres, omdat terugkeer in de eigen functie niet mogelijk was, bij de salarisadministratie van de eigen werkgever gewerkt, waarbij een hervatting voor meer dan 24 uur voor eiseres niet haalbaar bleek.

1.1.

De werkgever heeft eiseres vanaf 22 mei 2012 volledig hersteld geacht voor haar werk. Naar aanleiding van een verzoek van eiseres om een deskundigenoordeel heeft verzekeringsarts E. Panhuis in het rapport van 3 juli 2012 geoordeeld dat eiseres met ingang van 22 mei 2012 geschikt is voor haar eigen werk.

1.2.

Bij besluit van 30 mei 2012 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres met ingang van 21 juni 2012 geen recht heeft op een WIA-uitkering.

1.3.

Eiseres is met ingang van 2 september 2012 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

1.4.

Op 10 oktober 2012 heeft eiseres zich vanuit de situatie dat zij een WW-uitkering ontving ziek gemeld, vanwege psychische klachten.

1.5.

Bij besluit van 1 juli 2013 heeft verweerder eiseres vanaf 1 juli 2013 geschikt geacht voor haar werk, als gevolg waarvan zij vanaf 1 juli 2013 geen uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) meer krijgt. Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

1.6.

Op verzoek van verzekeringsarts bezwaar en beroep M.A. Peerden heeft de eiseres behandelend psycholoog drs. L. van Brederode informatie verstrekt bij brief van
5 september 2013. Peerden heeft in het rapport van 7 oktober 2013 geconcludeerd dat de primaire medische beoordeling niet (geheel) plausibel is te achten en heeft eiseres op en na 1 juli 2013 ongeschikt geacht voor het verrichten van haar werk.

1.7.

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en heeft verweerder de ZW-uitkering vanaf 1 juli 2013 voorgezet.

2. Op 26 juni 2014 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd. Daarbij heeft zij

opgegeven dat zij in 2012 al een WIA-uitkering had moeten ontvangen.

2.1.

Verzekeringsarts Panhuis heeft in het rapport van 1 augustus 2014 (in welk rapport de vraag is opgenomen of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waardoor de eerdere weigering van een WIA-uitkering in 2012 herzien moet worden) geconcludeerd dat reeds in juni 2012, dat wil zeggen vóór de eerdere WIA-beoordeling, sprake is geweest van doorlopende arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Panhuis heeft voorts geconcludeerd dat eiseres geen benutbare mogelijkheden als rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte en/of gebrek heeft, waarbij hij heeft aangegeven dat eiseres een ernstige psychische stoornis heeft waardoor onvermogen in het persoonlijk en sociaal functioneren bestaat.

2.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de eerste ziektedag bepaald op 24 juni 2010, heeft verweerder het besluit van 30 mei 2012 ingetrokken en heeft verweerder eiseres vanaf 21 juni 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

2.3.

Tegen het primaire besluit heeft de werkgever bezwaar gemaakt. De werkgever heeft aangevoerd dat in juni 2012 juist is geoordeeld dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Van 22 juni 2012 tot en met 31 augustus 2012 heeft eiseres dan ook haar werk verricht. In het rapport van 1 augustus 2014 heeft de verzekeringsarts onvoldoende gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid wel al vanaf juni 2012 zou bestaan. De werkgever heeft aangevoerd dat eiseres per 22 mei 2012 hersteld was en dus op 31 augustus 2012 hersteld uit dienst is getreden, zodat de toekenning van de WIA-uitkering per 21 juni 2012 niet terecht is. Bovendien heeft eiseres de wachttijd van 104 weken ex artikel 23 van de WIA niet volledig doorlopen en ook om die reden kan eiseres geen aanspraak maken op een WIA-uitkering per 21 juni 2012. De werkgever stelt zich op het standpunt dat hij, als eigen risicodrager, door het onzorgvuldig handelen van het UWV ernstig is benadeeld. De werkgever heeft verzocht de toekenning van de WIA-uitkering met terugwerkende kracht te corrigeren.

2.4.

In het besluit van 5 augustus 2014 staat dat eiseres samen met haar (ex-)werkgever verantwoordelijk is voor verdere re-integratie. Voorts is meegedeeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering eindigt op 21 mei 2014 en dat eiseres vanaf die datum in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. In de toelichting op de beslissing staat dat eiseres een WGA-loonaanvullingsuitkering krijgt, omdat zij 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

2.5.

In het rapport van 26 januari 2015 heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Peerden (hierna: verzekeringsarts bezwaar en beroep) overwogen dat in de tijd een voortschrijdend inzicht is ontstaan in de duiding en betekenisgeving van het klachtenbeeld van eiseres. Er is sprake van een complex posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) met verlaat begin. Het gaat om de periode juni tot oktober 2012 en het gaat dan ook om een nadrukkelijk retrospectieve beoordeling, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De werkgever heeft een punt met de stelling dat het standpunt van de verzekeringsarts niet stevig onderbouwd is. Met de opsomming van een aantal argumenten, waaronder het argument dat eiseres daadwerkelijk heeft gewerkt totdat het contract afliep, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconstateerd dat die argumenten in tegenspraak zijn met het primaire besluit. Daarbij heeft hij overwogen dat toename van klachten en beperkingen na het einde van het contract vanuit de context en het ziektebeeld goed begrepen kunnen worden; op basis van de stukken zegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet beargumenteerd te kunnen beweren dat zulks niet het geval geweest zal zijn. Hij heeft geconcludeerd dat het in retrospectief bezien redelijk en verdedigbaar is om de datum van de laatste ziekmelding, 10 oktober 2012, als eerste ziektedag te handhaven.

2.6.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep A.G. Diergaarde heeft in het rapport van
26 februari 2015 vermeld dat van de voormalige werkgever van eiseres is vernomen dat de werkgever en eiseres in 2012 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, waarmee de arbeidsovereenkomst is beëindigd. Een onderdeel van die overeenkomst was dat eiseres vanaf 11 juli 2012 werd vrijgesteld van werk. De van eiseres verkregen informatie bevestigt dat.

2.7.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van de werkgever gegrond verklaard. Eiseres wordt niet doorlopend arbeidsongeschikt geacht vanaf 24 juni 2010. Eiseres heeft pas vanaf 8 oktober 2014 recht op een WIA-uitkering, waarbij de eerste ziektedag voor de wachttijd van 104 weken gesteld dient te worden op 10 oktober 2012. Met ingang van 8 oktober 2014 wordt aan eiseres een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, om reden dat eiseres 100% arbeidsongeschikt wordt geacht en er een meer dan geringe kans op herstel bestaat. Die uitkering krijgt zij tot en met 2 juli 2016 en daarmee vervalt het besluit van 5 augustus 2014 (zie onder 2.4).

3. Eiseres heeft het volgende aangevoerd. Zij heeft na 22 mei 2012 niet meer gewerkt bij

de werkgever. De mededeling van de werkgever tegenover de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiseres van 22 juni 2012 tot 31 augustus 2012 haar werk heeft verricht, is dan ook onjuist. Verder heeft eiseres aangevoerd dat het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig tot stand is gekomen en bovendien onjuist is. Daarbij is van belang dat de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in strijd is met de door hem gehanteerde argumenten. De arbeidsdeskundige heeft een andere conclusie getrokken dan de verzekeringsarts, maar de conclusie van de arbeidsdeskundige is niet verwerkt in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld door op grond van dezelfde feiten die eerder ten grondslag hebben gelegen aan het primaire besluit een tegenovergestelde conclusie te trekken, hetgeen er toe heeft geleid dat de haar met het primaire besluit met ingang van 21 juni 2012 toegekende WIA-uitkering is herroepen. Eiseres eist dat zij wederom met ingang van 21 juni 2012 een WIA-uitkering krijgt.

4. In het met het verweerschrift ingezonden rapport van 15 juli 2015 heeft de

verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de beroepsgronden. Met de stelling dat met name de mededeling van de werkgever dat eiseres tot het einde van het contract zou hebben gewerkt hem er toe zou hebben gebracht tot het aannemen van 10 oktober 2012 als eerste ziektedag is hij het niet eens. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vindt dat hij in het rapport van 26 januari 2015 goed beargumenteerd tot zijn oordeel is gekomen. Dat eiseres, zoals later is gebleken, niet tot het einde van het contract gewerkt heeft, maakt het oordeel niet anders. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.

5. In de brief van 3 augustus 2015 heeft de derde-partij aangegeven dat de WGA-uitkering

ten onrechte per 21 juni 2012 aan eiseres is toegekend en dus ten onrechte is toegerekend aan de werkgever, omdat geen sprake is van doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf
24 juni 2010. Eiseres is terecht op 22 mei 2012 hersteld gemeld en dus hersteld op
31 augustus 2012 uit dienst getreden. Zowel de Arbo-arts als de verzekeringsarts, na overleg met de stafverzekeringsarts, heeft eiseres met ingang van 22 mei 2012 volledig in staat geacht tot het verrichten van haar eigen werk. Ook uit het door eiseres zelf aangevraagde deskundigenoordeel blijkt dat. Meerdere keren is geconcludeerd dat eiseres per 22 mei 2012 als hersteld dient te worden aangemerkt en dus is de eerste ziektedag 10 oktober 2012.

6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Op grond van artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Nu met dat besluit verweerder de eerste ziektedag heeft bepaald op 24 juni 2010, het besluit van 30 mei 2012 heeft ingetrokken en eiseres vanaf 21 juni 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering heeft toegekend, had eiseres een gegronde reden om geen bezwaar te maken tegen het primaire besluit. Uit de stukken blijkt immers dat eiseres zich op het standpunt stelt dat zij sinds de uitval op 23 juni 2010 nooit volledig hersteld is geweest. Uit het voorgaande volgt dat het niet verwijtbaar is dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Het beroep is ontvankelijk.

6.2

Met het primaire besluit is eiseres een WGA-uitkering toegekend met ingang van
21 juni 2012 en met het bestreden besluit is eiseres eveneens een WGA-uitkering toegekend, maar nu met ingang van 8 oktober 2014. Daarmee ligt ter beoordeling voor de vraag of eiseres voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van het beroep, nu het slechts gaat om een verschil in ingangsdatum en het bij beide besluiten gaat om een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

6.3.

Ter zitting van 12 augustus 2015 heeft de rechtbank eiseres daarom de vraag voorgelegd wat het procesbelang is bij een eerdere ingangsdatum van de uitkering. De gemachtigde van eiseres heeft aangegeven dat het belang is gelegen in het premievrij kunnen opbouwen van het pensioen. Dat is namelijk, zo heeft de gemachtigde van eiseres gesteld, mogelijk in het geval van ziekte op het moment van beëindiging van het dienstverband en niet in het geval van ziekte vanuit de WW. De rechtbank overweegt als volgt. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in de uitspraak van 9 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:53) de rechtspraak inzake het al dan niet gericht zijn van een beroep op een wijziging van de tussen het Uwv en de betrokkene bestaande rechtsverhouding in relatie tot de vraag of sprake is van procesbelang als volgt verruimd. Procesbelang wordt ook aangenomen indien de betrokkene stelt dat het bestreden besluit een rechtstreeks feitelijk gevolg heeft waarvan hij in een andere rechtsverhouding nadeel zal ondervinden en de in de voorliggende zaak op bestuursrechtelijke gronden te nemen beslissing voor het al dan niet intreden van dit gevolg beslissend is. Met de door de gemachtigde van eiseres ter zitting gegeven toelichting, die niet is weersproken door verweerder, is sprake van procesbelang.

6.4.

Ter beoordeling ligt vervolgens voor de vraag of de WGA-uitkering van eiseres dient in te gaan met ingang van 21 juni 2012 of met ingang van 8 oktober 2014. Daarbij is van doorslaggevend belang het antwoord op de vraag of eiseres in de periode 22 mei 2012 tot
10 oktober 2012 doorlopend arbeidsongeschikt is geweest of niet.

6.5.

In het rapport van 1 februari 2016 heeft de deskundige Mutsaers (hierna: de deskundige) van verslag en advies gediend. De deskundige heeft in het rapport onder “samenvatting en beschouwing” de oordelen van de verschillende verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) in essentie weergegeven en heeft vervolgens zijn visie vermeld, als volgt:
“De moeilijkheid bij bovengenoemde redeneringen is naar mijn oordeel, dat hier allerlei gezichtspunten door elkaar lopen. Klachten, symptomen, observatiegegevens, aanleidingen tot ziekte en oorzaken van ziekten alsmede theoretische constructen worden in de verschillende stukken genoemd als verklaringen voor ziekte, ziektebeloop en beperkingen. Het lijkt me beter om de verschillende denkmodellen uit elkaar te houden en te stellen, dat onderzochte al in 2009 lijdende was aan conversieverschijnselen, dat ze in maart 2010 decompenseerde doordat ze door haar klachten van het ongeval de controle kwijtgeraakt was over haar verdrongen angsten en traumatische ervaringen, ook omdat ze bij tijden verlammingsverschijnselen kreeg en dat haar geestelijke toestand nog verder verslechterde toen ze medio 2012 in paniek en depressief raakte hetgeen gepaard ging met fobische verschijnselen en fobisch gedrag. De ontslagaanzegging in diezelfde periode heeft die decompensatie op haar beurt nog verdiept.”

De deskundige is tot de conclusie gekomen dat eiseres in haar functioneren werd belemmerd door negatieve preoccupaties, door geestelijke vertraging, door energieverlies, door onvermogen om informatie op te nemen en om helder te denken (depressie), ze leed aan paniek- en angstaanvallen als gevolg waarvan ze allerlei sociale situaties vermeed en ze leed aan passagère conversieverschijnselen (zwakte c.q. verlammingsverschijnselen in de benen), waardoor ze bij momenten niet in staat was om zich normaal te bewegen. De deskundige meent dat de daaruit voortvloeiende beperkingen al op 22 mei 2012 aanwezig waren en tot 10 oktober 2012 hebben voortgeduurd. De deskundige heeft de door hem gestelde classificerende diagnose (DSM-IV-R), naar de toestand medio 2012, in het rapport opgenomen. De hem voorgelegde vragen heeft de deskundige beantwoord als volgt. Eiseres was op 22 mei 2012 niet in staat haar werk als medewerker ondersteuning P&O/administratief medewerker secretariaat, voor 32 uur per week, te verrichten. De ongeschiktheid voor haar werk heeft onafgebroken voortgeduurd tot 10 oktober 2012. De deskundige heeft op de vraag of hij gemotiveerd kan aangeven in welk rapport, dat van de verzekeringsarts of dat van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, naar zijn oordeel de juiste conclusie is getrokken, het volgende antwoord gegeven:
“In mijn beschouwing heb ik uiteengezet waarom ik meen dat onderzochte, als gevolg van haar conversieverschijnselen en haar depressieve verschijnselen met angst- en paniekklachten in combinatie [met] de toegenomen emotionele ontwrichting niet in staat was om haar werk te doen. Er was vanaf juni 2012 sprake van doorlopende arbeidsongeschiktheid. Daarom ben ik het eens met hetgeen in gedingstuk B 37 is vermeld.”

Gedingstuk 37 is het rapport van 1 augustus 2014 van verzekeringsarts Panhuis (zie onder 2.1).

6.6.

In het rapport van 21 maart 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op het rapport van de deskundige. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is tot de conclusie gekomen dat de deskundige op basis van alle voorliggende stukken en gedegen eigen onderzoek een Salomonsoordeel velt dat navolgbaar moet worden geacht. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat hij argumenten ontbeert om onderbouwd tot een afweging te kunnen komen die de beantwoording van de vraagstelling door de deskundige in een ander perspectief zou kunnen zetten.

6.7.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Uit de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het rapport volgt dat hij het eens is met het oordeel van de deskundige.

6.8.

Uit het oordeel van de deskundige volgt dat het bestreden besluit op een onjuiste medische beoordeling berust. Daarom zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder hoeft geen nieuw besluit te nemen, omdat de vernietiging van het bestreden besluit tot gevolg heeft dat het primaire besluit herleeft. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres met ingang van 21 juni 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

6.9.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6.10.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van

H.M. Eleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2016.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden aan partijen op: