Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3740

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
C/17/130049 / HA ZA 13-300
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Erfrecht.

Vervolg op tussenvonnis (ECLI:2015:6114)

Berekening legitieme portie in nalatenschap vader

en verdeling huwelijksgemeenschap nalatenschap moeder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/130049 / HA ZA 13-300

Vonnis van 10 augustus 2016

in de zaak van

1 [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [B],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J. Bolt te Groningen,

tegen

1 [C] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.J.H. Geense te Leeuwarden,

2. [D],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F. Hofstra te Leeuwarden,

3. [E],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F. Hofstra te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [A] , [B] , [C] , [E] en [D] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verder verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 december 2015,

  • -

    de akte van [A] en [B] ,

  • -

    de akte van [C] ,

  • -

    de akte van [E] en [D] ,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 24 maart 2016.

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank neemt hier over hetgeen zij in voornoemd tussenvonnis reeds heeft overwogen en beslist.

in conventie

De geldigheid van het testament van 18 november 2003 van [F] (vordering 1)

2.2.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 30 december 2015 reeds overwogen en beslist dat nietigheid van voornoemd testament niet is komen vast te staan, zodat vordering 1 zal worden afgewezen.

De legitieme porties van [A] en [B] in de nalatenschap van [F] (vordering 2)

2.3.

De rechtbank resumeert hetgeen in het tussenvonnis van 30 december 2015 in het kader van de vaststelling van de legitieme porties van [A] en [B] in de nalatenschap van [F] reeds is overwogen en beslist:

- de waarde van de goederen van de nalatenschap van [F] is vastgesteld op € 444.433,95 (rov. 4.11.4),

- de schulden van die nalatenschap bedragen € 163.485,56 (rov. 4.12),

- de in aanmerking te nemen giften zijn, in elk geval, de in 1992 aan [C] verleende compensatie van fl. 125.000 en de in 1989 aan [A] , [B] en [E] geschonken bedragen van fl. 125.000,-, welke giften volledig aan [F] worden toegerekend (rov. 4.15.2),

- de waarde van de door [F] aan [A] en [B] gedane giften worden op de legitieme porties in mindering gebracht.

2.4.

Partijen zijn vervolgens door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om zich bij akte nader uit te laten over:

- de jaarlijkse schenkingen die [F] na het overlijden van [H] op 8 november 1996 aan [B] , [C] en [E] heeft gedaan (rov. 4.18.2),

- de vraag of het verschil tussen de door [E] , [A] en [B] aan [F] betaalde koopsommen van fl. 110.000,--, fl. 95.000,-- respectievelijk fl. 60.000,-- ter zake van de aan heb overgedragen woningen en de waarde van die woningen als gift aan te merken is (rov. 4.19).

Ter zake van de woningtransacties heeft de rechtbank voorshands geoordeeld dat eventueel daarmee verband houdende giften volledig aan [F] zullen worden toegerekend, tenzij uit nader over te leggen stukken blijkt dat ook [H] als partij daarbij is aan te merken (rov. 4.19.2).

2.5.

[A] en [B] hebben bij akte het navolgende aangevoerd. [C] is in natura (de bedrijfsoverdracht) en in geld (de compensatie) bevoordeeld, zodat eenmaal een bedrag van fl. 125.000,-- bij de legitimaire massa moet worden gevoegd. Voorts stellen zij dat [A] , [B] en [E] de van hun ouders gehuurde woningen in verhuurde staat hebben gekocht zodat er geen sprake is van bevoordeling. Ook verwijzen zij naar de als productie 2 tot en met 4 overgelegde akten van kwijtschelding/schenking van 5 april 1990, waarin [H] en [F] beiden [A] , [B] respectievelijk [E] een deel van de koopprijs van de door hen gekochte woning hebben kwijtgescholden en daarnaast een bedrag hebben geschonken, in totaal steeds neerkomend op een bedrag van fl. 125.000,--.

Bij de berekening van de legitimaire massa dient de helft van deze schenkingen te worden meegenomen, nu beide ouders deze hebben gedaan.

2.6.

[C] verklaart in zijn akte na zoveel jaren niet meer in staat te zijn een opgaaf van jaarlijkse schenkingen te doen.

2.7.

[E] en [D] hebben bij akte het navolgende aangevoerd. [E] beschikt niet meer over stukken waarmee zij kan bewijzen welke schenkingen zij heeft ontvangen. De bewaartermijn van financiële bescheiden was al ruimschoots verstreken bij aanvang van deze procedure. Voorts voeren zij aan dat [A] , [B] en [E] niet tot inbreng verplicht zijn, nu [C] ten aanzien van de bedrijfsoverdracht ook niet inbrengplichtig geoordeeld is.

2.8.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De rechtbank stelt voorop dat het aan [A] en [B] is om, ter voldoening aan hun stelplicht, de vordering met voldoende feiten en omstandigheden te onderbouwen. Nadere gegevens over de jaarlijkse schenkingen ontbreken aangezien [C] en [E] hebben verklaard niet meer in staat te zijn een opgaaf hiervan te doen, hetgeen onweersproken is gebleven. [A] en [B] hebben in hun eigen akte niets over aan [B] eventueel gedane jaarlijkse schenkingen verklaard. Gelet op het voorgaande kan in deze procedure niet worden vastgesteld wat de omvang van de jaarlijkse schenkingen is geweest, zodat deze bij de vaststelling van de legitimaire porties buiten beschouwing zullen worden gelaten.

2.8.1.

Ter zake van de woningtransacties oordeelt de rechtbank dat ook niet vastgesteld kan worden dat daarin giften gelegen zijn, zoals [C] in zijn conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie heeft betoogd. [A] en [B] hebben, net als [E] , deze stelling van [C] betwist. In dat verband is door [A] en [B] onweersproken gesteld dat de woningen tegen de waarde in verhuurde staat zijn verkocht. Bovendien ontbreken nadere gegevens omtrent de werkelijke waarden van de woningen. Gelet hierop zullen de woningtransacties ook niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de legitimaire porties.

2.8.2.

Uit de door [A] en [B] als productie 2 tot en met 4 overgelegde akten van kwijtschelding/schenking van 5 april 1990 blijkt dat, anders dan de rechtbank in rov. 4.15.2 heeft overwogen, niet alleen [F] partij is geweest bij de aan [A] , [B] en [E] geschonken bedragen van fl. 125.000,--, maar ook [H] . De eerdere beslissing om die giften volledig aan [F] toe te rekenen berust dan ook op een onvolledige en daarmee onjuiste feitelijke grondslag. Bij de verdere beoordeling zal de rechtbank dan ook ervan uitgaan dat die (drie) giften slechts voor de helft kunnen worden toegerekend aan [F] Voor wat betreft de in 1992 aan [C] verleende compensatie van fl. 125.000,-- is er geen aanleiding om op de eerder genomen beslissing, om deze volledig aan [F] toe te rekenen, terug te komen.

2.9.

Met inachtneming van het voorgaande zullen de legitieme porties van [A] en [B] als volgt worden vastgesteld. De legitimaire massa bedraagt: € 444.433,95 − € 163.485,56 + € 141.806,32 (ofwel fl. 312.500, zijnde fl. 125.000 + 3 × de helft van fl. 125.000) = € 422.754,71. Het breukdeel bedraagt 1/8 (zie rov. 4.9 van het tussenvonnis van 30 december 2015), zodat de legitieme porties van [A] en [B] € 52.844,34 per persoon bedragen. Daarop worden op grond van artikel 4:70 BW de door [F] aan elk [A] en [B] gedane gift van € 28.361,26 (ofwel fl. 62.500, zijnde de helft van fl. 125.000) in mindering gebracht (zie rov. 4.15.2 van dat tussenvonnis). [A] en [B] kunnen uit hoofde van de legitieme portie in de nalatenschap van [F] dan ook elk aanspraak maken op een bedrag van € 24.483,07. Dienovereenkomstig zal vordering 2 worden toegewezen.

Inbreng en/of korting van schenkingen aan [C] in de nalatenschap van [H] (vordering 3)

2.10.

De rechtbank resumeert hetgeen in het tussenvonnis van 30 december 2015 ten aanzien van deze vordering reeds is overwogen en beslist:

- [A] , [B] , [C] en [E] zijn inbrengplichtig voor zover zij giften van [H] hebben ontvangen (rov. 4.21.1),

- [H] wordt voorshands niet als partij bij eventueel met de hiervoor in 2.4 bedoelde woningtransacties verband houdende giften aangemerkt, tenzij uit nader over te leggen stukken het tegendeel zou blijken (rov. 4.27).

2.11.

Met inachtneming van hetgeen partijen in hun akten naar voren hebben gebracht, oordeelt de rechtbank hierover als volgt.

2.11.1.

Ten aanzien van de woningtransacties is hiervoor onder 2.8.1 beslist dat niet vast is te stellen dat daarin giften gelegen zijn. Ten aanzien daarvan kan dan ook, nog daargelaten de vraag of [H] als partij valt aan te merken, geen inbreng gevorderd worden.

2.11.2.

Zoals hiervoor onder 2.8.2 is overwogen en beslist, volgt uit de door [A] en [B] als productie 2 tot en met 4 overgelegde akten van kwijtschelding/schenking van 5 april 1990 dat ook [H] partij is geweest bij de aan [A] , [B] en [E] geschonken bedragen van fl. 125.000,--. In diezelfde akten is echter een ontheffingsclausule opgenomen: "De kwijtschelding/schenking is geschied onder vrijstelling van de verplichting tot inbreng in de nalatenschap van schenkers." Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat die geschonken bedragen niet hoeven te worden ingebracht.

2.12.

De slotsom is dan ook dat vordering 3 zal worden afgewezen.

Vaststelling van de omvang van de nalatenschappen van [F] en [H] en de verdeling daarvan (vordering 4)

2.13.

De rechtbank resumeert hetgeen in het tussenvonnis van 30 december 2015 ten aanzien van deze vordering reeds is overwogen en beslist:

- de vordering zal voor wat betreft de nalatenschap van [F] worden afgewezen, omdat [A] en [B] als legitimarissen geen verdeling van die nalatenschap kunnen vorderen (rov. 4.28),

- het saldo van de nalatenschap van [H] is vastgesteld op
fl. 564.968,-- vóór aftrek van de uitvaartkosten ad fl. 19.132,-- (rov. 4.29).

2.14.

De nalatenschap van [H] ligt in de ontbonden huwelijksgemeenschap besloten. Alvorens die nalatenschap kan worden verdeeld, dient de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen [H] en [F] te worden verdeeld. Onder meer met het oog daarop heeft de rechtbank een comparitie gelast (rov. 4.30 van het tussenvonnis). Ter zitting hebben partijen, desgevraagd, eensluidend verklaard dat bij de verdeling van de onverdeelde huwelijksgemeenschap kan worden uitgegaan van de waarden ten tijde van het overlijden van [H] , zoals deze blijken uit de destijds opgemaakte successieaangifte (productie 3 bij de dagvaarding). Voor de peildatum van de waarde geldt de datum van de verdeling tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hier tegen verzet of partijen anders met elkaar zijn overeengekomen. Dat laatste doet zich hier dus voor.

2.15.

De rechtbank bepaalt de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt. Alle tot de huwelijksgemeenschap behorende bezittingen ter waarde van fl. 1.136.936,--, zoals blijkt uit de successieaangifte van in de nalatenschap van [H] (productie 3 bij de dagvaarding), worden toegedeeld aan (de nalatenschap van) [F] onder de gehoudenheid van (de nalatenschap van) [F] om:

- de tot die huwelijksgemeenschap behorende schuld ad fl. 7.000,--, zoals blijkt uit diezelfde successieaangifte, voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen, en

- wegens overbedeling een bedrag van fl. 564.968,-- aan (de nalatenschap van) [H] te voldoen.

2.16.

De nalatenschap van [H] bestaat vervolgens uit een vordering op de nalatenschap van [F] ter grootte van fl. 564.968,-- en een schuld van fl. 19.132,-- wegens de uitvaartkosten. In die nalatenschap zijn [A] , [B] , [C] , [E] elk voor 1/5 gerechtigd en [C] (daarnaast) en [D] als rechtsopvolgers van [F] elk voor 1/10. De rechtbank bepaalt de wijze van verdeling van de nalatenschap van [H] , rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang, als volgt. De vordering op de nalatenschap van [F] wordt, onder aftrek van de uitvaartkosten, naar evenredigheid van ieders gerechtigdheid in die nalatenschap toegedeeld:

- aan [A] voor 1/5, zijnde € 49.537,92 (ofwel fl. 109.167,20),

- aan [B] voor 1/5, zijnde € 49.537,92 (ofwel fl. 109.167,20),

- aan [C] voor 3/10, zijnde € 74.306,87 (ofwel fl. 163.750,80),

- aan [E] voor 1/5, zijnde € 49.537,92 (ofwel fl. 109.167,20),

- aan [D] voor 1/10, zijnde € 24.768,96 (ofwel fl. 54583,60).

Dienovereenkomstig zal vordering 4 worden toegewezen.

Tot slot

2.17.

In de familierelatie tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren, op de wijze zoals hierna zal worden beslist.

in reconventie

2.18.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 30 december 2015 reeds overwogen en beslist dat de vorderingen van [C] , [D] en [E] zullen worden afgewezen, met uitzondering van de door [C] onder I gevorderde verklaring van recht.

2.19.

Om dezelfde reden als in conventie, zullen de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

stelt de legitieme porties van [A] en [B] in de nalatenschap van [F] op de hiervoor onder 2.9 bepaalde wijze vast,

3.2.

stelt de verdeling van de nalatenschap van [H] op de hiervoor onder 2.16 bepaalde wijze vast,

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

3.5.

compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

3.6.

verklaart voor recht dat [A] en [B] ter zake van de verdeling van de destijds bestaan hebbende vennootschap onder firma Fa. [naam v.o.f.] geen andere aanspraak meer hebben dan hetgeen hen bij akte van verdeling van 5 april 1990 is toebedeeld,

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

3.8.

compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2016.1

1 588