Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3725

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
10-08-2016
Zaaknummer
LEE 16/2663
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor de bouw van een vervangende brug aan de Binnendijk te Ryptsjerk. Verweerder was naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gehouden de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, omdat geen sprake is van de situatie dat de omgevingsvergunning zou moeten worden geweigerd op grond van één of meer van de weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Gelet op het voorgaande zal het primaire besluit naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar in stand blijven. Derhalve ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/2663

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 augustus 2016 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] ,

[verzoeker 2] ,

[verzoeker 3] ,

[verzoeker 4] ,

te [plaats] ,

verzoekers,

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel, verweerder

(gemachtigde: J. Kok).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Gedeputeerde Staten van Fryslân, te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Gedeputeerde Staten van Fryslân (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een vervangende brug aan de Binnendijk te Ryptsjerk. De vergunning is verleend ten behoeve van de activiteit bouwen.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2016. Verzoekers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.1.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

1.2.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang als hiervoor bedoeld hebben, omdat vergunninghouder gebruik kan maken van de verleende omgevingsvergunning.

3. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de bouwverordening, het Bouwbesluit dan wel de redelijke eisen van welstand. Deze weigeringsgronden zijn limitatief en imperatief van aard. Dit betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer toetsingsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend, indien geen sprake is van één van deze weigeringsgronden. Indien dat laatste het geval is, staat het verweerder, gelet op de dwingende formulering van genoemd artikel, niet vrij om een ruimer toetsingskader te hanteren en zal hij ook aan een belangenafweging niet toekomen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend, omdat zich volgens verweerder geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat met de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens aannemelijk is geworden dat het project voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening en het geldende bestemmingsplan. Ook is geen sprake van strijd met de redelijke eisen van welstand.

5. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat het project op twee punten niet in overeenstemming is het bestemmingsplan. Verzoekers voeren in de eerste plaats aan dat het project uitsluitend is getoetst aan de hoogteregeling van het bestemmingsplan in de bestemming ‘Verkeer-1’. Deze toets is naar de mening van verzoekers niet volledig. Er dient volgens verzoekers ook getoetst te worden aan het voor de weg opgenomen dwarsprofiel. Met de aanleg van de brug en op- en afritten wordt van het in het bestemmingsplan opgenomen dwarsprofiel afgeweken. Dit is in strijd met het bestemmingplan. Door de opschuiving van de brug in westelijke richting komt de brug in de tweede plaats voor een deel in de bestemming ‘Water-1’ te liggen. De functie van het kunstwerk is in strijd met deze bestemming.

6. De voorzieningenrechter overweegt dat het project binnen het bestemmingsplan “Ryptsjerk 2009” (het bestemmingsplan) valt. De brug wordt voor het grootste gedeelte opgericht binnen de bestemming ‘Verkeer-1’. Binnen de bestemming ‘Verkeer-1’ zijn op grond van artikel 18.1 van de planvoorschriften ontsluitingswegen en -straten en paden toegestaan met daarbijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder kunstwerken. Onder kunstwerk moet op grond van de bestemmingsplandefinities worden verstaan een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct of een sluis dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening. Op grond van artikel 18.2.2 van de planvoorschriften geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste vijf meter bedraagt. Niet in geschil is dat het project hier aan voldoet.

6.1.

Op grond van artikel 18.3 van de planvoorschriften wordt tot gebruik, strijdig met de bestemming, in ieder geval gerekend het inrichten van het bestemmingsvlak in afwijking van het (de) aangegeven dwarsprofiel(en). Volgens de toelichting op het bestemmingsplan geldt Dwarsprofiel 2 voor de gehele Binnendijk. De brug wordt gebouwd op gronden met de verkeersbestemming. Verweerder heeft te kennen gegeven dat voor zover het bouwen van een kunstwerk mede onder het inrichten van het bestemmingsvlak moet worden gerekend, het plan is getoetst aan dit dwarsprofiel. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de huidige weginrichting verandert met het verhogen van de nieuwe brug. Er blijft, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, sprake van een overgang over het water van circa acht meter breedte (van leuning tot leuning van de brug gemeten). De wegbreedte wijzigt daarmee niet en ook het aantal rijstroken blijft ongewijzigd. Derhalve kan niet gezegd worden dat met het project het bestemmingsvlak wordt ingericht in afwijking van het dwarsprofiel. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het project niet in strijd is met artikel 18.3 van de planvoorschriften.

6.2.

Een klein deel (ruim één meter) van de brug komt te liggen op de gronden met de bestemming ‘Water-1’. Binnen de bestemming ‘Water-1’ zijn sloten, vaarten, kanalen, meren en plassen, en daarmee gelijk te stellen waterlopen en waterpartijen toegestaan, al dan niet voor verkeer en vervoer te water, met daaraan ondergeschikt paden en met de daarbijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder kunstwerken. Binnen de bestemming ‘Water-1’ mogen aldus kunstwerken (bijvoorbeeld een brug) worden opgericht. Het deel van de brug dat binnen de bestemming ‘Water-1’ wordt opgericht, wordt gebruikt als voetpad. Gronden met deze bestemming mogen worden gebruikt voor paden. Aldus is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van strijd met de bestemming ‘Water-1’. Op grond van artikel 20.2.2, onder a, ten derde, van de planvoorschriften geldt voorts dat de bouwhoogte van kunstwerken ten hoogste vijftien meter bedraagt. Niet in geschil is dat het project hier aan voldoet.

6.3.

Gelet op het voorgaande voldoet het project naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aan de vereisten zoals deze zijn neergelegd in het bestemmingsplan.

7. Verzoekers stellen zich voorts op het standpunt dat de verhoogde brug niet past bij het DNA van het dorp en dat het project aldus in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Verzoekers hebben in dit verband verwezen naar een stuk van [stedenbouwkundige] , stedenbouwkundige.

7.1.

Verweerder heeft in dit kader opgemerkt dat de gemeentelijke welstandsnota geen specifieke (objectgerichte) criteria voor bruggen bevat. De brug is functioneel ontworpen. Aan het algemene criterium dat een ontwerp voldoende samenhang moet kennen voor wat betreft de onderlinge relatie tussen de samenstellende delen wordt voldaan. Hierbij heeft verweerder te kennen gegeven dat in ruimtelijk opzicht de verandering gering van aard is. De weg verschuift iets in westelijke richting, maar het wegprofiel blijft gelijk. De meest in het oog springende verandering is de gevarieerde verhoging tot maximaal 65 cm boven het niveau van de huidige brug. Een verandering is het zeker, maar in het DNA van ieder dorp zitten ruimtelijke aanpassingen aan de eisen van de tijd besloten, aldus verweerder. Dit

wordt volgens verweerder ook in de welstandsnota onderkent. In de beschrijving van het aspect ruimte is aan de invloed van de tijd via het proces van groei, ontwikkeling, veroudering, herstel en vervanging afleesbaar in de bebouwing. De vanouds gemengde functie van de dorpskern komt daarbij tot uitdrukking in het bebouwingsbeeld. Daarnaast heeft de architect met het vormgeven van de brugleuning gezocht naar een voor het dorp Ryptsjerk specifieke oplossing. Dit maakt de brug volgens verweerder qua uiterlijk in ruimtelijk opzicht goed inpasbaar. De balustrade is functioneel (valbeveiliging en voorkomen inschijnende lampen) maar is ook een eigentijdse verwijzing van de architect naar het landschap met zijn rietkragen die een overgang vormen tussen nat en droog, en naar het dorpswapen en het beeld van De Leiker. Mee in aanmerking genomen dat de nieuwe brug functioneel van aard is, en dus geen verlaagd alternatief mogelijk maakt, is verweerder van mening dat de brug op het aspect ruimte voldoet aan redelijke eisen van welstand.

De verschuiving van de brug in westelijke richting brengt volgens verweerder geen aantasting van de ruimtelijke waarden met zich mee. Wel ontstaat hierdoor wat meer ruimte aan de oostkant. Zo kan het bestaande oostelijke voetpad blijven bestaan en resteert tussen het voetpad en brug ruimte om het talud te maken waardoor de directe aansluiting van de tuinen met het openbaar gebied niet wijzigt. Ook op het aspect plaatsing is verweerder aldus van mening dat de brug voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Verweerder wijst er verder op dat de hoofdvorm van de brug geheel is ingegeven door de functionele eisen. Hierdoor ontstaat een vorm met voldoende doorvaarhoogte en -breedte en zullen de af- en opritten aan weerskanten van de brug uiteindelijk weer aansluiten op de bestaande hoogtes van de bestrating. De leuningen zijn gevormd volgens het

principe van wuivend riet, dat een verwijzing van de architect naar het landschap is.

7.2.

Naar voorlopig oordeel heeft verweerder, met hetgeen hiervoor is weergegeven, afdoende gemotiveerd dat het project voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het door verzoekers overgelegde stuk van [stedenbouwkundige] maakt niet anders. In dit verband merkt de voorzieningenrechter op dat de gemeentelijk welstandsnota, onbestreden, geen specifieke (objectgerichte) criteria voor bruggen bevat. Uit het stuk blijkt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet waarom het project niet zou voldoen aan het algemene criterium dat een ontwerp voldoende samenhang moet kennen voor wat betreft de onderlinge relatie tussen de samenstellende delen.

8. Gelet op het voorgaande was verweerder naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gehouden de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, omdat geen sprake is van de situatie dat de omgevingsvergunning zou moeten worden geweigerd op grond van één of meer van de weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Gelet op het voorgaande zal het primaire besluit naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar in stand blijven. Derhalve ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

9. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.T. Hofman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.