Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3714

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
23-09-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1043
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouw 180 éénkamerappartementen aan de Oosterhamrikkade 103-107, 6;22 Awb, verklaring van geen bedenkingen, stedelijke ontwikkeling, ruimtelijke onderbouwing, beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/1043 en LEE 16/1059

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 augustus 2016 in de zaak tussen

I. [naam] e.a., te Groningen, [eisers]

II. Doesburg Autoverhuur B.V., te Groningen, eiseres Doesburg

(gemachtigde: mr. A.A. Westers)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder

(gemachtigden: H.K. de Jonge en H. Postma).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Geveke Bouw & Ontwikkeling, te Haren (gemachtigde: mr. W.R. van der Velde).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Geveke Bouw & Ontwikkeling (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw met 180 éénkamerappartementen aan de Oosterhamrikkade 103-107 te Groningen. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen en strijdig gebruik.

[eisers] en eiseres Doesburg hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Namens [eisers] is

[naam] verschenen. Namens eiseres Doesburg is [naam 2] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens vergunninghouder zijn [namen] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Door [eisers] en eiseres Doesburg zijn zienswijzen ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan vergunninghouder de omgevingsvergunning verleend.

1.1.

Eiseres Doesburg heeft aangevoerd dat verweerder in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld omdat de ruimtelijke onderbouwing, zijnde een op het ontwerpbesluit betrekking hebbend stuk, niet ter inzage heeft gelegen.

1.1.1.

De rechtbank overweegt dat het bestuursorgaan op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage legt, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerpbesluit. De ruimtelijke onderbouwing dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een op de zaak betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig was voor de beoordeling van het ontwerpbesluit. Uit het dossier is de rechtbank niet gebleken dat de ruimtelijke onderbouwing met het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen. Ter zitting heeft verweerder evenmin aannemelijk gemaakt dat de ruimtelijke onderbouwing met het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Nu niet vast staat dat de ruimtelijke onderbouwing met het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen, neemt de rechtbank aan dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb is vastgesteld.

1.1.2

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiseres Doesburg door de schending van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb is benadeeld. Voorts is niet gebleken dat meer belanghebbenden hun zienswijze zouden hebben ingediend indien de ruimtelijke onderbouwing ter inzage zou hebben gelegen. Aangenomen mag worden dat eventuele andere belanghebbenden een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht waarin zou zijn gewezen op het niet ter inzage liggen van de ruimtelijke onderbouwing, dan wel dat zij, na desgevraagd inzage te hebben gekregen in de ruimtelijke onderbouwing, na kennisneming daarvan een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat geen belanghebbenden door de schending van de bepaling zijn benadeeld. De rechtbank ziet aldus aanleiding de schending van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

2. Onderhavige locatie valt binnen het bestemmingsplan “Waterrand Oosterparkwijk” (het bestemmingsplan). Op grond van het bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming ‘wonen’, met hoogteaccent 2. De maximale bouwhoogte mag blijkens de plankaart niet meer dan veertien meter bedragen. Op grond van artikel 9.2.2 van de planvoorschriften mogen gebouwen uitsluitend binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak dan wel differentiatievlak worden gebouwd, met dien verstande dat geen hoofdgebouwen zijn toegestaan op gronden die zijn voorzien van de aanduiding ‘parkeerdek’. In het bestemmingsplan is geen voorschrift opgenomen over het minimale of maximale aantal appartementen per bouwlaag.

2.1.

Niet in geschil is dat het project in strijd is met het bestemmingplan. Een gedeelte van het gebouw overschrijdt de maximale toegestane hoogte van veertien meter met vier meter, waarbij de liftschacht een extra verhoging oplevert (19,25 meter). Daarnaast ontbreekt in het project een in het bestemmingsplan voorgeschreven parkeerdek of ondergrondse parkeervoorziening en is er een overschrijding van de maximaal toegestane bebouwingsdiepte, waardoor het gebouw deels in de aanduiding ‘parkeerdek’ wordt gerealiseerd. Voorts wordt aan de achterzijde van het bouwperceel niet in de structuurbepalende bouwgrens gebouwd.

3. Verweerder heeft voor de verlening van de omgevingsvergunning toepassing gegeven aan artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo gelezen in samenhang met de artikelen 2.10 en 2.12, eerste lid, onder a, ten derde, van de Wabo.

3.1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten derde, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

3.2.

De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat wanneer is voldaan aan de voorwaarden zoals neergelegd in 2.12, eerste lid, onder a, ten derde, van de Wabo verweerder bevoegd is een omgevingsvergunning te verlenen. De omstandigheid dat, zoals [eisers] hebben betoogd, herziening van het bestemmingsplan in onderhavig geval meer in de rede had gelegen, maakt dit niet anders. De rechtbank overweegt verder dat hetgeen [eisers] hebben aangevoerd met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan, in het kader van onderhavige procedure onbesproken dient te blijven. Het bestemmingplan, dat met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 december 2011 (zaak nr. 201006462/1/R4) onherroepelijk is geworden, ligt in onderhavige procedure niet ter toetsing voor.

4. Eiseres Doesburg heeft aangevoerd dat door de gemeenteraad geen verklaring van geen bedenkingen is afgegeven. Ten onrechte stelt verweerder zich volgens eiseres Doesburg op het standpunt dat onderhavig project onder de Categorieënlijst van geen bedenkingen Wabo (de categorieënlijst) valt waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad meer is vereist. Er is geen sprake van bestaande woningen. Ter plaatse van een oude bestemming ‘handel en industrie’ worden thans 180 nieuwe woningen gebouwd. Ook past het project niet in de bestaande ruimtelijke en functionele structuur, noch in de voorgenomen structuur op grond van het vigerende bestemmingsplan.

4.1.

Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten derde, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de verklaring slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

Op grond van het derde lid van dit artikel kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

Bij besluit van 25 mei 2011 heeft de gemeenteraad de categorieënlijst vastgesteld.

4.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat onderhavig project voldoet aan de voorwaarden van Categorie A van de categorieënlijst. Categorie A is bedoeld voor het vernieuwen, veranderen, vergroten, uitbreiden, vervangen en/of wijzigen van het gebruik van woningen en bijbehorende bouwwerken, woongebouwen en andere gebouwen mits:

1. het project naar aard en schaal in de bestaande ruimtelijke en functionele structuur past; 2. vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie plaatsvindt;

3. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten beperkt blijft tot de categorieën 1 en 2, bedoeld in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering.

Het project betreft volgens verweerder het vervangen van “andere gebouwen”, zoals genoemd in categorie A van de categorieënlijst. Er wordt voldaan aan de drie genoemde voorwaarden om categorie A te mogen gebruiken, aldus verweerder.

4.2.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het project, mede gezien de bestemming die de locatie op grond van het bestemmingsplan heeft en de voorgenomen ontwikkeling van de Oosterhamrikzone, voldoet aan de voorwaarden van categorie A van de categorieënlijst. De omstandigheid dat geen sprake is van bestaande woningen maakt dit niet anders, reeds niet nu categorie A ook van toepassing is bij het vervangen van andere gebouwen. Niet in geschil is dat op onderhavige locatie gebouwen staan.

De rechtbank acht in dit verband voorts van belang dat verweerder te kennen heeft gegeven dat de gemeenteraad aan de categorieënlijst de voorwaarde heeft verbonden dat hij vooraf op de hoogte wordt gebracht wanneer verweerder voornemens is van de categorieënlijst gebruik te maken. In de gevallen dat de gemeenteraad zelf de regie wil voeren, zal zij dat aan verweerder kenbaar maken (“piepsysteem”). In onderhavig geval blijkt uit de door verweerder overgelegde brief van 19 augustus 2014 dat het project aan de gemeenteraad is voorgelegd. De gemeenteraad heeft het project besproken in zijn vergaderingen van

1 oktober 2014 en 14 oktober 2014. De gemeenteraad heeft geen aanleiding gezien om verweerder niet bevoegd te verklaren. Eiseres Doesburg heeft dit ter zitting niet weersproken.

Gelet op het voorgaande is een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, niet vereist. De beroepsgrond slaagt niet.

5. [eisers] en eiseres Doesburg stellen zich op het standpunt dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is. Eiseres Doesburg betoogt in dit verband onder meer dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Zij voert daartoe aan dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat een actuele regionale behoefte bestaat aan 180 éénkamerappartementen op onderhavig perceel. De ruimtelijke onderbouwing is voorts volgens [eisers] en eiseres Doesburg zeer summier en gaat niet in op de relevante omgevingsfactoren voor de omliggende gronden.

5.1.

Ingevolge artikel 5.20 van het Bro zijn, voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten derde, van de wet de artikelen 3.1.2, 3.1.6, 3.3.1, eerste lid, van het Bro van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

5.1.1.

De rechtbank overweegt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet in acht heeft genomen. Niet in geschil is dat het project voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder in de aan bestreden besluit ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing weliswaar niet met zoveel woorden heeft gesteld dat het heeft onderzocht of wordt voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, maar uit de ruimtelijke onderbouwing kan niet anders worden geconcludeerd dan dat hetgeen daarin is vermeld mede ziet op de vraag of aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro wordt voldaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

5.1.2.

In de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen naar de Structuurvisie “Stad op Scherp 2008-2020” (de structuurvisie) en het Studentenhuisvestingsbeleid. Verder heeft verweerder in de zienswijzennota gewezen op de op 24 juni 2015 vastgestelde woonvisie “Wonen in de stad” (de woonvisie). In de structuurvisie is opgenomen dat woningen moeten worden gebouwd die voldoen aan de specifieke woonwensen en die aansluiten op de veranderde leefstijlen. Daarbij wordt benadrukt dat de bestaande kwaliteiten en kenmerken van de wijken extra aandacht krijgen. In de bestaande stad wil de gemeente meer woningen bouwen: betaalbare woningen voor starters, maar ook voor mensen met midden en hogere inkomens. Zo probeert de gemeente hen aan de stad te blijven binden en krijgen de stad en de wijken een breder sociaal en financieel draagvlak. Het ontwikkelen van dit project kan volgens verweerder daar een bijdrage aan leveren. In de structuurvisie ligt het accent op drie doelgroepen: jongerenhuishoudens, gezinnen en ouderen. Onderhavig project voorziet in woonruimte voor jongeren en past daarmee binnen de woonvisie, aldus verweerder.

5.1.3.

Onder verwijzing naar het Studentenhuisvestingsbeleid en de woonvisie heeft verweerder opgemerkt dat de studentenpopulatie ongeveer 13% van de totale bevolking bedraagt en daarmee zorgt voor de nodige levendigheid zoals die hoort bij een grote stad. Ook is deze groep van economisch belang voor de stad. Alleen al aan de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) en de Hanzehogeschool werken ongeveer 7.500-8.000 mensen. Er studeren momenteel ongeveer 45.000 studenten in Groningen, waarvan 50% in de stad Groningen woont. Om het belang van studentenhuisvesting te onderstrepen is in het collegeprogramma “Sterk, Sociaal, Duurzaam 2006-2010” de bouwopgave voor studentenhuisvesting opgenomen. De verwachting van voornoemde onderwijsinstellingen is dat zij groeien tot circa 51.000 studenten. Om deze groei op te kunnen vangen, zijn extra kamers nodig. De gemeente heeft in samenwerking met onder andere de corporaties daartoe een nieuwbouwprogramma opgezet. Met de toename van het aantal particuliere kamers moet dit uiteindelijk leiden tot in totaal circa 4.200 nieuwe kamers. Daarnaast is een extra vraag naar kamers ontstaan als gevolg van de groei van het aantal buitenlandse studenten. Onderzoek laat zien dat de stad in de particuliere sector over te veel kleine onzelfstandige kamers beschikt. Daar komt bij dat vergeleken met vier jaar geleden de markt meer ontspannen is. Hier en daar ontstaat zelfs enige leegstand. Toch is dit volgens verweerder geen reden om niets te doen. De kwaliteit van veel jongerenwoningen schiet namelijk tekort. Zo geeft 58% van de jongeren aan een verhuisbehoefte te hebben. Ze willen vooruit, groter, betere voorzieningen, meer privacy of een locatie dichterbij werk of studie. Het woningaanbod strookt niet meer met de vraag. Tegelijkertijd wil verweerder de balans in de wijken herstellen door het verminderen van de druk op de bestaande voorraad. Ondanks een meer ontspannen markt ziet verweerder vooral in de populaire wijken de kamerverhuur verder toenemen. Om straten waar veel kamerverhuurpanden zijn bijgekomen te ontlasten, is het volgens verweerder gewenst om nieuwbouwprojecten zoals aan de Oosterhamrikkade te realiseren. Daarmee neemt de druk op de particuliere markt in de schilwijken rond de binnenstad af. Eiseres Doesburg heeft voorgaande niet bestreden.

5.1.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de hiervoor weergegeven motivering aannemelijk gemaakt dat het project voorziet in een actuele regionale behoefte. Aangezien niet in geschil is dat met het project in die behoefte binnen bestaand stedelijk gebied zal worden voorzien, wordt aan vereiste onder c, van artikel 3.1.6, tweede lid, van de Bro niet toegekomen, zodat de in de ruimtelijke onderbouwing gegeven motivering in relatie tot de in voornoemd artikel neergelegde zogeheten ladder voor duurzame verstedelijking naar het oordeel van de rechtbank voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
De beroepsgrond faalt.

5.2.

Met betrekking tot de vereisten voor een goede ruimtelijke onderbouwing overweegt de rechtbank vervolgens dat sprake moet zijn van een weergave van de ruimtelijke effecten van het project op het desbetreffende gebied en een visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied waarbinnen het project moet passen. De rechterlijke toetsing van de door verweerder gegeven ruimtelijke onderbouwing dient terughoudend te zijn. Hierbij moet bedacht worden dat aan verweerder bij de invulling hiervan een zekere ruimte toekomt. De beoordeling dient zich te beperken tot de vraag of de gegeven ruimtelijke onderbouwing naar haar aard en inhoud en de wijze van totstandkoming in redelijkheid in rechte kan worden gehandhaafd.

5.2.1.

Verweerder heeft aan het besluit een uitgebreide ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegd. De rechtbank stelt vast dat verweerder ten behoeve van alle afwijkingen van het bestemmingsplan, ook de afwijkingen die met een binnenplanse ontheffing mogelijk waren geweest, een ruimtelijke onderbouwing heeft opgesteld. In de ruimtelijke onderbouwing is het geldende beleid weergegeven, is een beschrijving van het bestaande gebied opgenomen en is ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan en de invloed van het project op de omgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de ruimtelijke onderbouwing aan de daaraan gestelde wettelijke vereisten. In de ruimtelijke onderbouwing is op alle ruimtelijk relevante consequenties van het project voor de omgeving ingegaan en is een motivering gegeven waarom afwijking van het geldend planologisch regime niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is gemotiveerd aangegeven dat het project past binnen de doelstellingen van het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid.

De rechtbank ziet in hetgeen [eisers] en eiseres Doesburg hebben aangevoerd geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat verweerder de ruimtelijke onderbouwing niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. In dit verband neemt de rechtbank in aanmerking dat in het betoog van [eisers] niet is onderkend dat de ruimtelijke onderbouwing betrekking heeft op de afwijking van het thans geldende bestemmingsplan, dat in beginsel een woningbouwproject zoals nu in de omgevingsvergunning is voorzien reeds mogelijk maakt. Anders dan [eisers] kennelijk menen, behoeft in de ruimtelijke onderbouwing en de afweging van belangen niet te worden uitgegaan van de thans bestaande feitelijke situatie of van het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan. In zoverre gaan zij er met hun betoog aan voorbij dat het geldende bestemmingsplan het planologische kader vormt waaraan de voorliggende omgevingsvergunning moet worden getoetst en dat dat bestemmingsplan thans niet meer ter beoordeling staat en als een gegeven moet worden beschouwd (zie rechtsoverweging 3.2). De rechtbank overweegt dat [eisers] hun stelling dat de parkeernorm waar verweerder van uit is gegaan (0,1 bij huur/koop appartementen met een oppervlakte van minder dan 50 m²) ontoereikend zou zijn, niet nader hebben onderbouwd. Met betrekking tot de stelling van [eisers] dat de wegenstructuur langs de kade onvoldoende capaciteit heeft om de extra verkeersbewegingen op te vangen die het gevolg zullen zijn van dit project, overweegt de rechtbank dat [eisers] niet aannemelijk hebben gemaakt dat het project ten opzichte van hetgeen op grond van het bestemmingsplan reeds is toegestaan een (onevenredig) grotere verkeersaantrekkende beweging met zich zal brengen.

6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid de belangen die zijn gediend met het realiseren van het project zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van [eisers] en eiseres Doesburg. De stelling van eiseres Doesburg dat verweerder met het verlenen van de omgevingsvergunning de ontwikkelmogelijkheden van eiseres Doesburg heeft beperkt, leidt niet tot een ander oordeel, reeds niet omdat onderhavig project de ingevolge het bestemmingsplan ter plaatse van haar gronden bestaande bouwmogelijkheden ongemoeid laat. Verweerder dient verder te beslissen omtrent het project zoals dit is ingediend. Indien het project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres Doesburg niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke situatie zich hier voordoet.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten derde, van de Wabo. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzitter, en mr. H.J. Bastin en

mr. V. van Dorst, leden, in aanwezigheid van mr. C.T. Hofman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.