Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3695

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
06-04-2017
Zaaknummer
C/17/129105 / HA ZA 13-245
Rechtsgebieden
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Onrechtmatige besluitvorming. Vertragingsschade. Formele rechtskracht. Relativiteit. Belanghebbende (onderscheid tussen aanvrager en andere betrokkenen). Good governance. Artikel 1 Eerste Protocol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/129105 / HA ZA 13-245

Vonnis van 10 augustus 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap

[de Holding] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. de besloten vennootschap

[B.V.2] ,

gevestigd in de gemeente [X] ,

3. [dhr. A.]

wonende te [woonplaats] ,

tezamen: eisers,

advocaat: mr. M.R. Gans, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE OOSTSTELLINGWERF,

zetelend te Oosterwolde ,

gedaagde,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden .

Partijen zullen hierna de Holding, [B.V.2] , [dhr. A.] en de gemeente worden genoemd. Zonodig zullen eisers gezamenlijk als [eisers] worden aangeduid.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek tevens akte aanvulling gronden/wijziging/aanvulling eis;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[dhr. A.] is eigenaar van een bedrijfspand aan de [straat] te [vestigingsplaats] (hierna verder te noemen: het bedrijfspand), gelegen op industrieterrein " [Y] " te [vestigingsplaats] . De Holding is enig aandeelhouder van [B.V.2] . Alle aandelen in de Holding worden middellijk gehouden door de zonen van [dhr. A.] .

Zij vormen het bestuur van de Holding, samen met de Stichting [Z] . [dhr. A.] is voorzitter van deze stichting. [B.V.2] is een vennootschap die sinds 1995 tot het familiebedrijf behoort.

2.2

Op grond van artikel 3 lid 6 van het bestemmingsplan "Industrieterrein [Y] ", dat in oktober 2005 het vigerende planologische kader vormde, kon het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf (hierna verder te noemen: het college) afwijken van het bestemmingsplan door op gronden met de aanduiding "detailhandel en kantoren toegestaan (verruimde regeling)" de vestiging van een bouwmarkt toe te staan (binnenplanse vrijstelling). Van deze bevoegdheid mocht slechts onder vier, limitatief opgesomde, voorwaarden (artikel 3 lid 9 aanhef en sub a tot en met d) gebruik worden gemaakt.

2.3

Bij brief van 3 oktober 2005 heeft de Holding het college verzocht binnenplanse vrijstelling ex artikel 3 lid 6 van het bestemmingsplan te verlenen ten behoeve van de vestiging van een Gamma-bouwmarkt in het bedrijfspand.

2.4

Bij brief van 1 december 2005 heeft het college de Holding het volgende meegedeeld:

"Uw verzoek kan op grond van het bestemmingsplan Industriepark [Y] niet zonder meer worden gehonoreerd. Dat kan slechts via het verlenen van een vrijstelling van ons college. Bij het verlenen van die vrijstelling moeten wij uw verzoek toetsen aan de daarvoor in het bestemmingsplan opgenomen criteria. U bent niet het enige bedrijf dat recent een verzoek tot het vestigen van een bouwmarkt in [vestigingsplaats] heeft ingediend. Wij vinden het vanzelfsprekend meerdere verzoeken in onderlinge samenhang te beoordelen, waarbij voor ons tevens van belang is een uitspraak van de gemeenteraad over het vestigen van gelijksoortige bedrijven op het industrieterrein te [vestigingsplaats] . Achterliggende gedachte is tevens, dat wij trachten leegstand en mogelijke verpaupering door

oververtegenwoordiging van de bouwmarktbranche zo veel mogelijk te voorkomen. Dat is, naar wij

veronderstellen, ook niet in uw belang. Wij hebben nog enige tijd nodig om op uw verzoek te beslissen. In ieder geval kunnen wij niet binnen de termijn van 8 weken beslissen die in artikel 3:14 van de Algemene wet bestuursrecht is genoemd."

2.5

Bij besluit van 13 december 2005 heeft het college de door de Holding verzochte vrijstelling verleend en deze bij brief van 22 december 2005 aan de Holding toegezonden. In het besluit (hierna te noemen: het vrijstellingsbesluit) heeft het college onder meer overwogen dat het vrijstellingsverzoek voldoet aan de onder artikel 3 lid 9 sub a tot en met d van het bestemmingsplan vermelde toetsingscriteria. In de brief van 22 december 2005 heeft het college de Holding geadviseerd goed te overwegen of markttechnisch bezien een derde bouwmarkt in [vestigingsplaats] (naast een bestaande bouwmarkt en een nog te realiseren bouwmarkt) wel voldoende levenskansen heeft. Bij brief van 17 januari 2006 heeft het college nogmaals een afschrift van het vrijstellingsbesluit verstrekt aan de Holding. In deze brief heeft het college zijn in de brief van 22 december 2005 verwoorde advies aan de Holding herhaald.

2.6

Bij brief van 22 december 2005 heeft het college de Holding onder meer het volgende meegedeeld:

"Op 1 december j.l. hebben wij u bericht, dat wij nog enige tijd nodig hadden om op uw verzoek tot het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan [Y] ten behoeve van een vestiging van een bouwmarkt aan de [straat] te [vestigingsplaats] , een besluit te nemen. In het verleden zijn er namelijk een aantal verzoeken tot het vestigen van een bouwmarkt geweest en tegelijk met uw aanvraag lag er nog een aanvraag voor de vestiging van een bouwmarkt. Wij hebben besloten vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan [Y] voor het onderbrengen van een bouwmarkt in het pand [straat] . Ook de tweede aanvraag (de rechtbank leest: een verzoek van een andere partij dan eisers) willen wij in principe positief benaderen; voor deze aanvraag zal gebruik moeten worden gemaakt van de wijzigingsbepaling zoals aangegeven in het bestemmingsplan. Wij adviseren u, bij deze, goed te overwegen of het markttechnisch bezien, naast de andere bouwmarkt in de Woonboulevard en één te bouwen achter de Woonboulevard, een derde bouwmarkt wel voldoende levenskansen heeft."

2.7

Op 20 februari 2006 heeft Formido Bouwmarkten B.V. en de in [vestigingsplaats] gevestigde Formido (hierna verder gezamenlijk te noemen: Formido) bezwaar gemaakt tegen het vrijstellingsbesluit. Daarnaast hebben zij op 29 juni 2006 de voorzieningenrechter van de toenmalige rechtbank Leeuwarden (sector bestuursrecht, hierna te noemen: de bestuursrechter) verzocht het vrijstellingsbesluit te schorsen.

2.8

Bij uitspraak van 28 juli 2006 (met kenmerk: AWB 06/1611) heeft de bestuursrechter het vrijstellingsbesluit geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het (nog te nemen) besluit op bezwaar. Daartoe heeft de bestuursrechter het volgende overwogen:

"Verweerder (de rechtbank leest: het college) heeft geen DPO (opmerking rechtbank: distributieplanologisch onderzoek, hierna verder te noemen: DPO) laten opstellen. (….). De voorzieningenrechter acht het (….) zeker niet onaannemelijk dat uit een DPO zal blijken dat in [vestigingsplaats] geen enkele distributieve ruimte aanwezig meer is in de doe-het-zelf-branche, zodat een ernstige verstoring van het voorzieningenniveau op voorhand niet uitgesloten is. Verweerder heeft dit miskend. Verweerder dient in het kader van de heroverweging door middel van een DPO te onderzoeken of de verleende vrijstelling (….) wel gehandhaafd kan blijven."

2.9

Bij brief van 14 augustus 2006 heeft [eisers] een DPO, getiteld "Onderzoek marktruimte doe-het-zelfbranche [vestigingsplaats] ", toegezonden aan het college. Dit DPO is in opdracht van de Holding opgesteld door Intergamma B.V., de franchisegever van onder meer Gamma-bouwmarkten. Naar aanleiding van dit DPO heeft het college de Holding bij brief van 5 oktober 2006 verzocht te reageren op een aantal opmerkingen zijdens het college op het DPO. Ook Formido heeft een DPO opgesteld en deze onder de aandacht gebracht van het college. Bij brieven van 26 oktober 2006 heeft het college Formido en de Holding in de gelegenheid gesteld om over en weer op elkaars DPO te reageren. Bij brieven van

10 november 2006 respectievelijk 16 november 2006 hebben Formido en de Holding gereageerd.

2.10

Op 20 december 2006 heeft de Holding beroep ingesteld tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit door het college op het bezwaarschrift van Formido tegen het vrijstellingsbesluit.

Tijdens de mondelinge behandeling van dit beroep op 26 januari 2007 heeft het college toegezegd dat uiterlijk op 13 februari 2007 beslist zal worden op het bewaarschrift van Formido. Het college heeft deze toezegging echter geen gestand gedaan.

2.11

Bij uitspraak van 19 februari 2007 (met kenmerken: AWB 06/2828 en

AWB 06/2829) heeft de bestuursrechter op verzoek van de Holding, in het kader van de procedure als bedoeld in rechtsoverweging 2.10, het college opgedragen om binnen twee weken na dagtekening van de uitspraak te beslissen op het bezwaarschrift van Formido.

2.12

Bij brief van 8 maart 2007 heeft het college de Holding het volgende meegedeeld:

"Ons college heeft nog geen beslissing op bezwaar genomen. De Raad van State heeft deze week bekendgemaakt dat de door het college af te wachten uitspraak langer op zich laat wachten. De uitspraaktermijn is met zes weken verlengd. Deze uitspraak bevat naar het oordeel van het college cruciale en aanvullende informatie voor de uitkomst van de te nemen beslissing op bezwaar. Het college betreurt dat niet is voldaan kan worden aan de uitspraak van de voorzieningenrechter. Echter in het belang van een juiste besluitvorming, acht het college om deze redenen verder uitstel gerechtvaardigd."

2.13

Op 12 maart 2007 heeft de Holding opnieuw beroep ingesteld tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit door het college op het bezwaarschrift van Formido tegen het vrijstellingsbesluit. Op 22 maart 2007 heeft het college alsnog beslist op dit bezwaarschrift en heeft het college, onder gegrondverklaring van het bezwaar, het vrijstellingsbesluit ingetrokken. Daartoe heeft het college overwogen:

"(….). Het bestemmingsplan Industriepark [Y] , artikel 3 lid 9, kent een aantal voorwaarden voor vestiging van een bouwmarkt na vrijstelling. (….). Wij zijn van mening dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. (….). Nu aan de voorwaarden van het bestemmingsplan wordt voldaan kan in beginsel de vrijstelling dus worden verleend. Alvorens gebruik te maken van deze bevoegdheid moeten de in het geding zijnde belangen worden afgewogen.

Sprake van duurzame ontwrichting

Concurrentievrees is in beginsel geen aanleiding om regulerend op te treden in het kader van de ruimtelijke ordening. Slechts als er sprake zal zijn van duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau, zodanig dat dit planologisch opzicht onaanvaardbaar is, is regulering mogelijk. Naar onze mening bestaat er cijfermatig gezien geen distributieve mogelijkheden voor de vestiging van de GAMMA, zodat een ernstige verstoring van het voorzieningenniveau in de dhz-branche op voorhand niet uitgesloten is. De vestiging van de GAMMA zal ongetwijfeld tot een concurrentiestrijd leiden, voornamelijk met de naastgelegen Formido, maar natuurlijk ook met de andere Doe-het-zelf-zaken in en om [vestigingsplaats] . Er zijn op dit moment al bovengemiddeld veel voorzieningen in deze branche aanwezig. Er is al een moderne bouwmarkt en een aantal speciaalzaken in verf en ijzerwaren in [vestigingsplaats] . Ook zijn er bouwmarkten in Appelscha en Haulerwijk. Uitgangspunt is voor ons de Detailhandelsstructuurvisie [vestigingsplaats] 2006, uitgevoerd door MKB Reva. In deze detailhandelsstructuurvisie zijn de distributieve mogelijkheden onderzocht voor detailhandel. GAMMA en Formido hebben ook een distributie-planologisch-onderzoek toegestuurd. Uit deze onderzoeken komen, zoals wellicht te verwachten, tegenstrijdige conclusies naar voren. Wij vallen terug op het aantal m² wvo in de dhz-branche in [vestigingsplaats] , waarbij, inclusief koopkrachttoevloeiing, rekening wordt gehouden met de klasse 10.000 - 15.000 consumenten (Locatus). In [vestigingsplaats] is aanwezig 3400 m²; gemiddeld in Nederland 3009 m².

Toelaten van nog een bouwmarkt, met een bruto vloeroppervlak van 2800 m², is een zeer grote uitbreiding van de bestaande voorzieningen in de dhz-branche en betekent een nog grotere oververtegenwoordiging. Cijfermatig gezien bestaan hiervoor geen distributieve mogelijkheden en dit is dus planologisch niet aanvaardbaar. De uitbreiding is dermate aanzienlijk dat deze zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de doe-het-zelf-branche en daarom in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Derhalve is er geen plaats voor nog een bouwmarkt."

2.14

Naar aanleiding van het alsnog op 22 maart 2007 door het college genomen besluit op bezwaar heeft de Holding de gronden van haar op 12 maart 2007 ingediende beroep op 23 april 2007 aangevuld met - zo begrijpt de rechtbank - inhoudelijke gronden tegen het besluit op bezwaar van 22 maart 2007.

2.15

Bij uitspraak van 1 november 2007 (met kenmerk: AWB 07/650) heeft de bestuursrechter het besluit op bezwaar van 22 maart 2007 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), met gegrondverklaring van het hiertegen gerichte beroep van de Holding, en het college opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van Formido. Daartoe heeft de bestuursrechter overwogen dat het college zijn standpunt dat de vestiging van een bouwmarkt in [vestigingsplaats] zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de doe-het-zelf-branche ontoereikend heeft gemotiveerd. In de uitspraak heeft de bestuursrechter met verwijzing naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van

3 augustus 2005 en 14 maart 2007 overwogen dat sprake is van duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau wanneer de beoogde uitbreiding van het verkoopvloeroppervlak zal leiden tot een aanzienlijke overschrijding van hetgeen uit distributieplanologisch oogpunt optimaal wordt geacht.

2.16

Tegen de uitspraak van 1 november 2007 is geen hoger beroep ingesteld bij de AbRS.

2.17

Naar aanleiding van de uitspraak van 1 november 2007 heeft MKB Reva in opdracht van het college op 3 december 2007 een DPO opgesteld, getiteld "Effectenanalyse doe-het-zelfbranche te [vestigingsplaats] ". Vervolgens hebben Formido en de Holding gereageerd op dit DPO en heeft het college deze reacties voorgelegd aan MKB Reva.

2.18

Bij besluit op bezwaar van 9 april 2008 heeft het college het vrijstellingsbesluit (opnieuw) ingetrokken. Daartoe heeft het college met verwijzing naar het DPO van

MKB Reva samengevat overwogen dat er geen distributieve ruimte aanwezig is voor een nieuwe bouwmarkt.

2.19

Bij uitspraak van 13 oktober 2008 (AWB 08/995) heeft de bestuursrechter het door de Holding tegen het besluit op bezwaar van 9 april 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen:

"3.8 Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat, nu uit het rapport van

MKB Reva van 3 december 2007 voldoende blijkt dat de komst van de bouwmarkt van eiseres zal leiden tot een aanzienlijke overschrijding van hetgeen uit distributieplanologisch oogpunt optimaal wordt geacht, verweerder zijn standpunt in redelijkheid heeft kunnen baseren op dat rapport. Het bestreden besluit kan de rechterlijke toetsing doorstaan."

2.20

De Holding is tegen de hiervoor bedoelde uitspraak in hoger beroep gegaan.

2.21

Bij uitspraak van 7 oktober 2009 (200807997/1/H1), voor zover van belang, heeft de AbRS het besluit op bezwaar van 9 april 2008 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 lid 1 Awb en het college opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van Formido tegen het vrijstellingsbesluit. In de uitspraak heeft de ABRS onder meer het volgende overwogen:

"2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 juni 2009, in zaak nr. 200806342/1/H1; www.raadvanstate.nl), komt voor het antwoord op de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in een bepaalde sector geen doorslaggevende betekenis toe aan het antwoord op de vraag of sprake is van overaanbod en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar aan het antwoord op de vraag of voor de inwoners van de gemeente een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen kunnen doen.

2.5.2. (…..).

Met de effectenanalyse en nadere rapportage van MKB Reva is voldoende aannemelijk geworden dat de realisering van het bouwplan de sluiting van alle speciaalzaken in de doe-het-zelf-branche in [vestigingsplaats] tot gevolg zal kunnen hebben en daarmee de gehele kleinschalige voorzieningenstructuur in deze branche in [vestigingsplaats] zal verdwijnen. Voorts is voldoende aannemelijk dat de realisering van het bouwplan ook zal kunnen leiden tot de sluiting van speciaalzaken in de directe omgeving van [vestigingsplaats] . Deze bevindingen zijn met de door Holding [dhr. A.] overgelegde deskundigenrapporten niet op overtuigende wijze weerlegd. Met de bevindingen uit de effectenanalyse en nadere rapportage van MKB Reva is evenwel niet aannemelijk gemaakt dat de vestiging van een bouwmarkt op het perceel zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het

voorzieningenniveau in de doe-het-zelf-branche in [vestigingsplaats] en directe omgeving in de hierboven in 2.5.1. beschreven zin. Hoewel het college zich op het standpunt kon stellen dat met de realisering van het bouwplan voor de inwoners van [vestigingsplaats] zeer waarschijnlijk een verschraling van het

aanbod in de doe-het-zelf-branche zal optreden, is daarmee niet voldoende gemotiveerd dat voor de inwoners van [vestigingsplaats] en het tertiaire en secundaire verzorgingsgebied geen voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij niet op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen kunnen doen. Dat de kleinschalige voorzieningenstructuur in de doe-het-zelf-branche in [vestigingsplaats] zeer waarschijnlijk zal verdwijnen en speciaalzaken in de doe-het-zelf-branche in de directe omgeving van [vestigingsplaats] zeer waarschijnlijk zullen sluiten biedt evenmin grond voor die conclusie".

2.22

Naar aanleiding van de uitspraak van de AbRS van 7 oktober 2009 heeft het college bij besluit van 9 december 2009 de bezwaren van Formido tegen het vrijstellingsbesluit ongegrond verklaard en het vrijstellingsbesluit met een verbeterde motivering in stand gelaten. Hierover is [eisers] bij brief van 9 december 2009 (aan de toenmalige advocaat van [eisers] ) geïnformeerd.

2.23

Tegen het besluit op bezwaar van 9 december 2009 is geen beroep ingesteld.

2.24

[dhr. A.] heeft het bedrijfspand met ingang van 1 juni 2010 verhuurd aan

[B.V.2] . In de huurovereenkomst is bepaald dat het bedrijfspand door [B.V.2] uitsluitend zal worden gebruikt als bouwmarkt. Met ingang van 1 januari 2012 verhuurt [dhr. A.] het bedrijfspand aan Van Neerbos Bouwmarkten B.V. (hierna verder te noemen: Van Neerbos).

Van Neerbos exploiteert thans de bouwmarkt. [eisers] heeft hier geen bemoeienis meer mee, afgezien van de huurrelatie die tussen [dhr. A.] en Van Neerbos bestaat.

3 De vordering

3.1

Na eiswijziging vordert [eisers] dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de gemeente zal veroordelen om aan de Holding en [B.V.2] een bedrag van

€ 884.268,77 te betalen aan geleden schade door winstderving en verbeurde wettelijke rente, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag aan winstderving vermeerderd met de wettelijke rente;

de gemeente zal veroordelen om aan de Holding en [B.V.2] een nader vast te stellen bedrag te betalen aan geleden schade door het moeten maken van kosten voor rechtsbijstand ter zake van de verkrijging van de vrijstelling, eventueel op te maken bij staat, dan wel door de rechtbank te begroten ex artikel 6:97 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat deze schade door

[eisers] is geleden tot aan de dag van de algehele voldoening, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag aan schade vermeerderd met de wettelijke rente;

de gemeente zal veroordelen:

primair: om aan [dhr. A.] een bedrag van € 1.009.671,31 te betalen aan geleden schade door huurderving en verbeurde wettelijke rente, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening, dan wel en in goede justitie te bepalen bedrag aan huurderving vermeerderd met de wettelijke rente;

subsidiair: om aan de Holding dan wel aan [B.V.2] het bedrag te betalen dat zij uit hoofde van huur, de redelijkheid en billijkheid dan wel uit een dringende verplichting van moraal en fatsoen aan [dhr. A.] verschuldigd zijn en wel ter grootte van de overeengekomen huur gedurende de periode dat het bedrijfspand door de aan de gemeente toe te rekenen onrechtmatigheid niet in gebruik is geweest;

de gemeente zal veroordelen in de proceskosten.

3.2

De gemeente voert verweer.

3.3

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

4.1

[eisers] legt aan haar vordering ten grondslag dat de gemeente jegens haar op meerdere wijzen onrechtmatig heeft gehandeld en dat de gemeente de als gevolg hiervan geleden schade moet vergoeden. Daartoe heeft [eisers] - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd.

Bij uitspraak van 1 november 2007 heeft de bestuursrechter het (eerste) besluit op bezwaar van 22 maart 2007 vernietigd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 7 oktober 2009 heeft de AbRS het (tweede) besluit op bezwaar van 9 april 2008 vernietigd. De onrechtmatigheid van de besluiten op bezwaar van 22 maart 2007 en

9 april 2008 staat daarmee vast. Maar ook het vrijstellingsbesluit is onrechtmatig, omdat, zoals is overwogen in de uitspraak van 28 juli 2006 van de bestuursrechter, dit besluit in strijd met artikel 3:2 Awb niet zorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 3:46 Awb niet berust op een deugdelijke motivering ter zake de ruimtelijke ordeningsaspecten. Van de gemeente mocht verwacht worden dat zij op de hoogte is van de eisen die worden gesteld aan de motivering van een besluit waarbij binnenplanse vrijstelling van (voorschriften van) een bestemmingsplan wordt verleend. In het onderhavige geval heeft de gemeente zich echter uitsluitend laten leiden door een besluit van de gemeenteraad van april 2004. In zoverre is het vrijstellingsbesluit dus onrechtmatig jegens [eisers] Ten slotte heeft te gelden dat de gemeente (telkens) niet binnen de in artikel 7:10 Awb bepaalde termijn heeft beslist op het bezwaarschrift van Formido tegen het vrijstellingsbesluit van 13 december 2005. De gemeente had uiterlijk binnen tien weken moeten beslissen op het bezwaarschrift van Formido van 20 februari 2006, dus uiterlijk op 29 mei 2006. Het eerste besluit op bezwaar dateert echter van 22 maart 2007. Hierbij heeft de gemeente zich bovendien niet gehouden aan de uitspraak van de bestuursrechter van 19 februari 2007 waarin het college was opgedragen om uiterlijk op 5 maart 2007 te beslissen op het bezwaarschrift. Verder had het college toegezegd dat uiterlijk op 13 februari 2007 beslist zou worden op het bezwaar, maar deze toezegging is niet nagekomen. Het schenden van deze toezegging is onrechtmatig jegens [eisers] Als gevolg van de uitspraak van 1 november 2007 moest het college opnieuw beslissen op het bezwaarschrift van Formido en wel binnen zes weken. Het college heeft echter pas op 9 april 2008, 23 weken na de uitspraak van 1 november 2007, opnieuw beslist op het bezwaar van Formido. Ook deze termijnoverschrijding, waarvoor evenmin een rechtvaardiging bestond, is onrechtmatig jegens [eisers] Hierbij heeft te gelden dat artikel 7:10 Awb in belangrijke mate mede is geschreven met het oog op de belangen van de aanvrager en de belangen van de bij de aanvraag betrokken belanghebbenden. Als gevolg van het onrechtmatig handelen van het college, welk handelen moet worden toegerekend aan de gemeente, heeft [eisers] schade geleden. Er bestaat dus een causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de gemeente en de door [eisers] geleden schade. Hierbij is van belang dat de verplichting van een overheidsorgaan om een rechtmatig besluit te nemen dat ziet op het verlenen van een vrijstelling van bestemmingsplanbepalingen om een commercieel bedrijf uit te oefenen, mede maar niet alleen ziet op de bescherming van vermogensrechtelijke belangen van de aanvrager van een dergelijk besluit. De aanvrager die het bedrijf wil exploiteren en de daaraan direct gelieerde exploitant van het vastgoed zijn daardoor afhankelijk van het besluit. Indien dat besluit onrechtmatig is, levert dat jegens de aanvrager én jegens de aan haar verbonden belanghebbenden die in hun vermogen zijn benadeeld een onrechtmatige daad op. Dat betekent dat de gemeente niet alleen onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Holding, in haar hoedanigheid van aanvrager van het vrijstellingsbesluit, maar ook jegens [B.V.2] als exploitant van de bouwmarkt en jegens [dhr. A.] als verhuurder van het bedrijfspand.

4.2

Ter onderbouwing van haar vordering heeft [eisers] in haar conclusie van repliek nog gewezen op het principe/leerstuk van 'good governance'. Dit principe is door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ontwikkeld op basis van artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en door de Raad van Europa gecodificeerd in de "Code of good administration" (hierna verder te noemen: de Code). In de Code zijn bindende regels en principes vastgelegd waaraan een bestuursorgaan zich bij de uitoefening van zijn taken in relatie tot individuele burgers dient te houden. [eisers] beroept zich hierbij op de volgende bepalingen. Zo moet een bestuursorgaan 'act in accordance with the law' en 'comply with domestic law, international law and the general principles of law governing their organisation, functioning and activities' en 'act in accordance with rules defining their powers and procedures laid down in their governing rules' (artikel 2). Artikel 7 bepaalt dat een bestuursorgaan 'shall act and perform their duties within a reasonable time', ook ten aanzien van een individueel 'request' (artikel 13). Hierbij geldt dat het bestuursorgaan een 'indication' moet geven 'of the expected time within which the decision will be taken'. Artikel 17 bepaalt dat 'appropriate reasons shall be given for any individual decision taken, stating the legal and factual grounds on which the decision was taken'. Artikel 21 bepaalt dat het bestuursorgaan 'can amend or withdraw individual administrative decisions', maar dat hierbij de 'rights and interests of private persons' in ogenschouw ('have regard') genomen moeten worden (artikel 21). Het college heeft de Code op deze punten geschonden, althans onvoldoende in acht genomen. Het college heeft namelijk aanvankelijk niet gereageerd op het vrijstellingsverzoek en niet aangegeven binnen welke termijn op het verzoek beslist zal worden. Het belangrijkste aspect is echter dat het college in de gehele procedure niet heeft gehandeld in overeenstemming met artikel 7, namelijk dat niet binnen redelijke tijd ('reasonable time') is beslist op het verzoek tot het verlenen van vrijstelling. Ook is niet tijdig beslist op het bezwaar tegen het vrijstellingsbesluit. Deze schending kan niet los worden gezien van de schending van artikel 2, inhoudende dat gehandeld moet worden in overeenstemming met nationale wetgeving, hetgeen weer in verband gezien moet worden met artikel 3. In het bijzonder valt te denken aan de niet vrijblijvende voorschriften uit de Awb met betrekking tot de termijnen waarbinnen moet worden beslist op verzoeken en bezwaren en de regel dat een besluit goed moet worden voorbereid (artikelen 3:2, 3:46 en 7:10 Awb). Niet alleen is echter vereist dat, kortgezegd, het bestuursorgaan zich aan de wet houdt, maar ook dat zijn besluitvorming voldoende kwaliteit heeft. Ook op dit punt is sprake van een schending. Bij de voorbereiding van het vrijstellingsbesluit heeft het college zich niet (laten) voorzien van de informatie en kennis die nodig is om, in overeenstemming met artikel 3:4 Awb, de vereiste belangenafweging te maken. Het college heeft het vrijstellingsbesluit destijds alleen maar gebaseerd op een besluit van de gemeenteraad van april 2004. Dit optreden getuigt van een gebrek aan 'quality of organisation and management', als bedoeld in de considerans van de gedragscode. Bovendien vermeldde het vrijstellingsbesluit niet de 'legal and factual grounds' waarop de beslissing berustte. Vanwege voornoemde schendingen van de Code door het college is de gemeente schadeplichtig, verplicht tot het geven van genoegdoening of, in de woorden van artikel 23 van de Code, 'provide a remedy', aldus nog steeds [eisers]

De Code / artikel 1 EP

4.3

De rechtbank stelt vast dat alle eisers, dus niet alleen de Holding maar ook
[B.V.2] en [dhr. A.] , een beroep hebben gedaan op de Code / artikel 1 EP ter onderbouwing van hun (onderscheiden) vordering(en). De rechtbank zal daarom allereerst deze grondslag beoordelen, omdat voor de verdere beoordeling van de vorderingen van
[eisers] onderscheid gemaakt moet worden tussen (de verschillende posities van) de Holding, [B.V.2] en [dhr. A.] . De rechtbank komt hier verder in dit vonnis op terug.

4.4

Het beroep op de Code en artikel 1 EP ziet blijkens de stellingen van [eisers] op het vrijstellingsbesluit. Ten verwere tegen deze grondslag van de vordering heeft de gemeente onder meer aangevoerd dat wat betreft de rechtmatigheid van het vrijstellingsbesluit geen rechtstreekse toetsing aan de Code kan plaatsvinden. Dit verweer slaagt. De Code bevat blijkens de considerans aanbevelingen aan overheden van lidstaten om goed bestuur (good governance) te bevorderen en roept geen verplichtingen in het leven waaraan overheden (waaronder lagere overheden zoals een gemeente) zich moeten houden in hun verkeer met burgers/bedrijven/instanties. [eisers] kan dus niet rechtstreeks rechtens te honoreren aanspraken ontlenen aan de Code. In dat opzicht vormt de Code dus geen zelfstandige grondslag voor de vordering.

4.5

Met betrekking tot artikel 1 EP overweegt de rechtbank als volgt. Ten verwere tegen deze grondslag heeft de gemeente onder meer aangevoerd dat artikel 1 EP niet de aanvrager van een vrijstelling van de vigerende bestemming, noch andere partijen die bij het verkrijgen van zo'n vrijstelling mogelijk een vermogensbelang zouden hebben, beoogt te beschermen. De gevoerde bestuursrechtelijke procedures betreffen namelijk geen ontneming of inperking van het (genot van het) eigendomsrecht maar een aanvulling c.q. uitbreiding daarvan. De enkele verwachting toekomstig inkomen met de exploitatie van de bouwmarkt te kunnen genereren, is bovendien onvoldoende, nu er in dit geval geen sprake is van een bestaande economische positie. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

4.6

Vooropgesteld wordt dat uit de rechtspraak van Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan worden afgeleid dat artikel 1 EP alleen ziet op bestaande eigendomsrechten en niet op het recht om in de toekomst eigendom te verwerven. Toekomstige, maar nog niet (daadwerkelijk) verdiende inkomsten, althans inkomsten waarop (nog) geen rechtens afdwingbare aanspraak bestaat, vallen niet onder de reikwijdte van artikel 1 EP (vgl. Hof Den Haag 15 november 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3025). Uit de stellingen van [eisers] leidt de rechtbank af dat [dhr. A.] verwachtte dat hij in de toekomst door de verhuur van zijn bedrijfspand aan [B.V.2] inkomsten (huurpenningen) kon genereren en dat de Holding en [B.V.2] op hun beurt verwachtten in de toekomst inkomsten te behalen door de exploitatie van de bouwmarkt (winst uit onderneming). [eisers] heeft weliswaar gesteld dat zij een dergelijke verwachting mocht koesteren, maar door [eisers] is onvoldoende gemotiveerd onderbouwd waarop deze verwachting is gebaseerd. Met enkel het hebben van een plan en het indienen van een aanvraag tot vrijstelling staat naar het oordeel van de rechtbank, anders dan [eisers] in punt 27 van de conclusie van repliek betoogt, nog niet met voldoende zekerheid vast dat er sprake is van recht op of belang bij toekomstige inkomsten. Niet in geschil is immers dat op dat moment het bestemmingsplan het gebruik van het bedrijfspand als bouwmarkt niet toestond, althans beperkte. [eisers] heeft de rechtmatigheid van die beperking niet ter discussie gesteld. De door [eisers] gestelde verwachting kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet, voor zover [eisers] dat bedoeld heeft te stellen, achteraf worden gebaseerd op de uitspraak van de AbRS van 7 oktober 2009 of op het (derde) besluit op bezwaar van 9 december 2009. Nu er in het onderhavige geval geen sprake is van eigendom als bedoeld in artikel 1 EP, kan de vordering niet op deze grondslag worden gebaseerd.

4.7

De overige standpunten van partijen behoeven, gelet op het voorgaande, geen bespreking. In het hiernavolgende zal de rechtbank ingaan op de overige grondslagen van de vordering, in het licht van de stellingen van [eisers] en het hiertegen door de gemeente gevoerde verweer.

Onrechtmatige besluitvorming?

4.8

De gemeente heeft in dit kader aangevoerd dat voor de beoordeling van de vordering van [eisers] onderscheid gemaakt moet worden tussen (de verschillende posities van) de Holding, [B.V.2] en [dhr. A.] . Volgens de gemeente moet per eisende partij worden bezien of de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en of daarbij aan de causaliteitseis en relativiteitseis is voldaan. De rechtbank volgt de gemeente in dit uitgangspunt. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

4.9

Artikel 8:1 Awb bepaalt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Uit artikel 7:1 lid 1 Awb volgt dat degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen in beginsel eerst bezwaar moet maken alvorens beroep in te stellen. Ingevolge artikel 1:2 lid 1 Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad brengt vernietiging van een (overheids)besluit door de bestuursrechter niet mee dat het besluit jegens iedereen als onrechtmatig heeft te gelden. De beslissing of een besluit jegens een belanghebbende als onrechtmatig moet worden aangemerkt, wordt genomen in een bestuursrechtelijke procedure. Dit betekent dat degene die de bestuursrechtelijke procedure niet heeft gebruikt, zich niet op de onrechtmatigheid van het besluit kan beroepen, ook al werkt de vernietiging van dat besluit als zodanig wel jegens een ieder (HR 19 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2674). Dit is het leerstuk van de formele rechtskracht.

4.10

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Holding te gelden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 lid 1 Awb bij het vrijstellingsbesluit en bij de besluiten op bezwaar van 22 maart 2007 en 9 april 2008. De Holding heeft immers de vrijstelling aangevraagd en zij is de geadresseerde van het vrijstellingsbesluit. Voor de Holding geldt (wat tussen partijen ook niet in geschil is) dat met de vernietiging van de besluiten op bezwaar van

22 maart 2007 en 9 april 2008 jegens de Holding de onrechtmatigheid van deze besluiten gegeven is en de toerekenbaarheid ook. Aan de orde is nog wel of er een causaal verband bestaat tussen deze onrechtmatige besluiten en de door de Holding geleden schade en of de geschonden norm strekt tot vergoeding van de door de Holding geleden schade (relativiteit). Ook is nog aan de orde of ook het vrijstellingsbesluit als onrechtmatig jegens de Holding heeft te gelden, zoals [eisers] stelt. De rechtbank komt op deze geschilpunten, voor zover thans van belang, in het onderstaande terug.

4.11

Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS kan de eigenaar/verhuurder van een bedrijfspand als belanghebbende bij een besluit worden aangemerkt indien de belangen van de eigenaar/verhuurder rechtstreeks bij dat besluit zijn betrokken (AbRS 17 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX2089). Hiervan is in het onderhavige geval sprake. Vanwege het vrijstellingsbesluit zijn de exploitatiemogelijkheden van het bedrijfspand vergroot en daarmee is de waarde van het bedrijfspand gestegen. [dhr. A.] had dus, zoals de gemeente heeft aangevoerd, als belanghebbende bij het vrijstellingsbesluit beroep kunnen instellen tegen de besluiten op bezwaar van 22 maart 2007 en 9 april 2008 (waarbij het vrijstellingsbesluit werd herroepen). Nu [dhr. A.] dit heeft verzuimd, geldt ten aanzien van hem het beginsel van formele rechtskracht en kan hij zich jegens de gemeente niet beroepen op de onrechtmatigheid van deze besluiten.

4.12

Naar het oordeel van de rechtbank kan [B.V.2] niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 lid 1 Awb bij het vrijstellingsbesluit en de besluiten op bezwaar van 22 maart 2007 en 9 april 2008. Het door [eisers] gestelde belang van [B.V.2] bij deze besluiten vloeit voort uit de contractuele relatie die

[B.V.2] als huurder van het bedrijfspand had met [dhr. A.] , althans zou aangaan met

[dhr. A.] . Het belang van [B.V.2] is derhalve een afgeleid belang, en niet een rechtstreeks belang (vgl. AbRS 10 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI7224). Het leerstuk van de formele rechtskracht speelt hier dus niet. [B.V.2] had en heeft immers geen beroepsrecht, zodat het niet instellen van beroep door [B.V.2] tegen de besluiten op bezwaar van 22 maart 2007 en 9 april 2008 haar niet kan worden verweten. Dit betekent dat in beginsel alsnog moet worden beoordeeld of deze besluiten (ook) jegens [B.V.2] onrechtmatig zijn (vgl. r.o. 3.3.2 HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3253).

Het antwoord op deze vraag kan echter in het midden blijven. De besluiten op bezwaar zijn destijds vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 lid 1 Awb, inhoudende dat een besluit op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering. Deze norm strekt niet ter bescherming van de (afgeleide) belangen van niet rechtstreeks bij deze besluiten betrokken derden, zoals [B.V.2] . In de verhouding tot de gemeente is ter zake van de schending van artikel 7:12 lid 1 Awb dus niet voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:767). Dit laat echter onverlet dat onder omstandigheden sprake kan zijn van schending door de gemeente van een andere, jegens [B.V.2] in acht te nemen, zorgvuldigheidsnorm, de zogenoemde correctie-Langemeijer. In dit verband wijst de rechtbank op HR 11 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY7579). In dat arrest heeft de Hoger Raad overwogen dat het denkbaar is dat belangen van bepaalde "derden" (waarmee wordt gedoeld op een benadeelde die geen belanghebbende in de zin van de Awb hoeft te zijn) in zodanige mate betrokken zijn bij een besluit, dat het bestuursorgaan ook jegens deze derden - afhankelijk van de verdere omstandigheden van het geval - in strijd kan handelen met de in het maatschappelijk verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid. [eisers] heeft - afgezien van schending van beslistermijnen waarop hierna zal worden ingegaan - geen normen in de hiervoor bedoelde zin aangedragen. Voor wat betreft de beslistermijnen stelt de rechtbank voorop dat de enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, onvoldoende is voor het oordeel dat aldus onrechtmatig wordt gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid (HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040). In dit geval kan in het midden blijven of die bijkomende omstandigheden zich voordoen. Afgezien van het feit dat [B.V.2] geen belanghebbende is (waarop deze jurisprudentie ziet), heeft [eisers] ook onvoldoende onderbouwd, zoals de gemeente terecht tot haar verweer aanvoert, dat de belangen van [B.V.2] kenbaar waren voor de gemeente. Reeds op deze grond kan de vordering, voor zover die ziet op [B.V.2] , niet slagen.

4.13

Uit het voorgaande volgt dat de vordering, voor zover deze ziet op [dhr. A.] en

[B.V.2] , niet toewijsbaar is. De vordering zal derhalve in zoverre worden afgewezen.

4.14

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dienen nog de navolgende vragen te worden beantwoord:

  1. is het vrijstellingsbesluit onrechtmatig jegens de Holding?

  2. bestaat er een causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten op bezwaar van

22 maart 2007 en 9 april 2008 en door de Holding geleden schade?

3. strekken de bij die onrechtmatige besluiten op bezwaar van 22 maart 2007 en

9 april 2008 geschonden normen (onzorgvuldige voorbereiding en schending motiveringsplicht) tot vergoeding van de door de Holding geleden schade (relativiteit)?

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.


Het vrijstellingsbesluit

4.15

De gemeente heeft tot haar verweer aangevoerd dat het vrijstellingsbesluit (ofwel: het primaire besluit van 13 december 2005) als rechtmatig heeft te gelden en derhalve niet ten grondslag kan worden gelegd aan de vordering. De rechtbank volgt dit verweer. Volgens vaste jurisprudentie hangt het antwoord op de vraag of een primair overheidsbesluit rechtmatig of onrechtmatig is af van de besluitvorming die na de vernietiging van de beslissing op bezwaar plaatsvindt. Indien de bestuursrechtelijke procedure er uiteindelijk in heeft geresulteerd dat het primaire overheidsbesluit in stand is gebleven en onherroepelijk is geworden, moet voor de civiele rechter uitgangspunt zijn dat het primaire overheidsbesluit rechtmatig is, ook voorzover de rechtmatigheid ervan wordt beoordeeld naar het tijdstip waarop het is genomen (HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3257). In het onderhavige geval is het vrijstellingsbesluit uiteindelijk, na een bestuursrechtelijke procedure van ruim drie jaar en negen maanden (de periode tussen het bezwaarschrift van 20 februari 2006 van Formido en het (derde, niet aangevochten) besluit op bezwaar van

9 december 2009) in stand gebleven. Het vrijstellingsbesluit heeft derhalve te gelden als rechtmatig en kan dus als zodanig niet ten grondslag worden gelegd aan de vordering.

De (vernietigde) besluiten op bezwaar van 22 maart 2007 en 9 april 2008

4.16

Zoals hiervoor al is overwogen, staat vast dat de besluiten op bezwaar van

22 maart 2007 en 9 april 2008 jegens de Holding onrechtmatig zijn en is de toerekenbaarheid een gegeven. Ten verwere heeft de gemeente gesteld dat dit echter niet betekent dat de gemeente jegens de Holding schadeplichtig is. Deze plicht stuit volgens de gemeente af op de relativiteiteis van artikel 6:163 BW. De gemeente heeft daartoe het volgende aangevoerd. De besluiten op bezwaar zijn vernietigd wegens strijd met de in artikel 7:12 lid 1 Awb verankerde motiveringsplicht. De motiveringsplicht strekt er volgens de gemeente toe om de bezwaarmaker, maar ook de belanghebbende tot wie het primaire besluit is gericht (indien dat een ander is dan de bezwaarmaker), inzicht te geven in de motivering, zodat deze kan of kunnen beoordelen of een vervolgprocedure met kans op succes kan worden gevoerd. De motiveringsplicht strekt dus niet ter bescherming van de Holding tegen de schade zoals zij die door de schending van de motiveringsplicht mochten hebben geleden (HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8751). Voorts is van belang dat in het onderhavige geval het planologische criterium "duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau" in de besluiten op bezwaar van 22 maart 2007 en 9 april 2008 niet was voorzien van een deugdelijke motivering ex artikel 7:12 lid 1 Awb.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer voornoemd arrest van 13 april 2007) blijkt echter dat bij schending van publiekrechtelijke voorschriften niet snel relativiteit wordt aangenomen. Publiekrechtelijke voorschriften hebben namelijk steeds ten doel het algemeen belang, althans deelaspecten hiervan, te behartigen en dus niet (vermogensrechtelijke) belangen van ondernemers. Het hier bedoelde planologische criterium strekt bovendien niet ter bescherming van ondernemers, maar ter bescherming van consumenten. Dit criterium moet borgen dat consumenten binnen een aanvaardbare afstand van hun woningen hun geregelde inkopen kunnen doen. Dat de besluiten op bezwaar van

22 maart 2007 en 9 april 2008 ontoereikend waren gemotiveerd (wegens het ontbreken van een (genoegzaam) DPO), raakt dus niet de belangen van de Holding. In zoverre is niet voldaan aan de relativiteitseis, aldus nog steeds de gemeente.

4.17

Bij de beoordeling van het verweer stelt de rechtbank het volgende voorop. Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het relativiteitsvereiste komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt (HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012). In de jurisprudentie wordt reeds sinds lange tijd aanvaard (zie recent nog HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112) dat bij een vernietiging van een besluit in de sfeer van de ruimtelijke ordening, zoals een bouwvergunning (thans: een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen), de aanvrager aanspraak kan maken op schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen, ook al strekken de Woningwet en de Wet ruimtelijke ordening niet tot bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van de aanvrager. Weliswaar heeft de HR in de zaak over de Iraanse vluchtelinge (HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8751) ten aanzien van de Vreemdelingenwet anders geoordeeld, maar de rechtbank is van oordeel dat deze beslissing, gelet op de omstandigheden die in die zaak speelden (zoals het specifieke wettelijk kader), slechts een beperkte reikwijdte heeft en niet de geldende opvattingen ten aanzien van artikel 6:163 BW weergeeft voor zover het gaat om andersoortige zaken, met een ander wettelijk kader, zoals in dit geval. De conclusie is dan ook dat wel is voldaan aan het relativiteitsvereiste.

Schade van de Holding

4.18

De rechtbank stelt vast dat [eisers] wat betreft de schade geen onderscheid heeft gemaakt tussen de Holding en [B.V.2] (zie randnummer 42 dagvaarding en de schadeberekening, productie 36 dagvaarding). [eisers] dient dit onderscheid, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de te onderscheiden posities van de Holding, [B.V.2] en [dhr. A.] , alsnog bij nadere akte te maken. Hierbij dient de Holding aan te geven en te onderbouwen welke schade zij heeft geleden en op welke periode deze schade ziet. De gemeente zal zich door middel van een antwoordakte vervolgens mogen uitlaten over de akte van [eisers]

4.19

In afwachting van de aktewisseling wordt iedere verdere beslissing, waaronder over de causaliteit (rechtsoverweging 4.13, vraag 2), aangehouden. De rechtbank zal in een later stadium van het geding ook nog een oordeel geven over de vraag of de schending van de beslistermijnen tot een zelfstandige schadevergoedingsplicht kan leiden. [eisers] dient eerst haar (eigen) schade te onderbouwen en daarmee mede inzichtelijk te maken in hoeverre belang bestaat bij beoordeling van deze grondslag.

4.20

De rechtbank zal [eisers] een iets langere termijn geven dan het procesreglement voorschrijft voor het nemen van een akte, gelet op de aard van de materie.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

verwijst de zaak naar de rol van 5 oktober 2016 voor het nemen van een akte door [eisers] als bedoeld in rechtsoverweging 4.18, waarop de gemeente desgewenst bij antwoordakte kan reageren;

5.2

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman, mr. T.K. Hoogslag en mr. M. Sanna en uitgesproken op 10 augustus 2016.

c674