Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3690

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
C/18/159063 / HA ZA 15-175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering van projectontwikkelaar tot verklaring voor recht dat zij de overeenkomst is nagekomen, en bevel tot medewerking van de gemeente aan de overdracht van plangebied worden toegewezen. Dit is gebeurd nadat de gemeente in 2012 zelf een vonnis had verkregen op grond waarvan de projectontwikkelaar aan de overdracht moest medewerken. Nadien was de gemeente zich op het standpunt gaan stellen dat de kwaliteit van het opgeleverde niet voldeed. Die bezwaren houden in deze procedure echter geen stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3453

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/159063 / HA ZA 15-175

Vonnis van 3 augustus 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROJECT ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ DE WENDING B.V.,

die gevestigd is in Grijpskerk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. G. J. Hofmans, die kantoor houdt in Ootmarsum,

procesadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, die kantoor houdt in Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE GROOTEGAST,

die zetelt in Grootegast,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J. Klopstra, die kantoor houdt in Stadskanaal.

Partijen zullen hierna De Wending en De Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 juli 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 23 september 2015;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van 2 december 2016;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie 27 januari 2016;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie van 20 april 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank zal bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de volgende feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende betwist, tussen partijen vaststaan.

2.2.

De Wending is een vennootschap die zich bezighoudt met projectontwikkeling.

2.3.

Op 15 december 2004 heeft de Wending percelen grond die deel uitmaken van het bedrijventerrein "De Scheiding" in Opende, gemeente Grootegast, gekocht en geleverd gekregen.

2.4.

Op 23 juni 2005 hebben partijen een overeenkomst gesloten die strekt te komen tot de projectmatige ontwikkeling van de percelen grond. In de akte waarin de overeenkomst is neergelegd wordt naar deze percelen verwezen als het "plangebied". De akte bevat bepalingen die erop zijn gericht dat De Wending voor haar rekening en risico het plangebied bouwrijp maakt overeenkomstig een bestek dat in samenspraak met de Gemeente wordt opgesteld. De aangelegde openbare voorzieningen en bijbehorende grond (hierna ook: "de openbare ruimte") worden vervolgens door De Wending aan de Gemeente overgedragen. In de akte is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

overwegende:

(…)
Eigendomssituatie

I. dat de ondergrond van de in de toekomst aan te leggen infrastructuur eigendom is van De Wending, evenals een deel van de uit te geven kavels van het genoemde bedrijventerrein en dat de overige in eigendom zijn van:

(…)

J. dat er op de percelen grond in handen van de diverse eigenaars een zakelijk recht zal worden gevestigd ten behoeve van de aan te leggen nutsvoorzieningen e.e.a. conform de betreffende transportakte van de overdacht van de grond.

(…)

3.10

De Wending verplicht zich jegens de Gemeente om voor haar rekening en risico het project bouw- en overdrachtgereed te maken, overeenkomstig een daartoe in samenspraak met de Gemeente conform het opgestelde bestek, 06-2005 nummer 182241, en tekeningen en zal de openbare ruimte in het plangebied onderhouden tot het moment van de overdracht daarvan. Met dien verstande dat met betrekking tot de uitvoering van de waterparagraaf voor de vrijgekomen grond uit de waterberging door De Wending een geëigende bestemming wordt gezocht.

(…)

4.1.

Nadat het project overdrachtgereed is geworden, zullen de in het project aan te leggen openbare voorzieningen met bijbehorende ondergrond op een in onderling overleg te bepalen termijn, worden overgedragen aan de Gemeente, onder de gebruikelijke daarvoor geldende voorwaarden en bepalingen en voor een koopprijs van € 5,00 middels notaris L.S. van de Meij te Grijpskerk.

(…)

4.3.

Voor zover nutsvoorzieningen en/of leidingen en dergelijke zijn gelegen in of op percelen in handen van derden, draagt de Wending er zorg voor dat zij de benodigde rechten of toestemmingen daarvoor verkrijgt.

4.4.

De begrenzing van de over te dragen openbare ruimte zal door de Grontmij in opdracht van de gemeente in overleg met partijen worden vastgesteld en zal overeenkomstig aan de landmeter van het kadaster worden aangegeven.

2.5.

De Wending heeft in het kader van de overeenkomst openbare voorzieningen in het plangebied aangelegd en andere werkzaamheden uitgevoerd.

2.6.

Tussen partijen is in geschil gekomen voor wiens rekening bepaalde onvoorziene kosten moeten komen die gemoeid zijn geweest met de aansluiting van het plangebied op het elektriciteitsnet.

2.7.

De Gemeente heeft De Wending in dit verband bij exploot d.d. 8 november 2011 voor de toenmalige rechtbank Groningen gedagvaard en onder meer betaling gevorderd van de betreffende kosten en gevorderd dat De Wending op eerste verzoek overgaat tot overdracht van de openbare ruimte. In reconventie heeft De Wending de betaling van schadevergoeding gevorderd op de grond dat zij ten onrechte is gedagvaard. Bij vonnis van 25 juli 2012, dat in kracht van gewijsde is gegaan, is de vordering van de Gemeente dat De Wending op eerste verzoek tot overdracht overgaat, toegewezen. Voor het overige zijn de vorderingen afgewezen.

2.8.

Op of omstreeks 19 september 2012 heeft de Gemeente Enexis, de elektriciteitsleverancier van het bedrijventerrein, opdracht gegeven om de verlichting van de straatlantaarns op het terrein uit te schakelen. Op 11 oktober 2012 heeft zij Enexis opgedragen de verlichting weer aan te schakelen.

2.9.

De Wending heeft de Gemeente in kort geding gedagvaard voor de toenmalige rechtbank Groningen en gevorderd dat het de Gemeente wordt verboden om de openbare verlichting in het plangebied af te sluiten zo lang de openbare ruimte niet is overgedragen. Bij vonnis van 23 november 2012 heeft de voorzieningenrechter de vordering toegewezen.

2.10.

De Gemeente heeft zich nadien op het standpunt gesteld dat, alvorens de openbare ruimte kan worden overgedragen, De Wending gehouden is om herstelwerkzaamheden in het plangebied uit te voeren. Grontmij heeft in dit verband in opdracht van de Gemeente op 17 maart 2014 en 11 september 2014 visuele inspecties van het gebied uitgevoerd.

2.11.

De Wending heeft vervolgens een aantal (herstel)werkzaamheden in het plangebied verricht. Op enig moment is zij zich op het standpunt gaan stellen dat zij niet gehouden is om nog verdere werkzaamheden te verrichten.

2.12.

Bij brief van 28 november 2014 heeft de Gemeente De Wending gesommeerd om binnen een week te verklaren dat zij bepaalde werkzaamheden uitvoert en dat, als dit niet gebeurt, zij in verzuim verkeert en de overeenkomst is ontbonden voor zover het art. 4 van de overeenkomst betreft, dat wil zeggen voor zover het de verplichtingen van partijen ten aanzien van de overdracht van de openbare ruimte betreft. Bij brief van 3 februari 2015 heeft de Gemeente De Wending geschreven dat de overeenkomst in zoverre is ontbonden.

2.13.

De Wending heeft de Gemeente nadien meermalen gesommeerd om mee te werken aan de overdracht van de openbare ruimte. De Gemeente heeft die medewerking geweigerd.

3. Het geschil in conventie

3.1.

De Wending vordert, verkort weergegeven, voor recht te verklaren dat zij niet in verzuim en/of in gebreke is gekomen in de nakoming van de overeenkomst en dat zij voordat zij door de Gemeente op 28 november 2014 in gebreke is gesteld, heeft voldaan aan haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. Ook vordert De Wending dat voor recht wordt verklaard dat de Gemeente ten onrechte de overeenkomst voor wat betreft het bepaalde in art. 4 heeft ontbonden en dat de openbare ruimte gereed is om te worden overgedragen. Voorts vordert De Wending dat de Gemeente, op straffe van verbeurte van een dwangsom, wordt veroordeeld om mee te werken aan de overdracht van de openbare ruimte en de instandhouding van de aanwezige energievoorzieningen ten behoeve van de openbare verlichting en de pompinstallatie in het plangebied, en dat zij de facturen ter zake van de energieleveranties betaalt, totdat de openbare ruimte is overgedragen. De Wending legt hieraan, samengevat weergegeven, ten grondslag dat zij uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst aangezien de openbare ruimte in mei 2004 gereed was voor overdracht en De Gemeente op ontoereikende gronden weigert om aan de overdracht mee te werken.

3.2.

De Gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van De Wending. Daartoe voert zij, samengevat weergegeven, het volgende aan. De Wending kan en wil de overeenkomst niet nakomen. Zij is niet in staat om de openbare ruimte over te dragen omdat zij niet de eigenaar is van al de percelen grond. Daarnaast zijn vrijwel op geen enkel perceel zakelijke rechten gevestigd ten behoeve van de nutsvoorzieningen, terwijl De Wending op grond van de overeenkomst gehouden is om daarvoor zorg te dragen. Voorts heeft De Wending verzuimd om na het bouwrijp maken van de grond de infrastructuur te onderhouden en wel zodanig dat de kwaliteit als "goed" is aan te merken. Ter onderbouwing hiervan verwijst de Gemeente naar de inhoud van twee rapporten van Grontmij. De Wending is in dit verband op grond van art. 3.10 van de overeenkomst in combinatie met art. 6:27 BW, art. 6:28 BW en art. 6:248 lid 1 BW tekort geschoten jegens de Gemeente. De Gemeente voert aan dat zij de overeenkomst op grond van het tekort schieten van De Wending partieel heeft ontbonden in die zin dat partijen geen uitvoering meer geven aan art. 4 van de overeenkomst waar de overdracht van de openbare ruimte is geregeld. Hieruit volgt, aldus de Gemeente, dat zij niet gehouden is om mee te werken aan de overdracht van de openbare ruimte en dat zij de energieleveranties niet hoeft te continueren. De Gemeente voert verder aan dat de gevorderde dwangsommen moeten worden afgewezen omdat zij de rechterlijke uitspraak zal respecteren. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat de overeenkomst niet is ontbonden en er geen grond bestaat voor de rechtbank om de overeenkomst te ontbinden, voert de Gemeente aan dat zij slechts tot afname van de openbare ruimte is gehouden als De Wending haar verplichtingen alsnog nakomt.

In reconventie

3.3.

De Gemeente vordert, verkort weergegeven, voor recht te verklaren dat de overeenkomst is ontbonden, althans dat de rechtbank de overeenkomst ontbindt, voor zover het de verplichting van de Gemeente tot afname van de openbare ruimte betreft. De Gemeente vordert ook dat voor recht wordt verklaard dat zij na drie maand na dit vonnis niet langer gehouden is om de openbare verlichting en de pompinstallaties in stand te houden, de energieleveranties te continueren en de facturen voor de energie te betalen. Voor zover de rechtbank de vorderingen afwijst en/of oordeelt dat de overeenkomst niet gedeeltelijk is ontbonden, vordert de Gemeente dat wordt bepaald dat zij gerechtigd is om haar afnameverplichting op te schorten tot het moment dat De Wending alsnog aan haar verplichtingen voldoet. Zij stelt, daartoe samengevat weergegeven, dat wat zij in conventie tot haar verweer heeft aangevoerd.

3.4.

Het verweer van De Wending strekt ertoe om de Gemeente niet-ontvankelijk te verklaren, althans om de vordering af te wijzen. Daartoe voert zij, samengevat weergegeven, aan wat zij in conventie aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.

4 De beoordeling

in conventie in reconventie

4.1.

De centrale vraag in deze zaak is of er grond bestaat om de overeenkomst partieel te ontbinden, zoals de Gemeente stelt. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of De Wending toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Volgens de Gemeente is dit het geval omdat De Wending niet in staat is of zal zijn om de openbare ruimte over te dragen, en omdat de grond en de daarin gelegen infrastructuur niet goed is onderhouden of de kwaliteit daarvan onvoldoende is. De rechtbank overweegt als volgt.

4.2.

Ingevolge art. 4.1 van de overeenkomst is De Wending gehouden om de openbare ruimte op een in onderling overleg te bepalen termijn aan de Gemeente over te dragen en ingevolge onderdeel J van de considerans en art. 4.3 van de overeenkomst moet zij ervoor zorgdragen dat op de percelen een zakelijk recht wordt gevestigd ten behoeve van de aanleg van de noodzakelijke nutsvoorzieningen.

4.3.

De Wending is op dit moment geen eigenaar van alle percelen grond die samen de openbare ruimte vormen. Ook zijn op dit moment de betreffende zakelijke rechten niet gevestigd. Zonder nadere toelichting die niet is gegeven, kan echter niet worden aangenomen dat hierin een toerekenbare tekortkoming van De Wending is gelegen. Op grond van de overeenkomst zal De Wending ervoor moeten zorgdragen dat zij, op een daarvoor nader overeen te komen datum, de openbare ruimte zal kunnen overdragen aan de Gemeente en dat op dat moment de zakelijke rechten zijn gevestigd. De Gemeente stelt in het licht van het verweer onvoldoende om aan te nemen dat De Wending daartoe niet in staat is of zal zijn. De Wending voert onweersproken aan dat de eigenaren van de kavels waarvan zij het eigendom destijds niet heeft verkregen, zich akkoord hebben verklaard met de toekomstige vestiging van een opstalrecht of recht van erfdienstbaarheid en met een door hen te betalen bijdrage. Ook voert zij onweersproken aan dat bij de verkoop van een aantal percelen aan derden op 23 juni 2005 rekening is gehouden met de verplichtingen uit de overeenkomst met de Gemeente. Dit heeft zij onderbouwd met onder meer een kopie van een notariële akte van levering van een perceel dat in het plangebied is gelegen ter zake van de verkoop aan een derde, waarin is te lezen dat de koper een volmacht verstrekt aan De Wending om een recht van opstal te vestigen en aan de notaris om, zo nodig, akten van rectificatie op te stellen als in de akte foutieve kadastrale gegevens mochten zijn vermeld. Zekerheidshalve heeft De Wending de notaris aanvullende volmachten laten opstellen, die door de betreffende eigenaren zijn getekend. Ten aanzien van de verplichting van De Wending om zakelijke rechten te vestigen komt hierbij dat reeds uit art. 5:20 lid 2 BW volgt dat de eigendom van leidingen in de grond bestemd voor nutsleveranties toekomt aan de bevoegde aanlegger van het net of aan diens rechtsopvolger.

4.4.

Gelet hierop concludeert de rechtbank dat de Gemeente onvoldoende stelt om aan te nemen dat De Wending op dit punt toerekenbaar tekort schiet of zal schieten in de nakoming van de overeenkomst.

4.5.

De vraag die daarmee voorligt, is of De Wending toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst doordat zij de grond en de daarin gelegen infrastructuur onvoldoende heeft onderhouden of dat deze van onvoldoende kwaliteit is. Daarover wordt als volgt overwogen.

4.6.

Ingevolge art. 3.10 van de akte mag van De Wending worden verwacht dat zij de openbare ruimte in het plangebied onderhoudt tot het moment van overdracht. Dat partijen hierop aanvullende eisen zijn overeengekomen is gesteld noch gebleken. Ingevolge art. 6:27 BW is De Wending daarnaast gehouden om zich als een zorgvuldig schuldenaar te gedragen ten opzichte van de door haar te leveren openbare ruimte. De rechtbank overweegt als volgt over de vraag of De Wending aan deze verplichtingen heeft voldaan.

4.7.

De Gemeente stelt onder verwijzing naar twee rapporten van Grontmij dat de grond en de daarin geplaatste infrastructuur ernstige gebreken vertoont. De Wending voert gemotiveerd verweer tegen deze stellingen. Zo voert zij aan dat de gestelde gebreken al in 2005 en 2006 bij de Gemeente bekend waren. Het werk is, aldus De Wending, destijds door de aannemer opgeleverd zonder dat de Gemeente of Grontmij, die in opdracht van de Gemeente werkte, hebben geklaagd of dat De Gemeente of Grontmij de aannemer hebben verzocht om herstelwerkzaamheden te verrichten. De Gemeente gaat hier slechts summier op in en stelt alleen dat zij niet weet of en in welke mate sprake was van een oplevering en dat aan haar niet is opgeleverd. Daarnaast roept de herhaalde stelling van de Gemeente dat normale slijtage niet voor rekening van De Wending komt, de vraag op wat maakt dat de gestelde gebreken niet geheel of gedeeltelijk als zodanig moeten worden gekwalificeerd. De Wending wijst in dit verband op de openbare weg die sinds 2005/2006 in gebruik is. De Gemeente stelt hierover alleen dat de gebreken normale slijtage ver te boven gaan, en dat in de gehele infrastructuur in meerdere of mindere mate ernstige gebreken zijn geconstateerd, waarvan zij een aantal voorbeelden noemt die zonder nadere toelichting die niet is gegeven, geen helderheid bieden. Deze onduidelijkheid klemt te meer gelet op het tijdsverloop tussen de aanleg van de infrastructuur en het moment waarop De Gemeente in 2012 bij De Wending over gebreken klaagde. Voorts gaat de Gemeente niet in op het verweer dat zij zich tot en tijdens de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 25 juli 2012, nog op het standpunt stelde dat de openbare ruimte klaar was om te worden overgedragen.

4.8.

De Gemeente stelt naar het oordeel van de rechtbank hiermee in het licht van het verweer onvoldoende om aan te nemen dat De Wending in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen die op haar rusten in het kader van het onderhoud van de openbare ruimte en die op haar als schuldenaar rusten. Het beroep op de redelijkheid en billijkheid dat de Gemeente in dit verband doet, leidt niet tot een ander oordeel omdat daar geen andere feiten aan ten grondslag worden gelegd dan die reeds zijn besproken.

4.9.

Met het bovenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de Gemeente onvoldoende stelt om aan te nemen dat De Wending toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Daarmee komen ook de bezwaren weg te vallen die de Gemeente opwerpt tegen de overdracht van de openbare ruimte, zodat moet worden geoordeeld dat de openbare ruimte gereed is om te worden overgedragen.

4.10.

Dit betekent dat de vorderingen van De Wending in conventie voor toewijzing gereed liggen voor zover ze betrekking hebben op de gestelde tekortkoming van De Wending en op de medewerking van de Gemeente aan de overdracht. Ook de vordering tot het continueren van de energieleverantie en de betaling van de facturen ter zake van die leverantie zullen worden toegewezen. De vordering die De Wending in dit verband instelt, is ruimer dan de vordering die door de voorzieningenrechter bij vonnis van 23 november 2012 is toegewezen, omdat ze mede betrekking heeft op de pompinstallaties en de betaling van facturen, zodat niet gezegd kan worden dat De Wending bij de vordering die zij nu instelt, onvoldoende belang heeft. De gevorderde dwangsommen zullen worden afgewezen gelet op het verweer van de Gemeente dat zij een veroordelend vonnis zal respecteren. De vorderingen van de Gemeente in reconventie liggen voor afwijzing gereed.

4.11.

De Gemeente zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van De Wending worden veroordeeld. Deze kosten zijn te begroten op:

in conventie

explootkosten € 77,84

salaris advocaat € 904,-- (€ 452,-- x 2 punten)

griffierecht € 613,--

TOTAAL € 1.594,84

in reconventie

salaris advocaat € 904,-- (€ 452,-- x 2 punten)

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

1. verklaart voor recht dat De Wending niet in verzuim en/of in gebreke is (geweest)

wegens (toerekenbare) tekortkoming(en) in haar verplichtingen voortvloeiende uit de

tussen haar en de Gemeente op 23 juni 2005 gesloten overeenkomst;

2. verklaart voor recht dat De Wending - met inachtneming van de hiervoor door haar

uit coulance in 2014 nog verrichte herstel - en onderhoudswerkzaamheden - in ieder

geval reeds voor de ingebrekestelling zijdens de Gemeente d.d. 28 november

2014 - volledig heeft voldaan aan al haar verplichtingen voortvloeiende uit de tussen

haar en de Gemeente op 23 juni 2005 gesloten ontwikkelingsovereenkomst;

3. verklaart voor recht dat de Gemeente in haar brief van 28 november 2014, althans in haar brief van 3 februari 2015, ten onrechte de op 23 juni 2005 gesloten overeenkomst voor wat betreft het bepaalde in art. 4 ingaande 5 december 2014, althans ingaande 27 december 2014, althans ingaande enige andere datum, partieel heeft ontbonden;

4. verklaart voor recht dat het project, zoals omschreven in art. 4 van de overeenkomst, overdrachtgereed is en dat de Gemeente thans verplicht is om haar volle medewerking te verlenen aan de overdracht op de wijze als bepaald in art. 4;

5. veroordeelt de Gemeente om binnen twee weken vanaf de datum van betekening van het ten deze te wijzen vonnis haar volle medewerking te verlenen om te komen tot de (juridische) eigendomsoverdracht door De Wending aan haar van de in het project “De Scheiding”, gelegen in het Lauwerskwartier te Opende, gemeente Grootegast, aanwezige en/of aangelegde openbare voorzieningen met bijbehorende ondergrond, zulks ten overstaan van notaris mr. Tj. Smid Netwerk Notarissen te 9801 AD Zuidhorn aan De Gast 6, althans enig andere notaris als door de Gemeente gewenst;

6. veroordeelt de Gemeente om de aanwezige energievoorziening ten behoeve van de openbare verlichting en de pompinstallaties op het bedrijventerrein, algemeen bekend als “De Scheiding”, gelegen in het Lauwerskwartier te Opende, gemeente Grootegast, onafgebroken in stand te houden en periodiek zorg te dragen voor tijdige betaling van de facturen aan het energiebedrijf, zolang de openbare ruimte, nu nog in eigendom toebehorend aan De Wending, nog niet in eigendom is overgedragen aan de Gemeente en om de Gemeente te verbieden over te gaan tot afsluiting daarvan;

7. veroordeelt de Gemeente in de proceskosten aan de zijde van De Wending begroot op

€ 1.594,84;

8. verklaart dit vonnis wat betreft 5 t/m 7 uitvoerbaar bij voorraad;

9. wijst af het anders of meer gevorderde;

in reconventie

10. wijst het gevorderde af;

11. veroordeelt de Gemeente in de proceskosten aan de zijde van De Wending begroot op

€ 904,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2016.1

1 type: coll: