Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3629

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
29-07-2016
Zaaknummer
5164243 VV EXPL 16-58
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

kort geding: wijziging standplaats; geen eenzijdig wijzigingsbeding, wel een redelijk voorstel; belangenafweging in voordeel werkgever

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2245
AR-Updates.nl 2016-0852
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 5164243 VV EXPL 16-58

Vonnis in kort geding d.d. 20 juli 2016

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser, hierna [werknemer] te noemen,

gemachtigde mr. C.T. de Jong-Boersma, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, kantoorhoudende te Tilburg,

tegen

de Stichting Regionale Ambulancevoorziening Groningen,

gevestigd en kantoorhoudende te Groningen,

gedaagde, hierna Ambulancevoorziening Groningen te noemen,

gemachtigde mr. G.H. Boelens, advocaat te Zwolle.

PROCESGANG

Op de in de inleidende dagvaarding genoemde gronden heeft [werknemer] gevorderd dat Ambulancevoorziening Groningen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening wordt veroordeeld:

  1. om [werknemer] in het kader van een ongewijzigde voortzetting van de overeengekomen arbeidsvoorwaarden zijn werkzaamheden vanuit standplaats Veendam te laten verrichten, één en ander op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat Ambulancevoorziening Groningen geen uitvoering geeft aan het vonnis;

  2. om aan [werknemer] te betalen de buitengerechtelijke kosten;

  3. in de proceskosten.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 juli 2016. Partijen (Ambulancevoorziening Groningen vertegenwoordigd door [naam] , regiomanager) zijn samen met hun gemachtigden ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet, [werknemer] mede aan de hand van de door zijn gemachtigde opgestelde pleitaantekeningen. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.

Het vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.1.

[werknemer] , geboren op [geboortedatum] , is vanaf 1 juni 2008 krachtens arbeidsovereenkomst en thans voor onbepaalde tijd in dienst van Ambulancevoorziening Groningen. Zijn functie is ambulancechauffeur.

1.2.

Op grond van de arbeidsovereenkomst heeft [werknemer] Veendam als standplaats. Voorts is in de arbeidsovereenkomst onder meer bepaald dat [werknemer] in redelijkheid andere werkzaamheden kunnen worden opgedragen.

1.3.

Sinds circa 5½ jaren heeft [werknemer] een relatie met mevrouw [B] . Zij werkt bij Ambulancevoorziening Groningen als ambulanceverpleegkundige op de post Veendam.

1.4.

Uit zijn vorige relatie heeft [werknemer] minderjarige kinderen. In het kader van de echtscheiding hebben hij en zijn toenmalige echtgenote een ouderschapsregeling getroffen. Overeengekomen is dat [werknemer] zijn kinderen om het weekend ziet.

1.5.

In 2015 heeft Ambulancevoorziening Groningen haar beleid gewijzigd ten aanzien van relaties op dezelfde post. Waar dat tot op dat moment werd gedoogd, is op grond van dat beleid niet meer toegestaan dat medewerkers die een relatie hebben (partners en familie) op dezelfde locatie werken. De Ondernemingsraad van Ambulancevoorziening Groningen heeft in september 2015 met dat nieuwe beleid ingestemd.

1.6.

Ambulancevoorziening Groningen heeft vervolgens aan [werknemer] te kennen gegeven dat zij voornemens is om, op grond van het nieuwe beleid, zijn standplaats te wijzigen van Veendam in Winschoten. [werknemer] heeft laten weten dat hij daar niet mee instemt. Partijen hebben daar veelvuldig over gecommuniceerd en gecorrespondeerd. Dat heeft evenwel niet tot een oplossing geleid.

1.7.

Ambulancevoorziening Groningen heeft bij brief van 18 mei 2016 aan [werknemer] bericht dat zijn standplaats vanaf 15 juni 2016 Winschoten wordt. In de brief heeft Ambulancevoorziening Groningen onder meer het volgende geschreven:

De standplaatswijziging gaat in per 15 juni 2016. De diensten die u in het gepubliceerde rooster (13 juni t/m 3 juli 2016) op de post Veendam zou werken zijn identiek aan de diensten die u op de post Winschoten gaat werken. Voor de periode 4 juli t/m 15 september werkt u volgens het zomerrooster op de post Winschoten. Voor de periode hierna hebt u de keuze tussen drie opties: 1. reguliere plaatsing in Winschoten (waarbij het rooster de eerste twaalf maanden na 15 juni 2016 op de eerder beschreven wijze wordt aangepast aan het rooster zoals u dat had op Veendam), 2. Flexibel werken op de post Winschoten, of 3. Flexibel werken RAV-breed. Bij flexibel werken stelt u samen met de planners uw rooster samen. Graag vernemen wij uiterlijk 1 juni 2016 waar uw voorkeur naar uitgaat.

1.8.

[werknemer] heeft kenbaar gemaakt dat hij in afwachting van de uitkomst van een kort geding (voorlopig) kiest voor optie 1 (reguliere plaatsing in Winschoten met tijdelijke aanpassing van het rooster aan dat in Veendam).

Het geschil

2. Kort en goed verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of Ambulancevoorziening Groningen redelijkerwijs kan bepalen dat de standplaats van [werknemer] wordt gewijzigd.

3. Waar nodig zal de kantonrechter bij de beoordeling nader op de standpunten van partijen ingaan.

De beoordeling

4. Voldoende staat vast dat [werknemer] een spoedeisend belang bij zijn vordering heeft. Van [werknemer] kan daarom niet worden gevergd dat de uitkomst van een eventuele bodemprocedure wordt afgewacht.

5. In dit kort geding moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat, vooruitlopend daarop, toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is.

6. Partijen zijn overeengekomen dat de standplaats van [werknemer] Veendam is. Anders dan Ambulancevoorziening Groningen heeft doen betogen kan de bepaling in de arbeidsovereenkomst dat [werknemer] in redelijkheid andere werkzaamheden kunnen worden opgedragen, naar het voorlopig oordeel niet worden gezien als een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW. Daartoe is deze bepaling - welbeschouwd een verwijzing naar de, aan een arbeidsovereenkomst inherente, gezagsverhouding - te algemeen geformuleerd.

7. Dat in het arbeidscontract van [werknemer] geen bepaling is opgenomen dat Ambulancevoorziening Groningen gerechtigd is om één of meer arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen, laat onverlet dat volgens de heersende jurisprudentie goed werknemerschap als bedoeld in artikel 7:611 BW meebrengt dat een werknemer in het algemeen positief dient in te gaan op redelijke voorstellen van de werkgever, verband houdende met gewijzigde omstandigheden op het werk, en een dergelijk voorstel slechts dan mag afwijzen wanneer de aanvaarding ervan redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd (vgl. HR 26 juni 1998, JAR 1998, 199, Taxi Hofman).

8. Bij de vraag of van de werknemer aanvaarding van een wijziging van de overeenkomst op grond van het goed werknemerschap kan worden gevergd dient in de eerste plaats te worden onderzocht of de werkgever in de gewijzigde omstandigheden als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Als daarvan sprake is, dient vervolgens te worden onderzocht of aanvaarding van het voorstel van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden. Als ook dat het geval is, komt de werknemer het niet toe het voorstel tot wijziging te weigeren (vgl. HR 11 juli 2008, JAR 2008/204, Mammoet/Stoof).

9. Op grond van laatstgenoemde uitspraak moet bij de beoordeling van de vraag of een werknemer positief moet reageren op een voorstel tot wijziging eerst worden beoordeeld of er sprake is van gewijzigde omstandigheden op het werk. Alleen als die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de rechter toe aan de beantwoording van de vraag of het gedane voorstel tot wijziging in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijk is. Wanneer (ook) die vraag bevestigend wordt beantwoord moet worden beoordeeld of aanvaarding van het voorstel in redelijkheid van de werknemer kan worden gevergd.

10. Eerst moet dus worden beoordeeld of hier sprake is van gewijzigde omstandigheden op het werk. Dat is naar het voorlopig oordeel van de kantontrechter het geval. Allereerst heeft een werkgever de vrijheid om bijvoorbeeld nieuwe professionele standaarden te ontwikkelen. Verder heeft Ambulancevoorziening Groningen voldoende aannemelijk gemaakt dat haar geluiden bereiken dat samenwerking van partners op eenzelfde post niet door alle medewerkers als positief wordt ervaren, waardoor de kwaliteit van het werk (professionaliteit, onafhankelijkheid en objectiviteit) onder druk kan komen te staan. Het stond Ambulancevoorziening Groningen dan ook vrij om het beleid te ontwikkelen dat niet meer wordt toegestaan dat medewerkers die een relatie hebben (partners en familie) op dezelfde locatie werken. Voor dat oordeel is temeer aanleiding nu de Ondernemingsraad, die het personeel binnen het bedrijf vertegenwoordigt, met dit beleid heeft ingestemd. Dat de Ondernemingsraad haar visie inmiddels kennelijk (enigszins) heeft genuanceerd, doet daar niet aan af.

11. Omdat [werknemer] en zijn huidige partner op de locatie in Veendam werkzaam waren, kon Ambulancevoorziening Groningen op basis van het nieuwe beleid [werknemer] het voorstel doen om zijn standplaats te wijzigen van Veendam in [werknemer] . Niet alleen past dat voorstel binnen het huidige beleid van Ambulancevoorziening Groningen, ook heeft Ambulancevoorziening Groningen in het voorstel tegemoet willen komen aan het bezwaar van [werknemer] tegen de standplaatswijziging in verband met zijn ouderschapsregeling (het om het weekend zien van zijn kinderen). Ambulancevoorziening Groningen heeft [werknemer] immers de in de brief van 18 mei 2016 genoemde opties voorgeschoteld. In het licht van alle omstandigheden acht de kantonrechter het voorstel van Ambulancevoorziening Groningen voorshands dan ook redelijk.

12. Vanzelfsprekend heeft [werknemer] er belang bij - en is dat ook in het belang van zijn kinderen - dat hij zijn kinderen frequent kan blijven zien. Vanaf het moment dat [werknemer] na de overplaatsing naar Winschoten niet meer volgens het rooster in Veendam kan werken, verwacht hij dat hij zijn kinderen per jaar zo’n 4 weekenden minder kan zien. Het duurt evenwel nog een jaar voordat het zover is. Bij de door [werknemer] gekozen optie 1 geldt immers ook dat gedurende een jaar hetzelfde rooster als in Veendam wordt gevolgd. In dat eerste jaar verandert er voor wat het zien van de kinderen daarom niets. Gedurende dat jaar kan [werknemer] met zijn ex-echtgenote in overleg treden om de ouderschapsregeling in die zin aan te passen dat [werknemer] zijn kinderen even zo vaak kan blijven zien als tot nu toe het geval is.

13. Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter de kans dat de bodemrechter zal oordelen dat het belang van Ambulancevoorziening Groningen bij uitvoering van het beleid dient te wijken voor het belang van [werknemer] bij handhaving van de overeengekomen standplaats, niet zodanig groot dat, vooruitlopend op een mogelijke bodemprocedure, de vordering van [werknemer] in dit kort geding kan worden toegewezen. De gevraagde voorzienig zal daarom worden geweigerd.

14. Hoewel Ambulancevoorziening Groningen in dit kort geding het gelijk aan haar zijde heeft, ziet de kantonrechter met name in de omstandigheid dat ook Ambulancevoorziening Groningen gebaat is bij toetsing van het nieuwe beleid aanleiding om de proceskosten aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING IN KORT GEDING

De kantonrechter:

  1. weigert de gevraagde voorziening;

  2. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Fokkema, kantonrechter, en op 20 juli 2016 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.