Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3626

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-07-2016
Datum publicatie
29-07-2016
Zaaknummer
LEE 16/1224
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eisers aanvraag voor verlening van een identiteitskaart op grond van de Paspoortwet niet in behandeling genomen omdat eiser een pasfoto heeft ingeleverd die niet voldoet aan in artikel 28 van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 genoemde fotomatrix. Die pasfoto voldoet niet aan het vereiste dat het hoofd onbedekt dient te zijn, nu eiser op de foto een vergiet draagt. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU4596) en hetgeen eiser heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat de door hem aangehangen levensbeschouwende stroming het bedekken van het hoofd aan hem voorschrijft, dit kennelijk omwille van het vereiste respect voor deze stroming. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het feitelijke gebruik van het vergiet als hoofdbedekking voor eiser niet enkel wordt bepaald door godsdienstige of levensbeschouwelijke redenen. Zo hebben ook commerciële overwegingen en sociale redenen invloed op dat gebruik en verzetten die zich volgens eiser soms tegen het dragen van het vergiet als hoofddeksel. Voorts heeft eiser aangegeven dat het pastafarisme het dragen van het vergiet evenmin voorschrijft. Hiermee onderscheidt eisers geval zich reeds van de door hem genoemde andere religies. Gelet op de primaire functie van de pasfoto op de identiteitskaart, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven te zien om de door eiser ingediende pasfoto te accepteren. Nu eiser niet heeft voldaan aan artikel 28, tweede lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om eisers aanvraag niet in behandeling te nemen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module GBA 2016/1184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/1224

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),

en

de burgemeester van de gemeente Emmen, verweerder

(gemachtigde: mr. V.G. Beltman).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten eisers aanvraag voor verlening van een identiteitskaart op grond van de Paspoortwet niet in behandeling te nemen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 februari 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Daarbij heeft eiser verweerder verzocht om het bezwaarschrift ingevolge
artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) door te sturen naar de rechtbank om als rechtstreeks beroep te worden behandeld.

Bij brieven van 10 maart 2016 en van 15 maart 2016 heeft verweerder ingestemd met dit verzoek en eisers bezwaarschrift als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van het onderhavige beroep neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.

Eiser is aartsbisschop van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster (de Kerk). Binnen de Kerk wordt het pastafarisme beoefend.

Op 29 oktober 2015 heeft eiser een aanvraag voor verlening van een identiteitskaart op grond van de Paspoortwet ingediend.

In het kader van de behandeling van die aanvraag heeft de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (de Rijksdienst) verweerder geadviseerd.

Bij brief van 16 december 2015 heeft verweerder eiser bericht dat hij voornemens is eisers aanvraag niet in behandeling te nemen. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld binnen twee weken een vervangende pasfoto in te leveren.

Bij brief van 20 december 2015 heeft eiser zijn zienswijze op dat voornemen ingediend.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder – kort samengevat – overwogen dat eisers aanvraag niet in behandeling wordt genomen omdat eiser een pasfoto heeft ingeleverd die niet voldoet aan in artikel 28 van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (de Paspoortuitvoeringsregeling) genoemde fotomatrix (de fotomatrix). Die pasfoto voldoet niet aan het vereiste dat het hoofd onbedekt dient te zijn, nu eiser op de foto een vergiet draagt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn religie voorschrijft dat, in het openbaar, een hoofdbedekking moet worden gedragen. Bovendien acht verweerder de continuïteit van het dragen van het vergiet een onzekere factor. Gelet op de primaire functie van de pasfoto op een reisdocument, heeft verweerder de pasfoto niet geaccepteerd. Ter onderbouwing van het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar twee adviezen van de Rijksdienst.

3. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Paspoortwet – voor zover hier van belang – wordt in deze wet onder een aanvraag verstaan het verzoek tot verstrekking van een reisdocument.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet is de identiteitskaart van het Europese deel van Nederland de Nederlandse identiteitskaart. Hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van reisdocumenten is van overeenkomstige toepassing op de Nederlandse identiteitskaart, tenzij anders is bepaald.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Paspoortwet – voor zover hier van belang – is een reisdocument voorzien van de gezichtsopname volgens nader bij regeling van door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels.

Die regels zijn opgenomen in de Paspoortuitvoeringsregeling.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling wordt bij het indienen van een aanvraag voor een reisdocument een pasfoto overgelegd die een goedgelijkend beeld van de aanvrager geeft.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel voldoet de overgelegde pasfoto aan de acceptatiecriteria van de in bijlage L bij de Paspoortuitvoeringsregeling opgenomen fotomatrix.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan in afwijking van het tweede lid een pasfoto worden geaccepteerd indien de aanvrager heeft aangetoond dat godsdienstige of levensbeschouwelijke redenen zich verzetten tegen het niet bedekken van het hoofd.

Ingevolge de fotomatrix is de foto bedoeld ter identificatie van de aanvrager. Daarom moet bij het indienen van een aanvraag voor een reisdocument een pasfoto in kleur worden ingeleverd die een goedgelijkend beeld van de aanvrager geeft. Alleen als de foto aan alle in de fotomatrix opgenomen acceptatiecriteria voldoet wordt de foto goedgekeurd, tenzij er uitzonderingsbepalingen uit de Paspoortuitvoeringsregeling van toepassing zijn.

Ingevolge de in punt 4 "weergave gezicht" opgenomen acceptatiecriteria – voor zover hier van belang – dient het hoofd onbedekt te zijn.

4. Vaststaat dat de door eiser op 29 oktober 2015 overgelegde pasfoto niet voldoet aan de acceptatiecriteria uit de fotomatrix, omdat eiser op die foto een vergiet draagt. Tevens staat vast dat eiser nadien geen andere pasfoto bij verweerder heeft ingediend.

5. In geschil is enkel de vraag of eiser een geslaagd beroep kan doen op de uitzondering uit artikel 28, derde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling.

5.1.

Eiser meent dat hij een geslaagd beroep kan doen op de uitzondering. Eiser voert
– kort samengevat – aan dat allereerst van belang is dat de Kerk op 26 januari 2016 als kerkgenootschap is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Ten tweede acht eiser van belang dat uit een passage uit het heilige boek van het pastafarisme, The Loose Canon, volgt dat het pastafarisme wel degelijk aanbeveelt om het vergiet te dragen om het Vliegend Spaghettimonster te eren. Ten derde wijst eiser op de principiële verdeeldheid binnen het christendom over het Avondmaal en het feit dat binnen religies zoals de islam en het jodendom het dragen van hoofddeksels niet verplicht is gesteld dan wel is voorschreven. Zo zijn er binnen die laatstgenoemde religies, net als binnen het pastafarisme, geloofsgenoten die er voor kunnen kiezen om geen hoofdbedekking te dragen. Volgens eiser staat in de heilige geschriften van andere religies niets over het al dan niet verplicht dragen van een hoofddeksel. Desondanks honoreert verweerder een beroep op de uitzondering zondermeer indien een aanhanger van een dergelijke religie zich daarop beroept. Daarnaast meent eiser dat verweerder in het bestreden besluit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu de continuïteit van het dragen van het hoofddeksel slechts van belang is in geval een persoon door strikt individuele opvattingen over de eigen identiteit een hoofddeksel wil dragen. Voorts stelt eiser dat het bestreden besluit strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod op willekeur nu het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een identiteitsbewijs heeft afgegeven waarbij het de aanvrager is toegestaan om met een vergiet op de pasfoto te staan. In Eindhoven is een vergelijkbare aanvraag afgewezen, aldus eiser.

5.2.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij het vergiet draagt uit godsdienstige motieven. Volgens eiser is het een manier om zijn religie te beleven en is het voor hem onwenselijk om het vergiet af te zetten.

Desgevraagd heeft eiser verklaard dat hij er voor kiest het vergiet thuis en bij gelegenheden te dragen. Zo heeft hij het vergiet gedragen bij een voetbalwedstrijd, waarbij ook verweerder aanwezig was. Daarnaast draagt hij het vergiet als het hem wordt toegestaan, zoals nu tijdens de zitting van de rechtbank. Op kantoor draagt hij het vergiet als er geen cliënten aanwezig zijn. Eiser heeft aangegeven dat hij juridisch adviseur is. Als hij cliënten ontvangt, zet hij het vergiet af. Dit is een afweging uit commercieel oogpunt en uit sociale motieven nu het dragen van een vergiet cliënten kan afschrikken.

5.3.

In reactie op de beroepsgronden heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij op rechtens juiste gronden heeft besloten om eisers aanvraag niet in behandeling te nemen.

5.4.

Bij de beoordeling van eisers beroep op de uitzondering staat voorop dat het accepteren van een pasfoto op grond van artikel 28, derde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling een bevoegdheid en geen verplichting is.

5.5.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de AbRS) op
16 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU4596) heeft overwogen, houdt de in artikel 28, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling opgenomen norm verband met de functie van een reisdocument, te weten om de drager ervan te identificeren. De in het tweede lid van dat artikel bedoelde fotomatrix geeft een algemene concretisering van die norm welke dienstig is aan die functie. Daartoe is in de fotomatrix onder andere de eis gesteld dat het hoofd onbedekt dient te zijn. Door de AbRS is geoordeeld dat artikel 28, derde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling ertoe strekt op de in de fotomatrix neergelegde eis van een onbedekt hoofd uitzondering te maken voor de gevallen waarin de drager van het document aannemelijk maakt te behoren tot een in de maatschappij aanwezige godsdienst of levensbeschouwende stroming die het bedekken van het hoofd van de aanvrager voorschrijft, dit kennelijk omwille van het vereiste respect voor zulke stromingen. Nu het hier gaat om een uitzonderingsbepaling dient deze evenwel restrictief te worden uitgelegd.

5.6.

Ter zitting is met partijen vastgesteld dat het pastafarisme in elk geval een in de maatschappij aanwezige levensbeschouwende stroming is.

5.7.

Gelet op de hiervoor vermelde uitspraak van de AbRS en hetgeen eiser heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat de door hem aangehangen levensbeschouwende stroming het bedekken van het hoofd aan hem voorschrijft, dit kennelijk omwille van het vereiste respect voor deze stroming. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het feitelijke gebruik van het vergiet als hoofdbedekking voor eiser niet enkel wordt bepaald door godsdienstige of levensbeschouwelijke redenen. Zo hebben ook commerciële overwegingen en sociale redenen invloed op dat gebruik en verzetten die zich volgens eiser soms tegen het dragen van het vergiet als hoofddeksel. Voorts heeft eiser aangegeven dat het pastafarisme het dragen van het vergiet evenmin voorschrijft. Hiermee onderscheidt eisers geval zich reeds van de door hem in 5.1. genoemde religies.

De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn stelling dat door het niet accepteren van zijn pasfoto sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Uit de door eiser ingediende informatie over aanvragen in Eindhoven en Den Haag – wat daar van zij – valt niet af te leiden dat verweerder in het onderhavige geval willekeurig heeft gehandeld en/of gelijke gevallen ongelijk heeft behandeld.

5.8.

Gelet op de primaire functie van de pasfoto op de identiteitskaart, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven te zien om de door eiser ingediende pasfoto te accepteren.

6. Nu eiser niet heeft voldaan aan artikel 28, tweede lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om eisers aanvraag niet in behandeling te nemen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

typ: SCHA

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.