Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3582

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-07-2016
Datum publicatie
28-07-2016
Zaaknummer
18/730119-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vier jaren gevangenisstraf voor doodslag gepleegd te pleegplaats in de nacht van 8 op 9 februari 2016.

Verwerping beroep op noodweer dan wel noodweerexces.

Deskundigen hebben bij verdachte een autisme spectrum stoornis geconstateerd en adviseren verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Een behandeling achten de deskundigen niet aangewezen. De rechtbank heeft deze adviezen overgenomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730119-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 juli 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juli 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij de nacht van 8 op 9 februari 2016, te [pleegplaats] , gemeente Franekeradeel,

opzettelijk zijn levensgezel, genaamd [slachtoffer] , van het leven heeft

beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, de keel en/of hals van die [slachtoffer]

[slachtoffer] (met kracht en/of enige tijd) dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of

(daarbij) een drukkende kracht uitgeoefend op de borstkas en/of rug van die

[slachtoffer] , ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank stelt op grond van het dossier en de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast:

Op 9 februari 2016 om 5.59 uur kwam er bij de 112-centrale een melding binnen van verdachte, wonende te [pleegplaats] . Hierin gaf hij onder meer aan dat hij ruzie heeft gehad met zijn vrouw, dat ze van de trap zijn gevallen en dat zijn vrouw is overleden.2 Kort na de melding is de politie ter plaatse gegaan. Verdachte opende de deur en gaf hierbij wederom aan dat hij die nacht ruzie heeft gehad met zijn vrouw en hij leidde de politie naar de hal. In de hal, onderaan de trap, zag de politie het levenloze lichaam van [slachtoffer] liggen.3

Verdachte heeft verklaard dat hij wakker werd en lawaai hoorde en dacht dat zijn echtgenote, die de bovenetage van de woning gebruikte, "iets aan het voorbereiden was"; zij had eerder gedreigd hem uit de woning te zetten. Verdachte, die beneden sliep, is hierop naar boven gegaan. Er ontstond een woordenwisseling en vervolgens raakten ze in een gevecht verwikkeld. Daarbij heeft verdachte het slachtoffer met twee handen om de keel beetgepakt, waarbij hij zijn duimen aan de voorzijde van de keel had geplaatst. Hij was boos en ging door het lint en wilde haar uitschakelen. Verdachte en het slachtoffer zijn uiteindelijk onderaan de trap terechtgekomen.4

De patholoog heeft na sectie op het lichaam van het slachtoffer onder meer geconstateerd dat sprake was van forse stuwing van het gelaat en de hals. Ook waren er bloeduitstortingen in de bindvliezen van de oogleden en in het oogwit van beide oogbollen. Er waren vele puntvormige bloeduitstortingen. Verder was sprake van letsel aan de hals en de mondbodem en een breuk in het cricoïd kraakbeen van het strottenhoofd en een breuk aan de basis van het rechter bovenste hoorntje van het strottenhoofd. De patholoog heeft geconcludeerd dat het intreden van de dood goed kan worden verklaard door algehele weefselschade, ontstaan door ingewerkt uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals en mondbodem (stranguleren). Deze geweldsvorm kan, mede gezien de begeleidende verschijnselen van stuwing en puntvormige bloeduitstortingen en ecchymosen (kleinvlekkige bloedingen in de huid), niet een val van de trap of stomp botsend geweld tegen een trapdeel zijn geweest.5

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voornoemde vastgestelde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd door middel van het gedurende enige tijd dichtknijpen en drukken van de hals en keel.

Ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van opzet op de dood van het slachtoffer, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank overweegt dat zij uit de aard en ernst van de door de patholoog geconstateerde verwondingen afleidt dat verdachte het slachtoffer met kracht de hals/keel heeft dichtgeknepen. Naar algemene ervaringsregels levert een dergelijke handeling de aanmerkelijke kans op dat die persoon als gevolg daarvan komt te overlijden. Nu het algemene ervaringsregels betreft wordt een ieder -en dus ook verdachte- geacht wetenschap te hebben van het bestaan van deze aanmerkelijke kans.

De wurgingshandeling kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het intreden van de dood dat het -behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken- niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard. Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou overlijden en is zijn opzet op zijn minst genomen in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de nacht van 8 op 9 februari 2016 te [pleegplaats] , gemeente Franekeradeel , opzettelijk zijn levensgezel, genaamd [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, de keel en hals van die [slachtoffer] met kracht en enige tijd dichtgeknepen en dichtgedrukt, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van verdachte

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij gehandeld heeft uit noodweer dan wel noodweerexces. Hiertoe heeft hij naar voren gebracht dat het aannemelijk is dat verdachte met het slachtoffer bij de trap in gevecht is geraakt en daarbij is teruggedrongen naar de trap, die erg gevaarlijk en steil is. Verdachte stond het dichtst bij de trap en liep het gevaar te vallen. Hierop heeft verdachte zich verweerd en in zijn emotie heeft hij het slachtoffer bij de nek gepakt. Beiden zijn vervolgens van de trap gevallen. Aldus is -mede gelet op het feit dat de rechter de last tot het aannemelijk maken van een noodweersituatie niet uitsluitend op de verdachte mag leggen- aannemelijk dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waaraan verdachte zich niet kon onttrekken, aangezien achteruit- of weglopen bij de trap geen optie was, mede gezien de beperkte mobiliteit van verdachte. Verdachte had derhalve geen andere optie dan geweld te gebruiken, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt het volgende. Voor noodweer is vereist dat sprake is van een noodzakelijke verdediging gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Bij de beoordeling van de vraag of hiervan sprake is geweest, kunnen nauwkeurige en

consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen (vgl. ECLI:NL:HR:2016:456). De rechtbank is van oordeel dat van een verdachte wel mag worden verlangd dat hij gedetailleerd en consistent verklaart over de beweerdelijke aanranding, waartegen hij zich stelt te hebben moeten verdedigen.

Verdachte heeft een aantal maal verklaard omtrent hetgeen vooraf is gegaan aan het moment waarop hij zijn handen om de nek van het slachtoffer heeft gelegd. In zijn eerste politieverhoor heeft verdachte verklaard dat hij wakker werd van gestommel en daarom naar boven is gegaan. Na een woordenwisseling, waarin zij aangaf dat hij het huis moest verlaten, ontstond bovenaan de trap een gevecht. Verdachte was boos en ging door het lint. Ze pakten elkaar vast en rolden van de trap, waarbij hij haar met twee handen om de keel heeft vastgepakt. Het slachtoffer was aan het slaan, bijten en krabben en verdachte wilde haar uitschakelen. In zijn tweede verhoor heeft verdachte verklaard dat hij het slachtoffer begon te wantrouwen en dat hij het gevoel had dat zij bezig was hem uit huis te werken. Met dat gevoel liep verdachte naar boven. Hij vroeg haar vervolgens meermalen waar ze mee bezig was, maar kreeg geen antwoord. Toen ging hij door het lint. Zij werd ook kwaad en begon te schreeuwen. Ze zaten elkaar achterna, grepen elkaar vast en toen begon het vechten, waarbij zij begon te slaan en te meppen. Ze zijn beiden van de trap naar beneden gerold. Verdachte heeft haar bovenaan de trap bij haar nek beetgepakt. Hij was heel erg kwaad en ging door het lint. Wie begonnen is met vechten, weet hij niet meer. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zich weinig kan herinneren van de manier waarop het handgemeen en de daarop volgende verwurging heeft plaatsgevonden. Hij kan zich wel herinneren dat het slachtoffer op hem af kwam lopen, maar hij weet niet meer wie het gevecht is begonnen. Verdachte heeft voorts verklaard dat ze elkaar vastpakten en dat ze van de trap vielen, waarbij hij haar mogelijk bij de keel heeft gegrepen, omdat dat hem op dat moment het beste verweer leek en hij in paniek raakte, aangezien het slachtoffer de sterkere was. Pas na ondervraging door de raadsman heeft verdachte verklaard dat hij in paniek raakte, omdat zij de sterkere was en hij bang was dat zij hem van de trap zou gooien.

De rechtbank stelt voorop dat zij bij de beoordeling van het verweer uitgaat van de feitelijke toedracht zoals verdachte deze bij de politie naar voren heeft gebracht en niet van de aanvullingen die hij hierop in vrij summiere bewoordingen ter terechtzitting heeft gemaakt. Uit deze toedracht kan naar het oordeel van de rechtbank weliswaar worden afgeleid dat sprake is geweest van een woordenwisseling en een daarop volgend handgemeen, maar niet dat verdachte zich hierbij in een noodweersituatie heeft bevonden. Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een (noodzakelijke) verdediging gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, zal zowel het beroep op noodweer als het beroep op noodweerexces worden verworpen.

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ook overigens niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot 5 jaren gevangenisstraf.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft -voor het geval de rechtbank tot een strafoplegging zal komen- bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk wordt opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan levensberoving van zijn echtgenote, gepleegd door verwurging. Voorafgaand aan zijn daad was sprake van een moeizame partnerrelatie, waarbij verdachte vreesde zijn huis te moeten verlaten. Met zijn handelen heeft verdachte beschikt over het leven, het hoogste rechtsgoed, van een ander en heeft hij haar nabestaanden onherstelbaar leed berokkend. Een feit als het onderhavige schokt bovendien de rechtsorde ernstig en brengt gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij teweeg.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, ondanks zijn hoge leeftijd, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Uit het over verdachte opgemaakte psychiatrische rapport komt onder meer naar voren dat sprake is van een ziekelijke stoornis, te weten een autisme spectrum stoornis. Het is aannemelijk dat verdachte op grond van zijn stoornis in combinatie met een al zeer lange moeizame partnerrelatie en met een grote angst om zijn plek te moeten verlaten onvoldoende vrij was ten aanzien van zijn gedragskeuzes en gedragingen voorafgaande aan en ten tijde van het ten laste gelegde feit. De psychiater acht verdachte derhalve verminderd toerekeningsvatbaar. Het herhalingsrisico wordt als verwaarloosbaar gezien en een behandeling en begeleiding vanuit strafrechtelijk kader wordt niet noodzakelijk geacht. In het over verdachte opgemaakte psychologische rapport wordt voorts geconcludeerd dat sprake is van een autistisme spectrum stoornis, meer specifiek de stoornis van Asperger. Ook de psycholoog adviseert verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar aan te merken en schat de kans op herhaling als laag in. Uit het opgemaakte reclasseringsadvies volgt dat de reclassering een voorwaardelijk strafdeel niet nodig acht, aangezien sprake is van een laag recidiverisico. De benodigde nazorg kan tijdens detentie worden opgestart.

De rechtbank kan zich verenigen met de bovengenoemde conclusies van de deskundigen omtrent de toerekeningsvatbaarheid van verdachte en concludeert derhalve dat het bewezenverklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur dient te worden opgelegd. Voor de bepaling van de duur van de gevangenisstraf neemt de rechtbank in strafverminderende zin in aanmerking dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar wordt beschouwd en het recidiverisico als laag wordt ingeschat. Ook houdt de rechtbank rekening met de hoge leeftijd van verdachte en zijn broze gezondheid die maken dat detentie hem extra zwaar zal vallen. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen de deskundigen hierover hebben aangegeven, geen aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Alles afwegend acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden.

Benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de door de nabestaande gestelde schade, bestaande uit kosten voor de crematie en notariskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal de datum van de factuur vaststellen als datum van ingang van de wettelijke rente.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 6.506,75 (zegge: zesduizend vijfhonderdzes euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bepaalt dat ten aanzien van een bedrag van € 6.053,00 de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 3 maart 2016 en dat ten aanzien van een bedrag van € 453,75 de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 26 februari 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde] te betalen een bedrag van € 6.506,75 (zegge: zesduizend vijfhonderdzes euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor vermeld, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 67 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Jansen, voorzitter, mr. L.G. Wijma en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juli 2016.

w.g.

Jansen

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Wijma

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Sikkema

locatie Leeuwarden,

Dijkstra

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer PL0100-2016039084, gesloten op 29 april 2016.

2 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2016, p. 77 e.v.

3 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2016, p. 71 e.v.

4 De verklaring van verdachte, d.d. 9 februari 2016, p. 30 e.v.

5 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 14 april 2016.