Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3581

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
28-07-2016
Zaaknummer
C/17/133661 / HA ZA 14-110 + C/17/141256 / HA ZA 15-104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

erfrecht, verdeling/toedeling van aan erfgenamen verpachte landerijen, waardering in verpachte staat, benoeming deskundige(n)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

Vonnis van 27 juli 2016

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/17/133661 / HA ZA 14-110 van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. G.J. Niezink te Groningen,

tegen

1 [B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.J. Boonstra te Groningen,

2. [C],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M. Uittenbogaard te Leeuwarden,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/17/141256 / HA ZA 15-104 van

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.J. Boonstra te Groningen,

tegen

1 [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.J. Niezink te Groningen,

2. [C],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M. Uittenbogaard te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [A] , [B] en [C] genoemd worden.

1 De procedure in de zaak 14-110

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 27 maart 2014,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van [B] ,

  • -

    de conclusie van antwoord van [C] ,

  • -

    het tussenvonnis van 4 juni 2014,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 februari 2015,

  • -

    de akte na comparitie van [C] ,

  • -

    de akte ter rolle van [A] ,

  • -

    de antwoordakte van [C] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de zaak 15-104

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 13 april 2015,

  • -

    de conclusie van antwoord van [C] ,

  • -

    de conclusie van antwoord van [A] ,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek van [C] ,

  • -

    de conclusie van dupliek van [A] ,

  • -

    de antwoordakte houdende uitlating wijziging eis van [B] .

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

Het geschil betreft de nalatenschap van de op 4 juli 1979 overleden mevrouw [naam] en de nalatenschap van de op 10 september 1987 overleden heer [naam] , die tezamen in gemeenschap van goederen gehuwd waren. Uit hun huwelijk zijn drie kinderen geboren, namelijk [A] , [B] en [C] . Partijen zijn elk tot een derde gerechtigd in de nalatenschappen van hun ouders.

3.2.

[A] en [B] zijn akkerbouwers. Zij hebben van ongeveer 1972 tot 1999 in maatschapsverband een akkerbouwbedrijf geëxploiteerd. Feitelijk werd de tot die maatschap behorende boerderij te [plaats] door [B] geëxploiteerd en de boerderij te [plaats] door [A] . Naast tot het maatschapsvermogen behorende landerijen had de maatschap onder meer het genot over areaal in pacht dat tot de onverdeelde huwelijksgemeenschap van de ouders van partijen behoort. [A] en [B] zijn na de ontbinding van de maatschap ieder voor zich met hun eigen akkerbouwbedrijf verder gegaan, waarbij zij elk op enig moment een maatschapsverband met hun zoon zijn aangegaan.

3.3.

Bij arbitraal vonnis van 5 januari 2011, ter griffie van de toenmalige rechtbank Utrecht gedeponeerd op 20 januari 2011, zijn zowel de eigendom van de landerijen als het gebruik van het areaal in pacht dat in de maatschap was ingebracht zodanig verdeeld dat [A] en [B] elk zoveel mogelijk een bedrijf van gelijke omvang en zoveel mogelijk geconcentreerd bij de feitelijk bij hen in gebruik zijnde bedrijfsgebouwen verkregen. In genoemd arbitraal vonnis is, voor zover van belang, het volgende overwogen en beslist:

21.4

In de overwegingen (…) werd reeds bepaald dat aan [A] het gebruik wordt toegedeeld van van derden gepachte gronden met een oppervlakte van 35.17.34 ha. Overeenkomstig de geactualiseerde taxatie dient de toedeling plaats te vinden tegen een 'pachtwaarde' van € 6.000 per ha, hetgeen neerkomt op een totale 'pachtwaarde' van € 211.040,40. Dit betekent dat [A] wat deze toedeling betreft ter zake van overbedeling aan [B] een bedrag is verschuldigd van € 105.520,20.

21.5

In dezelfde overwegingen werd bepaald dat aan [B] het gebruik wordt toegedeeld van van derden gepachte gronden met een oppervlakte van 17.89.88 ha. Ook deze toedeling dient tegen een 'pachtwaarde' van € 6.000 per ha te geschieden, hetgeen neerkomt op een totale 'pachtwaarde' van € 107.392,80. Dit betekent dat [B] wat deze toedeling betreft ter zake van overbedeling aan [A] een bedrag is verschuldigd ter hoogte van € 53.696,40.

21.6

In overweging (…) werd bepaald dat de bedrijfsgebouwen met ondergrond te [plaats] (…) zullen worden toegedeeld aan [B] , en de bedrijfsgebouwen met ondergrond te [plaats] aan [A] . Deze toedeling zal geschieden met gesloten beurzen, met dien verstande dat [A] , zoals in overweging (…) reeds werd overwogen ter zake van de aardappelloods aan [B] een bedrag dient te voldoen ter hoogte van € 20.000.

3.4.

Voorgaande verdeling is geëffectueerd bij notariële akte van levering van 25 november 2011. [A] en [B] hebben ter zake van de toedeling van het gebruik van de gepachte landerijen met elkaar afgerekend.

3.5.

Tot de onverdeelde huwelijksgemeenschap van de ouders van partijen behoren thans de navolgende verpachte landerijen:

(onder [plaats] )

(grootte)

(gebruiker/pachter)

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

11.51.03 ha

[B]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

0.09.70 ha

[B]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

0.27.55 ha

[B]

(onder [plaats] )

(grootte)

(gebruiker/pachter)

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

0.82.80 ha

[naam]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

1.61.60 ha

[B]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

0.42.20 ha

[A]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

1.19.30 ha

[A]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

1.31.90 ha

[naam]

(een zoon van [A] )

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

2.50.45 ha

[A]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

4.40.00 ha

[B]

3.6.

De pachtsommen worden vanaf het overlijden van de vader van partijen op een boedelrekening gestort, die - na aftrek van diverse kosten - tussen partijen (door tussenkomst van rentmeesterskantoor Van Eysinga & Oostra te IJsbrechtum) gelijkelijk worden verdeeld.

4 De vorderingen

in de zaak 14-110

in conventie

4.1.

[A] vordert dat het de rechtbank behaagt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [B] en [C] te veroordelen tot medewerking en verdeling van de grond in de (ontbonden) nalatenschap van wijlen [naam] en zijn echtgenote [naam] op de wijze zoals genoemd onder punt 5 van de dagvaarding, althans op een wijze van verdeling als door de rechtbank in goede justitie zal worden vastgesteld,

2. te benoemen een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW om [B] en [C] , voor zover zij onwillig zijn (of een van hen onwillig is), te vertegenwoordigen bij de werkzaamheden tot verdeling van de gemeenschap,

3. notaris mr. S. Hellema, kantoorhoudende te 9101 LZ Dokkum aan de Hogepol 18 te benoemen tot boedelnotaris ten overstaan van wie de werkzaamheden der verdeling zullen plaatsvinden,

4. te benoemen een makelaar/taxateur tot bepaling van de vrije waarde en de waarde in verpachte staat van de te verdelen onroerende zaken en vast te stellen welke bedragen partijen jegens elkander (mogelijkerwijs) verschuldigd zijn wegens overbedeling van een of meer van hen op een nader door de rechtbank in goede justitie van te stellen bedrag,

5. te bepalen dat de te benoemen makelaar/taxateur, de onzijdige persoon en de boedelnotaris hun kosten ten laste kunnen brengen van de te verdelen gemeenschap,

6. [B] en [C] te veroordelen in de kosten van dit geding.

4.2.

[B] voert verweer met conclusie dat het de rechtbank behage de verdeling van de gemeenschap vast te stellen met inachtneming van hetgeen door hem in de conclusie van antwoord is gesteld, kosten rechtens.

4.3.

[C] voert verweer met conclusie dat het de rechtbank moge behagen om bij vonnis, voor zover mogelijk en met inachtneming van hetgeen door [C] in alinea 42 van de conclusie van antwoord is gesteld uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschap vast te stellen met inachtneming van hetgeen door [C] in die conclusie is gesteld, kosten rechtens.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

4.5.

[B] vordert:

1. dat het de rechtbank behage [A] en [C] te veroordelen tot het meewerken aan de verdeling van de onroerende zaken behorende tot de nalatenschap van de ouders van partijen, [naam] en [naam] , op de wijze als omschreven onder punt 6 en punt 7 van de conclusie van eis in reconventie,

2. dat het de rechtbank behage de verdeling te bepalen van de gelden behorende tot de hiervoor genoemde onverdeelde boedel,

3. gedaagden in reconventie te veroordelen om mee te werken aan het verlijden van de notariële akte waarin de verdeling van de gemeenschap wordt vastgelegd, zoals bij het ten dezen te wijzen vonnis zal worden bepaald,

4. notaris mr. S. Hellema te Dokkum te benoemen tot notaris ten overstaan van wie de verdeling dient plaats te vinden en benoeming van een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 181 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,

5. het in dezen te wijzen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad,

kosten rechtens.

4.6.

[A] voert verweer met conclusie dat het de rechtbank behaagt bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de kosten, de vorderingen van [B] af te wijzen, althans deze aan hem te ontzeggen met veroordeling van [B] in de kosten van het geding.

4.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 15-104

4.8.

[B] vordert dat het de rechtbank behage bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [A] en [C] te veroordelen over te gaan tot verdeling van de gemeenschap,

2. de verdeling van de gemeenschap vast te stellen overeenkomstig het lichaam van de dagvaarding,

3. [A] en [C] te veroordelen om mee te werken aan het verlijden van de notariële akte waarin de verdeling van de gemeenschap wordt vastgelegd, zoals bij het ten dezen te wijzen vonnis zal worden bepaald,

4. notaris mr. S. Hellema te Dokkum te benoemen tot notaris ten overstaan van wie de verdeling dient plaats te vinden en benoeming van een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 181 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,

5. [A] en [C] te veroordelen in de kosten van het geding.

4.9.

[C] voert verweer met conclusie dat het de rechtbank moge behagen om bij vonnis, voor zover mogelijk en met inachtneming van hetgeen door [C] in alinea 45 van de conclusie van antwoord is gesteld uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschap vast te stellen met inachtneming van hetgeen door [C] is gesteld, kosten rechtens.

4.10.

[A] voert verweer met (gewijzigde) conclusie dat het de rechtbank behaagt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [B] en [C] te veroordelen tot medewerking en verdeling van de grond in de (ontbonden) nalatenschap van wijlen [naam] en zijn echtgenote [naam] , samen met [A] , op de wijze zoals genoemd onder punt 7 van de conclusie van dupliek, althans op een wijze van verdeling als door de rechtbank in goede justitie zal worden vastgesteld,

2. te benoemen een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW om [B] en [C] , voor zover zij onwillig zijn (of een van hen onwillig is), te vertegenwoordigen bij de werkzaamheden tot verdeling van de gemeenschap,

3. notaris mr. S. Hellema, kantoorhoudende te 9101 LZ Dokkum aan de Hogepol 18 te benoemen tot boedelnotaris ten overstaan van wie de werkzaamheden der verdeling zullen plaatsvinden,

4. te benoemen een makelaar/taxateur tot bepaling van de vrije waarde en de waarde in verpachte staat van de te verdelen onroerende zaken en vast te stellen welke bedragen partijen jegens elkander (mogelijkerwijs) verschuldigd zijn wegens overbedeling van een of meer van hen op een nader door de rechtbank in goede justitie van te stellen bedrag,

5. te bepalen dat de te benoemen makelaar/taxateur, de onzijdige persoon en de boedelnotaris hun kosten ten laste kunnen brengen van de te verdelen gemeenschap,

6. [B] en [C] te veroordelen in de kosten van dit geding.

4.11.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 Het geschil en de beoordeling daarvan

in de zaak 14-110 en in de zaak 15-104

5.1.

Beide zaken, die op de rol zijn gevoegd, zien op hetzelfde geschil. Dat geschil betreft kort gezegd de verdeling van de tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van de ouders van partijen behorende landerijen, zoals opgesomd in rov. 3.5. Partijen zijn het eens over de wijze van verdeling/toedeling daarvan, met uitzondering van het perceel gemeente [plaats] , sectie [letter] nummer [nummer] . Partijen verschillen (ook) van mening over de waarde waarvoor de landerijen in de verdeling dienen te worden betrokken. De in beide zaken door partijen ingenomen stellingen en de daarop gebaseerde vorderingen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

5.2.

[A] neemt - samengevat - de volgende standpunten in. [A] wenst het litigieuze perceel met nummer [nummer] toegedeeld te krijgen. Hiertoe voert hij aan dat [B] anders aanzienlijk in grond zou worden overbedeeld ten nadele van de landbouwkundige belangen van [A] . De verdeling/toedeling dient volgens [A] plaats te vinden op grond van de waarde van de percelen in verpachte staat. Formeel moeten [A] en [B] na de verdeling/toedeling nog afstand doen van hun pachtaanspraken op de grond die aan de ander wordt toegedeeld.

In reactie op de conclusie van [C] voert [A] aan dat de vader van partijen de pachtovereenkomst niet met de maatschap, maar met [A] en [B] is aangegaan en dat zij het pachtgenot in de maatschap hadden ingebracht. Na de beëindiging van de maatschap zijn [A] en [B] hun (betalings)verplichtingen steeds nagekomen, zodat van tekortkomingen geen sprake is. [A] stelt tot slot dat hij zijn bedrijf niet heeft beëindigd, maar dat hij een samenwerking met zijn zoon is aangegaan die voor een indeplaatsstelling in aanmerking komt. De bezwaren van [C] tegen hantering van de waarde in verpachte staat kunnen worden ondervangen door eventueel in het kader van de verdeling/toedeling een meerwaardeclausule te hanteren.

5.3.

[B] neemt - samengevat - de volgende standpunten in. Ook [B] wenst het litigieuze perceel met nummer [nummer] toegedeeld te krijgen. De verdeling/toedeling dient plaats te vinden overeenkomstig de toedeling ingevolge het arbitrale vonnis van 5 januari 2011 en nader tussen partijen vastgelegd bij notariële akte van 25 november 2011. Het perceel met nummer [nummer] is sindsdien in gebruik bij [B] en daarom dienen zijn belangen bij de verdeling/toedeling daarvan te prevaleren. Het perceel ligt bovendien te midden van andere landerijen van [B] . De verdeling/toedeling dient volgens [B] voor wat betreft de aan [A] en [B] verpachte landerijen plaats te vinden tegen de waarde in verpachte staat, nu deze ten tijde van het overlijden van de ouders van partijen verpacht waren. Voor de aan de heren [naam] verpachte percelen dient uit te worden gegaan van de waarde in vrije staat voor zover deze pachtvrij zouden zijn, dan wel in verpachte staat voor zover deze thans nog wel verpacht zijn.

In reactie op de conclusie van [C] voert ook [B] aan dat de pachtovereenkomst niet met de maatschap is aangegaan, maar met [A] en [B] . Daar waar het arbitraal vonnis tot gevolg heeft dat [A] gronden niet meer persoonlijk gebruikt, dient hij uit de pacht ontslagen te worden. [B] stelt dat hij zijn bedrijf niet heeft beëindigd, maar dat het ten behoeve van zijn zoon is uitgebreid met areaal en gebouwen in [plaats] . Voor wat betreft de overige bezwaren van [C] is de toepassing van een meerwaardeclausule een niet ongebruikelijke oplossing.

5.4.

[C] neemt - samengevat - de volgende standpunten in. [C] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ter zake van de verdeling/toedeling van de landerijen.
Die verdeling/toedeling dient volgens hem plaats te vinden tegen de waarde in vrije staat met uitzondering van de percelen die aan de heren [naam] verpacht worden. Hiertoe voert [C] aan dat er sprake is van diverse tekortkomingen aan de zijde van de pachter, dat de landerijen na toedeling niet langer met een gebruiksrecht zijn bezwaard en dat de verwachting bestaat dat [A] en [B] gezien hun leeftijd - beiden in de zeventig - de landerijen kort na de verdeling/toedeling zullen verkopen. Deze argumenten worden als volgt nader toegelicht. Als gevolg van de beëindiging van de maatschap werden de gronden niet langer door de pachter (i.e. de maatschap) voor de uitoefening van de landbouw gebruikt. Dit is een "pachtrechtelijke doodzonde", aldus [C] . [A] en [B] hebben vervolgens in strijd met de Pachtwet onderling afspraken omtrent de gebruiksrechten gemaakt. [C] is daar bewust buiten gelaten. Hierdoor kunnen zij na de verdeling/toedeling vrijelijk over de landerijen kunnen beschikken. [A] heeft zijn bedrijf al aan zijn zoon overgedragen en [B] zal dat naar verwachting op korte termijn doen.

[C] verzoekt tot slot dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, opdat hij bij een verdeling/toedeling tegen een lagere waarde dan de waarde in vrije staat, de mogelijkheid zal hebben om alsnog ontbinding van de pachtovereenkomst te vorderen wegens voormelde tekortkomingen.

5.5.

De rechtbank constateert dat [A] een bevel tot verdeling vordert (ex artikel 3:178 lid 1 BW), terwijl [B] en [C] een verdeling door de rechter wensen te bewerkstelligen (ex artikel 3:185 lid 1 BW). Nu uit de stellingen van partijen volgt dat er sprake is van onenigheid tussen de deelgenoten over de verdeling en niet zozeer van een onwillige deelgenoot, ligt het meer voor de hand om dat op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW tot vaststelling van de verdeling wordt overgegaan. De rechtbank zal dan ook de wijze van verdeling van de tot de huwelijksgemeenschap van de ouders van partijen behorende landerijen, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang, bepalen. Daartoe zal de rechtbank aansluiten bij het arbitraal vonnis van 5 januari 2011, waarin tot uitgangspunt is genomen dat [A] en [B] elk zoveel mogelijk een bedrijf van gelijke omvang en zoveel mogelijk geconcentreerd bij de feitelijk bij hen in gebruik zijnde bedrijfsgebouwen verkregen. Dit heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat het gebruik van het litigieuze perceel met nummer [nummer] is toegekend aan [B] . Gelet hierop zal de wijze van verdeling als volgt worden bepaald:

(onder [plaats] )

(grootte)

(toegedeeld aan)

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

11.51.03 ha

[B]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

0.09.70 ha

[B]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

0.27.55 ha

[B]

(onder [plaats] )

(grootte)

(toegedeeld aan)

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

0.82.80 ha

[B]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

1.61.60 ha

[B]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

0.42.20 ha

[A]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

1.19.30 ha

[A]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

1.31.90 ha

[A]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

2.50.45 ha

[A]

- gemeente [plaats] , sectie [letter] nr. [nummer]

4.40.00 ha

[B]

5.6.

De rechtbank bepaalt voorts dat voorgaande toedeling zal geschieden tegen de waarde in verpachte staat. Hiertoe is het volgende redengevend. Bij de verdeling/toedeling van de landerijen en de waardebepaling daarvan dient rekening te worden gehouden met bestaande pachtovereenkomsten (vgl. HR 20 juni 1975, NJ 1976, 414). Weliswaar stelt [C] zich op het standpunt dat de landerijen niet meer in gebruik zijn bij de pachters
- zowel voor wat betreft de heren [naam] als de maatschap (die volgens hem contractspartij was) -, maar gesteld noch gebleken is dat de pachtovereenkomsten op die grond door de rechter ontbonden zijn of anderszins beëindigd zijn. De waardering dient dan ook plaats te vinden met inachtneming van de verpachte staat. Hieraan doet niet af de omstandigheid dat na de verdeling/toedeling [A] en [B] , als gevolg van de verdeling van de gebruiksrechten op grond van het arbitraal vonnis van 5 januari 2011 en de effectuering daarvan in de notariële akte van 25 november 2011, over de aan elk hen toegedeelde landerijen vrijelijk zullen kunnen beschikken, door een vereenzelviging van pachter en verpachter. Door [C] zijn geen (andere) feiten of omstandigheden gesteld die een afwijking van voornoemde jurisprudentie rechtvaardigen.

5.7.

Voor de peildatum van de waarde geldt de datum van de verdeling tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hier tegen verzet of partijen anders met elkaar zijn overeengekomen. Gesteld noch gebleken is dat zich hier een dergelijke uitzondering voordoet. Aangezien hiervoor feitelijk al over de verdeling/toedeling is beslist, bepaalt de rechtbank dat de datum van dit vonnis als peildatum dient te worden gehanteerd.

5.8.

Voor de bepaling van de huidige marktwaarde van de landerijen in verpachte staat acht de rechtbank het nodig een onderzoek door (een) deskundige(n), bij voorkeur agrarisch makelaar-taxateur(s), in te laten stellen en daarover te laten rapporteren. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1. Wat is de marktwaarde per 10 augustus 2016 van de hiervoor onder 5.5 genoemde onroerende zaken in verpachte staat? Bij de beantwoording van deze vraag dient u de redelijkerwijs te verwachten pachtdruk op de onroerende zaken in ogenschouw te nemen.

2. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

5.9.

De rechtbank ziet aanleiding om het voorschot op de kosten van de deskundige gelijkelijk te verdelen over partijen in die zin dat ieder der partijen daarvan een derde (1/3) deel dient te voldoen.

5.10.

Partijen dienen zich voordat tot benoeming van (een) deskundige(n) wordt overgegaan uit te laten over:

1. de aard van de verlangde deskundigheid;

2. de vraag of met benoeming van één deskundige kan worden volstaan of dat er drie deskundigen dienen te worden benoemd;

3. de persoon van de deskundige(n);

4. de aan de deskundige(n) te stellen vragen.

5.11.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken omtrent de persoon van de deskundige(n).

Voor zover partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de persoon van de deskundige(n) en om die reden iedere partij een deskundige(n) voorstelt, dienen partijen gemotiveerd aan te geven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige(n), en waarom door de wederpartij voorgestelde deskundige(n) niet voor benoeming in aanmerking zou moeten komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onzijdigheid ten opzichte van een of meer van de partijen. Dergelijke zwaarwegende redenen dienen onderbouwd te worden gesteld, bij gebreke waarvan de rechtbank aan bezwaren voorbij zal kunnen gaan. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige(n), een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.

5.12.

De rechtbank zal beide zaken naar de rol verwijzen voor akte, zodat partijen zich over de onder 5.10 en 5.11 genoemde punten kunnen uitlaten. Partijen dienen de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar te sturen, zodat in de definitieve akte op de akte van de wederpartij gereageerd kan worden.

5.13.

[B] verlangt tot slot dat ook de boedelrekening bij de verdeling/toedeling wordt betrokken. [A] en [C] verzetten zich niet hiertegen. Hoofdregel is dat ieder der deelgenoten kan verlangen dat alle tot de gemeenschap behorende goederen en de voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen (artikel 3:179 lid 1 BW). Uit de vaststaande feiten volgt dat partijen de gelden op de boedelrekening steeds gelijkelijk verdelen (zie rov. 3.6). De rechtbank zal gelet hierop te zijner tijd in het eindvonnis bepalen dat het eindsaldo van de boedelrekening dienovereenkomstig verdeeld dient te worden.

6 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 14-110 en in de zaak 15-104

6.1.

verwijst de zaak naar de rol van 24 augustus 2016 voor akte aan de zijde van partijen, zoals hiervoor bedoeld onder rov. 5.12,

6.2.

bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week voor de onder 6.1 genoemde roldatum de concept-akten zullen toesturen, opdat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,

6.3.

houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2016.1

1 588