Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3546

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-07-2016
Datum publicatie
29-07-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1563
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Visserijdagen Harlingen, terrasvergunning, verweerder heeft zijn bevoegdheid tot handhaving voor een ander doel gebruikt dan waarvoor de bevoegdheid hem is gegeven, beroep gegrond, primaire besluit herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2016/2760
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/1563

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2016 in de zaak tussen

[Restaurant] , te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. Tj.P. Grünbauer),

en

de burgemeester van de gemeente Harlingen, verweerder

(gemachtigden: drs. A. van Brummen en drs. J. Kleczewski).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Evenementen Harlingen, te Harlingen.

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 3 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016. Namens eiseres is

[vertegenwoordiger] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de Stichting Evenementen Harlingen (SEH) zijn R. Rijksen, L.D. Poldervaart en G. Dijskstra verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

1.1.

Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.

2. Bij besluit van 22 januari 2015 heeft verweerder op basis van artikel 2:32 van de Algemene plaatselijke verordening Harlingen 2012 en het Terrassenbeleid Harlingen 2014 aan eiseres een vergunning voor onbepaalde tijd verleend voor het exploiteren van een terras bij het restaurant [Restaurant] , gevestigd aan de [adres] te [plaats]. Het vergunde terras is deels gelegen op eigen grond en deels gelegen op gemeentegrond. Aan de vergunning is onder meer het volgende voorschrift verbonden:

“7. Wanneer uw terras (gelegen op gemeentegrond) tijdens een evenement deel uitmaakt van het evenemententerrein, moet u toestemming vragen aan de organisatie of uw terras mag uitzetten tijdens het evenement”.

3. Bij besluit van 4 augustus 2015 is vergunning verleend aan de Stichting Evenementen Harlingen (SEH) voor het organiseren van de Visserijdagen 2015 van 26 tot en met 29 augustus 2015. Het evenemententerrein is aangewezen bij aanvullend besluit van

18 augustus 2015. Het terras van eiseres maakt onderdeel uit van het evenemententerrein.

4. Tussen partijen is niet in het geschil dat eiseres op 26 augustus 2015 het terras (op onder meer gemeentegrond) heeft uitgezet. De SEH heeft aan verweerder kenbaar gemaakt dat aan eiseres geen toestemming is verleend voor het uitzetten van een terras tijdens de Visserijdagen 2015.

Op basis van deze informatie heeft verweerder bij het primaire besluit een last onder dwangsom opgelegd van € 150,00 per overtreding (avond) met een maximum van € 450,00 wegens overtreding van voorschrift 7 van de terrasvergunning. Er is hierbij geen begunstigingstermijn opgelegd, omdat eiseres onmiddellijke herhaling van de geconstateerde overtreding kan voorkomen door het terras niet langer zonder toestemming op gemeentegrond uit te zetten. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat de in de aan eiseres op 22 januari 2015 verleende terrasvergunning onder 7 opgenomen voorwaarde naar haar oordeel zo moet worden verstaan dat in de hier aan de orde zijnde situatie het uitzetten van een terras op gemeentegrond slechts is toegestaan indien hiervoor toestemming is gevraagd én verkregen van de SEH. Ten aanzien van de vraag of aan dit voorschrift is voldaan door eiseres, overweegt de rechtbank als volgt.

4.2.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat er anders dan verweerder heeft aangenomen door haar een afspraak met de SEH is gemaakt om kosteloos een terras uit te mogen zetten gedurende de Visserijdagen; deze afspraak is in 2013 al gemaakt. Eiseres heeft deze stelling evenwel niet middels enig bewijsstuk kunnen onderbouwen, terwijl dit naar het oordeel van de rechtbank op de weg van eiseres ligt als zijnde vergunninghouder. Een vergunninghouder dient immers aan te tonen dat aan de vergunningsvoorwaarde(n) wordt voldaan.

De rechtbank neemt gelet op vorenstaande dan ook aan dat eiseres voor de hier in geding zijnde Visserijdagen geen toestemming heeft verkregen van de SEH om een terras uit te zetten. Daarbij betrekt de rechtbank dat ter zitting van de kant van de SEH uitdrukkelijk is weersproken dat er voor het hier aan de orde zijnde jaar toestemming is verleend om kosteloos op gemeentegrond een terras uit te zetten. Gelet op een en ander staat vast dat eiseres niet heeft voldaan aan voorschrift 7 van de op 22 januari 2015 verleende terrasvergunning.

5. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder daarmee in onderhavig geval bevoegd was tot handhaving over te gaan.

5.1.

Op grond het derde lid van artikel 125 van de Gemeentewet, gelezen in samenhang met artikel 5:32 van de Awb, wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder dwangsom uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert. Ingevolge artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. Op grond van artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

5.1.1.

Verweerder heeft te kennen gegeven dat het bij grote evenementen, zoals de Visserijdagen, voor verweerder wenselijk is dat er één organisator is. Dit maakt het onder meer mogelijk alle activiteiten in samenhang te beoordelen. De organisator, in onderhavig geval de SEH voor het avond- en nachtgedeelte van het evenement, dient bij de aanvraag om een evenementenvergunning tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het evenemententerrein is ingedeeld en waarop onder meer staat aangegeven hoe terrassen worden uitgezet. De SEH geeft aan ondernemers binnen het evenemententerrein al dan niet toestemming om hun terras gedurende de Visserijdagen uit te zetten op gemeentegrond; dit is ook neergelegd in voorschrift 7 van de aan eiseres verleende terrasvergunning. De door de SEH gemaakte indeling wordt vervolgens getoetst door de veiligheidsdiensten naar aanleiding waarvan een Veiligheidsplan wordt opgesteld. Het Veiligheidsplan heeft tot doel om de bereikbaarheid en inzet van alle benodigde diensten te regelen. Het plan is een organisatieoverzicht met een waarschuwing- en afsprakenschema. Het is onder meer gericht op een veilig en ordelijk verloop van de Visserijdagen. Het openbare leven moet blijven functioneren en de veiligheid van bewoners, deelnemers en bezoekers moet worden gewaarborgd, aldus verweerder.

5.1.2.

In onderhavig geval heeft de SEH eiseres, zoals reeds aangegeven, geen toestemming verleend om een terras gedurende de Visserijdagen uit te zetten, omdat eiseres de bijdrage die de SEH van de ondernemers binnen het evenemententerrein vraagt, niet wenst te betalen. Met het ontbreken van deze toestemming is, zoals hiervoor is overwogen, niet voldaan aan voorschrift 7 van de aan eiseres verleende terrasvergunning.

Het is de rechtbank uit het procesdossier en het verhandelde ter zitting evenwel niet gebleken welk publiekrechtelijk belang in onderhavig geval is gelegen in handhaving van dit voorschrift. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Gesteld noch gebleken is dat met het opzetten van het terras door eiseres de veiligheid dan wel enig ander publiek belang dat verweerder behartigt in geding is. De rechtbank stelt vast dat het terras van eiseres is opgenomen in het Veiligheidsplan 2015 en is beoordeeld door de veiligheidsdiensten. Niet is gebleken dat het terras op grond van veiligheidsoverwegingen niet zou kunnen worden opgezet. Weliswaar wordt in het Veiligheidsplan met betrekking tot het terras van eiseres opgemerkt dat hierover gedoe is, maar dit “gedoe” ziet, onbestreden, enkel op het feit dat eiseres geen bijdrage wenst te betalen aan de SEH. In dit verband acht de rechtbank ook van belang dat eiseres in 2013 wel toestemming had om haar terras tijdens het evenement op te zetten en dat niet is gebleken dat dit tot problemen heeft geleid. Ook in 2014 heeft eiseres haar terras uitgezet. Voor zover dit zonder toestemming van de SEH is gebeurd, heeft verweerder daar geen aanleiding in gezien om op grond van veiligheidsoverwegingen tot handhaving over te gaan.

Uit het voorgaande en het verhandelde ter zitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder middels het handhavingsbesluit (slechts) betaling van de bijdrage door eiseres aan de SEH wenst af te dwingen. Hiermee wordt evenwel geen publiek belang, maar enkel het particuliere belang van de SEH gediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus zijn bevoegdheid tot handhaving voor een ander doel gebruikt dan waarvoor de bevoegdheid hem is gegeven. De omstandigheid dat de bijdrage die de SEH van de ondernemers binnen het evenemententerrein ontvangt wordt gebruikt om de zaken te betalen waarvoor de SEH volgens de voorschriften van de evenementenvergunning verantwoordelijk is, zoals de inhuur van beveiliging, EHBO en de verwerking van afval, maakt dit niet anders. De evenementenvergunning is verleend aan de SEH en de SEH is gehouden de voorschriften die aan deze vergunning zijn verbonden na te leven. De wijze waarop de SEH deze voorschriften wenst na te leven middels afspraken met de ondernemers binnen het evenemententerrein, raakt geen publiek belang maar slechts het particuliere belang van de SEH.

6. Verweerder was gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet bevoegd om tot handhaving over te gaan. Het voorgaande brengt met zich dat het beroep van eiseres gegrond is. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het bezwaar van eisers van 21 september 2015 gegrond verklaren en het primaire besluit herroepen. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

7. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, gemiddelde zaak; € 496,- per punt).

8. Tot slot zal de rechtbank verweerder gelasten het door eiseres betaalde griffierecht van € 334,- aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. C.T. Hofman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening