Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3528

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-07-2016
Datum publicatie
26-07-2016
Zaaknummer
18-720060-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Woninginbraak

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/720060-16

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/720155-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 juli 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[naam ] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

thans verblijvende te [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2016.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.C. Poiesz, advocaat te Sneek.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C.V. van Overbeeke.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 februari 2016, te [pleegplaats] , althans in de gemeente Súdwest-Fryslân, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [straat 1] heeft weggenomen een hoeveelheid geld en/of een aantal spaarkaarten en/of een zilveren hanger (met inscriptie [naam ] ) en/of een (koperen) ring en/of een oorbel, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot genoemde woning heeft verschaft en/of die weg te nemen spaarkaarten en/of hanger en/of ring en/of oorbel en/of dat

weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 19 februari 2016, te [pleegplaats] , althans in de gemeente Súdwest-Fryslân, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan [straat 2] heeft weggenomen een (namaak)horloge, merk Cartier, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 16 februari 2016, te [pleegplaats] , althans in de gemeente Súdwest-Fryslân,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [straat 3] heeft weggenomen een hoeveelheid geld (ter waarde van

ongeveer 150 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot genoemde woning heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van

braak en/of verbreking en/of inklimming;

4.

hij op of omstreeks 15 februari 2016 te [pleegplaats] , althans in de gemeente Súdwest-Fryslân,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [straat 4] ) heeft weggenomen spaarkaarten en/of geld/munten, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot genoemde woning heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen spaarkaarten en/of geld/munten onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

5.

hij op of omstreeks 11 februari 2016, te [pleegplaats] , althans in het gemeente Súdwest-Fryslân,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit de [straat 5] heeft weggenomen een handtas en/of een telefoon en/of sleutels, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot die woning heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen tas en/of telefoon en/of sleutels onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

6.

hij op 16 januari 2016, althans in of omstreeks de periode van 16 januari 2016 tot en met 18 januari 2016, te [pleegplaats 2] , althans in de gemeente Súdwest-Fryslân, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [straat 6] heeft weggenomen geld en/of een cadeaubon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot genoemde woning heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geld en cadeaubon onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte het onder 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte dient derhalve van deze feiten vrijgesproken te worden.

Ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft de officier van justitie op grond van de stukken en de verklaring van verdachte ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring, met dien verstande dat ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde geen sprake is geweest van braak of verbreking. Verdachte dient van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het signalement van de man, die [getuige] gezien heeft bij de schutting van de betreffende woning, niet overeenkomt met het signalement van verdachte en dat er ook voor het overige geen wettig bewijs in het dossier voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte de woninginbraak heeft gepleegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat ten aanzien van het onder 5 en 6 ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank zal verdachte van deze feiten vrijspreken.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

feit 1

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2016.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 31 maart 2016, opgenomen op pagina 104 e.v. van het dossier met nummer 2016050056 d.d. 4 mei 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .

feit 2

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2016.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 19 februari 2016 opgenomen op pagina 123 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam ] .

feit 3

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2016.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 16 februari 2016 opgenomen op pagina 203 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] .

feit 4

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 7 juli 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik ben op 15 februari 2016 in de buurt van de woning aan de [straat 4] te [pleegplaats] geweest. Het klopt dat ik goederen die uit deze woning zijn ontvreemd bij het [naam beleenhuis + adres] te koop heb aangeboden.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 15 februari 2016 opgenomen op pagina 261 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

Op maandag 15 februari 2016 omstreeks 22.40 uur kwam ik thuis in mijn woning gelegen aan de [straat 4] te [pleegplaats] . Ik ben doorgelopen naar de keuken en ik zag dat de deur van de keuken naar het hok openstond. Deze deur sluit ik altijd als ik hierdoor heen loop.

In het hok zag ik dat er een plant op de werkbank lag. Deze plant stond in de vensterbank van het raam. Het raam bevindt zich boven het werkbankje. Ik zag dat de achterdeur niet afgesloten was. Naar mijn weten had ik deze deur wel afgesloten toen ik de woning verliet. In de achtertuin van mijn woning zag ik dat er een plank van de schutting in de tuin lag. Ik zag dat het de bovenste plank van de schutting betrof. De schuttingdeur had ik afgesloten door middel van een schuifgrendel. Ik zag dat er uit een lade van de kast in de woonkamer twee volle spaarkaarten van de Poiesz waren weggenomen. In de vensterbank van de slaapkamer staat een tweetal sieradendoosjes. Uit een van de doosjes zijn drie zilveren tientjes en een zilveren vijfje weggenomen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 19 april 2016, opgenomen op pagina 290 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Sinds 9 september 2015 droeg verdachte [naam ] de zogenaamde enkelband voorzien

van een global positioning system (GPS), waarvan de data opgeslagen werd.

Ik, [verbalisant 1] , zag dat de GPS data gegevens van de enkelband van de

verdachte aangaf dat op maandag 15 februari 2016 tussen 20:03 uur en 20:19 de

enkelband zich in de omgeving bevond van de [straat 4] te [pleegplaats] . Ik zag dat de

gps van de enkelband zich vanaf de achtertuin, [straat 4] , naar voren bewoog.

4. Een mutatierapport van Politie Noord-Nederland d.d. 16 februari 2016, als schriftelijk stuk opgenomen op pagina 284 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten naar aanleiding van een op 16 februari 2016 plaatsgevonden plaats delict onderzoek op het adres [straat 4] te [pleegplaats] :
De toegang tot de woning werd verkregen aan de achterzijde. Middels overklimming van de schutting werd toegang verkregen tot de achtertuin. Een schuttingplank is hierbij losgeraakt en lag in de tuin. In de bijkeuken was in een uitzetraam een kattenluik gemaakt van ongeveer 30 cm x 30 cm. Naast dit zelfgemaakte kattenluik bevond zich een openslaand raam.

Door het gat in het luik werd middels handreiking en hoogstwaarschijnlijk een werktuig, de raamgrendel omhooggeduwd uit het sluitblokje en het uitzetijzer omhooggetrokken.

Na opening raam werd er naar binnen geklommen. Buiten op de vensterbank onder het inklimraam waren vingervegen gezet in vuil zichtbaar. Binnen achter het inklimraam stond een plant welke op de werkbank was gevallen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 26 maart 2016, opgenomen op pagina 171 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op woensdag 23 maart 2016 zijn wij verbalisanten gegaan naar het [naam beleenhuis + adres] . Daar hadden wij een gesprek met de eigenaren. Het bleek dat [verdachte] op 16 februari 2016 om 09:00 uur zilveren muntstukken had ingeleverd.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde niet vastgesteld kan worden dat de in de aangifte vermelde Poiesz spaarkaarten door verdachte zijn weggenomen. De rechtbank acht daarom dit deel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de dader zich de toegang tot de achtertuin van de woning gelegen aan de [straat 4] te [pleegplaats] heeft verschaft door over de schutting te klimmen en vervolgens via een klapraam de woning is binnengeklommen. Verdachte heeft ter zitting verklaard in de buurt van de woning aan de [straat 4] te [pleegplaats] te zijn geweest omdat hij in de steeg achter de woning een afspraak had met zijn dealer. Uit de GPS gegevens afkomstig van de enkelband die verdachte droeg blijkt echter dat verdachte die avond ook in de achtertuin van de woning aan de [straat 4] is geweest en zich richting de woning heeft begeven. De verklaring van verdachte dat hij slechts in de steeg is geweest is derhalve aantoonbaar onjuist. Nu verder uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte een dag na de woninginbraak ’s ochtends vroeg over goederen beschikte, die uit de woning aan de [straat 4] te [pleegplaats] zijn weggenomen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de woninginbraak aan de [straat 4] te [pleegplaats] . Daarbij gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van de verdediging dat verdachte niet past in het signalement dat is gegeven door [naam getuige] , nu niet kan worden vastgesteld dat de door deze getuige omschreven persoon, die zij die dag bij de schutting zag staan, de inbreker is geweest. Overigens is het gelet op het gegeven signalement naar het oordeel van de rechtbank ook niet uitgesloten dat deze getuige wél verdachte heeft omschreven.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 19 februari 2016 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [straat 1] heeft weggenomen een hoeveelheid geld en een zilveren hanger met inscriptie [naam ] en een koperen ring en een oorbel, toebehorende aan anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot genoemde woning heeft verschaft door middel van braak;

2.

hij op 19 februari 2016 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan [straat 2] heeft weggenomen een namaak horloge, merk Cartier, toebehorende aan [slachtoffer 2] ;

3.

hij op 16 februari 2016 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [straat 3] heeft weggenomen een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 3] , waarbij verdachte zich de toegang tot genoemde woning heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

4.

hij op 15 februari 2016 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [straat 4] heeft weggenomen spaarkaarten en munten, toebehorende aan [slachtoffer 4] , waarbij verdachte zich de toegang tot genoemde woning heeft verschaft door middel van inklimming.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2. diefstal;

3. diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

4. diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten. Daarnaast heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan gedurende een proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf dienen de voorwaarden gekoppeld te worden zoals opgenomen in het reclasseringsadvies van 1 juli 2016. Een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur zou volgens de raadsman het behandel- en begeleidingstraject, welke verdachte thans volgt en ook wordt geadviseerd door de reclassering, doorkruisen. Verdachte heeft aangegeven gemotiveerd te zijn voor behandeling ook als dit een klinische opname zou inhouden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie woninginbraken en één insluiping in een woning. Aan het plegen van dergelijke feiten tilt de rechtbank zwaar, nu deze feiten niet alleen de nodige materiële schade veroorzaken, maar ook een forse inbreuk maken op de privacy van de bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Bovendien zijn woningen bij uitstek de plaats waar men zich veilig zou moeten kunnen voelen. Het is zeer kwalijk dat verdachte door zijn brutale daden dit gevoel van veiligheid heeft aangetast.

De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte al vele malen eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld en in 2012 voor een periode van twee jaren in een inrichting voor stelselmatige daders is geplaatst. De onderhavige feiten heeft verdachte begaan gedurende een proeftijd, waarbij aan verdachte onder meer als bijzondere voorwaarde elektronisch toezicht was opgelegd, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden zijn criminele activiteiten voort te zetten.

Uit het reclasseringsadviezen van 18 mei 2016 en 1 juli 2016 betreffende verdachte komt naar voren dat verdachte een 34-jarige veelpleger is, met een wederkerend patroon van

criminogeen verslavingsgedrag. Het negatieve pedagogische klimaat waarin verdachte opgroeide bevorderde het drugsgebruik en het daarmee samenhangend delict gedrag al op jonge leeftijd. Ondanks de jarenlange inzet vanuit de hulpverlening en de diverse intensieve reclasseringscontacten, bleef verdachte terugvallen in gebruik en een zwervend crimineel bestaan. Direct na zijn laatste detentie had hij een woning in [pleegplaats] . Hij kreeg intensieve

woonbegeleiding van Limor en functioneerde goed. Ondanks dit gegeven recidiveerde hij. Deze omstandigheden in combinatie met de pro criminele houding die verdachte lijkt te ontwikkelen maakt dat er twijfels zijn ontstaan bij de haalbaarheid van een hernieuwd (klinisch) behandeltraject. Anderzijds lijkt verdachte sinds zijn laatste opname wel stappen gemaakt te hebben en was er sprake van een goede samenwerking met de hulpverlening en de reclassering. Verdachte heeft aangegeven dat hij het nogmaals wil proberen in een FPA en dat hij op een gezonde manier wil leren omgaan met de spanningen die hij ervaart in het leven. Nu zijn verslavingsproblematiek meer op de achtergrond lijkt te staan, geeft de reclassering de voorkeur aan een opname van verdachte in FPA Zuidlaren in het kader van een bijzondere voorwaarde boven het opleggen van een gevangenisstraf dan wel een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een meldplicht en een ambulante behandelverplichting.

Gelet op de hardnekkige verslavingsproblematiek en overige psychische problemen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat ter voorkoming van recidive zeker behandeling en begeleiding van verdachte nodig zal zijn. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met aansluitend een klinische dan wel ambulante behandeling, zoals door de verdediging is voorgesteld, doet echter onvoldoende recht aan de door verdachte gepleegde feiten. Mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd en het omvangrijke strafblad van verdachte, is een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats. Teneinde verdachte enerzijds nog enig perspectief te bieden op het weer kunnen hervatten van zijn behandeltraject en anderzijds voldoende justitiële druk te laten ervaren om dat traject voort te zetten én geen strafbare feiten meer te plegen, ziet de rechtbank wel aanleiding een groter deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal daarbij de proeftijd op drie jaren vaststellen en de bijzondere voorwaarden opleggen die door de reclassering in haar rapport van 18 mei 2016 zijn geadviseerd.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toegewezen dient te worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met uitzondering van de posten met betrekking tot de beveiligingssloten en werkloon beveiliging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren nu de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de post met betrekking tot de ziektekosten/medicijnen ad
€ 21,96 onvoldoende is onderbouwd, zodat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dit houdt in dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Voorts kunnen naar het oordeel van de rechtbank de posten met betrekking tot de kosten beveiligingssloten en werkloon beveiliging, in totaal € 486,48, niet als rechtstreekse schade ten gevolge van het bewezenverklaarde feit worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering afwijzen.

Het overige deel van de gestelde materiële schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden en staat in zodanig verband met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, in zoverre derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat gelet op de onderbouwing van deze schade door de benadeelde partij aannemelijk is geworden dat zij immateriële schade heeft geleden, dat deze in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit en dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Het ter zake door de benadeelde partij gevorderde bedrag ad
€ 300,00 komt de rechtbank redelijk voor en is derhalve voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

[slachtoffer 6] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 6 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte degene is geweest die het feit heeft begaan, waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 7 augustus 2015, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 22 augustus 2015.

De officier van justitie heeft bij vordering van 10 juni 2016 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf, nu de hiervoor bewezen verklaarde feiten door verdachte zijn begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf te verlengen met één jaar.

Beoordeling

Nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarden niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de aan hem voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 24c, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 5 en 6 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland, op het adres Oostergoweg 6 te Leeuwarden. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zal meewerken aan de begeleiding van Limor waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van zijn begeleiding worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 325,- (zegge: driehonderd vijfentwintig euro).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij wat betreft de post ziektekosten medicijnen apotheek ad € 21,96 niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige wordt afgewezen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 325,00 (zegge: driehonderd vijfentwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 25,00 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde
Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18/720155-15:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 7 augustus 2015, te weten: 8 maanden gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter mr. M. Haisma en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2016.

Mr. M. van der Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.