Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3519

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
25-07-2016
Zaaknummer
LEE 13/3577 en LEE 14/2527
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:3308, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handhavingsprocedure en procedure tot opleggen van maatwerkvoorschriften betreffende de windturbine op het perceel Brongersmaweg 2 te Kollum. Niet in geschil is dat de geluidsvoorschriften uit de milieuvergunning van 20 januari 1998 in de periode van 1 januari 2011 tot 1 januari 2014 als maatwerkvoorschriften voor de windturbine dienden te worden aangemerkt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder beleidsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of hij gebruik zal maken van de bevoegdheid uit artikel 3.14a, derde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer om maatwerkvoorschriften te stellen en dient hij daarbij een belangenafweging te maken. Voorts komt verweerder beoordelingsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bijzondere lokale omstandigheden als bedoeld in dat artikel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich bijzondere lokale omstandigheden voordoen die nopen tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen om na 1 januari 2014 de in 1998 opgelegde geluidsvoorschriften (in de vorm van dB(A)-normen) als maatwerkvoorschriften vast te stellen. Uit de Nota van Toelichting tot wijziging van het Activiteitenbesluit (Staatsblad 2010, 749) volgt dat de systematiek van het Activiteitenbesluit met zich mee brengt dat verweerder in geval van bijzondere lokale omstandigheden verdergaande bescherming kan bieden via maatwerkvoorschriften, dan de bescherming die is opgenomen in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Hoewel in de Nota van Toelichting veel is opgenomen over de (aanleiding voor) wijziging van de normsystematiek (van de dB(A)-normsystematiek naar de normsystematiek van dB Lden en dB Lnight), dwingen het Activiteitenbesluit en die Nota verweerder niet om maatwerkvoorschriften in de normsystematiek van dB Lden en dB Lnight vast te stellen. In het licht van de bijzondere lokale omstandigheden heeft verweerder gedegen gemotiveerd waarom hij in dit specifieke geval afwijking van de in het Activiteitenbesluit opgenomen algemene normen gerechtvaardigd heeft geacht. Uit bestreden besluit 2 bleek echter onvoldoende duidelijk hoe moet worden gemeten en berekend of aan de maatwerkvoorschriften wordt voldaan. Dat onderdeel van bestreden besluit 2 is geheel middels bestreden besluit 3 vervangen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat voldoende aanleiding bestaat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak te volgen in zijn conclusies betreffende het handhavingsaspect van het onderhavige geval. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat om handhavend op te treden tegen het gebruik van de windturbine. De beroepen zijn gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 13/3577 en LEE 14/2527

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2016 in de zaken tussen

[eisers], te [plaats], [eisers],

(gemachtigde: mr. F. Postma),

en

Lucky Mill BV, te Kollum, eiseres Lucky Mill,

(gemachtigde: ing. J. Geleijns),

en

het college van burgemeester en wethouders van Kollumerland c.a., verweerder

(gemachtigden: mr. J.A. Ponsen, W.J. Osinga en G. Baatje).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2011 (hierna: primair besluit 1) heeft verweerder het verzoek van [eisers] om handhavend op te treden tegen de windturbine op het perceel plaatselijk bekend Brongersmaweg 2 te Kollum (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 19 juni 2013 (hierna: primair besluit 2) heeft verweerder het verzoek van [eisers] tot het opleggen van maatwerkvoorschriften voor de windturbine op het perceel afgewezen.

Bij besluit van 18 november 2013 (hierna: bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaarschriften van [eisers] gegrond verklaard, de primaire besluiten 1
en 2 herroepen en aangekondigd dat procedures zijn gestart tot handhavend optreden en het opleggen van maatwerkvoorschriften.

[eisers] hebben tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Dat beroep is bekend onder zaaknummer LEE 13/3577.

Bij besluit van 7 mei 2014 (hierna: bestreden besluit 2) heeft verweerder bestreden besluit 1 ingetrokken, het bezwaarschrift van [eisers] tegen primair besluit 2 gegrond verklaard, primair besluit 2 herroepen, middels een aparte brief maatwerkvoorschriften aan eiseres Lucky Mill opgelegd, het bezwaarschrift van [eisers] tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard en primair besluit 1 in stand gelaten.

Eiseres Lucky Mill heeft tegen bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Dat beroep is bekend onder zaaknummer LEE 14/2527.

Verweerder heeft een verweerschrift betreffende beide beroepen ingediend.

Het onderzoek ter zitting bij de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 12 november 2014. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Eiseres Lucky Mill heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Ter zitting heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank het onderzoek in beide beroepsprocedures geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een gewijzigd besluit te nemen.

Bij besluit van 2 december 2014 (hierna: bestreden besluit 3) heeft verweerder het aan eiseres Lucky Mill opgelegde maatwerkvoorschrift 1.3. gewijzigd.

[eisers] en eiseres Lucky Mill hebben reacties op bestreden besluit 3 ingediend.

Op 4 februari 2015 heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) benoemd als deskundige en verzocht om schriftelijk verslag uit te brengen.

Op 10 april 2015 heeft de StAB een schriftelijk verslag uitgebracht. Nadien hebben alle partijen een reactie ingediend.

Op 20 oktober 2015 heeft de StAB een nader schriftelijk verslag uitgebracht. Nadien hebben alle partijen een reactie ingediend.

De rechtbank heeft de behandeling van beide beroepen vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting bij de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 10 december 2015. [eisers] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en twee mede-gemachtigden (prof. dr. A. Koers en dr. J.H.F. Jansen). Eiseres Lucky Mill heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Feiten

1. Bij de beoordeling van beide beroepen neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.

[eisers] zijn woonachtig op het perceel [perceel] te [plaats]. Hun woning is gelegen op ongeveer 160 meter van het perceel. Het perceel is eigendom van eiseres Lucky Mill.

Bij besluit van 20 januari 1998 (hierna: de milieuvergunning) heeft verweerder aan eiseres Lucky Mill een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer (hierna: de Wm) verleend voor het oprichten en in werking hebben van een windturbine (met een ashoogte van 40 meter) op het perceel.

In dat besluit is onder meer het voorschrift opgenomen dat het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten ter plaatse van woningen van derden en andere geluidsgevoelige bestemmingen niet meer mag bedragen dan 50-45-40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Op 3 mei 2011 hebben [eisers] verweerder verzocht handhavend op te treden tegen het gebruik van de windturbine.

Bij primair besluit 1 van 21 juli 2011 heeft verweerder dat handhavingsverzoek afgewezen.

Hiertegen hebben [eisers] op 1 augustus 2011 bezwaar gemaakt.

Op advies van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie) heeft verweerder op 1 november 2011 besloten aanvullend akoestisch onderzoek te laten uitvoeren.

Op 15 maart 2013 heeft het Noordelijk Akoestisch Adviesburo BV (hierna: het NAA) een akoestisch rapport uitgebracht.

Bij brief van 18 maart 2013 hebben [eisers] verweerder verzocht maatwerkvoorschriften vast te stellen.

Op 9 april 2013 heeft de Milieuadviesdienst (hierna: de MAD) een onderzoeksrapport aan verweerder uitgebracht.

Bij primair besluit 2 van 19 juni 2013 heeft verweerder het verzoek van 18 maart 2013 afgewezen.

Hiertegen hebben [eisers] bezwaar gemaakt.

Bij advies van 18 oktober 2013 heeft de commissie verweerder geadviseerd om de bezwaarschriften van [eisers] gegrond te verklaren, om gebruik te maken van de bevoegdheid tot handhavend optreden en om zorgvuldig af te wegen welke maatregelen er genomen kunnen worden om overlast voor [eisers] te beperken.

Voorts heeft verweerder de drie onder ‘Procesverloop’ genoemde bestreden besluiten genomen.

Omvang van het geding

2. De rechtbank stelt vast dat uit (de redactie van) bestreden besluit 2 volgt dat verweerder bestreden besluit 1 geheel heeft ingetrokken en vervangen. Voorts constateert de rechtbank dat het beroep van [eisers] van rechtswege mede betrekking heeft op bestreden besluit 2. Beide beroepen hebben tevens van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit 3.

Beoordeling van beide beroepen

Beroep van [eisers] tegen bestreden besluit 1

3. Gelet op hetgeen is opgenomen in bestreden besluit 2, stelt de rechtbank vast dat verweerder bestreden besluit 1 heeft ingetrokken en vervangen omdat in dat besluit geen volledige heroverweging op bezwaar had plaatsgevonden nu in dat besluit geen maatwerkvoorschriften en geen handhavingsbesluit waren opgenomen. Nu bestreden
besluit 1 volledig is ingetrokken en vervangen door bestreden besluit 2, dient het beroep van [eisers] niet-ontvankelijk te worden verklaard, voorzover dat beroep nog is gericht tegen bestreden besluit 1.

Dwangsom aan [eisers]

4.1.

verzoeken de rechtbank om een dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vast te stellen omdat verweerder niet tijdig op hun bezwaarschrift tegen primair besluit 2 heeft beslist. Zij hebben verweerder op 24 december 2013 in gebreke gesteld omdat bestreden besluit 1 een onvolledig besluit betrof en de beslistermijn was verlopen. Aangezien pas op 7 mei 2014 een handhavingsbesluit is genomen waarbij maatwerkvoorschriften zijn opgelegd, menen [eisers] dat verweerder een dwangsom ten bedrage van € 1.260,- heeft verbeurd. De dwangsomvaststelling op 28 november 2013 volstaat niet nu die vaststelling louter ziet op feiten die zich vóór 28 november 2013 hebben voorgedaan, aldus [eisers].

4.2.

Verweerder heeft aangevoerd dat bij besluit van 28 november 2013 is vastgesteld dat een dwangsom wegens niet tijdig beslissen aan [eisers] is verbeurd ten bedrag van € 180,-. Dat bedrag is aan [eisers] betaald. Daarmee kan worden volstaan, aldus verweerder.

4.3.1.

In het onderhavige geval heeft verweerder een bezwarenadviescommissie ingesteld, zodat de beslistermijn – op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb – twaalf weken is na de dag waarop de bezwaartermijn tegen primair besluit 2 van 19 juni 2013 verstreken is. Uit verweerders besluit van 28 november 2013 volgt dat verweerder de beslistermijn niet heeft verdaagd. Verweerder had dus uiterlijk op 23 oktober 2013 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden.

Voorts staat vast dat verweerder, op grond van een eerdere ingebrekestelling (gedateerd
28 oktober 2013), in het besluit van 28 november 2013 een dwangsom wegens niet tijdig beslissen heeft vastgesteld en € 180,- aan [eisers] heeft betaald. Tevens staat vast dat bestreden besluit 1 een onvolledig besluit op bezwaar was, nu in dat besluit geen maatwerkvoorschriften en geen handhavingsbesluit waren opgenomen.

4.3.2.

In het licht van deze feiten is de rechtbank van oordeel dat het beroep van [eisers] op dit punt gegrond is. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet juist vastgesteld. De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog. De dwangsom is in dit geval verschuldigd vanaf 11 november 2013 tot en met 23 december 2013 en bedraagt € 1.260,-, zodat verweerder nog het restant van € 1.080,- aan [eisers] moet betalen.

Maatwerkvoorschriften

5. In bestreden besluit 2 heeft verweerder – kort samengevat – overwogen dat hij op grond van artikel 8.42 van de Wm in samenhang gelezen met artikel 3.14a, derde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) bevoegd is om bij maatwerkvoorschriften een andere waarde (voor de dB Lden en dB Lnight norm) vast te stellen in verband met bijzondere lokale omstandigheden. Nu de voorschriften uit de milieuvergunning vallen onder zijn bevoegdheid, gelden de oude geluidsnormen uit de milieuvergunning als maatwerkvoorschriften tot 1 januari 2014, aldus verweerder.

Voorts heeft verweerder, onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij het Besluit van 14 oktober 2010 tot wijziging van het Activiteitenbesluit (Staatsblad 2010, 749; hierna: de Nota van Toelichting) en de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 maart 2013 (ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ3549), overwogen dat een stiltegebied en laag achtergrondgeluid als een bijzondere lokale omstandigheid kunnen worden aangemerkt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het gebied waarin het perceel is gelegen, is aan te merken als stil agrarisch gebied en dat uit de milieuvergunning en de geluidnota van de gemeente Kollumerland c.a. van 14 december 2001 (hierna: de geluidsnota) volgt dat het lage achtergrondgeluidniveau als bijzondere lokale omstandigheid dient te worden aangemerkt. In verband daarmee en teneinde voor de inrichting dezelfde geluidsruimte, als voorgeschreven in de milieuvergunning, te continueren, heeft verweerder de geluidsnormen uit de milieuvergunning als maatwerkvoorschriften vastgesteld. Verweerder heeft daarbij verwezen naar hetgeen is opgenomen in het rapport van het NAA van 15 maart 2013 en de beoordeling door de MAD van 4 december 2013 (hierna: het MAD-rapport). De zienswijze van eiseres Lucky Mill geeft geen aanleiding tot het wijzigen van het besluit tot het vaststellen van de maatwerkvoorschriften, aldus verweerder.

6.1.

Eiseres Lucky Mill voert – kort samengevat – aan dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot het opleggen van maatwerkvoorschriften. Zij meent dat sprake is van willekeur omdat ineens dezelfde omgeving als bijzonder wordt aangemerkt, terwijl dit in eerdere procedures niet het geval was. Zij stelt dat de (omgevings)situatie feitelijk niet is veranderd en dat er ook geen sprake is van aantoonbaar bewijs dat de eerdere inschatting dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden anders zou moeten zijn. Voorts voert zij aan dat verweerders motivatie niet past binnen de wettelijke mogelijkheden van het Activiteitenbesluit en de Regeling Activiteitenbesluit. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de AbRS) van 19 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3666) en 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:544) voert zij aan dat er in gevallen zoals het onderhavige geval geen sprake kan zijn van bijzondere lokale omstandigheden. Daarnaast is verweerder niet inhoudelijk ingegaan op de wettelijke argumenten uit haar zienswijze.

6.2.

In reactie op deze beroepsgrond heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat uit de hiervoor genoemde uitspraken van de AbRS volgt dat hem beleidsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of hij gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften vast te stellen, dat hij daarbij een belangenafweging moet maken en dat hem beoordelingsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bijzondere lokale omstandigheden. Het gebied waarin de windturbine is gelegen, is aan te merken als een stil agrarisch gebied. In dat gebied is sprake van een lager dan gemiddeld achtergrondgeluid. Verweerder heeft besloten de geluidnormen uit de milieuvergunning als maatwerkvoorschriften vast te stellen, in verband met het continueren van de voor de windturbine geldende geluidsruimte zoals die tot 1 januari 2014 gold.

6.3.1.

Niet in geschil is dat de geluidsvoorschriften uit de milieuvergunning in de periode van 1 januari 2011 tot 1 januari 2014 als maatwerkvoorschriften dienden te worden aangemerkt.

6.3.2.

Uit de hiervoor genoemde jurisprudentie van de AbRS volgt dat verweerder beleidsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of hij gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen en dient hij daarbij een belangenafweging te maken. Voorts komt verweerder beoordelingsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bijzondere lokale omstandigheden als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit.

6.3.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich bijzondere lokale omstandigheden voordoen die nopen tot het stellen van maatwerkvoorschriften.

In zijn belangenafweging, als verwoord in bestreden besluit 2, heeft verweerder acht geslagen op de situatie ter plaatse, hetgeen daarover in het verleden in akoestische zin is vastgelegd, de belangen van [eisers] en de belangen van eiseres Lucky Mill. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van een stil landelijk gebied heeft verweerder gewezen op het feit dat in 1998 in de milieuvergunning, ter bescherming van het milieu, is opgenomen dat de maximaal toegestane geluidsbelasting van de omgeving ten gevolge van de inrichting gerelateerd dient te worden aan het heersende achtergrondniveau. Destijds is een normstelling van 50-45-40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode aanvaardbaar geacht, gelet op de situering van de inrichting. Voorts heeft verweerder acht geslagen op de in de geluidsnota opgenomen ambitiewaarde van 35 dB(A) voor de nachtperiode in agrarisch gebied en op het belang van eiseres Lucky Mill bij behoud van de sinds 1998 geldende geluidsruimte. Daarnaast heeft verweerder acht geslagen op het feit dat [eisers] reeds geruime tijd geluidshinder van de windturbine ondervinden.

De stellingen van eiseres Lucky Mill leiden niet tot een ander oordeel, nu die stellingen geen afbreuk doen aan verweerders belangenafweging. Dat verweerder zich voor het eerst in bestreden besluit 2 op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval sprake is van een stil landelijk gebied, valt te begrijpen nu verweerder pas sinds 1 januari 2011 in zijn afweging rekening dient te houden met benoeming van bijzondere lokale omstandigheden als bedoeld in het Activiteitenbesluit. Voorts betrekt de rechtbank dat in het onderhavige geval vaststaat dat de (omgeving van de) windturbine sinds 1998 niet in akoestische zin is gewijzigd. Daarnaast is gesteld noch anderszins gebleken dat de door [eisers] ervaren geluidshinder is afgenomen.

Deze beroepsgrond van eiseres Lucky Mill slaagt dus niet.

7.1.

Voorts meent eiseres Lucky Mill dat alleen sprake kan zijn van maatwerkvoorschriften die in de vorm van een jaargemiddelde dB Lden en dB Lnight zijn gesteld. Waar in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit wordt gesproken van ‘andere waarde’ wordt niet de normeenheid (dB Lden en dB Lnight) maar de getalswaarde bedoeld. De systematiek van dB Lden en dB Lnight is uit Europa afkomstig en gaat principieel uit van een andere benadering dan de oude dB(A)-systematiek. Onder verwijzing naar de Nota van Toelichting voert eiseres Lucky Mill aan dat beide normsystematieken geen directe relatie met elkaar hebben en daarom niet vergeleken kunnen worden. Het staat het bevoegd gezag niet vrij om voor een andere normsystematiek te kiezen. Eiseres Lucky Mill wil toepassing van de algemene regels uit het Activiteitenbesluit omdat dan sprake is van gelijke monniken gelijke kappen in vergelijking met andere windturbines in de omgeving.

7.2.

[eisers] voeren – kort samengevat – aan dat zij achter handhaving van de dB(A)-systematiek staan. Onder verwijzing naar het schriftelijk verslag van de StAB van 10 april 2015 voeren zij aan dat het huidige maatwerkvoorschrift hen echter nauwelijks een uitgebreidere bescherming biedt dan de algemene regels uit het Activiteitenbesluit. Dit stemt niet overeen met verweerders conclusie dat sprake is van een stil agrarisch gebied. [eisers] betogen dat het maatwerkvoorschrift voor de dag-, avond- en nachtperiode naar beneden moet worden bijgesteld, naar respectievelijk 45-40-35 dB(A). Daarnaast dient verweerder te voorzien in een standstilregeling nu uit eerdere metingen bekend is bij welke windsnelheden de normen van de milieuvergunning worden overschreden, aldus [eisers].

7.3.

In reactie op deze beroepsgronden heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat hij aan [eisers] tegemoet is gekomen door de bij de milieuvergunning gestelde geluidsnormen tot 1 januari 2014 als maatwerkvoorschriften op te leggen. Hij heeft niet de bevoegdheid om middelvoorschriften (zoals een standstillvoorziening) voor te schrijven. Middels de maatwerkvoorschriften behoudt de inrichting van eiseres Lucky Mill de geluidsruimte zoals die tot 1 januari 2014 reeds gold. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een zorgvuldige afweging is gemaakt nu de normen in de maatwerkvoorschriften een toereikend kader bieden om geluidoverlast voor omwonenden zoveel als mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. In het Activiteitenbesluit en de AbRS-jurisprudentie is niet uitgesloten dat normen in een andere eenheid (dan dB Lden en dB Lnight) kunnen worden vastgesteld, aldus verweerder.

7.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen om na 1 januari 2014 de in 1998 opgelegde geluidsvoorschriften (in de vorm van dB(A)-normen) als maatwerkvoorschriften vast te stellen.

Uit de Nota van Toelichting volgt dat de systematiek van het Activiteitenbesluit met zich mee brengt dat verweerder in geval van bijzondere lokale omstandigheden verdergaande bescherming kan bieden via maatwerkvoorschriften, dan de bescherming die is opgenomen in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Hoewel in de door eiseres Lucky Mill aangehaalde gedeelten van de Nota van Toelichting veel is opgenomen over de (aanleiding voor) wijziging van de normsystematiek (van de dB(A)-normsystematiek naar de normsystematiek van dB Lden en dB Lnight), dwingen het Activiteitenbesluit en die Nota verweerder niet om maatwerkvoorschriften in de normsystematiek van dB Lden en dB Lnight vast te stellen. Daarbij acht de rechtbank ten eerste van belang dat uit de Nota van Toelichting volgt dat verweerder bij het vaststellen van maatwerkvoorschriften rekening kan houden met de reeds bestaande geluidsbelasting. Ten tweede is van belang dat het bestaan van het overgangsrecht – in artikel 6.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit – wijst in de richting van de toelaatbaarheid van het (blijven) hanteren van normen in de
dB(A)-systematiek ondanks invoering van de normsystematiek van dB Lden en dB Lnight. Ten derde is van belang dat uit het schriftelijk verslag van de StAB van 10 april 2015 onder meer blijkt dat beide normsystematieken uitgaan van een andere periode waarover geluid wordt gemiddeld en dat de geluidsbelasting in dB Lden en dB Lnight niet middels de ‘Handleiding meten en rekening industrielawaai 1999’ (hierna: de Handleiding 1999) – de meet- en rekenmethode voor de dB(A)-systematiek – kan worden bepaald.

In het licht van de hiervoor onder 6.3.3. genoemde bijzondere lokale omstandigheden heeft verweerder gedegen gemotiveerd waarom hij in dit specifieke geval afwijking van de in het Activiteitenbesluit opgenomen algemene normen gerechtvaardigd heeft geacht. Bij die afwijkingsbeslissing heeft verweerder rekening mogen houden met het feit dat de bestaande geluidsbelasting reeds middels dB(A)-normen was gereguleerd.

Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiseres Lucky Mill niet in haar betoog dat verweerder in de maatwerkvoorschriften onjuiste normen heeft opgenomen.

Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding [eisers] te volgen in hun stelling dat verweerder in de maatwerkvoorschriften lagere normen had moeten vaststellen. Bij de vaststelling van de maatwerkvoorschriften heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de bijzondere lokale omstandigheden, waaronder de akoestische omstandigheden waarin [eisers] verkeren. De rechtbank slaat daarnaast acht op het feit dat uit het schriftelijk verslag van de StAB van 10 april 2015 volgt dat het de normstelling van 40 dB(A) voor de nachtperiode in voorkomende gevallen van hoge windsnelheden en bijgevolg relatief hoge immissieniveaus, voor [eisers] een hoger beschermingsniveau biedt dan de norm van 41 dB Lnight in het Activiteitenbesluit. Daarnaast volgt uit de hiervoor genoemde jurisprudentie van de AbRS dat het Activiteitenbesluit verweerder geen mogelijkheden biedt om bij maatwerkvoorschrift middelvoorschriften (zoals een standstillregeling) voor een windturbine vast te stellen.

Deze beroepsgronden van eiseres Lucky Mill en [eisers] slagen dus niet.

8.1.

[eisers] voeren voorts aan dat verweerder middels de maatwerkvoorschriften in bestreden besluit 2 de geluidsnormen ten onrechte niet handhaafbaar heeft gemaakt. In maatwerkvoorschrift 1.3 is ten onrechte verwezen naar de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1981’ (hierna: de Handleiding 1981) in plaats van de Handleiding 1999. Zij verzoeken de rechtbank om verweerder te veroordelen in de kosten die DPA Cauberg-Huygen Raadgevend Ingenieurs (hierna: DPA) heeft moeten maken, nu door verweerders handelen onduidelijkheid is ontstaan over de te hanteren Handleiding en het DPA-rapport van 22 oktober 2014 daardoor zo goed als onbruikbaar is geworden.

8.2.

Eiseres Lucky Mill voert dat zij in de toekomst geen verdere discussie wil hoeven voeren over de wijze van meten en rekenen van de geluidsbelasting; die wijze van meten en rekenen moet voldoende duidelijk zijn.

8.3.

Ter zitting van 12 november 2014 heeft verweerder erkend dat in bestreden
besluit 2 ten onrechte is verwezen naar de Handleiding 1981. Vaststaat dat verweerder bestreden besluit 2 middels bestreden besluit 3 heeft gewijzigd door in
maatwerkvoorschrift 1.3 te verwijzen naar de Handleiding 1999.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [eisers] en eiseres Lucky Mill terecht hebben betoogd dat uit bestreden besluit 2 onvoldoende duidelijk bleek hoe moet worden gemeten en berekend of aan de maatwerkvoorschriften wordt voldaan. Beide beroepen zijn op dit punt terecht ingesteld en kwamen – ten tijde van indiening van de beroepen – voor gegrondverklaring in aanmerking. Echter, nu het bestreden onderdeel van bestreden besluit 2 geheel middels bestreden besluit 3 is vervangen, ziet de rechtbank geen aanleiding dat onderdeel van bestreden besluit 2 te vernietigen en tot die gegrondverklaring over te gaan. Beide beroepen dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard, voorzover die beroepen nog zijn gericht tegen maatwerkvoorschrift 1.3 in bestreden besluit 2.

8.4.

Nu beide beroepen op dit punt terecht zijn ingesteld, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan [eisers] en eiseres Lucky Mill het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

8.5.

Voorts bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van zowel [eisers] als van eiseres Lucky Mill. De rechtbank zal de berekening van die proceskostenveroordelingen hieronder (onder 10.) toelichten.

Handhaving

9.1.

[eisers] menen dat verweerder zich in bestreden besluit 2 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat om handhavend op te treden tegen het gebruik van de windturbine. De windturbine kan de gestelde geluidsnormen niet halen. De door het NAA verrichte metingen zijn niet juist verricht. Tevens is verweerders belangenafweging onvoldoende dan wel onjuist geweest. Zij ondervinden al vanaf 2004 veel overlast van de windturbine, voornamelijk doordat de windturbine (te) veel geluid produceert en er bij zonnig weer sprake is van heftige slagschaduw. Zij ondervinden dermate veel overlast dat zij erg vermoeid en fysiek en psychisch toegetakeld zijn. Zij hebben tevergeefs geprobeerd de overlast te beperken door hun eigen woning te isoleren en op een andere plek in de woning (in de schuur) te slapen. Hun nachtrust wordt nog steeds ernstig verstoord, met medische klachten tot gevolg.

9.2.

In reactie op deze beroepsgrond heeft verweerder zijn standpunt uit bestreden besluit 2 herhaald, dat hij niet bevoegd is handhavend op te treden nu er geen overtreding is geconstateerd. Verweerder heeft – kort samengevat – aangevoerd dat uit het NAA-rapport en het MAD-rapport blijkt dat door de windturbine kan worden voldaan aan de geluidsnormen. Het NAA-rapport voldoet aan de Handleiding 1999. Tevens is de berekeningsmethodiek die door het NAA en de MAD is gehanteerd, in overeenstemming met het Reken- en meetvoorschrift windturbines, aldus verweerder.

9.3.1.

In het schriftelijke verslag van 10 april 2015 heeft de StAB – wat het handhavingsaspect betreft – geconcludeerd dat er sprake is van een overschrijding van de grenswaarde van 40 dB(A) in de nachtperiode, waardoor maatwerkvoorschrift 1.1 niet te allen tijde (bij iedere windsnelheid) kan worden nageleefd.

9.3.2.

In reactie op het schriftelijk verslag van de StAB hebben [eisers] aangevoerd dat het noodzakelijk is dat verweerder verdere handhavingsmaatregelen neemt.

9.3.3.

In reactie op het schriftelijk verslag van de StAB heeft eiseres Lucky Mill aangevoerd dat de StAB een vergissing maakt door als uitgangspunt te nemen dat er gedurende 15 nachten per jaar gedurende de hele nacht sprake zal zijn van een niet-fluctuerende windsnelheid van 8,1 m/s. Eiseres Lucky Mill stelt dat de praktijk(metingen) naar windsnelheden op 10 meter hoogte het tegenovergestelde bevestigen; de wind fluctueert elke nacht. Hier had een correctie voor moeten worden toegepast, aldus eiseres Lucky Mill.

9.3.4.

In reactie op het schriftelijk verslag van de StAB heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat, rekening houdend met een meetonnauwkeurigheid, niet kan worden gesteld dat sprake is van een overschrijding van de norm van 40 dB(A) in de nachtperiode. De MAD heeft voldaan aan hetgeen is bepaald in de Handleiding 1999. Verweerder heeft de door de StAB geschetste representatieve bedrijfssituatie betwist. Een windsnelheid van 8,1 m/s komt niet vaker dan 12 nachten per jaar voor. Er is bij die windsnelheid dan ook geen sprake van een representatieve bedrijfssituatie, maar juist van een incidentele bedrijfssituatie. De windsnelheid van 8,1 m/s komt gemiddeld 4% van alle nachtperioden voor. De MAD acht het onwaarschijnlijk dat die windsnelheid gedurende
15 nachten constant (8 uur lang) zal voorkomen. Ook is onwaarschijnlijk dat in de overige 350 nachten deze windsnelheid niet meer zou kunnen optreden. Verder blijkt uit de door de StAB gehanteerde tabel dat gedurende de nachtperiode de wind veelal varieert van laag naar hoog. Het percentage lagere windsnelheden is overheersend. Nu lagere windsnelheden iedere nacht overheersen en de door de windturbine geproduceerde geluidsniveaus daarmee ook lager zijn, wordt gemiddeld voldaan aan de norm van 40 dB(A). Verder volgt uit nadere berekeningen van de MAD dat het bronvermogen van 98,7 dB(A) pas optreedt in combinaties, waarbij de windsnelheid gedurende minimaal 8 uur 7 m/s, 5 uur 8 m/s of 3 uur 9 m/s bedraagt. Gelet hierop is terecht het bronvermogen gebruikt dat behoort bij een gemiddelde van windsnelheden van 5 m/s tot en met 9 m/s, zoals aangegeven in de Handleiding 1999, aldus verweerder.

Voorts heeft verweerder aangevoerd dat uit een door eiseres Lucky Mill uitgevoerde berekening volgt dat er in 2011 in totaal 25 nachtperioden waren met een bronvermogen van 98,7 dB(A) of hoger, met een energetisch vermogen van ongeveer 2184 kWh. Het totaal aantal nachten waarbij een overschrijding optreedt, is volgens verweerder dus beperkt en slechts 13 nachten hoger dan het aantal dat als incidenteel wordt beschouwd. Dat is ongeveer 3,5% en daarmee een zeker beperkt deel van het totaal aantal nachten. Op basis daarvan zou een voorziening op de windturbine moeten worden aangebracht, waarbij de turbine ’s nachts wordt stilgezet, indien blijkt dat het aantal nachten met een opbrengst van 2184 kWh hoger wordt dan 12 nachten.

9.4.1.

In het nader schriftelijk verslag heeft de StAB geconcludeerd dat de reacties van partijen geen aanleiding geven tot het trekken van een andere conclusie dan opgenomen in het schriftelijke verslag van 10 april 2015. Bij de keuze van de maximale representatieve bedrijfssituatie in het schriftelijk verslag, heeft de StAB zich gebaseerd op de gegevens in de tabel bij het NAA-rapport; het gaat in die tabel niet om de procentuele verdeling van de windsnelheden binnen één nacht, maar over de verdeling over één jaar. De redenering dat de representatieve bedrijfssituatie met een bijbehorende windsnelheid de gehele nacht moet voorkomen, acht de StAB niet reëel. Een windverdeling van 4% komt overeen met totaal

15 nachten in het jaar waarbij de windsnelheid gemeten op 10 meter hoogte 8,1 m/s bedraagt. Deze windsnelheid heerst dan zogezegd gemiddeld op de dertiende dag. De hoogste 12 dagen heeft de StAB als incidentele bedrijfssituatie buiten beschouwing gelaten. Een gemiddelde windsnelheid van 8,1 m/s in de nachtperiode met een bronvermogen van 99,6 dB(A) leidt tot een overschrijding van de grenswaarde van 40 dB(A). De StAB acht het goed denkbaar dat er gedurende de nachtperiode een dergelijke gemiddelde windsnelheid zich voordoet. Voorts is overwogen dat verweerder in zijn reactie heeft bevestigd dat maatwerkvoorschrift 1.1 niet te allen tijde (bij iedere windsnelheid) kan worden nageleefd, nu in het jaar 2011 sprake was van in totaal 25 nachten waarbij sprake was van een bronvermogen van 98,7 dB(A) of hoger.

Voorts heeft de StAB overwogen dat het onjuist is om voor de berekening van het energetisch gemiddelde uit te gaan van de procentuele windverdeling, nu het in de systematiek van de Handleiding 1999 nadrukkelijk niet gaat om de windsnelheid die procentueel over een jaar gemeten wordt maar om de gemiddelde windsnelheid binnen één beoordelingsperiode (dag-, avond- of nachtperiode). Om die reden is in het schriftelijke verslag uitgegaan van de gemiddelde windsnelheid van 7 m/s en het (volgens de tabel) bijbehorende bronvermogen van 98,7 dB(A). Het immissieniveau bij de woning van [eisers] bedraagt dan afgerond 41 dB(A), rekening houdend met de meet- en rekenonnauwkeurigheid. De bandbreedte van ± 2 m/s impliceert dat er overeenkomstig de Handleiding 1999 ook een direct immissiemeting uitgevoerd mag worden bij een gemiddelde windsnelheid van 9 m/s. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt in dat geval afgerond 42 dB(A), aldus de StAB.

9.4.2.

Op 10 december 2015 hebben [eisers] ter zitting hun stelling gehandhaafd dat sprake is van een overtreding; verweerder dient handhavend op te treden.

9.4.3.

Op 10 december 2015 heeft eiseres Lucky Mill ter zitting haar stelling gehandhaafd dat de windturbine voldoet aan de normstelling. De StAB heeft de feitelijke situatie en de representatieve bedrijfssituatie ten onrechte verwisseld. Het is onjuist om uit te gaan van een gemiddelde windsnelheid per nacht van 8,1 m/s. Indien er toch maatregelen moeten worden genomen, is het bijvoorbeeld mogelijk om de windturbine stil te zetten of de bladen op een andere manier in te stellen zodat minder geluid wordt geproduceerd.

9.4.4.

Op 10 december 2015 heeft verweerder ter zitting aangevoerd dat de StAB de onjuiste representatieve bedrijfssituatie heeft gehanteerd; ten onrechte is uitgegaan van een gemiddelde windsnelheid van 8,1 m/s. Die windsnelheid komt niet vaak voor. Het is wel toegestaan om energetisch te middelen, aangezien niet in de Handleiding 1999 staat dat dit niet mag. Het zijn juist de lagere windsnelheden die kenmerkend zijn voor de nachtperiode. Voor zover toch sprake is van een overtreding, kan op de windturbine een standstillvoorziening voor de nacht worden aangebracht. Die voorziening kan niet bij maatwerkvoorschrift worden vastgesteld.

9.5.1.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aanleiding bestaat de StAB te volgen in zijn conclusies betreffende het handhavingsaspect van het onderhavige geval.

Uit de schriftelijke verslagen van 10 april 2015 en 20 oktober 2015 volgt dat de StAB de in het NAA-rapport opgenomen gegevens en bevindingen over de windturbine heeft betrokken bij de beoordeling van het MAD-rapport. De in het schriftelijke verslag van 10 april 2015 opgenomen weergaven van het NAA-rapport en van het MAD-rapport komen overeen met hetgeen in die rapporten is opgenomen. Aan de hand van door het NAA verzamelde gegevens over de werking van de windturbine en de systematiek uit zowel de Handleiding 1981 als de systematiek uit de Handleiding 1999, heeft de StAB in het schriftelijke verslag van 10 april 2015 in voldoende mate uitgelegd waarom de MAD in het geluidsonderzoek een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd door uit te gaan van het gemiddelde bronvermogen bij windsnelheden van 5 m/s tot en met 9 m/s. De StAB heeft daarbij verwezen naar de representatieve bedrijfssituatie zoals die volgt uit (bijlage 11 bij) het NAA-rapport. Daarbij heeft de StAB in voldoende mate toegelicht waarom de windsnelheid van 8,1 m/s op 10 meter hoogte als gemiddelde windsnelheid is genomen. Voorts heeft de StAB, met inachtneming van zowel de systematiek uit de Handleiding 1981 als de systematiek van de Handleiding 1999, in voldoende mate uitgelegd waarom in het onderhavige geval met inachtneming van een aftrek voor de meet- en rekenonnauwkeurigheid sprake is van een overtreding van de geluidsnorm in de nachtperiode ter hoogte van de woning van [eisers]. De rechtbank acht het door de StAB verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig.

9.5.2.

In hetgeen eiseres Lucky Mill en verweerder hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de schriftelijke verslagen van de StAB onjuistheden zouden bevatten dan wel dat de conclusies van de StAB inhoudelijk niet concludent zouden zijn. Daarbij is van belang dat eiseres Lucky Mill noch verweerder een deskundig tegenrapport hebben overgelegd, ondanks dat zij daartoe ruim de tijd en de gelegenheid hebben gehad. In het nader schriftelijk verslag van 20 oktober 2015 heeft de StAB voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de door eiseres Lucky Mill en verweerder gegeven reacties niet worden gevolgd. Voorts acht de rechtbank van belang dat verweerder in zijn reactie op het schriftelijk verslag heeft erkend dat het gebruik van de windturbine in 2011 heeft geleid tot een overschrijding van de geluidsnorm in de nachtperiode.

9.5.3.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat om handhavend op te treden tegen het gebruik van de windturbine.

Deze beroepsgrond van [eisers] slaagt. Verweerders beslissing in bestreden besluit 2 tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van [eisers] tegen primair besluit 1, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

9.5.4.

Voorts ziet de rechtbank geen mogelijkheid om in dit kader zelf in de zaak te voorzien. Nu maatwerkvoorschrift 1.1 niet te allen tijde (bij iedere windsnelheid) kan worden nageleefd, dient verweerder in de regel gebruik te maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Thans is echter onduidelijk in hoeverre er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van die beginselplicht tot handhaving kan afwijken.

De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om een nieuw besluit op het bezwaarschrift van [eisers] van 1 augustus 2011 te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank draagt verweerder op daarbij in ieder geval acht te slaan op de aard en omvang van de door [eisers] ervaren overlast en de hiervoor onder 9.4.3 en 9.4.4. benoemde mogelijkheden tot reductie van de geluidsproductie van de windturbine.

Proceskostenveroordelingen

10.1.

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door [eisers] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.736,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 12 november 2014, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een verslag van deskundigenonderzoek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 10 december 2015, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Tevens ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de reiskosten van [eisers] voor het bijwonen van de zitting van 10 december 2015, tot een bedrag van € 29,68 (twee maal € 14,84; een retourreis voor twee personen met het openbaar vervoer tussen [perceel] te [plaats] en Guyotplein 1 te Groningen).

De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de reiskosten van dr. J.H.F. Jansen (hierna: Jansen) voor het bijwonen van de zitting van 10 december 2015. Ter zitting is Jansen, in overleg met [eisers], aangemerkt als mede-gemachtigde. Nu [eisers] ter zitting tevens zijn bijgestaan door hun gemachtigde, wier kosten als professioneel rechtsbijstandsverlener reeds voor vergoeding in aanmerking komen, biedt het Besluit proceskosten bestuursrecht geen ruimte om de reiskosten van Jansen voor vergoeding in aanmerking te brengen.

Ten aanzien van de door [eisers] opgegeven kosten van DPA-deskundige ing. M.J.M. Blankvoort stelt de rechtbank vast dat [eisers] in dit kader twee nota’s hebben ingediend, te weten van 22 oktober 2014 (€ 3.327,50; verrichten van geluidsmetingen) en van 23 december 2014 (€ 1.258,40; nadere beoordeling maatwerkvoorschrift geluid). Verweerder heeft deze nota’s niet bestreden en de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de hoogte van de door de deskundige ingediende declaraties te twijfelen. De kosten van de door [eisers] ingeschakelde deskundige stelt de rechtbank vast op € 4.585,90.

10.2.

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres Lucky Mill gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.736,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 12 november 2014, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een verslag van deskundigenonderzoek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van
10 december 2015, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de reiskosten van de gemachtigde van eiseres Lucky Mill voor het bijwonen van beide zittingen, nu die kosten reeds zijn begrepen in de vergoeding voor rechtsbijstand en daarom dus niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep met zaaknummer LEE 13/3577 niet-ontvankelijk, voor zover

dat beroep is gericht tegen bestreden besluit 1 van 18 november 2013 en tegen maatwerkvoorschrift 1.3 in bestreden besluit 2 van 7 mei 2014;

- verklaart het beroep met zaaknummer LEE 13/3577 gegrond, voor zover dat

beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een dwangsombesluit;

- stelt de door verweerder aan [eisers] verbeurde dwangsom vast op

€ 1.260,-, waarvan verweerder nog € 1.080,- dient te betalen aan [eisers]

;

- verklaart het beroep met zaaknummer LEE 13/3577 gegrond, voor zover gericht

tegen verweerders beslissing in bestreden besluit 2 om niet handhavend op te

treden;

- vernietigt bestreden besluit 2, voor zover verweerder daarin heeft besloten om niet

handhavend op te treden;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van [eisers] van 1 augustus 2011, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- verklaart het beroep met zaaknummer LEE 13/3577 ongegrond, voor zover dat beroep is gericht tegen de overige onderdelen van bestreden besluit 2 en tegen bestreden besluit 3 van 2 december 2014;

- verklaart het beroep met zaaknummer LEE 14/2527 niet-ontvankelijk, voor zover

dat beroep is gericht tegen maatwerkvoorschrift 1.3 in bestreden besluit 2;

- verklaart het beroep met zaaknummer LEE 14/2527 voor het overige ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan [eisers] te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,- aan eiseres Lucky Mill te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van [eisers] tot een bedrag van € 6.351,58;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres Lucky Mill tot een bedrag van € 1.736,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzitter, en mrs. L. Mulder en
V. van Dorst, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

typ: SCHA

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.