Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3490

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-07-2016
Datum publicatie
22-07-2016
Zaaknummer
18.830232-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Aanranding in uitgaansgelegenheid bewezenverklaard. Voldaan aan bewijsminimum en betrouwbaarheid getuigenverklaringen. Hoewel oplegging van een substantiële straf in beginsel gerechtvaardigd is, volgt schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel gelet op de enorme impact van de media-aandacht op het leven van verdachte en gelet op de gevolgen van de strafzaak voor hem.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830232-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 juli 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 juli 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats] , door geweld en/of een

feitelijkheid [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer

ontuchtige handelingen, immers heeft verdachte die [aangeefster] in een volle kroeg)

(met kracht) onverhoeds, (van achteren, onder haar jurk door) (vol) in haar

kruis gegrepen (en daarbij haar binnenste schaamlippen geraakt).

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen en verwijst daarvoor naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Primair heeft hij daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig bewijs is, aangezien niet is voldaan aan het bewijsminimum. De verklaring van aangeefster vindt onvoldoende steun in enig ander bewijsmiddel, nu het bewijs dat, naast de verklaring van aangeefster, in het dossier voorhanden is enkel bestaat uit zogenaamde de auditu-verklaringen. Deze verklaringen dragen onvoldoende zelfstandig bij aan het bewijs van betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde feit; immers de informatie in die verklaringen is afkomstig uit dezelfde bron, namelijk aangeefster.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn. Deze verklaringen zijn op essentiële punten niet consistent en soms zelfs tegenstrijdig met elkaar. Daar komt bij dat voornoemde getuigenverklaringen pas zijn afgelegd nadat er een storm van publiciteit is geweest rondom de zaak, waardoor niet is vast te stellen of deze verklaringen op waarheid berusten of door beïnvloeding tot stand zijn gekomen. Aangeefster heeft mogelijk een foto van de verkeerde persoon gemaakt.

Meer subsidiair, indien de rechtbank toch aanneemt dat verdachte de aangeefster heeft aangeraakt, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat de opzet op het seksuele karakter van de handeling ontbreekt, zodat er geen sprake is van ontucht in strafrechtelijke zin.

Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde komt, heeft de raadsman betoogd dat partiële vrijspraak dient te volgen van het ten laste gelegde geweld,

nu daarvan geen sprake is. Het dwingen tot het ondergaan van de ontuchtige handeling is dan door een feitelijkheid geschied.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 29 juni 2015, opgenomen op pagina 25 e.v. van het dossier met nummer PL0100201516170 d.d. 3 augustus 2015, inhoudende als verklaring van [aangeefster]:

In de nacht van [pleegdatum] ben ik naar het [pleegplaats] gegaan en daar ben ik aangerand door een man. Ineens voelde ik namelijk een hand onder mijn jurk, half bij mijn bil. Ik voelde een duim op mijn rechter bil met een stukje jurk. De rest van zijn hand zat helemaal bij mijn kruis en ik voelde dat mijn string in mijn schaamlippen werd geperst.

Hij raakte mijn binnenste schaamlippen met zijn vingers. Het stukje tussen billen en vagina. Ik heb die man een klap in het gezicht gegeven en heb geroepen: 'Dat doe je toch niet klootzak'. Het was druk, dan komen mensen weleens tegen je aan, maar dit was echt heel anders. Ik voelde het heel intens. Ik weet zeker dat het die man was omdat ik nog een stukje arm voelde toen ik mij omdraaide. Ik zag toen dat het de arm van deze man was. Niemand anders stond aan die kant zo dicht tegen mij aan. Niemand stond zo dichtbij dat het had gekund. Ik heb een foto van deze man gemaakt toen het personeel hem er eerst niet uitzette.

2. Een verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting:

Ik ben in de nacht van 5 op 6 juni 2015 inderdaad in het [pleegplaats] geweest.

Ik herken mijzelf op de foto die [aangeefster] in het [pleegplaats] gemaakt heeft. Ik ben de man op die foto.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 9 juli 2015 opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1]

In het [pleegplaats] ben ik mijn vriendin [aangeefster] tegengekomen. Halverwege haar loopje naar mij toe, haalde ze uit naar een man en riep ze: "Niet aan me komen smeerlap",

of woorden van gelijke strekking. Ze liep door naar mij. Ik hoorde dat zij zei: “Die smeerlap zat aan mij, zomaar in mijn kruis.”

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 30 juli 2015 opgenomen op pagina 71 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

[verdachte] heeft, vlak nadat hij uit het [pleegplaats] was gezet, tegen mij gezegd dat dit was omdat men heeft gezegd dat hij een vrouw bij de kont had gegrepen.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Bewijsminimum en betrouwbaarheid getuigenverklaringen

De raadsman heeft betoogd dat de verklaring van aangeefster samen met de verklaringen van de getuigen moeten worden gezien als één en dezelfde verklaring en dat er geen steunbewijs is om te komen tot een bewezenverklaring.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gerelateerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 Sv is voldaan, kan niet in het algemeen worden beantwoord. Dit moet worden beoordeeld op basis van de specifieke omstandigheden van het geval.

In dit geval vindt de verklaring van aangeefster naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun in andere bewijsmiddelen. In de eerste plaats betreft dat de hiervoor genoemde verklaring van getuige [getuige 1] . Deze getuige heeft verklaard dat hij heeft gezien dat aangeefster een klap uitdeelde aan verdachte. Deze klap hield, blijkens de woorden die [getuige 1] aangeefster vervolgens hoort zeggen (‘niet aan me komen smeerlap’),

direct verband met de greep in het kruis van aangeefster en dus met de kern van hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de verklaring van [getuige 1] door beïnvloeding van buitenaf tot stand is gekomen en dus onbetrouwbaar is, nu hetgeen deze getuige verklaart inhoudt, dat hij op het moment van het ten laste gelegde feit aanwezig was in het [pleegplaats] en zelf de reactie van aangeefster, meteen volgend op de door haar gestelde aanranding, heeft waargenomen.

Daarnaast is er de verklaring van getuige [getuige 2] . Zij verklaart dat verdachte, nadat hij uit het [pleegplaats] was gezet, tegen haar heeft gezegd dat dit was omdat men hem ervan beschuldigde iemand aangerand te hebben. Uit deze verklaring van zijn eigen vriendin volgt dat verdachte ten tijde van het hem ten laste gelegde ervan bewust was, welk verwijt hem op dat moment werd gemaakt.

Verdachte bevestigt voorts zelf de context van de aangifte, met name zijn aanwezigheid op de in de aangifte genoemde plaatsen en tijden.

Aan het wettelijk bewijsminimum is derhalve voldaan. De rechtbank ziet geen aanleiding de genoemde verklaringen wegens onbetrouwbaarheid buiten beschouwing te laten.

Het primaire en subsidiaire verweer van de raadsman worden derhalve verworpen.

Opzet

De raadsman heeft - indien de rechtbank aanneemt dat verdachte aangeefster wel degelijk heeft aangeraakt - gemotiveerd aangevoerd dat verdachte met zijn handelen dan geen ontuchtige intentie heeft gehad en dat die intentie bepalend dient te zijn voor de vraag of er sprake is geweest van ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 246 Sr.

De rechtbank is van oordeel dat de door aangeefster omschreven handeling van verdachte,

te weten het aanraken van de schaamlippen met de vingers achterlangs onder de jurk van aangeefster, naar haar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht is op het plegen van een ontuchtige handeling, dat het niet anders kan dan dat verdachtes opzet hierop gericht was.

De enkele stelling van verdachte, dat hij geen ontuchtige intentie had, kan gelet op het voorgaande niet leiden tot de conclusie dat aan de door hem gepleegde handelingen het ontuchtige karakter dient te worden ontzegd

Het namens verdachte gevoerde verweer wordt mitsdien verworpen.

In het licht van het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hieronder zal worden uitgeschreven.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op [pleegdatum] te [pleegplaats] , door een feitelijkheid [aangeefster] heeft

gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling,

immers heeft verdachte die [aangeefster] in een volle kroeg met kracht onverhoeds,

van achteren onder haar jurk door vol in haar kruis gegrepen

en daarbij haar binnenste schaamlippen geraakt.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren (met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht), alsmede tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis.

Standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank ten aanzien van het ten laste gelegde tot een bewezenverklaring mocht komen, heeft de raadsman gepleit voor een afdoening op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake is van een schending van de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving door een foto van verdachte op de website van de politie te plaatsen, hetgeen tot strafvermindering moet leiden. Voorts heeft de raadsman benadrukt welke negatieve gevolgen deze zaak reeds voor verdachte heeft gehad.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of en zo ja welke straf en/of maatregel moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezen- en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie en hetgeen de raadsman ter verdediging heeft aangevoerd.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een uitgaansgelegenheid een vrouwelijke bezoeker onverhoeds aangeraakt onder haar jurk op een intieme plek. Hij heeft zich blijkens zijn handelswijze niets gelegen laten liggen aan het recht van aangeefster om verschoond te blijven van dergelijke inbreuken op haar lichamelijke integriteit. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid .

Het handelen van verdachte heeft blijkens de door het slachtoffer ter terechtzitting afgelegde verklaring negatieve consequenties voor haar gehad, bijvoorbeeld ten aanzien van de onbevangenheid waarmee zij zich voorheen in het uitgaansleven begaf.

De rechtbank rekent verdachte dit zeer aan en overweegt dat een dergelijk feit in beginsel het opleggen van een substantiële straf rechtvaardigt.

De rechtbank heeft daarnaast echter ook nadrukkelijk oog voor de ingrijpende gevolgen die deze zaak voor verdachte zelf heeft gehad.

Zo zal de rechtbank rekening houden met de media-aandacht die aan de zaak is gegeven.

De politie heeft een door aangeefster gemaakte foto op de website politie.nl geplaatst.

Dat hierbij de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving is geschonden, is de rechtbank niet gebleken.

Wel neemt de rechtbank in aanmerking dat een foto waarop verdachte duidelijk herkenbaar is – weliswaar kort – op een nieuwssite heeft gestaan, zodat veel mensen in de sociale omgeving van verdachte en daarbuiten iets over de verdenking hebben vernomen. Tot op de dag van vandaag valt een met zwarte balk bewerkt exemplaar van de foto onder de noemer ‘kruisgrijper’ terug te vinden op het internet. Met de enorme impact die dit op het leven van verdachte moet hebben zal de rechtbank nadrukkelijk rekening houden in de afdoening in deze zaak.

Verdachte is zijn baan kwijtgeraakt en zijn relatie is - mede als een gevolg van deze strafzaak - gestrand. Ten gevolge hiervan was verdachte gedwongen om zijn woning te verkopen.

De kinderen van zijn ex-partner ziet verdachte niet meer en ook zijn ouders hebben het contact met hem verbroken.

Onder deze en de eerder genoemde omstandigheden en na weging van alle betrokken belangen wordt naar het oordeel van de rechtbank met de oplegging van een straf aan verdachte geen gerechtvaardigd doel meer gediend. De rechtbank zal verdachte daarom schuldig verklaren, maar hem geen straf of maatregel opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9a en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juli 2016.

Mrs J.V. Nolta en C. Krijger zijn buiten staat om het vonnis te ondertekenen.