Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3479

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-07-2016
Datum publicatie
21-07-2016
Zaaknummer
LEE 15/4812
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:3516, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wegenverordening Friesland biedt geen grondslag voor intrekking ontheffing voor het hebben van een gasleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/4812

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2016 in de zaak tussen

Gasunie Grid Services b.v., gevestigd te Groningen, eiseres,

als rechtsopvolger van Gasunie Transport Services b.v.

(gemachtigden: mr. J.A.M.A. Sluysmans en mr. M.G. Nielen)

en

het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Rus-van der Velde).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wegenverordening provincie Fryslân de ontheffing voor het hebben van een gasleiding, locatie N505-90 KR004 De Falom tussen hectometerpunt 41.600 en 41.800, met ingang van 1 december 2016 ingetrokken.

Bij besluit van 23 juli 2015 heeft verweerder het primaire besluit gewijzigd ten aanzien van de ligging van de nieuwe gasleiding.

Bij besluit van 3 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres, voor zover de bezwaren zich richtten op de voorwaarden waaronder de nieuwe gasleiding moet worden aangelegd, gegrond verklaard en voor het overige, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingediend.

Verweerder heeft op 31 maart 2016 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Namens eiseres zijn

mr. M.G. Nielen en mr. H.H.J. Pauw verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Rus-van der Velde, mr. K.E. Haan, J.J. Hiemstra, W. de Boer en G. Kluwer.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van het onderhavige beroep neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.

1.1.

Bij besluit van 1 april 1959 is door het college van burgemeester en wethouders van Dantumadeel aan het Gasfabriek Noord-Oost-Friesland, rechtsvoorganger van eiseres, een vergunning verleend tot het leggen van een gasleiding langs de Hoofdweg te Murmerwoude.

1.2.

Verweerder is thans de beheerder van het gedeelte van de N356 waarlangs de gasleiding is gelegen.

1.3.

Verweerder is belast met de realisatie van De Centrale As. Deze wegverbinding heeft tot doel het bestaande wegennetwerk te ontlasten en het gebied beter te ontsluiten op een aantal hoofdwegen. De aanleg van De Centrale As heeft areaal- en kwaliteitsverlies van Natuurwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur; hierna EHS) tot gevolg, doordat deze weg de EHS doorsnijdt ter hoogte van De Falom. Op grond van provinciaal beleid, weergegeven in het inpassingsplan DCA, het Streekplan Fryslân 2007 en de Integrale visie Gebiedsontwikkeling De Centrale As, dient in dit geval vanwege de komst van De Centrale As, te worden voorzien in mitigerende maatregelen. In het inpassingsplan dat ziet op realisering van De Centrale As is daarom opgenomen dat De Centrale As ter hoogte van De Falom wordt uitgevoerd door middel van een fly-over, zodat de ontwikkeling van een natte ecologische verbindingszone niet wordt belemmerd. Daarnaast wordt de oude N356, die thans een belangrijke barrière vormt voor realisering van genoemde verbindingszone, afgewaardeerd. Om die natte verbindingszone verder tot stand te brengen, wordt een slenk in combinatie met twee bruggen gerealiseerd. Om de slenk te kunnen aanleggen, is nodig dat genoemde gasleiding dieper moet worden gelegd.

1.4.

Bij besluit van 20 mei 2015, gewijzigd in het besluit van 23 juli 2015, heeft verweerder de ontheffing voor het hebben van een gasleiding, locatie N505-90 KR004 De Falom tussen hectometerpunt 41.600 en 41.800, met ingang van 1 december 2016 ingetrokken.

1.5.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Naar aanleiding van dit bezwaar is eiseres op 8 september 2015 gehoord door de algemene kamer van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften. De commissie heeft in haar advies van 29 september 2015 geadviseerd het bezwaar tegen de intrekking van de ontheffing gegrond te verklaren en het bestreden besluit op dat punt te herroepen.

1.6.

In afwijking van het advies heeft verweerder het bezwaar tegen de intrekking van de ontheffing ongegrond verklaard en het bestreden besluit op dat punt gehandhaafd.

1.7.

Eiseres komt thans in beroep tegen dit besluit.

2.1.

Eiseres is van mening dat de bevoegdheid tot het intrekken van de ontheffing ontbreekt.

2.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bevoegdheid tot intrekking volgt uit artikel 1, tweede lid juncto artikel 4 van de Wegenverordening.

2.3.

Ingevolge artikel 1, eerste lid van de Wegenverordening, stelt de verordening regels ter bescherming en instandhouding van de bij de provincie Fryslân in beheer zijnde wegen en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die wegen.

Ingevolge het tweede lid kan toepassing van deze verordening mede strekken ter bescherming van de aan in lid 1 bedoelde wegen en het gebruik daarvan verbonden belangen van andere dan in lid 1 van dit artikel bedoelde aard, doch enkel voor zover daarin niet is voorzien door of krachtens een andere wet gestelde bepalingen.

Ingevolge artikel 4, tweede lid kan een ontheffing worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van de belangen die deze verordening beoogt te dienen.

2.4.

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de ontheffing is ingetrokken vanwege een verkeersbelang. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat de aanleg van de Centrale As niet mogelijk is zonder mitigerende en compenserende maatregelen, zoals de afwaardering van het deel van de huidige N356 direct ten zuiden van De Falom en de aanleg van bruggen en een slenk als compensatie voor doorsnijding van de EHS. De maatregelen dienen dan ook (mede) een verkeersbelang. Bovendien wordt met de aanleg van de Centrale As voorzien in de belangen van bestaande wegen met inbegrip van de N356 die door de aanleg van de Centrale As zullen worden ontlast.

2.5.

Met eiseres is de rechtbank echter van oordeel dat met het intrekken van de ontheffing geen verkeersbelang wordt gediend. Op grond van artikel 1, eerste lid juncto artikel 4, tweede lid van de Wegenverordening kan een ontheffing worden ingetrokken indien dit ter bescherming is van "het doelmatig en veilig gebruik" van de provinciale wegen. De rechtbank constateert dat de directe aanleiding voor het intrekken van de ontheffing is gelegen in het feit dat de gasleiding dieper moet worden aangelegd vanwege het aanleggen van een slenk. Hiermee wil verweerder een natte ecologische verbindingszone tot stand brengen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt hiermee een natuurbelang gediend, dat niet verbonden is aan een doelmatig en veilig gebruik van de weg. Dat verweerder er voor heeft gekozen om het aanleggen van De Centrale As en het bereiken van doelstellingen voor de EHS planologisch aan elkaar te verbinden, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Een bevoegdheid tot intrekking van de ontheffing vloeit derhalve niet voort uit deze bepaling.

2.6.

Verweerder heeft subsidiair betoogd dat intrekking van de ontheffing mogelijk is op grond van artikel 1, tweede lid, gelezen in combinatie met artikel 4, tweede lid van de Wegenverordening. Uit de toelichting op artikel 1 van de Wegenverordening volgt dat een "brede kijk" is beoogd. Het is uitdrukkelijk de bedoeling om ook rekening te houden met andere belangen, zodat een brede belangenafweging mogelijk is. Hierbij worden natuurbelangen genoemd. Bovendien is in de toelichting overwogen dat ook niet is uitgesloten "dat die andere belangen aanleiding zijn voor het weigeren, wijzigen of intrekken van een ontheffing".

2.7.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat ook andere dan verkeersbelangen aanleiding kunnen vormen voor het weigeren, wijzigen of intrekken van een ontheffing. Deze belangen kunnen echter, zoals blijkt uit artikel 1, tweede lid van de Wegenverordening, slechts worden meegewogen voor zover daarin niet is voorzien door of krachtens een andere wet.

2.8.

Zoals eerder overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de belangen die verweerder met deze maatregel dient, zijn aan te merken als natuurbelangen en dan in het bijzonder de belangen van dieren die gebaat zijn bij de natte ecologische verbindingszone. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van deze dieren worden beschermd in de Flora- en faunawet. Andere belangen van natuur en landschap worden beschermd in de Natuurbeschermingswet en de Verordening Romte. Deze belangen bieden derhalve geen grondslag voor het intrekken van de ontheffing. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO2738. Dat de genoemde regelgeving geen instrumenten bevat op grond waarvan deze ontheffing kan worden ingetrokken, zoals door verweerder is aangevoerd, maakt dit, wat daar verder overigens ook van zij, niet anders.

3. Bovenstaande overwegingen brengen de rechtbank tot de conclusie dat de

Wegenverordening in het voorliggende geval geen bevoegdheid biedt tot intrekking van de ontheffing. De overige stellingen behoeven daarom geen bespreking.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond wordt verklaard en het primaire besluit wordt herroepen, voor zover daarin de ontheffing door verweerder is ingetrokken.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen inhoudt dat het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond wordt verklaard en het primaire besluit wordt herroepen, voor zover daarin de ontheffing door verweerder is ingetrokken;

 bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 331,- vergoedt;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzitter, en mrs. H.J. Bastin en

H. Pieffers, rechters, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2016.


griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.