Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:338

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
C/17/145688 / KG ZA 15-348
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Geen verjaring dwangsommen. Minnelijke regeling na eerder kortgedingvonnis vervallen. Nieuwe dwangsommen voor oorspronkelijke veroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/145688 / KG ZA 15-348

Vonnis in kort geding van 3 februari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F. van der Hoef te Burgum,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 december 2015;

  • -

    de mondelinge behandeling van 11 januari 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie van 11 januari 2015;

  • -

    de aanhouding van de procedure op verzoek van partijen om de mogelijkheden te onderzoeken om tot een minnelijke regeling te komen;

  • -

    de brieven van partijen van 21 januari 2016 waarin zij verzoeken om vonnis te wijzen.

1.2.

De bij de brieven van partijen van 21 januari 2016 gevoegde producties zal de voorzieningenrechter bij de beoordeling van het geschil buiten beschouwing laten, omdat deze na sluiting van de behandeling ter zitting zijn ingediend.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] is eigenaar van een perceel grond gelegen aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] , kadastraal bekend [plaatsnaam] [sectie en nummer] .

2.2.

[B] is eigenaar van een perceel grond gelegen aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] , kadastraal bekend [plaatsnaam] [sectie en nummer] .

2.3.

Het perceel van [B] ligt niet direct aan de openbare weg (de [straatnaam] ). [B] kon de openbare weg bereiken via een weg (hierna: de toegangsweg) die over voornoemd perceel van [A] liep. Het perceel van [A] is als dienend erf belast met een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van het perceel van [B] als heersend erf, zodat [B] de [straatnaam] kan bereiken.

2.4.

[A] heeft inbreuk gemaakt op voornoemde erfdienstbaarheid van weg door een betonplaat te storten over een deel van de toegangsweg ten behoeve van de bouw van twaalf bedrijfsunits. De oorspronkelijk aangelegde toegangsweg was 5,5 meter breed en voornoemd deel van de toegangsweg bedroeg na storting van de betonplaat minder dan 5,5 meter.

2.5.

[B] heeft vervolgens (onder meer) [A] in kort geding gedagvaard. De voorzieningenrechter van Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft bij vonnis in kort geding van 18 september 2013 het volgende beslist:

"(…)

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [D] (vzr: [A] en [C] ) tot het op welke wijze dan ook verrichten of voortzetten, doen verrichten of doen voortzetten of toestaan, van (verdere) bouwwerkzaamheden aan de beide (aan de westzijde gesitueerde) bedrijfsunits aan de [straatnaam] [nummer] te [plaatsnaam] , welke (deels) zijn gelegen ter plaatse van de (oorspronkelijke) toegangsweg;

5.2.

veroordeelt [D] om aan [B] een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat hij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet,

5.3.

verbindt aan de in 5.2 genoemde te verbeuren dwangsommen een maximum van € 20.000,-,

5.4.

beveelt [D] om binnen een termijn van 4 weken na betekening van dit vonnis - conform de eisen van goed en deugdelijk werk - de oorspronkelijke weg over het perceel kadastraal bekend [plaatsnaam] [sectie en nummer] , zoals getekend in productie 3 bij de dagvaarding te herstellen, zodat deze weg weer haar oorspronkelijke breedte van 5,5 meter terugkrijgt,

5.5.

veroordeelt [D] om aan [B] een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat hij niet aan de in 5.4. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet,

5.6.

verbindt aan de in 5.5 genoemde te verbeuren dwangsommen een maximum van € 20.000,-,

(…)."

2.6.

[A] heeft zich niet gehouden aan de onder 5.1. en 5.4. van dat vonnis uitgesproken veroordelingen en heeft dientengevolge de maximale dwangsommen verbeurd voor een bedrag van € 40.000,00 in totaal. Nadat [B] bij brief van 12 december 2013 [A] heeft aangezegd dat de maximale dwangsommen verbeurd waren en betaling vervolgens is uitgebleven, heeft [B] op 2 april 2014 executoriaal beslag laten leggen op diverse onroerende zaken van [A] gelegen aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] (de bedrijfsunits).

2.7.

[A] heeft [B] een alternatief scenario voorgesteld inhoudende de aanleg van een nieuwe uitweg voor [B] . Partijen hebben via notaris F. Beks (hierna: de notaris), kantoorhoudend te Feanwalden en mr. J.P. Bood, kantoorhoudend te Aldtsjerk met elkaar onderhandeld over een minnelijke regeling, waarbij de notaris namens [A] is opgetreden en mr. Bood namens [B] . In een e-mailbericht van de notaris van
20 mei 2014 - inclusief tekstwijzigingen van [C] in een groter lettertype - staan de navolgende afspraken vermeld, voor zover van belang:

"1. [C] is € 40.000 verschuldigd aan [B] , ten gevolge van het verbeuren van dwangsommen ivm het KG-vonnis d.d. 18 september 2013. [B] neemt thans, in de plaats van genoemde € 40.000, genoegen met € 17.500 exclusief btw (forfaittair) (EUR 15.000.,00 INCL BTW IPV EUR 17.500,00 EXCL BTW) schadevergoeding (…).

2. [C] verklaart, EN DE NOTARIS BEVESTIGT DAT (DEZE ZIN ER UIT), dat er thans nog 12 units ter plaatse van de [straatnaam] door [C] reeds zijn afgebouwd en binnen afzienbare tijd zullen worden geleverd aan kopers.

3. Van iedere unit - van de 12 units die ná de unit die deze week geleverd zou moeten worden, geleverd gaan worden door [C] of enige met hem verbonden rechtspersoon - ontvangt [B] € 1.500,00 (…) van [C] , en in elk geval dient [C] het bedrag van € 17.500 (EUR 15.000,00 IPV 17.500,00) uiterlijk op 1 oktober 2014 te hebben betaald aan [B] .

4. [B] weigert medewerking aan levering aan van de deze week te leveren unit, voordat het volgende is gebeurd:

a. [B] dient een garantie van Notaris Beks te hebben ontvangen waarin deze verklaart dat het kadastraal vastleggen van het nieuwe recht van uitweg reeds is geschied, of binnen één week zál geschieden; (DEZE ZIN WIJZIGEN: NOTARIS BEKS GAAT AAN DE SLAG MET HET KADASTRAAL VASTLEGGEN VAN DE ERFDIENSTBAARHEID, DE HEER [C] EN DE HEER [B] VERKLAREN DE BENODIGDE MEDEWERKING TE VERLENEN, ZODRA DE HYPOTHEEKHOUDER EN DE GEMEENTE SCHRIFTELIJK AKKOORD ZIJN, KAN NOTARIS BEKS DE AKTE PASSEREN, DE NOTARIS ZAL ZICH MAXIMAAL INSPANNEN DE AKTE ZSM TE PASSEREN) en

b. [B] wenst een verklaring van de hypotheekbank en de belastingdienst, dat zij bij de aankomende leveringen van de units door [C] aan zijn afnemers, [C] de gelegenheid geven om bij levering van de betaalde koopsom van iedere geleverde unit tenminste € 1.500 aan [B] te betalen en dat zij de kadastrale inschrijving van het nieuwe recht van uitweg zullen toestaan.

(…)

5. (…)

Indien [C] niet stipt en volledig heeft voldaan aan de achter 2 t/m 4 genoemde voorwaarden, vervalt het bepaalde achter 1 en herleeft het recht van [B] op het bedrag van € 40.000 (te verminderen met het in het kader van deze regeling door [C] reeds aan [B] betaalde)."

2.8.

De door [A] gerealiseerde nieuwe uitweg loopt gedeeltelijk over grond dat in eigendom is van de gemeente Leeuwarden. Op die grond staan twee stroommasten die worden beheerd door netbeheerder Liandon.

2.9.

[A] heeft inmiddels acht bedrijfsunits verkocht. Voorafgaand aan iedere verkoop heeft [B] op verzoek van [A] een royementsvolmacht aan de passerende notaris verstrekt, teneinde het door [B] gelegde executoriale beslag op de te verkopen bedrijfsunit op te heffen. [A] heeft per verkochte bedrijfsunit een bedrag van € 1.815,00 inclusief BTW aan [B] betaald, in totaal een bedrag van € 14.520,00. De laatste betaling heeft in november 2015 plaatsgevonden.

2.10.

[A] is doende om wederom een bedrijfsunit te verkopen. Ondanks herhaald verzoek en sommatie is [B] niet overgegaan tot afgifte van een royementsvolmacht.

2.11.

Op 20 november 2015 heeft [B] een verzoekschrift strekkende tot faillietverklaring van [A] bij Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ingediend. Bij beschikking van 10 december 2015 is het verzoek van [B] afgewezen. [B] heeft vervolgens hoger beroep ingesteld.

3 De vordering in conventie

3.1.

[A] vordert samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zo ver mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

a. de door [B] op 2 april 2014 gelegde executoriale beslagen gelegd op onroerende zaken, eigendom van [A] , opheft;

subsidiair:

b. het door [B] gelegde beslag op de bedrijfsunit gelegen aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] , kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam] , [sectie en nummer] , groot 55 centiare (55 ca) waaraan door het Kadaster een voorlopig kadastrale grens en oppervlakte is toegekend (bij splitsingsverzoek met ordernummer 6050139) dit onder de voorwaarde dat na verkoop van dit perceel door [A] aan [B] een bedrag zal worden voldaan van € 1.815,00;

c. met veroordeling van [B] in de proceskosten.

3.2.

[B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [A] , met veroordeling van [A] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De vordering in reconventie

4.1.

[B] vordert samengevat - dat de voorzieningenrechter:

a. aan de veroordeling uitgesproken door de onderhavige rechtbank bij vonnis

d.d. 18 september 2013 onder 5.4 (kenmerk C/17/128400/KG ZA 13-233) opnieuw dwangsommen verbindt ter hoogte van € 1.000,00 voor iedere dag dat de Holding niet aan de veroordeling voldoet (met een maximum van € 20.000,00) en daarbij bepaalt dat de dwangsommen zullen worden verbeurd indien de Holding niet binnen 14 dagen na de datum van betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan de veroordeling voldoet;

b. bepaalt dat de Holding tevens aan de veroordeling voldoet indien zij binnen 14 dagen na de datum van betekening van het in dezen te wijzen vonnis de nieuwe uitweg, zoals omschreven in de in punt 6 (van de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie) genoemde regeling, in een erfdienstbaarheid tussen partijen kadastraal vastlegt,

c. met veroordeling van [A] in de proceskosten.

4.2.

[A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [B] met veroordeling van [A] in de proceskosten.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 Het geschil en de beoordeling daarvan in conventie en in reconventie

5.1.

De vorderingen in conventie en reconventie vertonen een zodanige samenhang dat de voorzieningenrechter de vorderingen gelijktijdig zal behandelen.

5.2.

De vordering in conventie strekt te komen tot opheffing van het door [B] gelegde executoriaal beslag op de bedrijfsunits van [A] . Aan die beslaglegging liggen aan [B] verbeurde dwangsommen ten grondslag, voortvloeiend uit de niet naleving door [A] van het vonnis in kort geding van de onderhavige rechtbank van
18 september 2013. De vordering in reconventie strekt te komen tot het opnieuw verbinden van dwangsommen aan (een van) de veroordelingen uit voornoemd vonnis. Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de voorzieningenrechter in de eerste plaats dat het spoedeisend belang voor beide partijen voortvloeit uit de aard van de in conventie en in reconventie ingestelde vorderingen. Ten aanzien van de overige geschilpunten overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.3.

[A] stelt zich in conventie in de eerste plaats op het standpunt dat de verbeurde dwangsommen die aan het door [B] gelegde executoriaal beslag ten grondslag liggen zijn verjaard. [B] betwist dat van verjaring sprake is.

5.4.

De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling voorop dat de verjaringstermijn van verbeurde dwangsommen op grond van artikel 611g lid 1 Rv. zes maanden bedraagt. De verjaring van dwangsommen kan worden gestuit. Artikel 3:316 lid 1 BW bepaalt in dit verband dat de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt. Volgens vaste jurisprudentie kan het doen leggen van executoriaal beslag als een daad van rechtsvervolging te worden aangemerkt (vgl. Rechtbank Rotterdam, 6 oktober 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BN9591).

5.5.

Vast staat dat [B] op 2 april 2014 executoriaal beslag heeft laten leggen op de onroerende zaken van [A] tot verhaal van de door hem verbeurde dwangsommen. De verjaring van de verbeurde dwangsommen is derhalve op 2 april 2014 gestuit. Voorts is onweersproken door [B] tot zijn verweer aangevoerd dat op
12 december 2013 aan [A] is aangezegd dat de maximale dwangsommen waren verbeurd, zodat naar het oordeel van de voorzieningenrechter van verjaring van de verbeurde dwangsommen geen sprake is geweest. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat, uitgaande van het bereiken van het maximum aan te verbeuren dwangsommen op 12 december 2013 en van een dwangsom van € 1.000,00 per dag (zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.5.), de eerste dwangsommen 40 dagen voorafgaand aan 12 december 2013 zullen zijn verbeurd, te weten op 1 november 2013. Dit betekent dat de verjaring gerekend vanaf 1 november 2013 binnen een termijn van ongeveer vijf maanden is gestuit. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat de dwangsommen reeds op een eerdere datum zijn verbeurd zijn gesteld noch gebleken. Het beroep van [A] op verjaring van de verbeurde dwangsommen zal de voorzieningenrechter daarom als onvoldoende adequaat onderbouwd passeren.

5.6.

[A] stelt voorts, verkort weergegeven, dat hij conform de tussen partijen overeengekomen minnelijke regeling in totaal een bedrag van € 14.520,00 heeft betaald en dat het geschil feitelijk alleen nog betrekking heeft op de vestiging van een erfdienstbaarheid op de nieuw aangelegde weg. Volgens [A] wordt de nieuwe weg al gebruikt en dient er nog slechts een administratief traject te worden doorlopen om de vestiging van de erfdienstbaarheid te formaliseren. De vertraging die in dit traject is ontstaan is volgens [A] te wijten aan complicaties die de ingeschakelde notaris betreffen. Inmiddels is de zaak overgedragen aan een collega notaris, waarna het administratief traject is vervolgd. Naar de verwachting van [A] zullen noch de gemeente Leeuwarden noch netbeheerder Liandon bezwaar maken tegen de door [A] gerealiseerde toegangsweg, zodat aan de vestiging van een recht van erfdienstbaarheid op de nieuwe toegangsweg niets in de weg staat.

5.7.

[B] betwist dit en voert daartoe aan, samengevat weergegeven, dat [A] blijkens de overeengekomen regeling vóór 1 oktober 2014 een bedrag van
€ 18.150,00 inclusief BTW aan [B] diende te voldoen én dat [A] blijkens voornoemde regeling vóór 1 oktober 2014 een erfdienstbaarheid had moeten vestigen met betrekking tot de nieuwe uitweg. Op 1 oktober 2014 was niet aan de overeengekomen voorwaarden voldaan, zodat volgens [B] de tussen partijen overeengekomen regeling is komen te vervallen. Dit betekent volgens [B] dat zijn oorspronkelijke vordering van
€ 40.000,00 herleeft. Voor opheffing van het beslag bestaat dan ook geen aanleiding, te minder omdat er nog steeds geen nieuwe erfdienstbaarheid is gevestigd op de door [A] gerealiseerde weg. Ten aanzien van de medewerking van [B] aan het tekenen van een aantal royementsvolmachten ná 1 oktober 2014 voert [B] aan dat hij bij die royementen het voorbehoud heeft gemaakt dat hij de volmachten op vrijwillige basis tekende en dat hij niet meer gehouden was aan de betalingsregeling. De vrijwillige medewerking was volgens [B] gebaseerd op beloftes en toezeggingen van [A] dat het met de erfdienstbaarheid wel goed zou komen en dat de vestiging daarvan nog slechts een formaliteit was. Volgens [B] brengt al het vorenstaande met zich dat het hem vrij staat zijn medewerking aan de afgifte van een nieuwe royementsvolmacht te weigeren en dat handhaving van het beslag gerechtvaardigd is.

5.8.

Te beoordelen staat of [B] - mede gelet op de belangen aan de zijde van [A] - een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis in kort geding van 18 september 2013 en handhaving van het executoriaal beslag. Een onverwijlde tenuitvoerlegging kan niet worden aanvaard indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van [A] een noodtoestand zal doen ontstaan. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Uit de tussen partijen overeengekomen minnelijke regeling (zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.8.) kan worden afgeleid dat deze regeling komt te vervallen indien vóór 1 oktober 2014 niet aan de in de regeling genoemde voorwaarden (onder de punten 2 tot en met 4) is voldaan. [B] heeft onweersproken tot zijn verweer aangevoerd dat [A] niet vóór 1 oktober 2014 aan alle overeengekomen voorwaarden heeft voldaan. Voorts heeft [A] ter zitting toegegeven (in reactie op punt 18 van de conclusie van antwoord) dat de overeengekomen minnelijke regeling inderdaad kan zijn vervallen. Gelet daarop en op het feit dat in ieder geval het overeengekomen bedrag van € 18.150,00 inclusief BTW - waarover tussen partijen geen discussie bestaat - niet vóór 1 oktober 2014 volledig is betaald (voorwaarde genoemd in punt 3), gaat de voorzieningenrechter er voorshands vanuit dat de tussen partijen tot stand gekomen minnelijke regeling is komen te vervallen. Dit betekent dat de vordering van € 40.000,00 aan verbeurde dwangsommen van [B] op [A] herleeft, met dien verstande dat het reeds betaalde bedrag van
€ 14.520,00 hierop in mindering dient te komen. Het vervallen van de minnelijke regeling brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorts met zich dat dat de oorspronkelijke situatie - waarin [A] inbreuk maakt op het recht van erfdienstbaarheid van [B] - herleeft, te meer omdat er nog geen recht van erfdienstbaarheid is gevestigd op de door [A] gerealiseerde nieuwe uitweg. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [B] een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij executie van het vonnis en handhaving van het gelegde executoriaal beslag (dat strekt tot verhaal van het ten gevolge van de executie reeds maximaal verbeurde bedrag aan dwangsommen). Feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat het belang van [A] bij opheffing van het beslag zwaarder dient te wegen dan voornoemd belang zijn gesteld noch gebleken. De enkele omstandigheid dat
doende is een bedrijfsunit te verkopen acht de voorzieningenrechter daartoe onvoldoende. Het had op de weg van [A] gelegen om nader te onderbouwen waarom verkoop van de bedrijfsunit op dit moment noodzakelijk is. Dit heeft [A] nagelaten. [A] heeft evenmin gesteld of aannemelijk gemaakt dat het vonnis van 18 september 2013 op een kennelijke of juridische misslag berust of dat tenuitvoerlegging tot een noodtoestand zal leiden voor [A] . Gelet op het feit dat de beslagen gerelateerd aan het betaalde bedrag reeds zijn opgeheven, acht de voorzieningenrechter de handhaving van het beslag ten aanzien van de overige bedrijfsunits rechtmatig. De vorderingen in conventie zullen daarom worden afgewezen.

5.9.

[B] stelt in reconventie, verkort weergegeven, dat de in het vonnis van
18 september 2013 opgelegde en inmiddels verbeurde dwangsommen tot op heden slechts beperkt effectief zijn gebleken. [A] heeft niet voldaan aan voornoemd vonnis en is de nadien overeengekomen minnelijke regeling ook niet (volledig) nagekomen. Gelet op de opstelling van [A] vanaf de aanvang van de bouwwerkzaamheden tot op heden, is volgens [B] redelijkerwijs niet meer te verwachten dat [A] zijn verplichtingen op vrijwillige basis zal nakomen. [B] acht het om die reden proportioneel en redelijk om opnieuw dwangsommen te verbinden aan de acties die [A] dient te ondernemen. Voor [B] maakt het daarbij weinig verschil welk resultaat [A] weet te boeken in die zin dat zowel herstel van de oorspronkelijke toegangsweg in de oude breedte - waarop de huidige erfdienstbaarheid ziet - als het vestigen van een erfdienstbaarheid ten behoeve van de nieuwe uitweg een oplossing biedt.

5.10.

[A] betwist dat er opnieuw dwangsommen dienen te worden verbonden aan het vonnis van 18 september 2013 en voert daartoe aan, samengevat weergegeven, dat [B] geen belang heeft bij de oorspronkelijke veroordeling tot herstel van de oorspronkelijke toegangsweg, omdat [B] gebruik kan maken van de nieuwe uitweg en een goederenrechtelijk belang heeft bij de vestiging van een erfdienstbaarheid op die nieuwe weg. [A] voert voorts aan dat de gevorderde kadastrale vastlegging van de erfdienstbaarheid met betrekking tot de nieuwe weg tegenstrijdig is aan de stelling van [B] dat de minnelijke regeling is komen te vervallen, zodat de vorderingen in reconventie dienen te worden afgewezen.

5.11.

Zoals hiervoor al overwogen in rechtsoverweging 5.8. is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de tussen partijen overeengekomen minnelijke regeling is komen te vervallen en dat de oorspronkelijke situatie - waarin [A] inbreuk maakt op het recht van erfdienstbaarheid van [B] - herleeft. Om die reden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om opnieuw dwangsommen te verbinden aan de veroordeling onder rechtsoverweging 5.4. van het vonnis in kort geding van 18 september 2013. De voorzieningenrechter zal voor wat betreft de ingangsdatum waarop deze dwangsommen zullen worden verbeurd aansluiten bij de oorspronkelijke termijn van vier weken na betekening van het vonnis, oftewel, indien [A] niet binnen een termijn van vier weken na betekening van dit vonnis de oorspronkelijke weg heeft hersteld, is [A] aan [B] dwangsommen verschuldigd op de wijze als in het dictum bepaald. Dit vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende prikkel tot nakoming van het vonnis. Feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat [A] niet aan het bepaalde onder rechtsoverweging 5.4. van voornoemd vonnis zou kunnen voldoen, zijn onvoldoende gesteld of gebleken. Het verweer van [A] dat [B] geen belang heeft bij de oorspronkelijke veroordeling omdat hij de nieuwe uitweg kan gebruiken, kan [A] in dit verband niet baten. Er wordt immers nog steeds inbreuk gemaakt op het recht van erfdienstbaarheid van [B] . De door [B] onder b. gevorderde (impliciete) veroordeling van [A] om de erfdienstbaarheid ten aanzien van de nieuwe uitweg kadastraal vast te leggen treft, gelet op het feit dat de minnelijke regeling is komen te vervallen, geen doel. Het is aan partijen zelf om desgewenst opnieuw afspraken te maken over andere wijzen waarop aan de oorspronkelijke veroordeling zou kunnen worden voldaan.

5.12.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen in conventie zullen worden afgewezen en dat het gevorderde in reconventie, zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.1. onder a., zal worden toegewezen.

5.13.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [B] in conventie worden vastgesteld op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.435,00

De kosten aan de zijde van [B] in reconventie worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 408,00 (factor 0,5 × tarief € 816,00)

Totaal € 408,00

De voorzieningenrechter zal het vonnis in conventie en in reconventie ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden vastgesteld op € 1.435,00,

6.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

6.4.

veroordeelt [A] om aan [B] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in het vonnis in kort geding van 18 september 2013 (met zaak-/rolnummer C/17/128400/KG ZA 13-223) in rechtsoverweging 5.4. uitgesproken hoofdveroordeling binnen de daarin genoemde termijn van vier weken voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,

6.5.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden vastgesteld op € 408,00,

6.6.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in tegenwoordigheid van mr. A. Hut, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2016.1

1 type: 698/ah coll: