Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3350

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 573
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Een proceskostenveroordeling van de burger wegens misbruik van procesrecht. De rechtbank is van oordeel, gelet op de omstandigheid dat eisers opnieuw een aangelegenheid aan de orde hebben willen stellen die zij reeds in vele andere juridische procedures aan de orde hebben gesteld, dat, zoals de rechtbank in een tweetal uitspraken reeds heeft aangekondigd, thans aanleiding bestaat over te gaan tot veroordeling van eisers in de proceskosten die verweerder heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/573

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2016 in de zaak tussen

[eisers] , te Groningen, eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haren, verweerder

(gemachtigden: mr. D.J. Groeneweg en mr.T.D. Polak).

Procesverloop

Bij brief van 2 februari 2016 hebben eisers beroep ingesteld tegen het, naar gesteld, niet tijdig nemen van besluiten door verweerder op hun verzoekschrift van 8 oktober 2015.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2016. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Eisers hebben in hun verzoekschrift van 8 oktober 2015 verweerder verzocht terug te komen op een eerder collegebesluit van 30 juli 1996.

1.3

Bij schrijven van 24 november 2015 hebben eisers bezwaar aangetekend tegen het uitblijven van een besluit.

1.4

Bij schrijven van 13 januari 2016 hebben eisers een ingebrekestelling aan verweerder doen toekomen.

1.5

Bij brief van 2 februari 2016 hebben eisers beroep ingesteld tegen het, naar gesteld, niet tijdig nemen van besluiten door verweerder op hun verzoekschrift van 8 oktober 2015.

1.6

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige beroepschrift. Daartoe voert verweerder aan dat de beslissingen waar eisers om verzoeken geen beslissingen zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De verzochte beslissing om terug te komen op het eerdere collegebesluit van 30 juli 1996 is geen besluit in de zin van de Awb, omdat het collegebesluit geen publiekrechtelijke rechtshandeling is. Het college is niet bevoegd, zoals eisers wensen, het collegebesluit onrechtmatig en nietig te verklaren. Ter zitting van de rechtbank op 26 mei 2016 heeft verweerder erkend dat verweerder op het verzoek om terug te komen op het eerdere raadsbesluit uit 1996 een besluit had moeten nemen. Verweerder wil echter geen besluit meer nemen. Volgens verweerder is sprake van misbruik van procesrecht.

2.1

De rechtbank oordeelt als volgt.

2.2

In een eerdere uitspraak van deze rechtbank van 19 februari 2015, bekend onder zaaknummer LEE 14/4128 heeft de rechtbank overwogen dat eisers de aangelegenheid die zij in feite aan de orde hebben willen stellen, reeds eerder in vele andere juridische procedures aan de orde hebben gesteld. Gelet op alle in de desbetreffende aangelegenheid gedane rechterlijke uitspraken is de vraag gerechtvaardigd of sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Verder heeft de rechtbank in voormelde uitspraak overwogen dat de rechtbank niet uitsluit dat zij zal overgaan tot veroordeling van eiser 1 en/of eiser 2 in de proceskosten als dezelfde aangelegenheid opnieuw aan haar wordt voorgelegd.

2.3

In een volgende uitspraak van deze rechtbank van 8 april 2015, bekend onder zaaknummer LEE 15/5546, heeft de rechtbank overwogen dat de beslissingen waar eisers om hebben verzocht, geen besluiten zijn in de zin van de Awb. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit hetgeen eisers overigens naar voren hebben gebracht blijkt dat zij in feite een aangelegenheid aan de orde hebben willen stellen die zij reeds in vele andere juridische procedures aan de orde hebben gesteld. De rechtbank heeft echter geen aanleiding gezien tot een veroordeling in de proceskosten van verweerder over te gaan, omdat eisers het beroep hadden ingediend vóór de genoemde uitspraak van 19 februari 2015 en dus nog niet met die uitspraak bekend konden zijn.

2.4

De rechtbank stelt vast dat eisers tegen de uitspraken van de rechtbank van 8 april 2015 en 19 februari 2015 geen hoger beroep hebben ingesteld. Deze uitspraken staan derhalve in rechte vast.

2.5

De rechtbank is van oordeel, zoals verweerder ook ter zitting heeft erkend, dat verweerder had moeten beslissen op het verzoek van eisers om terug te komen op het raadsbesluit uit 1996. Verweerder had, zoals ook in het verweerschrift is aangegeven, in een besluit dienen aan te geven niet bevoegd te zijn een besluit te nemen om terug te komen op het raadsbesluit van 30 juli 1996. Anders dan verweerder heeft aangegeven bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder geen besluit hoefde te nemen vanwege misbruik van procesrecht. In het geval verweerder van mening is dat sprake is van misbruik van recht, had verweerder het verzoek van eisers om die reden niet-ontvankelijk dienen te verklaren. De rechtbank merkt daarbij op dat verweerder in dat geval aannemelijk had moeten maken dat eisers de bevoegdheid om een verzoek in te dienen om terug te komen op het raadsbesluit van1996 hebben aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe die bevoegdheid is gegeven zodanig dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwader trouw.

2.6

Ten aanzien van het door eiseres ingediende beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129), zijn dat voor het aannemen van misbruik van recht zwaarwichtige gronden vereist. Dergelijke gronden kunnen onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waarvoor zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Zoals volgt uit de uitspraak van de AbRS van 21 juli 2003 (ECLI:NL:RVS:2003:AL6396), levert een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

2.7

De rechtbank is van oordeel dat eisers door opnieuw de kwestie omtrent het raadsbesluit van 30 juli 1996 bij de rechtbank aan de orde te stellen, een kwestie die reeds eerder in vele andere juridische procedures aan de orde is gesteld, dat eisers hiermee de bevoegdheid om beroep in te dienen hebben aangewend zonder redelijk doel nu zij weten, althans behoren te weten, mede gelet op de vele uitspraken die reeds zijn gedaan in de kwestie omtrent het raadsbesluit van 1996, meer in het bijzonder de uitspraken van 19 februari 2015 en 8 april 2015, dat procederen bij de rechtbank geen enkele kans van slagen heeft. Door telkens opnieuw de kwestie aan de orde te stellen is naar het oordeel van de rechtbank sprake van kwader trouw als bedoeld in voornoemde jurisprudentie.

2.8

De rechtbank concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege misbruik van procesrecht.

3.1

Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb bepaalt, voorzover hier van belang, dat de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter redelijkerwijs heeft moeten maken. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

3.2

Een proceskostenveroordeling van de burger wegens misbruik van procesrecht komt zelden voor. Van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht is sprake als op grond van bijzondere omstandigheden kan worden vastgesteld dat het ten tijde van het instellen van (hoger) beroep voor de belanghebbende evident was dat van het (hoger) beroep geen positief resultaat was te verwachten. Dat kan zich voordoen indien op grond van reeds eerder inzake de desbetreffende aangelegenheid gedane rechterlijke uitspraken bij voorbaat onmiskenbaar vaststaat wat de uitkomst van de aangespannen procedure zal zijn.

3.3

De rechtbank is van oordeel, gelet op de omstandigheid dat eisers opnieuw een aangelegenheid aan de orde hebben willen stellen die zij reeds in vele andere juridische procedures aan de orde hebben gesteld, dat, zoals de rechtbank in de uitspraken van 19 februari 2015 en 8 april 2015 reeds heeft aangekondigd, thans aanleiding bestaat over te gaan tot veroordeling van eisers in de proceskosten die verweerder heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,00 (1 punt voor het indienen van het verweerschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een wegingsfactor 1)

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt eisers in de proceskosten die verweerder heeft moeten maken tot een bedrag van € 992,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op [datum uitspraak].

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.