Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3340

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-07-2016
Datum publicatie
14-07-2016
Zaaknummer
LEE 15/4959 & LEE 15/5116
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1156, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan een leerling van een openbare basisschool is gedurende een vrijdagmiddag de toegang tot school ontzegd. Is dit een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 15/4959

LEE 15/5116

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

en

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. Y.J. Hullegie),

en

de stichting Schoolbestuur voor primair en voortgezet onderwijs tussen Lauwers en Eems-Stichting, verweerder

(gemachtigde: mr. G.C. Boellaard-Hovius).

Procesverloop

Bij brief van 16 november 2012, gericht aan eisers, heeft verweerder aan [minderjarige] , kind van eisers, voor vrijdagmiddag 16 november 2012 de toegang tot school ontzegd.

Bij besluit van 10 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben elk tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van eiser is geregistreerd als LEE 15/4959. Het beroep van eiseres is geregistreerd als LEE 15/5116.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door H.J.E. Krol, S. Winkel en A. Fickweiler.

Overwegingen

1.1.

In het schooljaar 2012/2013 was [minderjarige] (hierna: [naam 1] ) leerling van groep 8 van de openbare basisschool [naam 2] te [plaats] , een school die onder het beheer van verweerder stond. Aan het eind van de ochtend van vrijdag 16 november 2012 ontstond er onenigheid tussen [naam 1] en een andere leerling.

1.2.

De brief van 16 november 2016 die de sectordirecteur Primair Onderwijs namens verweerder aan de ouders van [naam 1] heeft gestuurd, heeft de volgende inhoud:

‘Vandaag 16 november 2012 ontving ik het verzoek van de heer [naam 3], locatiecoördinator van obs [naam 2], om [naam 1] een time out te geven. Dit zal zijn vrijdagmiddag 16 november 2012. Dit naar aanleiding van het gedrag van [naam 1] . [naam 1] mag deze middag niet op school komen.

Het gedrag van [naam 1] is op dit moment zo dat het tot een ernstige verstoring van de rust en veiligheid in de groep leidt en een inbreuk doet op de veiligheid van de kinderen, de

groepsleerkracht en andere medewerkers binnen de school. Omdat de kwaliteit van het onderwijs daarmee niet meer gewaarborgd kan worden, is de grens bereikt.

Daarnaast hebben we de locatiecoördinator van de school gevraagd op korte termijn een

afspraak te maken om te komen tot vervolgoverleg over een oplossingsgerichte vervolgaanpak voor de gedragsproblemen van [naam 1] . Deze afspraak is maandag

19 november om 8.30 uur op de school.

U kunt tegen dit besluit schriftelijk in beroep gaan bij het bevoegd gezag van de school:

Schoolbestuur L&E, Postbus 5, 9989 ZG Warffum.

Ter informatie meld ik u dat we de leerplichtambtenaar hebben geïnformeerd over onze

maatregel en deze brief ter informatie ook aan de onderwijsinspectie zullen sturen.’

1.3.

Bij de brief heeft verweerder een bijlage gevoegd die handelt over het schorsen en verwijderen van leerlingen. In deze bijlage staat onder meer dat een leerling een time-out kan worden opgelegd, inhoudende dat tijdelijk de toegang tot de school wordt ontzegd. Tevens wordt gesproken over het verwijderen van een leerling, hetgeen inhoudt dat definitief de toegang wordt ontzegd. In de bijlage wordt de term schorsing gelijk gesteld aan het geven van een time-out en wordt medegedeeld dat tegen een besluit tot schorsing beroep kan worden ingesteld.

In de bijlage wordt voorts vermeld dat ouders tegen verwijdering binnen zes weken bezwaar kunnen maken bij het bevoegd gezag en dat zij zich eventueel tot de rechter kunnen richten.

1.4.

Bij brief met dagtekening 27 december 2012 hebben eisers bezwaar gemaakt. Bij brief met dagtekening 23 januari 2013 heeft de directeur-bestuurder van verweerder gereageerd op de brief van eisers. In deze brief stelt verweerder onder meer dat een time-out van een paar uur geen schorsing is.

1.5.

Bij brief van 24 september 2015, gericht aan verweerder, heeft de gemachtigde van eisers gesteld dat er nog altijd geen besluit op het bezwaar van eisers is genomen.

1.6.

Op 29 oktober 2015 heeft de directeur-bestuurder van verweerder eisers gehoord. Bij het bestreden besluit van 10 november 2015 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Als reden hiervoor heeft verweerder gegeven dat eisers geen belang (meer) hadden bij een besluit op bezwaar.

2.1.

Eisers hebben gesteld dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, althans dat niet is gebleken dat de directeur-bestuurder bevoegd was namens verweerder op het bezwaar van eisers te beslissen.

2.2.

De statuten van verweerder, te vinden op de website van verweerder, zijn laatstelijk gewijzigd op 29 december 2010. In artikel 2 zijn de begripsbepalingen opgenomen. Onder bevoegd gezag wordt verstaan verweerder. Onder directeur-bestuurder wordt verstaan de bestuurder die op basis van de statuten belast is met het dagelijks bestuur van de Stichting (verweerder).

Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze bepalingen van de statuten de grondslag voor de bevoegdheid van de directeur-bestuurder om namens verweerder een besluit zoals het bestreden besluit te nemen.

3. Ambtshalve dient de rechtbank te beoordelen of de brief van 16 november 2012 aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te weten een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

3.1.

De rechtbank overweegt dat de aan [naam 1] opgelegde maatregel inhield dat [naam 1] gedurende enkele uren niet tot de school werd toegelaten en dat hij in deze uren geen onderwijs kon genieten. Met deze maatregel heeft verweerder klaarblijkelijk de bedoeling gehad de orde op vrijdag 16 november 2012 te herstellen. De maatregel was van begin af aan niet van langere duur dan de lestijd op vrijdagmiddag. Vanaf maandagochtend

19 november 2012, 8.30 uur, zou [naam 1] weer tot de school toegelaten worden en dit is op die dag ook daadwerkelijk het geval geweest.

3.2.

Gezien deze omstandigheden heeft een dergelijke maatregel naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend een intern karakter. Dit betekent dat de op schrift gestelde beslissing van verweerder om een dergelijke maatregel op te leggen, geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt. Het betreft geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zodat tegen de beslissing tot het opleggen van deze maatregel geen beroep mogelijk is bij de bestuursrechter ingevolge artikel 8:1 van de Awb. Daardoor kan ook geen bezwaar worden gemaakt als bedoeld in artikel 7:1 van de Awb en artikel 1:5, eerste lid, van de Awb.

3.3.

Uit de brief van 16 november 2012, de daarbij gevoegde bijlage en uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder het opleggen van de maatregel wel als een appellabel besluit heeft aangemerkt. Dit kan echter niet tot een ander oordeel leiden dan het bovenstaande.

3.4.

De rechtbank acht het voorstelbaar dat de maatregel, hoe kort ook van duur, door [naam 1] en zijn ouders als ingrijpend is ervaren. Ook dit maakt echter niet dat de maatregel een publiekrechtelijke rechtshandeling heeft ingehouden.

3.5.

Uit het oordeel dat tegen een maatregel als hier aan de orde geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel openstaat, volgt dat de rechtbank zich niet uitlaat over de vraag of de aan [naam 1] opgelegde maatregel noodzakelijk en evenredig was.

4.1.

Het voorgaande betekent dat verweerder in het bestreden besluit het bezwaar niet-ontvankelijk had behoren te verklaren omdat tegen de opgelegde maatregel geen bezwaar kon worden gemaakt. Om die reden verklaart de rechtbank de beroepen gegrond wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering. Dit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het bestreden besluit wordt vernietigd.

4.2.

Tevens bepaalt de rechtbank, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Verweerder heeft het bezwaar immers terecht niet-ontvankelijk verklaard, zij het op onjuiste gronden.

4.3.

Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

4.4.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.488 (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt dat genoemd bedrag in gelijke delen aan eisers dient te worden betaald. Voorts stelt de rechtbank de reiskosten van elk van eisers op € 12,82 (op basis van kosten openbaar vervoer) en de verletkosten van eiseres, overeenkomstig haar opgave, op € 16,35.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167 aan eiser te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 756,82 en in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 773,17.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzitter, en mr. L. Mulder en

mr. K.J. de Graaf, leden, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.